Skip to main content

Full text of "Gisbertus Voetius"

See other formats


This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 




Over dit boek 

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteur srechttermijn is verlopen. Het kan per land 
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automatisch zoeken. 

Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 



op het web via http: //books .google . com 








THEOLOGIGALUBBARY 



r 



Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQ IC 



Digitized by VjOOQ IC 



'i:i 



Digitized by VjOOQ IC 



Digitized by VjOOQ IC 



GISBERTUS VOETIÜS 



DOOR 



A. C. DUKER, 



THBOL. DOCT. 



EERSTE DEEL. 



BOEKHANDEL EN DRUKKERIJ 

voofhMn 

E- J. BEILL. 

VDiam, 1897. 



Digitized by VjOOQ IC 



BOE&DBUKJLERIJ YOOrhoeil S. J. BBILL. — LEIDBM. 



Digitized by VjOOQ IC 



f .^. 



y 






'f/V 77 TH'J.-LOG-JM. L'.-. .^,;/ 



/ 



e«rt?t!:«!r:*^. ;.i/. 



i. S. 



Met deze derde aflevering ia het eerste deel mijner kerkhisto- 
rische studie over Gisbertus Voetius voltooid, en hebben de 
inteekenaren ontvangen wat, nu vier jaar geleden, de firma 
E. J. Brill bij haar „plan van uitgave'* beloofde: de kleinste 
helft eener biographie van dien zoo typischen godgeleerde^ om- 
vattende, in negen hoofdstukken, zyne afkomst en jeugd; zijne 
academiejaren aan de Leidsche hoogeschool; zijnpredikantsleven, 
eerst te Vimmen en daarna te Heusden. 

De drie „fasciculi", tot heden verschenen, zijn elkaar vry 
langzaam opgevolgd. Zeker, ik wenscfUe wd, dat het anders had 
kunnen zijnl Maar, ofschoon ik emeritus-predikant der Her- 
vormde gemeente van Franeker ben , is toch mijn tyd door mijne 
bezigheden ais docent in de Hebreeuwsche taal aan het gymna- 
sium zoo te Haarlem als te 's-6ravenhage, en bovendien als 
catecheet ten behoeve der afdeding van den Nederlandschen Pro- 
testantenbond binnen eerstgenoemde stad, dusdanig bezet, dat 
dit boek met recht de vrucht van snipperuren heeten mag. 

Omtrent het werkzélf vergunne men my, een en ander hier 
mede te deelen. 

Nadal ik, ten jare 1861, mijn academisch proefschrift: 
„School-gezag en Eigen-onderzoek. Historisch-kritische studie van 
den strijd tusschen Voetius en Bescartes*' in het licht had ge- 
geven , bleek mij later, hoe vooral Voetius* beeld daar niet steeds 
geteekend was met de vereischte onpartijdigfieid. Juist dat besef 
^maakte straks den lust bij m^ gaande^ om zijne merkicaar- 



I Digitized by VjOOQ IC 



dige figuur andermaal op het doek te brengen; doch die dan te 
schilderen in haar geheel en daarbij zyn leven en werken bloot- 
te leggen zonder eenige „strekking*^ zuiver wetenschappelijk, ten 
volle „sine ira et studio''. 

Gelyk vanzelf spreekt , viel er aan de uitvoering van dit plan 
niet te denken zonder voorafgaande, jarenlange nasporingen en 
onderzoekingen in allerlei archieven, kerkelijke en weréldlyke; 
zonder de noodige vertrouwdheid ook met Voetius' talrijke ge- 
schriften , met die zijner geestverwanten en met die zijner tegen- 
standers, opdat ten slotte, bij het stellen der monographie, zou 
kunnen worden geput alleen uit „eerste-hands" bronnen. 

In het ontdekken dezer bronnen ben ik zeldzaam gelukkig ge- 
weest f terwijl ik tevens by ieder eene groote bereidunlligheid ont- 
moette , om mij , hetgeen ik had gevonden , ter raadpleging af te 
staan. Hierdoor kreeg ik van lieverlee de beschikking over een 
ruimen voorraad documenten. En dit heeft er my toe gebracht^ 
daaruit talrijke aanhalingen te doen. Niet met het oogmerk, my 
aldus lastig werk van den hals te schuiven. Zich vrij te laten gaan , 
kost diktoifls veel minder moeite dan, na strenge en straffe cri- 
tiek, na een behoedzaam wikken en wegen, offi,cieele stukken 
over te nemen en met den eigen tekst saam te voegen. Op deze 
v>yze nu zocht ik het voorgevallene als in zeventiende-eeuwsche 
kleuren en geuren terug te geven en zooveel doenlijk te schre- 
ven niet mijne, maar de biographie van Gisbertus Voetius. 

Ten einde verder den tekst voor overlading met bijzonder- 
ïieden te vrijwaren , of die^i naar inhoud en vorm niet te ver- 
zwakken, heb ik in eene breede reeks noten aan den voet der 
bladzyden sadmgebracht al wat strekken kan om het geschied- 
verhaal nader toe te lichten en te verklaren; of wat, door een 
trouw en zorgvuldig verwezen naar de geraadpleegde bronnen, 
eiken deskundige gelegenheid biedt, zich aangaande de juist- 
heid myner voorstelling persoonlyk te vergevnssen. Zelfs, al 
beoogden die noten anders niet dan het verrassend bewijs te 
leveren, hoeveel belangrijks er voor de historie der vaderland- 
sche kerk soms verscholen ligt in oude , half-verbleekte gemeente- 

Digitized by VjOOQ IC 



rekeningen^ zoo zouden ze reeds daarmede een voldoend recht 
van bestaan hebben. 

En de bijlagen — te zamen honderdvyfenveertig stuks — 
moesten my dienen om Voetius , nog meer en nog beter dan 
door tekst of aanteekeningen geschieden kon , te plaatsen in wat 
men, met een groot woord ^ veekU noemt ,(fo lijst van zijn tijd". 
Bovendien was het ynijne bedoeling^ daarvan te maken een soort 
van veilige bewaarplaats voor verschillende onuitgegeven be- 
scheiden^ betrekking hébbende inzonderheid op de hoofdfiguren 
mijner kerkhistorische studie. 

Mogen gezondheid en werkkracht mij gespaard bli/jven^ opdat 
ik haar nog teekene ten voeten uiti 

A. C. DUKER. 
Haarlem, 21 Juni, 1897. 



Digitized by VjOOQ IC 



Digitized by VjOOQ IC 



INHOUD. 



BBBSTB HOOfDSIUK. 

Afkomst en jeugd bb. 1—88. 

TWBBDB HOOIDSTUK. 

lo het Staten-coUegie. Propaedeatica 84—74. 

DBRDB HOOFDSTUK. 

Theologische stadiën. Vertrek oit Leiden 75-- 124. 

yhrde hoofdstuk. 
Terag in Heosden. Predikant te Vlgmen 125—173. 

VIJFDE hoofdstuk. 

Gereformeerden in nood. Naar de vaderstad 174—215. 

ZBSDB hoofdstuk. 

Een kerkelgk conflict. Deportement van GrOTins 216—260. 

ZEVENDE HOOFDSTUK. 

Op ring, classis en synoden 261—305. 

ACHTSTB HOOFDSTUK. 

Buiten en binnen Den Bosch. Strgd met Jansenins 306—348. 

HBeEHDB HOOFDSTUK. 

lo eigen kring. Tot hoogleeraar geroepen 349—395. 

Bjlagen I— CXL. 



Digitized by VjOOQ IC 



„Een historij-Bohrgyer behoort onparthydich te wesen, immers onparthydich te schre- 
ven. Daer passie domineert, daer heeft selden reden of waerheydt plaatse; daer dese 
ontbreecken int verhaelen van een saeck, daer steeckt men de luyden fabolen inde 
yuyst yoor historiën, men spelt hnn logenen op de moawe, ende sendt se ghemeen- 
lijck na huys met een opinie, of dat de saecken heel anders gheleghen zyn dan men 
hun gheeeydt heeft, óf dat immers hy die soo parthydich schrift gheen gheloof en 

meriteert*'. 

Wtenbooaset, in z^ne »Vrye voor-reden aen de Vry", 1621. 



Digitized by VjOOQ IC 



EERSTE HOOFDSTUK. 



Afkomst en jeugd. 

Het waren benauwde dagen , die de kleine maar man- 
hafte frontierplaats Heusden in 1589 doorleefde. Gelegen 
op de grensscheiding van Holland, Brabant en Gelder- 
land , — aan twéé zijden omspoeld , door de wateren van 
Maas en Oude Maas, had de „wei-geveste en hoogh be- 
muurde" stad, twaalf jaren vroeger, vrgwillig partij ge- 
kozen voor Oranje, en het oppergezag erkend der staten 
van Holland. Al dien tgd bleef ze, gelgk te verwachten 
viel , eene uiterst begeerlijke prooi in het oog der Spaansche 
legerhoofden. Omstreeks den nazomer van 1588, kort vóór 
zgne mislukte bel^ering van Bergen-op-Zoom , dreigde 
de prins van Parma haar te zullen insluiten. Wat toen 
loos alarm bleek, werd enkele maanden lat^r bange 
werkelijkheid. Terw^l de koninklgke landvoogd om ge- 
zondheidsredenen te Spa vertoefde, trok zyn onderbevel- 
hebber Karel, graaf van Mansfeld, bij 's-Hertogenbosch 
eene vrij talrgke troepenafdeeling samen, waarmee hg 
den 20«tea Mei 1589 de omstreken van Heusden bezette. 
Door Parma's volmacht naar eisch gedekt, begon Mans- 
feld de stad aanvankelijk uit de verte te belegeren. 
Bovendien bleef hg erop bedacht der frontierplaats allen 
toevoer van levensmiddelen, oorlogsbehoeften en man- 
schappen zooveel mogelijk af te snijden, om later, wanneer 

1 

Digitized by VjOOQ IC 



2 ÏEMtÊ HOOFDÖTÜK. 

hij zelf de noodige versterking had ontvangen , haar van 
den Brabantschen kant te beschieten. 

Intusschen was binnen Heusden Charles de Levin , heer 
van Famars *), als gouverneur over de militie met het 
verdedigen der grensvesting belast *). Daartoe stond hem 
een kleine duizend man garnizoen ter beschikking. Wat 
mondvoorraad en krijgsbenoodigdheden aanging, kon 
Heusden redelyk wel verzorgd heeten ^) ; overigens was 
er lang niet alles in orde. De zenuw van den oorlog: 
geld, om de verdedigingswerken voort te bouwen en op 
tgd de manschappen te voldoen , ontbrak meermalen. 
Daardoor kwam er gedurig „apparentie van alteratie" 
onder de soldaten, die tevens ietwat „gedebauseert" wa- 
ren*). Gebruik makende van de omstandigheid, dat de 
vijand niet alle wegen tot de stad onmiddell^k had 
kunnen afeluiten, richtte Heusdens bevelhebber, den 18«*o» 
Juni 1589, een schrijven zoowel aan Maurits als aan de 
gecommitteerden der Staten te velde, toentertijd binnen 
Loevestein bgeen om toezicht te houden op het in orde 



>) «Een cloeckmoedich ende vroom edelman; een van de gedeputeerde 
vande Edelen, die anno 1566 de reque^te aen de hertoginne van Parma 
hadde ghepresenteert**. P. Bor, Nederlantsche oorloghen^ Leiden-Amsterdam, 
1626, boek XXIX, fol. 25 a. 

*) Zie Resolutien van de HH, van de ridderschap^ edelen^ ende gede- 
puteerden van de steden van Hollandt ende West-Frieslandt^ 24 en 28 Mei 1589. 

») Resol. Uoll, 16 April 1589. 

*) Ruim een jaar te voren — ook toen lag de hoofdoorzaak der «alteratie" 
in*»gebreck van betalinge" — in 1588, had het garnizoen, negen compag- 
nieën sterk, »bestaen te muytineeren, ende duurde die muytinatie van den 
31. January tot den 26. Maert; namen het stadhuys in, besetten den gou- 
verneur op 't kasteel, ende bedreven groote moedtwil". J. van Oudenhoven, 
Beschryvinge der stadt Heusden^ 2de druk, Amst., 1743, blz. 195. Vgl. 
Resol. Holl, 9 Oct. 1586; 2 Febr. 1588; 18 Aprü 1589, en de Remon- 
strantie aende H, E. Af. heeren staten van Hollandt ende West- Vrieslandt, 
van heer Johan van Oldenbamevelt ^ ridder , advocaet vanden selven lande, 
8* Graven-hagbe, 1618, blz. 14. 



Digitized by VjOOQ IC 



AKOkSt SK ISÜGD. 3 

brengen der grensversterkingen *). Dringend verzocht in 
dien brief de gouverneur, dat hem ten behoeve van het 
uit te betalen krijgsvolk en van de op te werpen schansen ') 
,eene merckelijcke somme^' gelds mocht worden gezon- 
den, eer de passage nog meer werd benauwd. Voorts 
achtte de Levin het hoog noodig de bezetting met min- 
stens een paar compagnieën te vergrooten. Ook scheen 
het hem niet ondienstig, ter voorkoming van muiterij, 
de aanwezige gamizoenssoldaten ten deele t^en andere 
te ruilen, en wenschte hij, daar de voorraad buskruit 
reeds hard was verminderd, hiervan bg gelegenheid nog 
een twintig duizend pond te ontvangen. Eerst wanneer 
dat alles zou verkregen zijn , rekende Heusdens komman- 
dant zich sterk genoeg om den belegeraars het hoofd te 
bieden, hopende «met Godes hulpe de stadt wel te be- 
waren'\ Bemoedigend was dus de stand van zaken geenszins. 
Nog klom de onrust van burgers en bezetting, toen 
het den graaf van Mansfeld, wiens l^er door de komst 
van achttien stukken geschut benevens twee duizend 
voetknechten merkelgk was aangegroeid, gelukte bij 
Aalburg door het inheien van palen en het opwerpen 
van een dam „de principaelste vaert naer de stadt'^ te 
sluiten, zorgdragende, onder het afvuren der kartouwen, 
dat die versperring door de beleerden niet werd uitge- 
heschen en weggeruimd. Ook liet, tot overmaat van 
ramp, 's Prinsen „secoureren" en dat zgner lastgevers 
voortdurend op zich wachten. Later bleek, hoe Maurits 
den 1"^^ Juli, ter regeling van sommige aangelegenhe- 
den, onverhoeds naar Zeeland was gereisd; terwijl de 
Gecommitteerden te Loevestein ^ evenals Oldenbamevelt, 



*0 Reaol. Holl, 27 Mei en 21 JoU 1589. 
V) Resol Holl, 22 Juni 1589. 
s) T. w. Johan Pauli, Dirk Jann. Lonck en Albrecbt van Loosen. 



Digitized by VjOOQ IC 



4 EBRSTE ttOOFPSTült, 

Hollands advocaat Id Den Haag^ ofschoon volkomen 
bekend met wat op de grenzen plaats greep ^), zich 
over Heusdens benarden toestand maar weinig schenen 
te bekommeren. Uit dien hoofde schreef de Levin den 
7den Augustus 1589 opnieuw twee brieven, nu echter 
gericht aan Zijne Excellentie alléén , beide nagenoeg van 
denzelfden inhoud en als vroeger aandringende op het 
zenden van hulp, die »in geender manieren mocht uyt- 
gestelt noch gedilaeyeert worden" — welke brieven hg 
door verschillende boodschappers langs verschillende wegen 
den Prins wist te doen toekomen ^). Ditmaal had zijne 
bemoeienis het gewenschte gevolg'). In den hoog ge- 
klommen geldnood werd door Gecommitteerden behoorlijk 
voorzien. Wat betrof het vergrooten en gedeeltelijk wis- 
selen der bezetting, meldde Maurits , dat , zoo de stellingen 
van den vijand het niet beletten, hij tegen den middag 
van 15 Augustus e. k. in enkele »pleyten''ofplatboomde 
vaartuigen het verlangde krijgsvolk zou doen opnemen, 
hetwelk dan, aan de hooge brug te Capelle ontscheept, 
's nachts Heusden kon binnentrekken. 

Hoe goed dit plan was overlegd — de Prins werd door 
tal van nieuw aangekomen Spaansche en Italiaansche 



1) Zoo had o. a. zekere van der Noot , uit zijne gevangenis te *s-Uertogen- 
bosch, onder dagteekening van den 2^^ Augustus 1589, aan Gidenbarne- 
velt »een deyn briefken seer cleyntgens gevouwen ende met een cleyn 
letterken in franchoys gheschreven'* doen toekomen , dat dezen op de hoogte 
moest brengen van 's graven van Mansfelds plannen en strijdmacht. Bor, 
a.tü., boek XXVI, fol. 48 a. 

3) Door Hollands staten was, binnen Heusden, uitsluitend de Levin belast 
om »met sijn Ëxc. van alle secrete saecken onder den geordonneerden cijffer 
correspondentie te houden". Reaol. HolLy 3 Aug. 1589. — Nog bevinden 
zich op het fraai gerestaureerde stadhuis te Heusden enkele brieven in *t 
fransch door prins Maurits aan den heer van Famars geschreven. Zie den 
Inventaris van het oud-archief der gemeente Heusden, Opgemaakt in 1885 
door mr. C. C, N. Krom, archivaris in Noordbrabant , blz. 20, D. 21. 

») Resol.'HolL, 9 Aug. 1589. 



Digitized by VjOOQ IC 



AFKOMST EN JEUGD. 5 

compagnieën, die zich in den omtrek der stad gelegerd 
hadden y verhinderd het op de afgesproken wijze te vol- 
voeren. Toch wilde Zijne Excellentie de vesting niet 
overlaten aan haar lot. Hadden al Gecommitteerden hem 
nadrukkelgk voorgehouden % dat hij aan geen „hasardeus 
exploict" zich wagen moest, terwijl ook de Staten het 
euvel dreigden op te nemen, indien hij, bij het over- 
brengen van soldaten, zich ^persoonlick soude employeren", 
daar dit „praeter decorum was ende tot diminutie van 
syne auctoriteyt" — Maurits haalde over die vermaning 
glimlachend de schouders op en „volchde z^n sin". 

Bevreesd, dat, zoo men nog meer talmde, Heusden 
geheellijk zou worden ingesloten, stelde h^ zich op den 
bepaalden dag aan het hoofd eener troepenmacht, die 
het krijgsvolk voor de frontierplaats bestemd konvooieerde , 
— maar nu langs een anderen weg , — tot de Prins ver- 
meende, dat het ^sonder eenigh recontre ende onbescha- 
dicht^* de stad mocht binnengaan. Hierbij evenwel bleek 
Maurits zich misrekend te hebben. Den volgenden middag 
ontving hij bericht, hoe Spaansche ruiterbenden een deel 
der toegezonden manschappen hadden gedood en een 
ander deel gevangen gemaakt ^). Niettemin waren drie 
vendels gehouden te Heusden aangekomen. Zoo versterkt, 
ging men dapper voort den graaf van Mansfeld af te 
weren , die , kort daarna , in eigen persoon een oogenblik 
gevaar liep het slachtoffer te worden zijner muitzieke 
soldaten. Welkom allicht was hem dus Parma's last, 
17 September 1589 uit Spa afgezonden , om naar Arnhem 
en Nijmegen zgn l^er te verplaatsen •) ; te meer, wijl 



ï) Resol, Holl, 23 Aug. 1589. 
a) Vgl. Resol. HolL, i en 22 Sept. 1589. 

*) Mr. J. H. van Heurn, Historie der stad en meyerye van 's Hertogen- 
bosch, Utrecht, 1776, dl. U, blz. 189. 



Digitized by VjOOQ IC 



6 EERSTE HOOFDSTUK. 

hij, weinig of niet met het beleg gevorderd, bg den 
aanstaanden wintertijd bedreigd werd door het opper- 
water, dat hier, in den regel, de laag gelegen landen 
overstroomde en reeds nu hem genoopt had zoo spoedig 
mogel^k de Hemertsche waard te ontruimen. 

Na de gewichtigste forten aan Brabantschen kant, 
Elshout , Doeveren en Hemert, met bezetting voorzien te 
hebben, brak van Mansfeld in goede orde op en als 
onder het oog der Heusdenaren, die, in den nacht van 
10 October, geholpen door soldaten en timmerlieden uit 
het Staten-leger, den dam te Aalburg begonnen weg te 
ruimen — wat, zelfs bg herhaald vuren van denvgand, 
krachtig werd voortgezet, tot het eindelijk gelukte een 
drietal schuiten met haring, stokvisch en kaas bevracht, 
binnen de vesting te sleepen ^). Dit was het sein , dat 
aan Hollands zijde de toegang tot Heusden weer open- 
stond. Onmiddellijk maakten enkele gecommitteerden der 
Staten daarvan gebruik om alle schansen, tijdens de 
belegering opgeworpen en afgewerkt, in oogenschouw te 
nemen; — den voorraad nategaan, binnen de wapen- 
plaatsen en de koornmagazijnen samengebracht*), en 
Charles de Levin voor zgn goeden , gverigen en getrouwen 
dienst „seer eerlijck te bedancken". Sedert kon de militie- 
gouverneur het pleit in zgn voordeel beslist rekenen, 
Heusdens buigerij tot haar gewone levenswijze terug- 
keeren. Nadat de graaf van Mansfeld vijf maanden en 
twee dagen de vesting omsingeld had, werd het beleg 
op 22 October 1589 door hem ^ghequiteerd" '). 

Nog volkomen vreemd aan al dat krggsrumoer en aan 



ï) Vgl. ResoL Holl, 23 Sept. 1589. 
«) Resol HolL 19 Oct. 1589. 

') Bor, a. to., boek XXVI, fol. 476— 55a, passim ; van Oodenhoven, a. to., 
blz. 195. 



Digitized by VjOOQ IC 



AFKOMST EN JEUGD. 7 

de benauwende spanning, in welke men te Heusden ver- 
keerde, sleet daar onderwgl z^ne vroegste levensdagen: 
Gisbertus Voetius, later zulk een trouw wachter op 
Sions muren, zulk een onvermoeid kampvechter tegen 
de geestelijke Filistijnen , wanneer z^ de rust der Neder- 
landsche kerk volgens hem in gevaar brachten. 

Geboren den S^on Maart 1589 — ruim twee maanden dus 
vóór het berennen zijner vaderstad ') — stamde hij uit een 
oud en aanzienlijk riddergeslacht , dat vroeger in West- 
&len, dicht bg de Munstersche stad Bilderbeek, het 
Voots- of Voetshuis, naderhand Kolvenburg geheeten, 
bewonende, ruim eene eeuw geleden naar den kant van 
Brabant was verhuisd, en welks naam reeds spoedig 
daarna zou hebben geprijkt op de Heusdensche schepen- 
rol'). Maar, ook buitendien telde de lijst van Ggsberts 
voorvaderen menigen man van beteekenis. 

Zoo had zgn overoudoom, Hadrianus Voet, streng 
Boomsch-katholiek, indertijd te 's-flertogenbosch het kloos- 
ter der Wilhelmieten , eene soort van Cisterciënser orde, 
als onderprior met eere helpen besturen *). Zoo was 
later in dezelfde stad zijn grootvader, de burgemees- 
ter van Oudheusden, Nicolaas Dirkz. Voet, na openlgk 
partij gekozen te hebben voor de zaak der Hervorming 
en die van den Prins, gevangen gezet, en, terwijl 
hij moedig bg zijne overtuiging volhardde, kort daarop 
binnen de kerkermuren van Den Bosch gestorven; mis- 



1) Zie hierachter, bijlage I. 

s) Zie bijlage II. 

') »A^ 1610 — dus teekende in 1658 onze Voetius aan — hebbe ik met 
mijn broeder Didericus Voet in 'tvoorsz. dooster zijne schilderije gezien, 
daar de naam iran Hadrianus Voetius bij ge8chi*eeven stond*'. Bijdragen en 
mededeelingen van het Historisch genootschap , gevestigd te Utrecht , dl. XII , 
blz. 312. Zie ook Gisb. Voetius, Politica ecclesiastica ^ Amst, 1676, torn. lU. 
p. 573, en voorts bijlage III. 



Digitized by VjOOQ IC 



8 EEBSTK HOOFDSTUK. 

schien wel door zijne SpaaDSche bewakers vergeven^). 

Ook Gijsberts ouders wisten beiden uit droeve onder- 
vinding van den druk dier dagen meê te spreken. Zijne 
moeder, Maria de Jageling , behoorde tot eene zeer achtens- 
waardige familie» in de Nederlandsche martelaarsboeken 
met name vermeld. Ten gevolge der goed geslaagde po- 
ging om zekeren Gerard Hagen, slachtoffer van de in- 
quisitie , uit diens gevangenis in *s-Hertogenbo3ch heimelijk 
bij nacht te bevrgden, was haar vader, Daniël de Jage- 
ling, genoodzaakt geworden te gelyk met zijn broeder 
Herman in allerijl eene stad te ontvluchten, jaren lang 
door hun geslacht als vreedzame burgers bewoond Met 
achterlating zgner verbeurd verklaarde , vrij aanzienlijke 
bezittingen , trok Daniel naar Breda , alwaar prins Willem 
van Oranje hem bij uitstek vriendelijk ontving. Terstond 
er belast met de zorg voor het tuighuis, op eene wedde 
van ongeveer acht honderd gulden — eene belangrgke 
som in dien tijd — zag de Jageling zich en den zijnen 
het geleden verlies zooveel mogelijk vergoed. 

Minder gelukkig bleek bij soortgelgke omstandigheden 
ridder^) Paulus Voet, de vader van Gijsbert. Na aan- 



') »In arrest genomen — het is wederom Voetius, die verhaalt — is hij aldaar 
naar 8 dagen detentie gestorven, waar over veele geen klijne suspicie en hadden, 
of het geen natuurlijke ziekte alleen mogt geweest zijn, waar aan hij gestorven 
was; wat hier van zij is God bekend**, ^lydro^. en mededee/., dl. XII, blz. 316. 

') Nog op zijn ouden dag achtte Voetius het der moeite waard aan 
te teekenen, hoe zekere Utrechtsche juffer, Elisabeth van Waal, in 1638 
aan zijne vrouw had verteld, dat het door hem gevoerde familiewapen 
9het regte wapen was van die Voeten, die edellieden waren, en dat het 
expresselijk onderschijden was van die Voeten, die in Duytsland en de aan- 
gi*ensende Nederlanden mede in haar wapen eenen voet voeren en zig selven 
houden als burgers**. Bijdr, en med.^ dl. XII, blz. 321. — Een ander oud 
adellijk geslacht van denzelfden naam , afkomstig uit Yperen , voerde in zijn 
wapen drie voeten. Zie A. A. Vorsterman van Oyen, Stam- en wapenboek 
van aanzienlijke Nederlandsche familiên^ met genealogische en heraldische 
aanteekeningen. Gron., 1890 , dl. III , plaat 89 , blz. 289. Vgl. Algemeen Nederl, 
familieblad, 's-Gravenhage, 1887, blz. 242. 



Digitized by VjOOQ IC 



AFKOMST EN JBUGD. 9 

yankelijk op school wat latijn te hebben geleerd, ver- 
gunde »des oorlogs troubel" hem niet zijne studiën te 
voltooien. Als waardige zoon van den onder «geen 
klijne suspicie" gestorven Bosschen martelaar, behoorde 
ook hij tot de eersten, die in deze grensstreken «de 
reli^e en des Prinsen partije favoriseerden". 

Niet lang duurde het , of hij nam dienst bij de troepen, 
waarover sinds 1578 jonker Johan Bax als militie- 
gouverneur het bevel voerde^), en die Heusdens kasteel 
vastberaden wisten «te verzeekeren t^ens de Spanjaarden 
ende te houden voor den Staten". Eerst toen hij, om- 
streeks 1581 getrouwd, zgn huwelgk met kroost zag 
gezoend, begreep Paulus, dat het zaak was den krijgs- 
mansstand vaarwel te z^gen, en zich — «hebbende 
noit ambagt geleerd of geexerceerd , zijnde ook te gene- 
reus van gemoed om hem met eenige klijne neeringe of 
cramerije of coopmanschap te behelpen" — als eenvoudig 
particulier binnen Heusden te vestigen. 

Te gereeder ging hg daartoe over, omdat hij , zoo door 
het afsterven zijns vaders (Cecilia van Caleyt, zijne moe- 
der, schijnt niet meer in leven te zijn geweest), als door 
den plotselingen dood van zijn broeder Dirk, die met 
vrouw en kinderen te Oudheusden aan de pest overleed, 
en wiens erfgenaam hg werd, in het bezit was geraakt 
van uitgestrekte goederen «princypaalgk in landerijen 
bestaande", uit welker opbrengst hij met zijn gezin 
ruimschoots meende te kunnen leven. Toch zag hij zich 
in die verwachting bitter teleurgesteld. De ongunst der 
tgden , verbonden met de ruwe praktijken van den oorlog, 

1) Later werd Bax, wijl hij uit Brabant geboortig was, »tot conservatie 
vande privilegiën ende gerechtigheden vanden lande" door de Staten uit 
98ijn ampt ende officie" te Heusden ontslagen en aangesteld »ais overste 
van den krijghsvolcke binnen Weeep, Muyden ende Naerden in guarnisoen". 
ResoL HolL^ 8 Juni en 10 Aug. 1584. 

Digitized by VjOOQ IC 



10 BERSTB HOOFDSTUK. 

deed weldra zgn eigendom in waaide belangrgk vermin- 
deren O* Geheele stukken land met weidegroen of wilgen- 
hakhout bezet moesten vaak ongebruikt blgven liggen , 
wegens de beroering van den krgg, die niet toeliet het 
gewas naar eisch te behandelen en in te zamelen. EQerbg 
kwam , dat de Levin's voorganger, jonker Christoflfel van 
Tselsteyn*), van 1584 tot 1588 kommandant over het 
vestinggamizoen , toenmaals bevolen had, ééne groote 
woning en twéé kleinere huizen in Oudheusden, aan 
Paulus Voet behoorende, ten algemeenen nutte af te 
breken ') ; terwgl hg tevens sommige van diens boom- 
gaarden en grienden, nabg de frontierplaats onder het 
geschut des vgands gelegen, — daar men eene berenning 
van Heusden door Parma vreesde *) — liet omhakken en 
afbouwen, ten einde er verschansingen op te werpen, 
zonder nochtans aan hun eigenaar de minste schadeloos- 
stelling te doen uitkeeren'). Door dit alles werd het 
inkomen van den „genereuzen" particulier jammerlgk be- 
snoeid , en vond zich deze van tijd tot tgd genoopt, tegen 
zeer lagen prijs , een deel zgner landerijen te verkoopen , 



1) Omdat 9de onroerende ende erffelijcke goedei*en door de miserie van den 
oorlogh in waerde ende inkomen'* sterk gedaald bleken , verleenden toentertijd 
de Staten, op verzoek van Heusdens regeering, bij gerechtelijk uitwinnen 
»8Ui*cheantie van verkoopinge". Resol. HolLy 31 Oct. 1585. De oorspronke- 
lijke aanschrijving der Staten berust in het Oud-archief der gemeente 
Hexisden, D. 22. 

2) Resol HoU.y i Aug. 1584. — Meermalen kwamen bij de Staten klach- 
ten tegen hem in. Ten laatste werd van Yselsteyn «omdat hij in praesentie 
van Zijne Exc. hooge woorden had gebruikt**, uit den dienst ontslagen. 
Resol. Holl, 4 Juni en 18 Sept.1588. 

») Vgl. Resol. Hall, 6 Sept. 1584. 

*) Zie hierboven, blz. 1. 

*) Sedert 1594 geven, nu en dan, de Staten aan Gecommitteerden in 
last: de schade, die sommige Heusdenaren leden door het «afdelven van 
hare huysen en erven**, te vergoeden; doch geenszins »daerinne te treden, 
om kennisse te nemen van eenige uytdelvinge, in voorgaende jaren gedaen**. 
Resol. Holl, 9 Sept. 1594. 



Digitized by VjOOQ IC 



AFKOMST EN JEUGD. 11 

wilde l^j in de klimmende behoeften der huishouding 
zoo goed mogelgk voorzien. 

Met recht kon dus worden verklaard , dat de jeugdige 
Ggsbert onder geen gunstig gesternte was ter wereld ge- 
komen. Kort vóór zijne geboorte: die inkrimping der 
ouderlgke fortuin, en kort nk zijne geboorte: die belege- 
ring van Heusden, in hare gevolgen telkens weer gevoeld; 
waarbg zgn vader zel& een oogenblik gevaar had geloo- 
pen in Spaansche handen te vallen, als h^, uitgegaan 
om enkele landerijen te bezien , zich , vermetel geno^ , 
te veel buiten de muren der vesting waagde — beide 
gebeurtenissen schenen weinig geschikt hem eene blijde 
jeugd te verzekeren. Ook werd zgne moeder, — door 
«sware en bijna gestadige krankheden en accidenten^' be- 
zocht, — meermalen weken lang onder hevige pgn aan 
het ziekbed gekluisterd. Hoogstwaarschijnl^k zal dan Gys- 
berts peettante, de latere burgemeestersvrouw, Geerbrug 
van Steewech^), die indertijd hem ten doop hield, het 
lot van den knaap, zooveel zij vermocht, zich aange- 
trokken en dezen vergoed hebben, wat h\j, ten gevolge 
der min-gunstige huiselijke omstandigheden, aan oplet- 
tende zorg ontberen moest ^). Hoe dit evenwel z|j : Paulus 



1) »Joban Stewechs — zoo schrijft Voetias ten jare 1658 — in zijn leeven 
scheepen en burgermeester tot Heusden , welkers huysvrouw genaamd Geer- 
brug Thomas mij ten doop gedragen (en mij peetzoon noemt), als nu noch 
over de 90 jaren zijnde ,. heeft 3 kinderen in 't leeven''. Bijdr, en med, , dl. 
XII, blz. 315. 

Blijkens het vermelde; Resol. Holl, 30 Oct. 1603 — waarbij de Staten, 
op haar request , aan »6eerburgh Thomasdochter , weduwe van Jan Lenertsz. 
Steenwech, hebben geremitteert ende quyt gescholden ses jaren erf-chyns, 
die sy het landt hadde behooren betaeldt te hebben" — is haar* huwelijk 
niet van langen duur geweest. »Jan Leenars Steenweg" komt, op de Heus- 
densche magistraten-lijst bij van Oudenhoven, a.w,^ blz. 163, ten vierden 
en laatsten male in 1600 als vborgemeester" voor. In 1593 bekleedde hij 
die vraardigheid voor het eerst. 

*) Nog behoorde tot de vrouwelijke leden zijner &müie binnen de 



Digitized by VjOOQ IC 



12 EEE8TE HOOFDSTUK. 

Voet en Maria de Jageling trachtten , zoo in den omgang 
met anderen als by de opvoeding van hun kroost , trouv^r 
het eervolle verleden op te houden van beider geslacht. 
De heerschende toon binnen hunne woning bleef geken- 
merkt door eene , voor die dagen , niet geringe mate van 
beschaving. Ofschoon zij gedwongen werden hun uiterlijken 
staat te verminderen , leden toch de hoogachting en wel- 
willendheid jegens hen, zelfe van Heusdens aanzienlijkste 
burgers, in het geheel geene schade^). 

Dat deze behandeling alleszins verdiend was, blijkt, 
onder meer, uit het gedrag van Qijsberts vader, toen 
men hem den raad gaf, om — wijl hg in 't belang zijner 
goederen soms buiten de stad moest vertoeven — zich, 
voor de leus, aan „d'een of d'ander compagnie" te ver- 
binden. Raakte hij , bij zgne verschillende uitstapjes, on- 
verhoopt gevangen, zoo kon hij, naar gebruikelyk was, 
tegen een vast soldaten -rantsoen gelost worden. Niets 
beslister in stryd met het fiere karakter van den edel- 
man , dan zijn land „te frauderen" door zulk eene schgn- 
monstering. Dergelijk «lorrendrajen" hatende, schaarde 
Paulus Voet zich omstreeks het jaar 1592 in vollen ernst 
bg de militie , gekommandeerd door Heusdens gouverneur, 
Floris van Brederode , ten einde haar te vergezellen „seer 
eerlijk en trouw, op alle togten en aanslagen, waartoe 
zij wierd geemployeerd'\ 



frontierstad : Agneta Voet , gehuwd indertijd met jonker Jan van Gapelle. »Deze 
Agneta — teekent Voetius aan — wonende omti'ent de Waterpoort tot 
Heusden, zijnde weduwe, hebbe in mijn kindse jaren gekend". B(/c2r. enmed.^ 
dl. XII, blz. 313. 

1) Niet zonder heimelijken trots betuigde later Paulus* kleinzoon en naam- 
genoot, de Utrechtsche hoogleeraar in de rechten , tegenover Samuel Maresius: 
»Nobis enim sufficit esse bonis, et bene natis, et bonis prognatis: neque 
quenquam fuisse de farailia Voetiorum , quorum nos pudere debeat*'. Appendix 
apologetica^ p. 274; toegevoegd aan zijn geschrifl: De usu juris civilis et 
canonici in Belgio Unito^ etc., ültny., 1657. Vgl, bijlage IV. 



Digitized by VjOOQ IC 



Ay&OlfST fiN JEÜGlD. 13 

Ten dage dat Gijsbert — zesde der acht kinderen — 
geboren werd , mocht het ouderlijk gezin sedert lang niet 
meer voltallig heeten. Twéé zoons, beiden, naar hun 
grootvader van moederszijde , Daniël genoemd , waren, kort 
na elkander, nog heel jong zgnde gestorven. Daarop was 
gevolgd: Nicolaas, die in zijn vierde jaar overleed. Ook 
eene dochter , Cecilia , stierf op jeugdigen leeftijd. Slechts 
met Dirk, een drie jaar ouderen, en Paul, een drie jaar 
jongeren broeder, alsook met zijne zuster Elisabeth deelde 
Gflsbert, opgroeiende, den huiselijken haard ^). 

Van nature met groeten weetlust b^ftigd, was hij 
nauwel^ks de kinderschoenen ontwassen, toen l^j, in 
gezelschap van Dirk , door zgn vader reeds ter Latgnsche 
of »groote schole" *) werd gezonden. Gelijk overal, bleek 
ook te Heusden het onderricht nog geschoeid op de klooster- 
lijke leest van het ^trivium", dat den leerling achtereen- 
volgens bekend maakte met grammatica, rhetorica en 
dialectica; waarbij dan later, na verwisseling van de lagere 
voor de hoogere klassen , arithmetica en aanverwante vak- 
ken kwamen. Als hoofd der „groote" school was werk- 
zaam Franco Odolphi '), een wel jong *) maar geleerd man ; 
volijverig ondervqjzer, die — naar de in deze dagen dikwijls 
gevolgde manier van doen — in zgn persoon de beide 
betrekkingen van rector en openbaar notaris vereenigde *). 

1) Zie bijlage IV. 

*) Volgens het »qQohier vande verpondinge*', in irerband met dat »vande 
scbonsteenen ofte haertsteden", werd die school gehouden in het voormalige 
»mannen dooster". Oudrorch, Heusden^ C. 1 en 10. Van Oudenhoven, a. to., 
blz. 15, vermeldt: »'t vrouwen klooster is des stadts Latijnsche schoole". Dit 
echter was het geval eerst na 1617. 

») Zie bijlage V. 

*) Bij het aanvaarden van zijn rectoraat den 9^«* Mei 1597, telde hij 
mioQ één en twintig jaren. Zie de gemeenterekening over 1597, in het Oud- 
arch. Heusden, E. 39. 

*) Ook ten platten lande ging 't schoolmeesterschap soms gepaard met de 
waaineming van het notaiiaat. Zie o. a. ResoL Holl.^ 9 Sept. 1594. 



Digitized by VjOOQ IC 



H ËfiESTE HOOFDSlUS:. 

Onder Franco's discipelen betoonde Ggsbert zich »geen- 
sints de minste" ^). Van ^wanstuericheyt" viel bij den 
knaap weinig of niets te bespeuren , terwijl hij , wat op 
zoo jeugdigen leeftgd aan oordeel hem ontbrak, door 
noeste vlflt wist te vergoeden. Bovendien kwam een scherp 
geheugen , dat zijn bezitter maar zelden in den steek liet, 
den schooljongen uitnemend te stade. Geprikkeld door 
het loffelijke voorbeeld van een zgner aanverwanten, 
Godschalk van Steewech *), weinige jaren geleden gestor- 
ven en als kundig latinist hoogelijk geroemd, legde hg 
zich terstond met groote nauwgezetheid toe op het be- 
oefenen van de spraakleer dier taal '). Voldoende daarin 
gevorderd, trachtte hg later door te dringen ook tot 
vorm en geest der Romeinsche classieken *). Tevens 
maakte hij herhaaldelijk werk van allerlei stijloefenin- 
gen — hierbij soms j,seer weynich", soms »in gantsch 
geener wyse" geholpen ^) — ten einde zóó met het spre- 
ken en het schrgven van 'tlatijn behoorlgk vertrouwd 
te worden. 

Nadat de eerste moeielgkheden van louter grammati- 
schen aard overwonnen waren en hg »de simpele struc- 



*) Oud-arch, leusden ^ E. 208, bijlage tot fol. 41 der gemeenterekening 
over 1601. 

^) »Habet et prudentia militaris sua arcana, imprimis in stratagematis , 
de quibus exstant libri quatuor Julii Sexti Frontini, una cum Vegetio editi 
et notis illustrati a Godeschalco Steewechio cognato et populari nostro**. 
Gisb. Voetius, Disputationes theologicae selectae^ ültraj., 1655, tom. ü, 
p. 907. Het daar bedoelde boek was door hem, als student, in Leiden aange- 
kocht. Oud-arch. Heuaderiy E. 210, bijlage tot fol. 41 vei*so der gemeente- 
rekening over 1606. — Eene lijst van van Steewechs geschriften geeft van 
Oudenhoven, a. to., blz. 186. Zie verder bijlage VI. 

») Zie bijlage VIL 

*) Vgl. Voet., Dispp, select y Amstel., 1667, tom. IV, p. 113 »8i puri- 
tatem latini sermonis, ex usu dassicorum scriptorum spectemus*'. 

*) Oud-arch, Hemden y E. 208, bijlage tot fol. 41 der gemeenterekening 
over 1601. 



Digitized by VjOOQ IC 



AMtOMSt «N AUQD. 15 

lure" voorgoed achter zich had gelaten, begon Gijsbert 
kennis te maken met de geschriften van Cicero. Behalve 
een deel der ^Orationes'' en der ^Epistolae ad familiares", 
las h^* diens ^Gato major^' en „Paradoxa^'. Uit de geschied- 
schrijvers hield hem inzonderheid Sallustius bezig; de 
^Bellum Gatilinarium'* werd zorgvuldig van het begin tot 
het einde doorgewerkt^). ïn overeenstemming met de 
voortreflEelijke gewoonte, sedert het herleven der oude 
letteren op de meeste scholen ook hier te land^ gevolgd, 
liet Franco Odolphi zijne discipelen nu en dan hunne 
krachten beproeven, niet zoozeer aan het opvoeren*), als 
wel aan het memoriseeren en opzagen van tooneelstuk- 
ken, geschreven in de taal, die het meest herinnerde 
aan de jaren van Rome's bloei. Daartoe leenden zich 
bovenal de in zuiveren vorm gegoten en keurig gepolgste 
blgspelen van Terentius. Drie dezer: de j^Andria", de 
,Adelphi" en de „Heautontimorumenos" werden, onder 
rectoraal toezicht, door Ggsbert gelezen, verklaard en 
van buiten geleerd ^. Hetzelfde vond plaats met de , wel 
ruwe , maar geestige en indertgd zéér gezochte comedies 



1) Vgl. Voet, Dispp, select., Ultraj., i659, tom. Hl, p.60,en A.Essenius, 
Oratio funehris in ohUum G, Voetii, Uitng., 1677, p. 9. Een exemplaar 
dier lijkrede bevindt zich in de Genteche universiteitsbibliotheek. Hier te lande 
heb ik daarnaar te vergeefs gezocht. 

*) Venator, een bekend ^nhanger van Arminius, predikant en rector te 
Alkmaar, v^erd, onder meer, beschuldigd hiervan: dat hij sommige bij hem 
inwonende jongelieden, v^ien hij latijn en grieksch leerde, tot oefening van 
het geheugen, en om hen in de kunst der welsprekendheid te bekwamen, 
de »Andria'* van Terentius ibinnens huis hadt laten spoelen". G. Brandt, 
Historie der reformatie j Amst., 1674, dl. II, blz. 92. Tegen dat ^opvoei-en" 
qvert later ook Voetius, wanneer hij als hoogleeraar de vraag: «An con* 
dacant scenicae actiones puerorum in scholis sive latinis, sive galiicis?" 
beantwoordt met de verklaring: «Assentiri malim synodis belgicis, quae 
antehac illas improbarunt'*. Dispp. select,, tom. IV, p. 382. Vgl. daarmede 
p. 358, 366, 375. 

») Vgl. Voet., Dispp. select., tom. IV, p. 411. 



Digitized by VjOOQ IC 



16 EERStE HOOPDStÜS:. 

van Plautus '). Zonder nog ergernis te nemen aan tal van 
nitdrukkingen , waarin de gloed van den hartstocht wed- 
ijvert met het schalksch vernuft van den schrijver en het 
levendig, het natuurlijk karakter van den dialoog, wist 
onze leerling der hoogere klassen zoowel „Pseudolus" en 
,Menaechmi" als i, Amphitruo", geheel uit het hoofd , vlot 
en levendig voor te dragen >)• 

Toch werden, ter wille dier tooneelpoëzie , de andere 
dichtsoorten niet vergeten. Op de lezing van Ovidius' 
eerste boek der „Metamorphosen", volgde de „Georgica'' 
van Virgilius *) met enkele stukken uit de » Aenels" ; 
welke lectuur straks weder plaats maakte voor sommige 
^Oden" van Horatius en diens » Ars poëtica'' *). Mocht GFijs- 
bert bij zulke vorderingen met reden hopen , dat hij zijn 
bloedverwant van Steewech naderhand geene oneer zou 
aandoen — ook wat de studie van het grieksch betreft '), 



O Vgl. Voet, Dispp. select, tom. O, p. 205, 1385; tom. IV, p. 401. 
Voor zestien stuivers werd, indertijd, ten zijnen behoeve een Plautus 
gekocht. Oud.-arch. Heusden, E. 208, bijlage tot fol. 49 verso der ge- 
meentei*ekening over 1603. 

*) In later jaren rangschikt Voetius de werken van beide schouwspel- 
dichters grootendeels onder die boeken , aan welker lezing de jeugd niet mag 
gewaagd worden, en waarvan hij vol afkeunng betuigt: «quos utinam in- 
fernus omnee absorpsisset, ut quidem eos eructavit 1" Gisb. Voetius , jBo^ercitia 
et hibliotheca studiosi theologiae, edit. sec., Ultng., 1651, p. 386. Vgl. Dutpp. 
select,, tom. II, p. 605 8c 606: «quiobscenaaliaqueinfandaflagitiapropalant^ 
utinam ad orcum , unde prodiei*e , daranati fuissent ! Saltem dum adhuc exstant, 
nee promiscue divulgandi sunt, nee legendi, nedum in scholis proponendi". 

') Bij zijne briefwisseling naderhand met verschillende geleerden, maakt 
Voetius niet zelden gebruik van aanhalingen uit de oude classieken, inzon- 
derheid uit Virgilius. 

*) Vgl. Voet., Dispp, select, tom. IV, p. 246 ; alsook zijn : Thersites heaur 
tontimorumenos, hoc est, Remonstrantium hyperaspistes, catechesi, et litur- 
giae Germanicae, Gallicae, et Belgicae denuo insultans, retusus; idemque 
provocatus ad probationem mendaciorum, et calumniarum quae in ill. dcL 
ordd, et ampl. magistratus Belgii, religionem reformatam, ecclesias, «y- 
nodos, pastores etc, sine ratione, sine modo effudit, Ultraj., 1635, p. 5. 

*) Daaraan herinnert in den auctie-catalogus van Voetius' bibliotheek o. a. 
het schoolboek: Matthiae Bredébachii introductiuncula in Graecas litteras, 



Digitized by VjOOQ IC 



APKOHST EN JEUGD. 17 

muntte Iqj tiit boven velen zgner tgdgenooten. Reeds had 
hg op Heusdeus schoolbanken zich het voornaamste eigen 
gemaakt uit de werken van Homerus en Hesiodns, toen de 
lector-notaris ertoe overging ook nog de i^Sententiae*' 
van Nilns *) en een gedeelte van het „Nieuwe Testament" 
met hem te behandelen. Soms evenwel lieten drukke 
bezigheden op het kantoor den ambtenaar te weinig tgd 
voor zijne veelomvattende taak van scholarch , zoodat in 
de klasse onvoltooid moest bleven , wat hij anders gaarne 
zou hebben aj^edaan^). Oeen nood; te huis las Gijsbert 
voor zichzelf den geheelen Terentius, en al de twaalf 
zangen der „Aenels". 

Ter afwisseling , en soms ter begeleiding van de studie 
der oude classieken, gaf Franco zijn discipelen ook voor- 
bereidend onderricht in het formeel gedeelte der wijsbe- 
geerte. Nauwelgks hadden de lagere rekenboekjes voor 
Ggsbert uitgediend , of het werd hem vergund de werken 
ter hand te nemen van Pierre de la Ramée — den toen- 
maligen bestr^der van Aristoteles ') , tevens een onver- 



Colon. Agripp., 1534. — Bredenbach, rector aan de Latijnsche school te 
Emmerik, stierf in 4559. 

I) N3u8, de oudere, geldt als een voortreffelijk vertegenwoordiger van 
het Grieksche monnikenwezen. Hij leefde omstreeks 420, in een klooster op 
den berg Sinai. Vgl. dr. Herzog, ReaUEncyklopaedie^ Gotba, 4858, Bd X, S. 355. 

^) Het valt natuurlijk niet meer uit te maken of Franco Odolphi , bij 
zulke gelegenheden , zich voldoende kon laten vervangen door één van beide 
vondermeesters der schole'* — Jan Tielmansz. van Walraven en Dingman 
Jacobsz. — sedert 14 April 1601 als zoodanig aangesteld, onder verplich- 
ting van : »getrouwelick te dienen int t* gene henluyden by den rector sal 
worden geoommandeert, wyens commandement sy int besonder gehouden 
syn ende daer toe sy hen verbynden by desen inde goede oeffeninge der 
jonge jeucht soo in t lesen, schryven^ manieriyckheden als andere sedicheden 
inne ende buyten der schole tachtervolgen ende naer te comen, sonder yet 
wes daerinne te mogen versuymen. Op pene van t* allen tyden datelick ge- 
deporteert te worden". Oud-arch, Heusden^ E. 208, bijlage tot fol. 33 verso 
der gemeenterekening over 1601. 

') Als hoogleeraar trekt Voetius nu en dan voor Aristoteles en tegen 
Ramos partij. Zoo b. v. waar hij, handelend over het leerstuk der schepping, 

3 



Digitized by VjOOQ IC 



18 EBBSTE HOOFDSTUK. 

schrokken Hugenoot, gevallen in den Bartholomeusnacht 
als slachtoffer van zgn doodv^and Jacobus Cai'pentarius. 
Voorgelicht door diens veel uitgebreider leerboeken , stond 
Ggsbert de weg open, om grondig kennis te maken zoo met 
arithmetica en geometrie als met logica en dialectiek. 
Zeker heeft zijn op scherpzinnig denken aangelegde geest 
zich reeds toen met besliste voorliefde geoefend in de 
regelen der disputeerkunst ; waarbij hem als gidsen Ra- 
mus' vr^zinnige «Dialectica" en Crellius' streng-schoolsche 
«Theoremata logica" door Heusdens rector werden aan- 
geprezen *). 

Wanneer Voetius, op gevorderden leeftijd, aanleiding 
vond anderen bezig te houden met verhalen over zijne 
jeugd en het door hem genoten onderwijs, kwam hij er 
lichtelijk toe de jaren z^ner vroegste ontwikkeling te 
verbinden met het woeden van den kr^g, zoo binnen als 
buiten den kring z^ner naaste omgeving^). 

Dat Maurits, gesteund door eene kleine, doch van ge- 
schut ruim voorziene troepenmacht, de bg Heusden ge- 
legen schansen te Elshout, Doeveren en Hemert, in 1590 
op den vigand heroverde ') — een wapenfeit, waardoor de 
Prins zich nieuwe aanspraken verwierf op den dank van 
Qijsberts stadgenooten , die nu veel vrijer zich bewegen 
konden — bleef natuurlijk den knaap niet onbekend, ook 

op de vraag: »An detur matena pnma Ainstotelica ; eaque a Deo sit creata ?*' 
laat volgen: «Affirmo. Ët in rectam rationem, ac doctrinam da creatione 
peccant declamationes Rami in scholis physids". Dispp, select, Uitraj., 1648, 
torn. I, p. 615. — Ook komt het Voetius voor, dat Ramus, bij zijne bestrijding 
van Aristoteles ^nimis acerbe et contentiose" te werk gaat, terwijl hij hem 
bovendien beschuldigt: vquod ex Ludovico Vive plei'asque censuras Aristote- 
licae philosophiae desumserit; uti ad oculum ostendit Keckermannus*M>i^p»p. 
select, tom. m, p. 1113 & 686. 

*) Essenius, Orat fun., p. 8 & 9. 

3) »Fateor me ibidem (in civitate Heusdana) ab infantia educatum et in 
liteiTs, fervente bello, institutum**. Voet., JHspp. select, tom. FV, p. 283. 

8) ResoL Holt, 30 Sept. 1590. 

Digitized by VjOOQ IC 



AFKOMST EN JEUGD. 19 

al viel het toenmaals nog buiten het veld zjjner persoon- 
lijke waarneming. Hetzelfde geldt van zoo menige andere 
gebeurtenis , in die dagen van strjjd voorgevallen. Afgaande 
op hetgeen hem naderhand door zijn vader, geplaatst bg 
de troepen van Heusdens gouverneur, buiten tw^fel in 
kleuren en geuren werd verteld, wist hij, schier als oog- 
tuige , meê te spreken over de verrassing van Breda O 
en den mislukten aanslag op Lochem; — over de schit- 
terende krijgsbedi-öven van Hollands stadhouder, dien 
Oldenbamevelt , ofschoon niet zonder tegenkanting, had 
doen b^ftigen met het gouvernement óók van Over^'sel , 
Utrecht en Gelderland *). Beurtelings het hoofd biedende 
aan Parma, door de wateren te Spa slechts tijdelijk ge- 
baat, en aan den graaf van Mansfeld, wiens middelmatig 
veldheerstalent tegen het zijne niet bestand bleek, was 
het Maurits — gedurende de jaren dat Qijsbert als aan- 
komende jongen binnen den huiselijken kring verkeerde — 
gelakt der Staten legerbenden van de eene zege te voeren 
tot de andere: Zutfen en Deventer te veroveren; Delfzyl 
in het noorden, Hulst in het zuiden te bemachtigen; de 
sterke vestingen Steenwijk en Coevorden voor zijn oor- 
logsbeleid te doen bukken ; Qeertruidenberg te belegeren 
en in te nemen , waardoor de laatste Hollandsche stad ^) 
den Spanjaarden ontviel; bovendien Groningen te ver- 
meesteren*), dat, van nu af met de Ommelanden tot 
ééne provincie samengesmolten, als zevende gewest aan 
de Unie werd to^evoegd. 
Maar — ook de weerslag van dat kr^gsgeluk kwam 



Ij ResoL Holl, 5 Maart 1590. 

*) Vgl. de reeds aangehaalde Remonstrantie, etc., van Oldenbamevelt, blz. 14. 
'j Greertniidenberg maakte in die dagen, evenals Heusden, deel uit van 
Zidd-Holland. 
O Resol. Holl, 28 Juli 1594. 



Digitized by VjOOQ IC 



20 EBR8TE HOOFDSTUK. 

Gijsbert ter oore, als hg, reeds schoolgaande , door oudere 
makkers of bij monde van Heusdens burgerg vemam ^) , 
hoe de in dienst vergrijsde , nagenoeg negentigjarige Mon- 
dragon Zijne Excellentie had genoodzaakt het beleg voor 
Grol op te breken; bij welke gelegenheid te gelgk met 
den graaf van Solms ook Pilips van Nassau , broeder van 
den Frieschen stadhouder Willem Lodewgk, op het slag- 
veld den heldendood stierf. Ging het ptts gewonnen Hulst 
bij verdrag wederom over in handen van den Oosten- 
rgkschen kardinaal-aartshertog Abrecht *), tegen dat ver- 
lies woog rgkelijk op de wijdvermaarde veldtocht van 
1697, toen, na het ruitergevecht bg Turnhout'), een 
negental min of meer versterkte plaatsen , en onder deze 
nu ook Grol , door Maurits , vergezeld van den jeugdigen 
Frederik Hendrik , in betrekkelgk korten tijd bemachtigd 
werden*); hetgeen, zooals spoedig bleek, hier en daar 
eene niet geringe verlichting gaf aan den oorlogslast ^). 



*) Dat Voetius, oók nog langs anderen weg, bekend werd met de be- 
langrijkste gebeurtenissen op het oorlogstooneel , mag waarschijnlijk worden 
afgeleid uit het aanwezig zijn in den auctie- catalogus zijner boekerij van 
monogi*aphieën als b. v. deze : «Journael van 't principaelste in Vlaenderen 
geschiet zedert den 25. April tot den 15. September 1604, nevens het belegh 
en overgaen van Sluys**. Zie Auctie-catal, voornoemd, pars ü, roisc. in 
quarto, n^. iiS. 

«) ResoL Uoll.y 20 Aug., 5 en 23 Sept. 1596. 

») ReaoL HolL, 24 en 28 Januari 1597. Vgl. Johannes Kuchlinus, Oratio 
panegyrica depraeclara victoria d, Maurltix comitis a Nassau jiixta Turnhout^ 
Lugd. Bat., 1597; voorhanden op het Britsch Museum, naar mij de heer 
L. D. Petit mededeelde. 

*) Bij het den volke bekend maken van dergelijke overwinningen hoorde 
Gijsbert- meermalen Jan Reinkin, als koster, «smergens vande 9 hueren tot 
10 hueren ende savens vande 7 huei*en tot 8 hueren victorie luyden**. Oud- 
arch. Hemden, E. 207 en 208. 

») Holland en West-Friesland alléén moesten vaengaende de betalinge 
van den oorloghs-volcke", om de twee en veertig dagen ƒ 235,000 storten; 
waarbij dan nog, over het geheele jaar berekend, eene som van /" 241 ,989 
kwam. Resol. HolLy 9 Januari 1 597. Vgl. dr. R. Fruin, Tien jaren uit den 
tachtigjarigen oorlog ^ Amst., 1861, blz. 390. 



Digitized by VjOOQ IC 



AFKOMST EN JEUQD. 21 

Ditzelfde jaar 1597, met zijne zegepralen, bleek echter 
lioogst noodlottig voor Ggsberfcs familie. Aangevoerd door 
den kolonel-gouverneur Floris van Brederode, heer van 
Eloetinge, had de Heusdensche militie, en met haar 
Paolus Voet *)> zich geschaard bij de legermacht, die om- 
streeks half Augustus met Maurits en Willem Lodewijk 
t^en Rgnberk was opgetrokken *). Na het vermeesteren 
van genoemde plaats ^) volgden weldra Meurs *) en Grol*), 
waarop de beide stadhouders den l»**"» October het bel^ 
slopen voor Bredevóort. Langer dan men had gedacht, 
bood die kleine vesting weerstand aan het wapengeweld 
der vereenigde vorsten**). Hier werd Paulus Voet door 
grof geschut zoodanig aan rechterborst en schouder ge- 
troffen, dat hij ^sonder eenige spraak of teeken van ver- 
stand te geeven", neerviel en den laatsten adem uitblies ^). 

Groot was de verslagenheid door die treurmare teweeg- 
gebracht binnen de woning zgner zwakke, telkens sukke- 
lende echtgenoote, daar z^ achterbleef met vier kinderen, 



O Vgl. hierboyen, blz. 12. — In eene «memorie vande compaingnies 
binnen der stede van Hueeden garaison gehouden hebbende gedqerende de 
maenden van Majo, Junio, Julio, Augusto, Septembri ende Octobri i597*\ 
staat aangeteekend : »De compaingnie colonelle vanden heere van Cloutingen 
is geduerende (de maenden) van Majo, Junio ende Julio op den borger ge- 
logeert geweest tot dat deselve op den iersten Augusti naer het leger is 
vertrocken, hebbende alhier tot besettinge vanhet casteel gelaeten achtende 
dartich mannen met noch diversche vrouwen vande zelve compaingnie". Oud- 
arcfu Heusden^ D. 48. 

«) Vgl. Bor, a,w., boek XXXIV, fol. 386—546. 

^) Resol. Holl.^ 22 Aug. 1597. — V^eldra opnieuw in 'svijands handen 
gevallen, werd die vesting den 30*^^>^ Juli 4601 door Maurits heroverd. 
Mogelijk wist Gijsbert zich later nog te herinneren, hoe er »midts het 
schieten vande victorie van Rynberck drie gelasen inde (Latynsche) school 
geheel verdorven waren**. Oud-arch. Hensden, E. 208, bijlage tot fol. 50 
der gemeenterekening over 1601. 

4) Resol. Holl, 4 Sept. 1597. 

») ResoL Holl., 27 Sept. 1597. 

•) ResoL HolL, 8 Oct. 1597. 

^) Biidr. en med., dl. XII, blz. 320. 



Digitized by VjOOQ IC 



22 KERSTE HOOFDSTUK. 

van welke de oudste nauwelijks elf jaren telde, en ge- 
roepen werd, bij kommerlgke omstandigheden, hunne op- 
voeding te voltooien. Indien tegen het einde van 1597 
de weduwe Voet, zich bevonden heeft te midden van 
den broeden stoet kerkgangers, die, gehoor gevende aan 
den last der stedelyke regeering , heêntoog naar het huis der 
openbare samenkomst, om er voor de gelukkige overwin- 
ningen door prins Maurits behaald „den Heer der heir- 
scharen hooghlyck te dancken ende te loven" ^), dan 
zullen het ongetwijfeld zéér gemengde aandoeningen zgn 
geweest, welke het hart der moeder bestormden, verge- 
zeld van hare nog zoo jeugdige zonen Dirk en Güsbert. 
Toch mag haar daarbij de ervaring getroost hebben , dat 
ridder Paulus Voet „tot Heusden en het gansche land 
daar omtrent een seer goede lof naliet, dewijl hij van zijn 
geslagte ende eerlek comportement bij een ydereen aan- 
genaam en in goede respecte was" *). Dientengevolge 
duurde het ook niet lang, of van verschillende zijden 
sloeg men de handen ineen , ten einde der zwaar belaste 
weduwe het leven minder zorgvol en de taak der opvoeding 
harer kinderen haar lichter te maken. Gehuisvest binnen 
eene kleine, maar kostelooze woning, haar van stadswege 
verstrekt '), zag zij tegel^kertijd den meest gewenschten 
steun zich geboden , waar Gijsbert — eerst door zijns vaders 
vrienden •) en later door Hollands staten *) — voor eene 



*) Bij resolutie yan den li*«» October, hadden de Staten-Generaal een 
bededag uitgeschreven tegen Woensdag, 5 Nov. 1597. 

«) Bijdr. en med,, dl. XU, bh. 320 en 324. 

') Vgl. de «declaratie van reparatie die Frans Goossens gedaen heeft met 
synen knecht opden afhanck daer Mari Pauwels Voet in woont, opden 29 
Getob. 1604" — betaald door de Heusdensche magistraat. Oud-arch, Heus- 
den^ Ë. 209, bijlage tot fol. 69 der gemeenterekening over 4604. 

*) Zie bijlage Vm. 

*) Volgens ResoL HolL^ 21 Januari 1602, werd door de Staten »op het 
versoeck van die van Heusden" den remonstranten »toegevoecht de somme 



Digitized by VjOOQ IC 



AFKOMST EN JEUGD. 23 

Taste jaarl^ksche som uitbesteed in het gezin van Jacob 
Jacobsz. Croes, smid en «gesworen gckmeester vande ronde 
maten" *) , door Heusdens magistraat nog bovendien ge- 
durig opnieuw werd ^gesuccurreert tot supplement zynder 
costpenningen". 

Onder de eigenaardige trekken in Qijsberts karakter , 
vertoonde zich reeds vro^ een sterk ontwikkeld ascetisch 
streven. Stelt later de hoogleeraar Voetius min of meer 
uitgewerkt zijne denkbeelden te boek over onderwijs en 
opvoeding, zoo hooren wg hem in de eerste plaats aan- 
dringen op het bevorderen van alles, wat strekken kan 
om het jong gemoed te winnen voor, gelijk hij het 
noemt: de practijk der godzaligheid. Zoowel in huis als 
op school, dient daaraan krachtig de hand gelegd en ge- 
houden. Het vlijtig lezen van den bjjbel, verbonden met 
bidden en psalmzingen; — het trouw waarnemen der 
openbare godsdienstoefeningen; — het zoo goed mogelijk 
op schrift teruggeven der bg het kerkbezoek gehoorde 
preek en de zorgvuldige bespreking daarvan met ouders 
of leermeesters; — het geregeld volgen der verschillende 
catechisatiën; — de onafgebroken en nauwgezette kennis- 
making met stichtelijke boeken: dat alles rekende Utrechts 
professor onmisbaar voor de vorming der jeugd, inzon- 



van 120 gld., om soo daermede als het gene sy goedt vinden sullen daer 
by te voegen" de twee studenten te bek.v?amen »noch te jongh zynde, in 
den Collegie Theologie ontfangen te worden". — Bedoelde ^studenten" 
waren : Gijsbert Voet en de zoon zijner petemoei, Geerbrug (Geerburch) van 
Steewech, die, als Franco's discipelen, nu te zamen ontvingen van de Staten, 
wat door dezen anders werd gegeven aan één bursaal alleen, binnen het 
»Gollegicuni theologicum" te Leiden. Zie hierachter, blz. 37, aant. 1 en 
verder de bijlagen IX en XXI. 

') Later was hij ook «sieckentrooster", wat blijkt uit deze aanteekening : 
>Betaelt aen Engelken Pieters wed« Jacob Jacobssen Croes de somme van 
vijffendeseventich ponden tot XL. grooten t*pont haer by de hoeren ma- 
gistraten toegevoecht voor een halff jaer tractements over sijnen dienst van 
siecken te besoecken binnen deser stede". Oud-arch, Heusden, £. 2i5. 



Digitized by VjOOQ IC 



24 EEB8TE HOOFDerUK. 

derheid voor de opleiding ^ te geven aan den toekomsti- 
gen godgeleerde en dienaar der gemeente O- Wat nu den 
jongen Qgsbert betreft, zoo heeft de huiBelijke tucht*), 
gevoegd bfl de lessen van Franco Odolphi, er buiten 
twflfel toe meegewerkt om in die richting hem groot te 
brengen; — gezwegen nog van het onderwijs der kerk en 
den invloed op hem geoefend door Hensdens oudsten, óók 
eersten vasten predikant , Comelis Martensz. Bodenburch. 
Reeds had de Reformatie op vele plaatsen van Noord- 
en Zuid-Nederland om zoo te zeggen bui^errecht ver- 
kr^en, als Heusden, deel uitmakende van het bisdom 
's-flertogenbosch ^), nog steeds aarzelde zich bij die be- 
w^ng onvoorwaardel^k aan te sluiten. Wel hadden hare 
bewoners, in 1577, Filips alle gehoorzaamheid opgezegd *). 
Ten gevolge der te Gent getroffen pacificatie, waarbij 
zich Heusden aansloot^), was de laatste, door Spanje's 
koning verkozen militie-gouverneur, Antoine Grenet, 
uit de frontierstad w^gereisd. Ook had de ^jCasteleyn- 
drossaert" zich, tegelflk met den schout, in het naburige 
Brabant gevestigd. Onmiddellijk daarop ware^ beide be- 
trekkingen, niet zonder medewerking van den Prins, 
door mannen van Hervormde beginselen vervuld ge-^ 



O Voet., Polit eccles., Amst., 1669, tom. II, ^. 139 , Bibl siud. theoly ]^. 6. 

«) Voet., Polit eccles,, Amst., 1663, tom. I, pars I, p. 953— 970, handelt : 
»De exercitiis pietatis per &milias promoyendis*', en bevat ongetwijfeld her- 
inneringen uit de ouderlijke woning. 

') In politieken zin behoorde Heusden sedert 4350 tot het graa&cbap 
Holland, ofschoon niet onbetwist. Ook Brabant maakte aanspraak op haar 
bezit. )»Uyt dit verBchil tusschen Brabandt ende Hollapdt — schrijft yan 
Oudenhoven, a. tü., blz. 60 — hebben de ingesetenen van de stadt ende 
landt van Heusden dit voordeel, dat sy in beydeprovintien voor ingesetenen 
gereeckent, ende tot alle ampten ende officien gevordert worden'*. Dit scheen 
echter wederkeerig met de Brabanters niet het geval te zijn. Zie hierboven, 
blz. 9, aant. 1. 

*) Voet., Dispp. select, tom. U, p. 8i4, 846. 

») Vgl. van Oudenhoven, a. u>., blz. 92-^96. 



Digitized by VjOOQ IC 



AFKOMST EN JEUGD. 25 

worden, en kwamen enkelen i,die van de reliegie pro- 
fessie deden'^ zoo uit de plaats zelve als uit den omtrek 
in het kasteel te Heusden, onder bescherming van den 
nieuwen ^drossaert", jonker Johan Bax, tot het gehoor 
van de predicatie'' bgeen ^). Hier stichtte hen als voor- 
ganger de vromere pastoor van Genderen, Joannes An- 
delius, «een seer welsprekend ende wigs man, seer vrien- 
delgck van wesen, die in verscheyden occurrentien van 
kerckelgcke swarigheden goede diensten gedaen heeft*'; 
terwigl binnen eene kapel , in de voorstad aan den Wgk- 
schen dijk gelden , zekere „heer Aelbrecht*' het evangelie 
verkondigde^, in wien van Andel een trouwen geest- 
verwant en ijverigen medestander had gevonden'). Maar 
voor het overige bleef te Heusden het pausdom nog «in 
volle vigeur". Ten bewgze kan strekken , dat Pieter Brul •), 
schout en rentmeester der Grafel^ke domeingoederen, 
van de papisten in last kreeg Andelius „te apprehende- 
ren", die nu, door denzelfden „heer Aelbrecht" vergezeld, 
uitweek , om een tijd lang als predikant in Noord-Holland 
te arbeiden*). 

Met het vertrek dezer twee mannen , hield voorloopig 
iedere p(^ng tot reformatie binnen Heusden op. Eerst 
in Juli 1579 werd de zaak der Hervorming daar weder 



1) Jonker Nicolaas Blanckaert was intusschen tot schout benoemd. Vgl. 
Biidr. en med., dl. XU, blz. 316. 

>) Misschien was hij dezelfde Aelbrecht, die later predikte bij de gemeente 
onder het kmis te Delft en te Rottei*dam. Vgl. dr. C. Sepp, Uit het pre- 
dikantenleven van vroegere tijden, Leiden, 4890, blz. 38. 

*) Van Oudenhoven, a.w., blz. 214. 

*) Van Oudenhoven, aw., blz. i86, rangschikt Pieter Brul, jurisconsultus, 
onder Heusdens «geleerde ende vernuierde mannen*'. 

•) Van Oudenhoven, a. u;., blz. 492^194; de hoogl. N. O. Kist en W. 
Moll, Kerkhistorisch archief, Amst., 1857, dl. I, blz. 307, en J. G. de 
Waldkirch Ziepprecht, Regisier der Nederlandsche hervormde predikanten 
en gemeenten, in handschrift aanwezig ter Leidsche universiteitsbibliotbeek. 



Digitized by VjOOQ IC 



26 EERSTE HOOFDSTUK. 

ter hand genomen en, ofschoon niet zonder geweld, tot 
een gunstig einde gebracht. Terw^l schier alle dorpen 
rondom Heusden zich ^blindiverig paaps" betoonden^) 
en de nieuwe beginselen door zwaard en geeselstraf 
nadrukkelgk te keer gingen, kwam ongevraagd eene 
bende beeldstormers uit 's-Hertogenbosch, met Pieter 
Rijcken aan het hoofd , der frontierstad krachtdadig hulp 
bieden. Te midden van een stillen zomernacht trokken 
de Bossche broeders, door sommige fleusdensche geest- 
verwanten op den voet gevolgd , naar de Sint Cathargne 
kerk, om daaruit te verwijderen alles, wat in verband 
stond met den Katholieken eeredienst. Nauwelijks was 
d^e naar hun oordeel voldoende gezuiverd , of gel^ke 
maatregel werd toegepast op de kapel van het mannen- 
klooster '). De Roomsche bevolking der stad , geestelijken 
zoowel als leeken, meende voor den drang der omstandig- 
heden te moeten bukken; gaf althans geen de minste 
blflken van verzet ^). Ook na het voorgevallene bleef ze 
eenvoudig werkeloos, en eindigde met öf naar elders te 
verhuizen, öf „paysibelijck als burgers onder de burgers 
levende" geduldig betere dagen af te wachten *). 

Verschillende predikanten deden nu bg leening dienst 
in de te Heusden voorgoed gevestigde Hervormde ge- 
meente. Tot hen behoorden achtereenvolgens Swerinck- 
huysen, Nicolal en Blockhoven. Gedurende het jaar 1589, 



O Bijdr. en med., dl. XH, blz. 315. 

*) Vgl, hierboven, blz. 43, aant. 2. 

') Van Oudenhoven, a. iü., blz. 215. Vgl. Voet., Dispp. select^ tom. II, p. 846. 

*) Het laatste deed , uit den kring der geestelijken, o. a. pastoor Jan de 
Best, van wien nog een »blaffaert" over 1576 wordt gevonden in het Heus- 
densche oud-archief, F. 51. — Voorts zal dat «paysibelijck", hierboven, wel 
cum grano salis zijn op te vatten, evenals die andere verzekenng bij van 
Oudenhoven, a, w.^ blz. 194: vDe Roomsch-ghesinden hebben hier oock selfs, 
sonder yemandts verbodt of dwangh , de exercitie van hare religie onder- 
ghelaten". Vgl. Voet, Dispp, selecL, tom. II, p. 814. 



Digitized by VjOOQ IC 



AFKOMST KN JEUGD. 27 

dat der bel^ering van de frontierstad door Mansfeld, 
waren hier tijdel^k werkzaam Johannes Hartman ')i <Ke 
zijne standplaats Bleiswgk, en Levinus van den Borre, 
die Geertruidenberg voor korte poos verlaten had, om 
de inwoners der bedreigde vestiAg zooveel mogelgk met 
raad en daad hy ie staan. Ook Andelins, hun vroegste 
voorganger, toen predikant te Asperen, „b^af zich daer 
inne en bekleede de vacerende plaetse, willende de ge- 
meynte in sulck een gelegentheyt niet verlaten" *). 

Nadat de Spaansche legerbenden waren afgetrokken, 
deed de reeds genoemde Comelins Martini Rodenburch 
in 1590 als eerste vaste predikant der Gereformeerden 
zijne intrede binnen Heusden'). Indertgd had de regee- 
ring van Utrecht hem, die daar geboren was, eene jaar- 
lijksche bgdrage toegekend, om „in enige bequame uni- 
versiteyten te studeren ende sich aldaer te oeflFenen 
ende tot der kerckendienst te bereyden'' *). Weldra vond 
Rodenburch te Genève gelegenheid de lessen bij te wonen 
van Jean Tagot, professor in de wijsbegeerte, van 
Charles Perrot, tevens lector in de theologie, bovenal 
van Calvijns beroemden ambtgenoot en opvolger, Theo- 
dorus Beza; terw^l hij er min of meer vertrouwelgk 
kon omgaan met zijn Utrechtschen medebursaal Wten- 

') Omtrent Andelius, Blockhoven en Hartman zijn nog verschillende be- 
scheiden aanwezig in het archief der Heusdensche classis. De perkamenten 
band, waarin ze zijn bijeengevoegd, draagt tot opschrift (blijkbaar uit later 
tijd) : «Brieven en papieren der klassis van Gorinchem van i 588 en volgende 
jaren in folio gebonden'*. — Over Crerardus Blockhoven , dien Voetius «doctrina 
et moribus impurus" noemt, zie zijne Polit. eccles.^ Amst., 4666, tom. I, 
pars n, p. 536. Vgl. daarmede tom. III, p. 425. 

*) Kist en Moll, a.tc?., dl. I, biz. 307; van Oudenhoven, a.w., blz. 246; 
Ziepprecht, op de gemeente »Heusden*' : dr. A. Ypeij en I. J. Dermout, Ge- 
schiedenis -der- Nedertandscht hervormde kerk, Bi-eda, 4822, dl. lï, blz. 149. 

*) Andelius was inmiddels naar Utrecht vertrokken; zie Resol, HolL, 
40 Febr. en 7 Maart 1590. 

^) Zie bijlage X. 

Digitized by VjOOQ IC 



28 BBR8TB HOOFDSTUK. 

bogaert ^ met . Arminius en diens latere t^enstanders 
Thysius en Bolandus : allen, gelijk hg ^ uit Nederland ter 
opleiding naar Genève gezonden ^). 

Teruggekeerd van de hoogeschool, zag h^ zich „nae 
Yoorgaende beproevinge souffisant ende bequaem gevon- 
den", den 7^«» Juni 1585 , als predikant beroepen in zgne 
vaderstad — wat kort te voren ook met Wtenbogaert 
was geschied*). De heftige strijd binnen Utrecht met 
wisselende kans gevoerd tusschen Duifhuis' geestverwan- 
ten, de parochianen, en de door Leycester gesteunde 
Calvinisten of consistorialen^) , deed Rodenburch eerst 
de Haagsche kerkorde van 1586 alsook de Nederlandsche 
geloofsbemdenis onderteekenen , en noodzaakte hem later 
zich te schikken naar het besluit van de nieuw opge- 
treden vroedschap , die »om meerder rust , vrede en een- 
dracht in der stede te houden", Rodenburch — met zgne 
ambtsbroeders Helmichius , Sopingius en Wtenbogaert — 
den n^^^ December 1589 „voor sekeren tyt" eervol uit 
de bediening ontsloeg. 



1) »Gonie1iu8 Martini Royenburgius Ultrajectinns, eccl. Ultraj. alumnus, 
theol. stud. 23 Junii 1583*'. Aldus staat hij vermeld in: Lelivre du recteur. 
Catalogue des étudiants de V académie de Genève de 4559 d 1859, Genève, 
1860, p- 34. — Zie over Genève*s universiteit, beschouwd ais «seminarium 
ecdesiarum Reformatarum'*, dr. H. H. Kuyper, Be opleiding tot den dienst 
des Mooords hij de Gereformeerden^ *s-Gravenhage, 1891, dl. I, blz. 177. 

^) Vgl. de hoogl. N. C. Rist en H. J. Royaards, Nederlandsch archief 
voor kerkelijke geschiedenis^ Leiden, 1847, dl. VII, blz. 232, aant. 3, en bis. 
242, aant. 1. 

*) Zie Voet., PoliU eccles,, tom. II, p. 557 — 559. Rodenburch, die met 
zijne beide ambtgenooten Elconius en Sybrants werkzaam was bij de Jacobs- 
parochie, ging van lieverlede den kant op van het strengere Calvinisme; 
terwijl V^tenbogaert, naast Helmichius, Sopingius en Modet dienstdoende 
bij de consistorialen , allengs vrijzinniger denkbeelden begon voor te staan. 
Daardoor laat het zich verklaren, dat, toen na Leicesters vertrek de regee- 
ring te Utrecht was veranderd, deze een oogenblik kon bedacht zijn »op 
de bewaring van Wtenbogaert, bij het vertrek der andere predikanten". 
Vgl. Kist en Royaaixis, a.tü., dl. VII. blz. 260, aant. 1. 



Digitized by VjOOQ IC 



AFKOMST KN JIÜGD. 29 

Terwijl Helmichius en Wtenbogaert nog eene poos 
bleven toeven te midden der voormalige gemeente , ja, 
onder het gehoor hunner plaatsvervangers *) „rustig neer- 
zaten in de predikantenbank^'^ zocht Bodenburch aan- 
stonds een goed heenkomen; naar het sch|jnt door So- 
pingius bi| zijne afreis vergezeld. Werd de laatste reeds 
spoedig daarop tot predikant te Breda beroepen y de eerste 
ontving nagenoeg terzelfdertgd van den kant der Heus- 
densche Calvinisten het verzoek: gelijke betrekking 
bij hen te komen vervullen; welk verzoek — geen 
wonder — door Bodenburch zóó gretig werd ingewilligd, 
dat de classis van Gorcum, gezien zgne ^^dimissie der 
kercke van Wttrecht *), beneffens het aennemen der kercke 
van Heusden", zich verplicht rekende erop te wijzen, 
hoe die zaak ^wel beter nae kerckeljjcke ordeninge hadde 
behoort belegt te wesen, want sulcks sonder voorweten 
des classis gedaen is'\ Als verontschuldiging bracht Bo- 
denburch te berde, dat dit vergrijp niet was geschied 
yuyt verachtinge der ordeninge^^ maar wegens ^de groote 
pergckelen", toen, gelgk ieder wist, verbonden aan de 
gemeenschap tusschen Gorcum en Heusden , wgl genoemde 
streek herhaaldelijk door den vijand werd afgeloopen *). 



O Die plaatsrervaDgera ^^hJ leeninge voor een maendt a twee ten langh- 
sten" waren: Jeremias Bastingius, predt. te Dordrecht en Gualteras Bome- 
lios, predt. te Leiden. ResoL HolL, 19 en 27 Dec. 1589. De naam van laatst- 
gemeden predikant, in 1588 te Leiden bevestigd, luidt ook de Roy; sie 
dr. H. C. Rogge, Johannes Wtenbogaert en zijn tijd, Amst., 1874, dl. I, blz.. 
M. Ziepprecht heeft in zijn handschrift: Gualtherus Roy, of Walter deRooy. 

<) Zie bijlage XI. 

*) Ook de Heusdensche regeering zag zich in die dagen genoodzaakt, het 
afvaardigen harer gedeputeerden ter Statenvergadering »voor eenigen tijdt 
te onderlaten, door het sterk loopen vAn de partyen, soo datse te water 
of te landt sonder het grootste perijckel niet en konnen passeeren of repas- 
seeren, eade geen paspoort te bekomen was*'. Van Oodenhoven^ a. w,<, blz. 
68. Zie ook bijlage Xü, 



Digitized by VjOOQ IC 



30 EERSTE HOOFDSTUK. 

Voldoende tevreden gesteld , aarzelden de broeders bij 
»dese excuse" niet „den selven Comelium voor een 
lidtmaet des classis aen te nemen ende te ontfangen, 
nae dat hg die 37 articulenonserKederlantscher confessie 
onderteeckent hadde'' ^). 

En, waarlgk, Heusdens gemeente kon zich gelukkig 
achten in Rodenburch een, op theologisch gebied, voor 
die dagen goed ontwikkelden — bovenal een, wat zijne 
practische werkzaamheden betrof, buitengewoon ijverigen 
predikant te bezitten *). Hiervan getuigde enkele jaren 
later de niet geringe moeite, welke hfl zich getroostte, 
om haar, bij uitbreiding van den kring der Gereformeerden , 
een tweeden voorganger te bezorgen. Na eerst behooriyk 
de goedkeuring der Gorcumsche classis op zijn pogen 
te hebben verkregen, reisde hij, omstreeks het begin 
van 1597^ zelf naar Den Haag, ten einde zoo krachtig 
mogelgk dat verlangen „by den gedeputeerden" aan 
te dringen*). Ofschoon niet, gelgk hij had gehoopt, 
onmiddellflk, zag Rodenburch zijn wensch door Hol- 
lands staten toch vrg spoedig vervuld*), en Theodorus 



') Handelingen der classis van Gorcum^ verg. 9 Oct. i590. 

^) Dit beteekende niet weinig in een tijd, toen ter claBsicale vergadering 
op de vraag: »ofl een keix^kendienaer geoorlofl sij met lantbouwinge om nae 
te gaen, beesten te weyden etc?" — zonder aai-zelen werd geantwoord: 
]»jae, nochtans alsoe, dat de kerckendienaer in synen dienst nyt daerom 
verhindert, ofte het evangelium gelastert en werde". Hand cl. Gore, 20 
Aug. 1591. Vgl. Voet., Polit eccles., tom. I, pare II, p. 808 ; tom. II, p. 326. 

«) Hand, cl. Gore, 9 Juli 1596 en 14 April 1597. 
' 4) Het tractement zou, ook voor den te benoemen tweeden predikant, 
bedragen 500 gld.; waarvan 300 gld. te vinden uit de goederen van 
St. Tiiiyen, en 200 gld. uit die der abdij van Bern. Resol. HolL, 23 Juni 
1597. Daar Rodenburch, als oudste leeraar, tevens den dienst te Hemert 
moest waarnemen, werd hem later, op zijn verzoek, door de Staten »aug- 
mentatie van gagie" verleend en wel ten bedrage van 50gld. *sjaars. iïcso^ 
Holl., 19 Januari 1602. Behalve viije woning, in eene pastone van stads- 
wege onderhouden, werd aan elk der beide predikanten, door Heusdens 
regeering, tegen den winter nog toegevoegd »de nombre van tsestich tonnen 



Digitized by VjOOQ IC 



APKOHST SK JEUGD. 31 

JownisO ten jare 1601 ala collega zich to^evoegd. 

Slechts kort werkten beide dienaren samen tot stich- 
ting der aan hnnne zorgen toevertrouwde gemeente. 
Ten gerolge van Theodorus' overlgden moesten kerke- 
raad en magistraat reeds in 1603 met bekwamen spoed 
uitzien naar een nieuwen helper voor Bodenburch. Nau- 
welijks had men dien gevonden in den persoon van 
Thomas Hessinck, of deze werd, pas van Driel overge- 
komen en te Heusden gevestigd , naar Leerdam beroepen , 
waarheen hg echter niet vóór in den loop vaji 1604 
vertrok *). 

Binnen de betrekkelijk kleine tijdruimte van een jaar, 
ontvielen dus Rodenburch twee collega's na elkander. 
Tevens gebeurde, wat hg allerminst had verwacht: de 
gemeente van Oosterwijk maakte ernstig bezwaar haren 
predikant, Nicolaus Petri van Houweningen, aan Heus- 
den af te staan; zelfs brachten schout en gezworenen 
tot de öorcumsche classis het dringend verzoek »dat die 
beroepynge mochte voor nul gehouden werden". In dit 
moeielgk geval konden de vergaderde broeders ,die uit 
Oosterwijk*' enkel aanraden, i,dat sy de sake emstelyck 
souden overdyncken, ende deselve met den haren com- 
municeren" — vermanende tevens ,die uit Heusden, 
dat sy op de bequaemste wyse mochten handelen om 
tot haer goet voornemen te commen" ; waartoe, naar men 
verzekerde, de classis bereid was „haer alle behulpsaem- 
heyt te bewysen"*). 

Dat Oosterwgk ongaarne van Houweningen afstond. 



torffe tot subsidie van synen brant". Naderband verhoogde men voor Roden- 
barch dat getal tot wyiT ende tseventich tonnen*'. Oud^rch, Heusden, E. 
208 en 209. 

ï) Hand. cL Gare,, i Mei 1601. Zie ook bijlage Xm. 

s) Zie bijlage XIV. 

») Hand. cl. Gore., 14 Juni en 29 Sept 1603. 



Digitized by VjOOQ IC 



32 EERSTE HOOFDSTUK. 

had zgne eigenaardige reden. De gemeente bleek zéér 
met hem ingenomen ; niet wijl hij nitmuntte door bijzon- 
dere kundigheden — daarop toch kon van Houweningen 
luttel aanspraak maken *) — maar omdat men vóór zgne 
komst zich ^ op godsdienstig gebied y jaren >lang beholpen 
had met de leiding van zekeren Frans van der Male; 
een oud man »van cleyne gaven", omtrent wiens op- 
treden voortdurend klachten werden ingebracht bij de 
kerkvisitatoren , die dan ook door gedeputeerden uit de 
classis, van tgd tot tijd, des Zondags „ex improviso" 
van der Male lieten beluisteren onder de prediking, met 
het niet zeer schitterend gevolg, dat zijne gewone toe- 
hoorders het verzoek ontvingen, hem, al was hij oud, 
„nog wat te blijven dragen"*). Eindelijk evenwel kwam 
tot hen Nicolaas Petersz., wiens talent als redenaar dat 
zijns voorgangers ver genoeg in de schaduw stelde, om 
„die van Oosterwijk" juist niet gereedelijk zich te doen 
vo^en naar den wensch, zoo der Heusdensche gemeente, 
als der classis van Gorcum. Eerst tegen September 1604, 
legde men „aengesproken per duos deputatos" — de pre- 
dikanten Henricus Spudaeus en Jodocus Geisteranus — 
het hoofd in den schoot ; onder uitdrukkelijk beding even- 
wel, dat de classis zich zou beijveren „haer te versyen 
met eenen bequaemen dyenaer" *). 

Zoo was het dan — om tot den jeugdigen Ggsbert 
Voet terug te keeren — hoofdzakelijk Rodenburch, van 
wien h^ , evenals van z^ne ouders en den rector Franco 
Odolphi, de vroegste indrukken ontving op godsdienstig 



O Zie b^lage XV. 

«) Hand. cl Gore, 20 Juli 4599 en 10 Januari 4600. — Bij resolutie 
van 44 Juli 4600 werd door de staten van Holland en West-Friesland aan 
F. van der Male «geweese predikant te Oosterwijk" toegekend een pensioen 
van 200 gld. 'sjaars. Vgl. ResoL HolL, 8 Mei 4597. 

») Hand. cl Gore., 2 Aug. 4604 en 9 Aug. 4605. 



Digitized by VjOOQ IC 



AFKOMSt SN JSÜGD. 33 

gebied. Natuurlek bewogen zich die indrukken vrg zorg- 
vuldig binnen de grenzen door het Calvinistische leer- 
stelsel getrokken ^). Misschien maakte verder het uitne- 
mend voorbeeld, wat studiezin en pastoralen gver be- 
treft , door Rodenburch gegeven , den lust hy hem wakker 
om eenmaal, gelyk deze, heel zijn leven te wijden aan 
den opbouw der vaderlandsche kerk. In elk geval — 
Heusdens oudere predikant werd ongetwijfeld geraadpleegd, 
toen het erop aankwam voor Ggsbert den weg te eflFenen, 
die leidde tot het vurig begeerde doel : degelgke vorming 
aan Hollands hoogeschool ^). Uit eigen middelen kon ua- 
taurlijk de weduwe van ridder Voet daarin niet voorzien. 
Gelukkig b^reep ook nu de Heusdensche regeering, hoe 
zg de nagedachtenis van den indertijd , ter wille van het 
algemeen belang , sterk benadeelden vader ') moeielgk 
beter vermocht te eeren, dan door de hand te bleven 
bieden hy de verdere opleiding van diens zoon. Aldus 
werd Qijsbert ^^stadts student''. 



^) Dat ook Tolkssprookjes en mirakel-verhalen den knaap niet vreemd 
bleven , blijkt o. a. nit hetgeen de Utrechtsche hoogleeraar zich later herinnert 
en mededeelt: »Meroini me pueruro aliquoties popularem illum errorem seu 
fiibolam audivisse, Judaeorum infantes nasci cum sanguine replente manum 
dextram: eo quod Judaei damaverint, aanguis ejus sit super nos et liberos 
no8lro8*\ — »Memini me pnerum ex hominibas plebeis et rasticis audivisse, 
bofes media nocte dicti natalis Christi surgere". — «Ejusdem generis est 
saoguis in Boxtel Baronia non incelebiï Ducatus Brabantiae , in agro Sylvae- 
Ducensi. De cujus cuitu et statu aliquid hic referendum duxi, quod incon- 
finibns urbis et agri Sylvae-Ducensis natus , educatus, et 23. annis ministerie 
functus, ex incolis nostratibus et vicinis praeeertim peregrinationum istamm 
spectatoribus multa jam inde a puero andire et discere potuerim, quae ad 
Boxtelensis hujus religionis notitiam pertinent". Voet., Dispp, select.^ torn. 
ra, p. 716, 717, 1004. 

') >Magno solidae eruditionis desiderio flagrans", luidt het van den jongen 
Voet in de Orat, fun. van Essenius, p. 9. 

s) Vgl. hierboven, blz. 10. Zie ook bijlage XVI. 



Digitized by VjOOQ IC 



TWEEDE HOOFDSTUK. 



In het Staten-collegle. Propaedentica. 

Omstreeks bet begin der zeventiende eeuw stond op 
de Cellebroersgracht ^) te Leiden een langwerpig blok 
huizen, dienende tot «Collegium theologicum" , ge- 
sticht door „de vaderlicke sorghe" der staten van Hol- 
land en West-Friesland , wier bedoeling was geweest 
zoodoende „den Heere van haere middelen te eeren, den 
Sone Gods loggs te verleenen, ende de kerckelgcke goe- 
deren weder tot haer oude ghebruyck te brengen" *). 
Aan die Edel Mogenden ontleende de inrichting haren 
naam: Staten-collegie; gemeenzamer uitgedrukt: Staten- 
bak. Eene hardsteenen poort, op welker stemmige lijnen 
het oog met welgevallen rustte, gaf toegang tot een bij 
zomerhitte koel overschaduwd binnenplein — een soort 
van atrium met enkele boomen beplant — „het parck" of 
„de plaetse" geheeten, omringd door vier kwartieren, 
die, behalve huisvesting voor de daarin opgenomen bur- 
salen , ook woonplaats boden aan de gezinnen van regent, 
onderregent enschaftmeester; terwijl in het vierde kwar- 
tier ruime vertrekken waren uitgespaard ten behoeve 
van leerzaal en auditorium '). Ofechoon de laatste jaren 



>) Sedert 1 Aug. 1872 — begrafenisdag van den beroemden sterrenkun- 
dige F. Kaiser — «Kaiserstraat" geheeten. 

«) Bor, a.tü., boek XXIX, fol. 38a. Vgl. ResoL HolL, 15 Nov. 1589. 

*) J. J. Orlers, Beschrijmnge der stadt Leyden^ 2*« druk, Leyden, 1641, 
blz. 218—238. 



Digitized by VjOOQ IC 



IK HET STATEN-OOLLEGtK. PROFAEDEÜTICA. 35 

veel verbeterd , bleef toch het Staten-collegie den stempel 
dragen van een hoige in het groot. 

Aan het hoofd van genoemde instelling bevond zich 
toentertgd wederom de man ^ die , eenmaal hier op zijne 
plaats , haar niet had moeten verlaten , Johannes Euchli- 
nus ^). Dnitscher van geboorte en bestemd voor het onder- 
was, had hg, na eerst docent te zgn geweest aan de 
Latönsche school te Nenstadt, en vervolgens predikant 
bij de Latherschen te Falkenheim, later — te midden 
zijner Amsterdamsche gemeente van Gereformeerden, die 
hem niet dan noode aan het Staten-collegie afetond — 
land en volk genoegzaam leeren kennen om de drukke, 
vaak uiterst lastige betrekking van r^ent met eere te 
vervullen. Als voortreffelijke eigenschappen, vereenigdin 
zgn persoon, bracht hg naar Leiden mede: beproefde 
kennis, omzichtig beleid en verdraagzaam geduld. Daar- 
door bleek Kuchlinus, beter wellicht dan iemand*), bg 
madite de aan z^ne zorgen toevertrouwde jongelingschap 
,in talen , in wetenschappen , in de ware religie" te oefe- 
nen; — haar te vormen tot kampioenen ^om Christi 
rijck vromelgc te beschermen , ende de tyrannie des Anti- 
christs stantvastiglijck te verstooren". Onder zgn bestuur 



1) Enkele weken na zijn openlijk aanvaarden van het regentschap op 
Dinsdag, 6 October 1592, vervulde hij te Amsterdam wederom de predi- 
kantsbetrekking, uit welke by nog niet formeel ontslagen was. Den 9^^ 
Juni 1595 werd Kuchlinus ten tweeden male, en toen voorgoed, het Col- 
legie »innegeleyt, ende metten overleveringhe vande sleutelen gestelt inde 
datelycke bedieninge, tgebruijck ende besit vanden voorn, regent-ampte". 
Zie Eerste register rakende f Collegium theologiae^ notulen van 9 Juni 1595. 
Vgl. Inneleydinge ende aenvang vant Collegie der theologien^ geschiet binnen 
der stat Legden dezen VL Octohrns^ 1592. Ten bevele der H.H. curateurs 
ende burgermeesteren gedruct tot Leyden, by Fran^oys van Raphelengien, 
drucker der universiteit. Inden jare 1593; tweede bij-voudisel , blz. 15 — 17. 
Rewl Holl^ 5 Juni 1595. 

s) Zie bijlage XVU. 



Digitized by VjOOQ IC 



36 TWEEDE HOOFDSTUK. 

— ZOO stelde hij zich den gang der zaken voor^) — zou 
uit het Collegium theologicum van lieverlede groeien 
„een queeckhof , daer de fondamenten van godvruchtich- 
heyt , geleertheyt ende alle deugden inde gemoederen der 
jongelingen gheleyt worden, waervan een ougst van ghe- 
trouwe predicanten" mocht worden tegemoet gezien; — 
„een seer genoechlijcke ende nuttige byenkorf, wtwelcke 
tot kercken, tot scholen, tot republijken honichmakende 
bijen" konden worden uitgezonden; — „een recht juweel 
van HoUandt ende Westvrieslandt , niet wt pracht ten toon 
geset, maer tot het gemeene beste opgesloten of bewaert" *). 
Kuchlinus' hoog gespannen verwachting — het moet 
erkend worden — is , voor een goed deel , verwezenlijkt. 
Met vele andere uitnemende mannen heeft ook Gisbertus 
Voetius het z^ne daaraan toegebracht. Tegen den zomer 
van 1604 zien wg hem de Heusdensche schoolbanken 

1) Namelijk toen Kuchlinus het Staten-collegie inwijdde met het houden eener 
Latijnsche redevoering , die vertaald is teruggegeven bij Bor, a. to., boek XXIX, 
fol. 376 — 416. Van zijne toespraak, in het oorspronkelijke getiteld: Oratio 
reverendi dociissimique viri d. Johannis Kuchlini^ ecclesiae Amstelrodamensis 
pastoris^ electi et vocati primi praesidis Collegii Theologici , nuper ab illtis^ 
tribus amplissimisqtie viris dd. ordinibus Hollandiae et West-Frisiae in 
acadetnia Leydensi instittttiy Lugd. Bat., ex officina Plantiniana, apud Fran- 
ciscum Raphelengium , 1593 — bevindt zich een, zéér zeldzaam, exemplaar 
ter Utrechtsche universiteitsbibliotheek. 

^) ^Quare si ministerii sanctissimi conservationem , et ad posteros propa- 
gationem necessariam judicamus, Ck>llegia theologica institui oportet. Nam 
in his ab ineunte aetate in linguis, in artibus, in religione vera adolescentes 
erudiuntur, et exercentur: Hic armis ad veritatem propugnandam , et men- 
dacia oppugnanda instruuntur: Hinc athletae, qui regnum Ghristi fortiter 
tueantur, tyrannidem Antichrist! constanter evei*tant, prodeunt: Hinc pan- 
tores, qui oves Christi verbo pascant: Hinc duces, qui et doctrina et exemplo 
populum Dei prudenter regant: Hinc salutis aeternae administri emergunt. 
Haec sunt ecclesiarum seminaria, in quibus pietatis, eruditionis, et omnium 
virtutum fundamenta animis adolescentum jaduntur; unde messis fidorum 
verbi Dei praeconum speratur. Haec sunt alvearia jucundissima,etutilissima, 
unde ad ecclesias, ad scholas, ad respublicas apes melliflcium facientes emitti 
possunt. Haec sunt, haec sunt vera Hollandiae et West-Frisiae xiiftifAia, quae 
non ad pompam ostentari, sed ad usus publicos reservari debent". Job. 
Kuchlinus, Oratio^ p. J2. 

Digitized by VjOOQ IC 



IN HET STATEN-GOLLEGIE. PROPAEDEUTICA. 37 

vaarwel z^gen , om te Leiden ^), binnen genoemd Col- 
legie , een zestal jaren te gaan doorbrengen '). Pijnlijker 
dan hfl had kunnen vermoeden , nel hem ongetwijfeld het 
sdieiden uit den opnieuw in rouw gedompelden familiekring. 
Immers was , kort vóór Voets vertrek , zijn jongste broeder, 
Paul, gestorven — en wel aan de pest, die gevreesde »moort- 
sieckte'' ^ , die toen , gelijk op zoo menige andere plaats van 
ons vaderland, ook te Heusden talrijke slachtoffers maakte*). 
Voorzien van een schrijven der vroedschap en een aan- 
bevelingsbrief van Franco Odolphi , meldde hij , over Rot- 
terdam in Leiden gekomen ^), zich ten spoedigste aan bg 
den r^ent van het Staten-coUegie. Deze nu had kort te 
voren ^) door jonker Nicolaas Blanckaert reeds het een 



«) Voet., Dispp, select, tom. IV, p. 283. 

') Ofechoon voor den tijd van zes jaren gegeven , kon evenwel de duur der 
beurs, ter discretie van heeren Staten, min of meer veriengd worden. Elke 
beurs, door hen verleend, bedroeg 120 gid. 'sjaars. Zie Ordonnantie, gemaeckt 
op tstuyr ende beleyt van t Collegium theologiae, 1595, dl. II, art. 1, 8 en 9. 

') «Quomodo et Galli pestem grassantem vocant: mortalité; Belgae: de 
sterfte". Voet., Dispp, select, tom. IV, p. 293. Elders wederom heet zij »de 
contagieuse sieckte van Godtsgave**. Oud-arch. Heusden, E. 209. 

^) »Anno 1604 was tot Heusden een sware sterfte", meldt van Oudenhoven, 
a,w., blz. 189. Dientengevolge bleef »de Latynsche ende Duytsche schole een 
halffjaer tyte" gesloten. Oud-arch. Heusden, E. 209, bijlage tot fol. 40 der 
gemeenterekening over 1605. Vgl. ResoL Holt^ 31 Aug. 1605. — Daaraan 
o?erleed toen ook de zoon van Geerbrug van Steewech, die, evenals 
Gtjsbert, op het punt stond naar het Staten-collegie te vertrekken. Zie 
hierachter, bijlage XXI. 

Voetius zelf teekende aan : «Pauwels is tot Heusden aan de peste gestorven". 
Bijdr, en med., dl. XII, blz. 320. Het aldaar genoemde jaar 1609 is, naar ik 
vermoed, een lapsus calami van jhr. Martens, den uitgever dier aanteekeningen. 

^) »De reyse van Rotterdam op Leyden" kostte. hem acht stuivers, die 
hij van stadswege terugontving. Oud-arch. Heusden, E. 209, bijlage tot 
fol. 50 der gemeentei*ekening over 1604. 

*j vOpten 19«i^ Martii 1604 by den drossaert binnen der stadt Leijden 
gevaceert omme metten rector der Collegie van theologiae Keuchlinius te 
spreken tot inneeminge van Ghysbert Voet, compt voor syn vacatien ende 
verteerde costen 2 gld. 10 st., die hem den burgemeester Bruynincx betaelt 
ende gerestitueert heeft", (hid-arch, Heusden, E. 209, bijlage tot fol. 50 
der gemeenterekening over 1604. 



Digitized by VjOOQ IC 



38 TWEEDB HOOFDSTÜK-r— 

en ander omtrent den te verwachten alumnus vernomen. 
In hare letteren van 25 April 1604, welke Ggsbert, naar 
het gebruik medebracht, eigenhandig overleverde, gaf bo- 
vendien Heusdens regeering te kennen, hoe zg niet twij- 
felde, of de toekomstige student zou zich „int examineren 
clouck" betoonen. Was h^ al »cleyn van stature" '), hij 
was „nochtans van genoech bequamen ouderdom*) om 
vut het Collegium nyet geweert te worden". 

Bepaalden de statuten, dat elke kweekeling bij zgne 
komst aldaar moest medebrengen „een duytschen Bybel 
mit een psalmbouck, midtsgaders een bedde, ende zoo 
veel wollen ende linnen daertoe als de daghelycxsche 
noottruft soude verheysschen" •) — namens burgemeesters 
en schepenen van Heusden berichtte de stadssecretaris 
mr. Lambert van Haeren aan Kuchlinus, dat, wat Gt^s- 
bert betrof, de „vromme weduwe van Joost Philipssen" *) 



>) Zelfe noemde hem de magistraat eene enkele maal: «Voetken". Otui- 
arch, Heusderiy E. 209, bijlage tot fol. 40 der gemeenterekening over 1605. 

Die kleine gestalte bleek den tijdgenoot belangrijk geno^ om daarop te 
doelen, nog na Voetius* dood. Zoo zegt Essenius, Orat fun.^ p. 4: vExtu- 
limus nudius tertius corpusculum venerandi senis, eruditione ac pietate 
conspicui et longe celeberrimi, doctoris Gisberti Voetii". Ook heet het in 
een epitaphium , vervaardigd door Petrus Montanns , zijn leerling en lateren 
ambtsbix)eder als predikant bij de Utrechtsche gemeente: 
»Hac parva tegitur Gisbertos Voetius uma. 
Ingenio magnus, corpore parvus eraf*. 

<) Te weten: 15 jaar en ongeveer 2 maanden. Zie Essenius, Orat, fun.^ 
p. 9, en hierachter, bijlage XVm. 

*) Ordonn,^ 1595, dl. UI, art. 2. — Genoemde ordonnantie staat afge- 
schreven in het Eerste register rakende f Collegium theologiae^ boven 
vermeld, en werd afgedrukt in de ResoL Holl.^ 13 Juli 1595. Tal van 
grove misstellingen maken dien afdruk ter aanhaling onbruikbaar. De hier 
gevolgde tekst is de oorspronkelijke, voorhanden in het archief van U.H. 
curatoren der Leidsche universiteit. 

^) Haar eigen naam luidde: »Elisabeth Claesdochter^. Zij woonde toen te 
Leiden en was eene nicht van Nic. Blanckaert. Volgens later mede te deelen 
bijzonderheden heeft de Heusdensche vroedschap meermalen, door bemiddeling 
van Elisabeth en van hai*e dochter Beatrix, voor Gijsbert zorg gedragen. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN HST STATEN-OOLLEOIE. PROPAKDEUTIGA. 39 

zich wel had willen belasten ^^^een beddeken met sargie 
Yoor hem te coopen, als oock eenige boucken die uwer 
E. oordelen zal dat hy tot beginsel zynre studiën van 
doen zal mogen hebben'* ^). Waren er nog andere dingen 
noodig, zoo eindigde bedoeld schrijven met de verzeke- 
ring: «ende zal eer lange onsen drossart^) aldaer Gom- 
mende van alles met uwer E. den voors. onsen student 
aengaende handelen ende spreecken. Middeler tyt ver- 
trouwende dat by uwer E. het beste metten zelven ge- 
daan zal worden. D'welck wy denselven wel hartelick 
gebeden willen hebben by desen" ^). 

Hartelijk ook luidde de brief door Franco Odolphi in 
bet belang van den aspirant-bursaal tot regent en onder- 
regent gericht. Met bgkans vaderl^ke trouw beval hij 
Ggsbert in hunne goede zorgen aan, en schreef over hem 
als over een veelgeliefd discipel, wiens gelukkigen aanleg 
hg roemde door te wgzen .op de schitterende vonkjes van 
zijn geest*' ^). Heusdens rector-notaris kon gerust wezen. 

Na den nieuwen ^aenquekeling**^) gel^enheid te hebben 
gegeven y voorloopig van zgne kunde te doen blgken, 
werd hij ten spoedigste door Kuchlinus tot het eigenlijke 
examen oj^eroepen. Dit had plaats den 298ten April •), 
in de senaatskamer der universiteit, alwaar , onder 
voorzitterschap van den rector magnificus , Everardus 



O Zie bijlage XIX. 

*) Sedert 1584 was schout Blanckaert bevorderd tot icasteleyn-drossaert*'. 
Re$ol. HolL^ i Sept. 1584. Zijn portret staat in van Oudenhovens beschrij- 
ving van Heosden, uitgave van 1794. Zie ook bijlage XX. 

*) Dit schrijven van Heusdens regeering berust op het stedelijk archief te 
Leiden ; het komt aldaar voor onder de brieven aan en van het Staten-collegie, 
dl. I, n°. 315. 

«) Zie bijlage XXL 

^) Zoo vertaalt de historieschrijver G. Brandt het woord: ahiinnus, 

*) Op 28 April was er »Vast- en Bededag" gehouden. Vgl. ResoL HolL, 
7 April 1604. 



Digitized by VjOOQ IC 



40 TWEEDE HOOFDSTUK. 

Bronchorstius , de beide hoogleeraren Bonaventura Vul- 
canius en Jacobos Arminius, met regent en subregent , 
een onderzoek instelden naar Gijsberts bekwaamheden ^). 
Hunne eischen gingen, als gewoonlijk, niet hoog*). Vul- 
canius, zgn examinator in de classieke letteren , liet Voet 
eenige plaatsen uit Cicero en Virgilius in het nederduitsch 
vertalen, daarbij acht gevende of de voornaamste regels 
zoo van syntaxis als prosodie goed door hem begrepen 
werden , terwijl hg , wat het grieksch aanging , zich ver- 
geno^de met Ggsbert eenige ^nomina" te doen declinee- 
ren en hem eenige »verba" te laten conjugeeren. Arminius 
— als tgdelijk plaatsvervanger hierbij van Johannes Mur- 
disonius, den professor in de wijsbegeerte — bepaalde 
zijn onderzoek tot de eerste beginselen van logica en 
dialectica, vragende het een en ander omtrent »syllo- 
gismen en proposities, pniedicamenta en praedicabilia". 
Wat zijn eigen leervak, de theologie, betrof, vorderde 
Arminius slechts, dat Gijsbert toonde bekend te wezen 
met den inhoud der twaalf geloofeartikelen , der tien ge- 
boden, van het gebed des Heeren en van sommige ge- 
deelten uit den Heidelbergschen catechismus'). 

Gelgk te verwachten viel , aarzelde geen hunner den 
jongen Voet — wel »cleyn van stature", maar j^int exa- 



*) »Vulcanio gegeven 10 st/', luidt het in zijne declaratie, door Voetius 
aan de magistraat overgeleverd. Oud-arch. Heusden, E. 209, bijlage tot fol. 
50 der gemeenterekening over 1604. Zie voorts hierachter, bijlage XXII. 

>y Men zocht slechts te voorkomen, dat jongelieden »al8 noch onbequaem 
zijnde orame publicas lectiones in academia te hooren ende dien volgende 
. omme met vrucht inden CJollegio langer te blyven", daaruit moesten ver- 
veijderd worden — dikwijls evenwel om er naderhand terug te keeren; 
wat o. a. plaats had met Johannes Grerardi van Galen , een van Voets oudere 
studiegenooten en medebui^saal. Brieven Statl-coll.^ 1. 191. Vgl. Eerste regisier, 
not. V. 22 Nov. en 27 üec, \b9b \ Sihmede Acta academiae Lugduno-Batavaey 
cod. VIII, fol. 40, aanwezig in het archief van den senaat, eii Handelingen 
van curatoren, verg. 27 Dec. 1595. 

') Eerste register, not. v. 9 Aug. 1595. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN HET STATEN-OOLLBGIE. PROPABDEÜTICA. 41 

mineren clouck" '^bevonden — geschikt te verklaren om 
in het Coll^um theologicum te worden opgenomen. 
Na ontvangst van een in de Latgnsche taal gesteld bew^s, 
dat hg aan alle vereischten had voldaan '), schreef Ggs- 
bert zijn request, voor de staten van Holland en West- 
Friesland bestemd, met verzoek: de hem door Hensden 
toegekende beurs te mogen in bezit nemen'). Zoodra op 
beide stukken binnen Den Haag ') de gewenschte goed- 
keuring was gevolgd, belette langer niets, dat door den 
candidaat-bursaal verlof werd aangevraagd tot het afleggen 
van zijn eed. Hiertoe begaf zich Qgsbert, vergezeld door 
jonker Blanckaert, als gecommitteerde der Heusdensche 
vroedschap, naar Euchlinus en verlangde van dezen, 
volgens eene voorgeschreven formule*), onder inlevering 
tevens der uit *s-Gravenhage me^ebrachte acten, tot het 
Collie te worden toegelaten. Na den giftbrief der Staten *) 

') In tegenstelling met het breedsprakig karakter der officieele stukken 
uit dien tijd, was zulk een testimonium meestal bijzonder kort van inhoud 
en vorm. Ten blijke kan strekken het getuigschrift namens de universiteit 
door Vulcanius verleend aan Am. Andr. Pagius en Adr. Drogius, als bijlage 
F afgedrukt bij dr. G. D. J. Schotel, Een studenten-oproer in 1594, Leiden, 
1867, blz. ld. Vgl. Solennis inaitguratio Collegii t?ieologici habita in oppido 
Leydensi VL Octobris^ MDXCTL Mandato dd. curat. et cons. excuditLugd. 
Bat., Franc Raphelengius typographus academiae, 1593; II additamentum, 
p. 8. Soms zelfs stond op zulk een bewijsstuk slechts aangeteekend , wie 
bij het examen tegenwoordig waren geweest, en in welke qualiteit, gevolgd 
door een: »placuit ipsi testimonium concedi'* of een, nog beknopter: »satis- 
fecit'\ Brieven Stat-colL, O, 77, 56. 

<) Zie bijlage XXm. 

') Blijkbaar bezorgde Voet attest en request persoonlijk aan hun adres. 
Zijne meergemelde declaratie bevat ook deze twee posten: »inden Hage met 
den viraegen te varen 16 st. ; met de schuy t wt den Haege te vaeren 6 st.". 
Oud-arch. Heusden^ £. 209, bijlage tot fol. 50 der gemeenterekening over 1604. 

*) Die formule, oorspronkelijk gesteld in het latijn, staat vertaald afge- 
drukt bij dr. G. D. J. Schotel, Be academie te Leiden in de 16*, 17* en 
18* eeuwy Haarlem, 1875, blz. 42. 

') Een dergelijke giftbrief wordt als bijlage G gevonden in Schotels 
Stud.'Opr.y blz. 101. Vgl. voor den Latijnschen vorm daarvan : So2enn. inaug,, 
add. n, p. 9. 



Digitized by VjOOQ IC 



42 TWEEDE HOOFDSTUK. 

uit Gijsberts handen te hebben aangenomen , ten einde 
dien behoorlek te doen registreeren , maakte Euchlinus 
den aanstaanden alumnus bekend met de wetten der 
inrichting; van welke wetten hij nu op zijne beurt hem 
een afschrift, om te bewaren, overreikte 0. Voorts liet 
de regent door Augustinus Waers^ger, pedel der uni- 
versiteit, tegen 1 Mei e. k. *) de onderscheiden personen 
oproepen, wier aanwezigheid naar de statuten bij zulk 
eene eedaflegging gevorderd werd. 

Bedoelde plechtigheid greep plaats binnen het Staten- 
coUegie, in de kamer vanKuchlinus, ten overstaan van twee 
gedelegeerden uit de curatoren ') , geassisteerd door Leidens 
raadpensionaris Nicolaas van Zeyst en door Jan van 
Hout, secretaris der stad, in het bijzijn van den rector 
magnificus, alsook van de hoogleeraren der theologische 
faculteit , Qomarus , Arminius en Trelcatius junior *)• Met 
de woorden: »soo waerlycken helpe mg Godt almachtich, 
die drie eenich is", verbond zich Ggsbert tot het betoonen 
van alle „reverentie ende eerbiedinghe" aan rector, raad 
en senaat der universiteit, wier geboden en verboden 
hij zorgvuldig zou in acht nemen, zich onthoudende van 
»eenige leeringe aen te hangen ofte te volgen, dan die 



1) De bursalen waren verplicht, dat afechrift sder regden ende wetten 
vant CJollegie tallen tyden in hun caroers op haer taeffelen ghereet aen der 
handt te leggen". Ten overvloede werden genoemde bepalingen, bij de jaar- 
lijksche viering van 3 October, door den regent aan alle kweekelingen op- 
nieuw solemneel voorgelezen. Ordonn.^ 1595, dl. III, art. 1. Vgl. Brieven 
Stat.'coll, I, 186. 

«) Brieven Stat-colL, II, 15. Vgl. bijlage XLm. 

') Curatoren wai*en toentei*tijd : jhr. Johan van der Does, heer van Noord- 
wijk, mr. Comelis van der Nieuwstad, lid van den Uoogen Raad en mr. 
Jan de Groot, burgemeester te Delft, vader van Huig de Groot. 

*) Volgens Band, v. cur.^ 27 Dec. 1595, ontvingen wie tegenwoordig 
waren bij de eedaflegging van een bursaal , ten laste van het Staten-coUegie 
»elck voor haer vacatie ende jegenwoordicheyt een kanne wijns voor elcke 
comparitie". Vgl. Hand. v, cur.^ 10 Juli 1593. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN HBT 8TATKN-C0LLBGIE. PROPAEDEÜTICA. 43 

inder voors. unyversiteijt geprofiteert off geleert sal wor- 
den". Ook zwoer hij den r^ent en den subregent ^gehoor- 
saem ende onderdanich te zyn**; zich te gedragen „naer 
de regelen ende wetten vant CoUegie, zoe die nu tertyt 
ghemaeckt zyn, off zullen worden". Eindelijk beloofde hij 
«te man geworden ende tot bequamen ouderdom ghe- 
commen 8ynde", vóór alles — „tsy in kerckelycke zaecken, 
oflf de scholen y ende de r^eringe van dien aengaende" — 
zich te laten gebruiken ten dienste van Holland en West- 
Friesland. Nauwelijks had hij van het gebeurde, wederom 
naar vasten vorm , eene breede verklaring opgesteld, en was 
deze zoo door hem zelven als door de aanwezigen »ten oir- 
konde" onderschreven ^), of men legde Gijsbert nog ter tee- 
kening voor: de statuten van het Collegium theologicum, 
waarna hij wettiglijk deelde in alle rechten aan der Staten 
stichting verbonden. De samenkomst werd toen opgeheven. 
Onder geleide van den regent, die hem „solemnelyck" aan de 
verschillende hmsbeambten en aan zijne medealumnen 
voorstelde, zocht „Heusdens genomineerde bursaal" het een- 
Youdig „camerken" op, dat Kuchlinus hem had beschikt •). 
Terwijl al die voorbereidende, vrfl omslachtige maat- 
regelen, verbonden aan Qflsberts ontvangst binnen het 
Staten-coUegie , door de belanghebbenden getroffen werden. 



') Zie voor zulk een »verbandtbrief' in zijn geheel: Schotel, Stud^-opr,^ 
Ux. 102, bijlage U. Niet Tan Voet zelven, maar wel van een zijner mede- 
bursalen, Frandscus Lucae Osdorpius, Haerleroensis , vond ik den verband- 
brief nog aanwezig, gedagteekend 5 Febr. 1605. Brieven Stat-coll.^ 1,344. 

*) Dit »camerken" bevatte eene getimmerde bedstede, een paar boeken- 
planken, eene kist ter berging van linnen en kleederen, eene kleine vuren- 
booten tafel, een stoel benevens tresoorke, waarin eene waschkom met 
andere benoodigdheden hare plaats kon vinden. Schotel, Stud.-opr.j blz. 48. 
Voet vulde, op eigen kosten, dat huisraad aan met: :»eenen cleerbesem, 
eeoen pot , een kist en eenen kandelaer'\ door hem te zamen gekocht voor 
<ie som van twee gulden. Oud-arch. Heuaden^ E. 209, bijlage tot fol. 50 
der gemeenterekening over 1604. 



Digitized by VjOOQ IC 



44 TWEEDE HOOFDSTUK, 

naderde intusschen de zomer: een geschikt seizoen om 
Voet, zonder groot bezwaar, met zijne nieuwe omgeving 
en levenswijze vertrouwd te maken '). Reeds des morgens 
te vijf uren *) — in den winter, t. w. van 1 October tot 
1 April, een uur later — werd door den «famulus" de 
klok getrokken; eene aanmaning voor Gisbertus ') om in 
tijds op te staan , zich te kleeden en de eerste dagelijksche 
bezigheden te verrichten, bestaande in ^syn bedde te 
maecken , camer te keren oflF vaghen , ende de vuylicheyt 
wech te dragen ter plaetse die daertoe geeygent is'\ 

Naar eisch ^gewasschen ende gekempt", gekleed in een 
lakensch wambuis , waarbij broek en mantel van dezelfde 
stof behoorden*) — zijde of fluweel voegde niet ,aen 
een student inde Godtheijt ofte die zoo eene loflijcke 
resolutie voorgenomen hadde" *), evenmin als het Staten- 
zonen paste met rapier of zwaard te pronken — spoedde 
Gisbertus zich naar de leerzaal , waar Kuchlinus, staande 
voor het ^pulpitum", straks zijn naam zou kunnen afroepen, 
en hem, bij wijze van onderscheiding, misschien opdragen 



1) De hier volgende dagverdeeling in het Coll. theol., die, op zéér weinige 
uitzonderingen na, regelmatig terugkeerde, is ontleend aan de i^eeds ge- 
noemde ordonnantie der Staten van 11 Juli 1595. 

*) In de eerste jaren, bij de ^lappe tucht onder het regentschap van Bas- 
tingius, waren sommige kweekelingen gewoon: »opponere umbracula car- 
tacea fenestris, ne solis matutini radii dormientibus in lecto molesti e8sent*\ 
Eerste register^ not. v. 12 Januari 1595. 

') De bursalen bleken in het Staten-collegie gehouden »altyts onder den 
anderen latyn off griecx te spreken op zoodanighe pene als den i*egent goed- 
vinden soude**. Dientengevolge vertoonden beide: voornaam en familienaam 
der collegisten , dikwijls een Latijnschen vorm , die , gelijk o. a. bij Gijsbert 
het geval was, niet meer werd afgelegd. vGe savant en ttö", heet het dan 
ook van Voetius bij J. Bertrand, in diens opstel, getiteld: »Un ennemi de 
Descartes", Revue des Deux Mondes, Paris, 1891, p. 67. 

*) Zie bijlage XXIV. 

»> Brieven StaU-colL, D, 46; Ordonn,, 1595, dl. m, art. 29, 37. Vgl. 
Voet., Dispp. select.^ torn. IV, p. 411, en Polit eccles.^ torn. I, pars D, p. 
939. Zie ook hierachter, bijlage XXV. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN HET STAT£N-OOLL£QIË. PROPAEDEUTICA. 45 

,t' gemeen gebedt" te doen *), of ^stichtelycken eenighe 
capittelen vuyt den duytschen Bybel" te lezen. Daarop 
werd — steeds na voorafgaand klokgeklep , zonder hetwelk 
binnen 'tCoUegie niets geschiedde — in de eetzaal ont- 
beten. Gedurende dat „prandium", las weer een der 
bursalen iets voor uit den Heidelbergschen catechismus 
of uit een nader aan te wijzen ascetisch boek. Terugge- 
keerd tot het werkvertrek, ontving Qisbertus aldaar 
onderricht, hetzg van enkele professoren, hetz^ van den 
regent of den subregent *). 

T^en elf uren in den voormiddag zat Yoetius aan hg 
de tweede , d. i. bij de goedkoopere , bursalen-tafel door 
den schaftmeester opgedischt *). Doorgaans viel er over 
de spijzen: potage, vleesch en groenten „naer de gele- 
gentheyt, ende tsaisoen des tyts, ende mit behoorlycke 
veranderinge" aangerecht, niet te klagen. Slechts bjj 
uitzondering gebeurde het, dat er, wegens beweerde of 
werkelgk minder goede hoedanigheid der levensmiddelen, 
woorden vielen tusschen den oeconoom en den acade- 
mischen hoogleeraar met het wekelgksch toezicht op de 
voeding der alumnen belast^). Ook het noenmaal ging 
van bgbellezen vergezeld , terwijl de regent gehouden was 



1) Indertijd bad Kuchlinus de gebeden »die inden CoUegie des morgens, 
smiddaecbs ende t' savonts souden werden gebruyckt , door den onderregent 
Bartiuro doen overstellen"; op welke vertaling voorts »goedtduncken , oordeel 
ende censuyeiV was gevraagd der tbeologiscbe professoren Fr. Junius en Fr. 
Gomarus. Daarna maakten ze deel uit van het »Dienstboeck" en werden 
da^lijks door de bursalen gebruikt. Eerste register^ not. v. 9 Aug. en 6 
Dec. 1595. Vgl. Hand, v, cur., 27 Dec. 1595. 

2) vDie eerst int Collegie commen , sullen al tsaraen eenerley lessen booren, 
zoo wel inde talen als philosopbie, naer de gbestaltenisse off tbegryp van 
eens yeghelycx verstandt". Ordonn.^ 1595, dl. III, art. 16. 

') Wie aan de eerste tafel wilde eten, moest twintig gulden — boven 
de voor kost en inwoning vastgestelde honderd gulden — per jaar bijbetalen. 
Ordonn,, 1595, dl. I, art. 16, 18. 

«) Volgens Ordonn.^ 1595, dl. I, art. 21. Zoo werd op zekeren dag 



Digitized by VjOOQ IC 



46 TWÜEDE HOOFDSTUK. 

„met clare affdeelinge ende cortte vuytlegginghe tot den 
catechismnm ofte locos communes" het geletóne toe te 
passen. Na «ghedaen dancksegginghen" mochten alle col- 
legianten een half uur lang het atrium op en neer wan- 
delen „ende mit den anderen hun studia communiceren". 
Te half een ging Voetius opnieuw binnen de leerzaal aan 
het werk; of wel, hij stak over naar het voormalige 
Witte-Nonnenklooster „ad lectiones academicas". Tot 
laatstgenoemd onderwijs had hij toegang verkregen door 
zijne inschrijving bij den rector magnificus ') , welke in- 
schrijving hem op vijftien stuivers was te staan gekomen *). 
De lessen binnen het academiegebouw „affgedaen ende 
geeyndicht zynde", moest Gisbertus „sonder divageren 
wederomme naer t Collie gaen, ende hem begheven, 
tzy op zyn camer oflf ter ghemeener plaetse". 

door Voetius' roedebursaal Jan Hendrik Feiten, bijgenaamd Sta verenas, ge- 
klaagd: «verminosas esse cames, et ex lis vennes proreptare*\ Genoopt die 
beschuldiging te staven tegenover Gomarus , wien ze ter oore was gekomen, 
nam Feiten haar gixK)tendeels terug en zeide : »videri sibi tantum*'. Spoedig 
daarop bleek , hoe weinig Stavei*enu8 te vertrouwen was : om schulden moest 
hij Leiden verlaten. Brieven StaU'ColL^ II, 84, 425 en 136. 

1) Ingeschreven, onder het rectoraat van den hoogleeraar Everardus Bronc- 
horstius: «Gisbertus Pauli Voötiuff Heusdanus. 17. Ck>l. al." — Tegelijk met 
hem werden op 27 Juli 1604 geïmmatrïculeerd zijne studiegenooten in het 
Staten-coUegie : Gosuinus Henrici (Buytendyck) en Theodorus Henrici (Swaen). 
Album atudiosorum academiae Lugduna-Batavae ^ HagaeCom., 1875, p. 75. 
Eerstgenoemde had zijn examen voor het alumniaat afgelegd den 5^^ 
laatstgenoemde den lö^en Mei 1604. Acta acad. L. B., cod. VIII, fol. 101. 

s) «Gegeven den magnifico 15 st., de boudel (pedel) 4 st.",schi'eef Voetius 
op zijne nota voor de magistraat. Oud-arch, Heusderiy E. 209, bijlage tot 
fol. 50 der gemeenterekening over 1604. Bij hernieuwde i^ecensie betaalde 
hij aan den rector 6 st., aan den pedel 3 st. Ibidem^ bijlage tot fol. 40 der 
gemeenterekening over 1605. 

Vgl. Acta acad. L. B., cod. VIII, fol. 49; Eerste register, not. v. 22Nov. 
en 27 Dec. 1595: «Noch es verstaen ende geresolveert dat het recht vanden 
rectoor ende der unyversitey t, omde buyrsaelen als litmaeten vander unyver- 
siteyt, op te schryven ende immatriculeeren , soo men dat nompt, sal coomen 
tot lasten vanden bursaelen selffis, en indien zy zulcx niet en betaelden by 
gebreck van middelen off andersints, dat het bij den subregent verschooten 
ende hen van haere overschotten zal werden innegehouden ende afigecordt". 



Digitized by VjOOQ IC 



IN HET STATEN-COLLBGIE. PROPAEDEÜTICA. il 

Omstreeks zes uren was ook dit gedeelte der dagtaak 
a%eloopen en wachtte Voetius het avondmaal, dat 
— volgens voorschrift der Staten — uit twee gerechten 
bestond. Evenals onder den middagdisch, werd er ook 
nu uit de Schrift gelezen: ^proverbia Salomonis, Jesus 
Sirach, Ecclesiasticus , off yet anders vuyt de Bybelsche 
historiën'*, waarbij de noodige opheldering en verklaring 
van het gelezene volgde door den regent ')• Nog eenmaal 
kwam Gisbertus, na zich vooraf weer een half uur op 
het binnenplein vertreden te hebben, met de overige 
bursalen , terw^l de klok van het CoUegie voor den laat- 
sten keer dien dag klepte, in de studiezaal samen, om 
er te hooren naar Kuchlinus' ^cortte vermaninghe van 
de vreese Gods , ende t beleyt des levens" , besloten door 
bijbellezing en gebed, alsook door het afroepen van 
de namen der kweekelingen. Hierop trok hg te negen 
uren naar zijn kamertje, waar evenwel 's avonds vuur 
noch licht mocht branden^), en legde zich ter ruste. 
Weldra sliep alles binnen de muren van het Staten- 
coUegie. 



') Volgens de statuten van 1592, dl. Hl, art. 4, moesten »de leesingen 
inden duytachen Bybel solcx werden verdeelt, dat de ganscbe Bybel eens 
tqaers werde nytgelesen, het nieuwe testament viermael sjaers ende den 
text der psalmen alle maents eens". In plaats daarvan bepaalden, op voor- 
stel van den academischen senaat, de statuten van 1595, dl. III, art. 9: 
»ende zullen de lesinghen zulcx worden verdeelt als den regent tzyner dis- 
cretie dat zal goet vinden". 

^ Met bijzondere vergunning van den regent was het geoorloofd *s mor- 
gens vroeg »tgebruyck vant licht te hebben, midts dat nyemandt op zyn 
bedde en sal mogen studeren". Laatstgenoemd verbod stond eveneens te 
lezen in de opnieuw gewijzigde ordonnantie van 1 October 1631. Daaraan 
hield men echter vrij slap de hand, waardoor dan ook, ten jare 1667, des 
regents eigen zoon, Pieter Oabeljauw jr., studeerende »op zyn bedde", oor- 
zaak werd, dat bet Collegieg^)OUW voor een groot deel afbrandde. YgL 
Brietm Stai-coll.^ I, 20. — Slechts zelden staat onder Voetius' uitgaven 
»een pont keersen" vermeld. Zie b.v. Oud-arotu Hetisden, E. 209, bqlage 
tot fol. 60 Torso der gemeenterekening over 1604. 



Digitized by VjOOQ IC 



48 TWEEDE HOOFDSTUK. 

Bfl het b^n der Hondsdagen had, voor de studenten 
der universiteit, de groote vacantie een aanvang ge- 
nomen. Tevens waren de meeste bursalen , ongeveer half 
Juli, naar hunne ouders, voogden of vrienden vertrokken, 
om in het laatst van Augustus, als met September ook 
de academische lessen werden hervat, terug te keeren^). 
Het verlangen naar betrekkingen en bekenden zal ditmaal 
ongetwijfeld sterker zijn geweest dan gewoonlgk. Elk 
hunner toch had, sedert Februari 1604, bange dagen 
doorleefd, ^alsoo de Heere almagtig de stadt Leyden be- 
sogt hadde met die peste, ende oock in den Collie 
gestorven waren soo de kinderen vanden subregent als 
vanden schaflfmeester" *). 

Voor Voetius'), kort geleden onder soortgelijke om- 
standigheden uit Heusden afgereisd, bestond er weinig 
of geen oorzaak Leiden even haastig te verlaten. Liever 
zocht hij, de gelegenheid hiertoe gaarne aangrgpende, 
vertrouwelijk kennis te maken met wie, gelijk hij, in 



^) Acta acad. L.B., cod. Vm, fol. 51, 52. Zie ook bijlage XXVI. 

>) Was de bursaal, Petrus Cuyiius, ten jare 1603 » met de )>e6te bevangen 
sijnde**, uit bet Staten-coUegie onmiddellijk overgebracht naar de woning 
zijner ouders te Wateringen, het schijnt, dat geen der alumnen in 1604 
door die ziekte werd aangetast. Nochtans hadden curatoren , als voorzichtig- 
heidsmaatregel, tevens in het belang, zoo noodig, eener goede en zorg- 
vuldige verpleging, de diensten besproken van zekeren Andries Jansz. Snijder, 
Ywoonende naest den Collegie , mits hij soude genieten de vrije woninge van 
sijne huijsinge, ende daer en boven alle daegs als hij soude worden geem- 
ploijeert in tijde van peste vijff en twintigh stuijvers". Eerste register^ not. 
V. 9 Febr. 1603 en 1604. Wat betreft de geneeskundige behandeling der 
bursalen in het algemeen, zie Ordonn., 1595, dl. lU, art. 33, en Hand, v. 
cur., 10 Maart 1593. 

') Om echter, in geval van hernieuwde pestziekte binnen het Staten- 
collegie, zijne kamer behoorlijk te kunnen »suffumigeeren**, had Gisbertus 
zich bij tijds van >wieroock" en >een test'' voorzien. Oud-arch, Heusden^ 
E. 209, bijlage tot fol. 50 der gemeenterekening over 1604. Ygl. daarmede 
ibidem f E. 208, bijlage tot fol. 32 der gemeenterekening over 1602. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN ÖET STATBN-OOIJiEQIK. PROPAEDEOTIOA. 49 

het Coll^um theologicum nog wat achterbleven^). Die 
omgang had weldra ten gevolge , dat Gisbertus begon in 
te zien , hoe , bjj het vele door Franco Odolphi hem onder- 
wezen, nochtans had ontbroken: het werken naar een 
vasten r^el, naar eene juiste methode. Ten einde dat 
gebrek zoo spoedig mogelijk te verhelpen, raadpleegde 
hij al vast enkele oudere, meer gevorderde medebursalen *). 
Tot hen behoorde Simon Egbertsz. Bisschop, in 1600, 
voor rekening der stad Amsterdam, extraordinair opge- 
nomen binnen het Staten-coUegie en — naar Euchlinus 
aan diens maecenaten schreef — «hooghlyck van Godt 
ahnachtich met verstande begaeft" '). Verder Gaspar 
Barlaeus, zoon van w:glen den rector te Bommel, gede- 
nomineerd door Geertruidenberg, en Bemardus Amoldi 
Dwinglo, opgeleid in de school van het Delftsche frater- 
huis; beiden tenzelfden jare als Episcopius naar Leiden 
bevorderd *). Ook de iets jongere Johannes Everardi Geis- 
teranus') en Josephus van der Rosieren') maakten deel 
uit van het vijftal coUegisten, waaraan Voetius — nog 



^) Niettemin bracht Voetius van zijne eerste zomervacantie, als barsaa], 
nog eenigen tijd te Heusden door, wat volgt uit deze aanteekening : »Opten 
23«" Augttsti ten tyde des vertrecx vanden voors. Ghysbert Voet heeft hem 
den voors. burgemeester Bruynincx tot reysgelt ende anders verschoten ende 
gegeven 3 gld. 5 st. 8 penn.'" Oud-arch, Uemderiy E. 209, bijlage tot fol. 50 
der gemeenterekening over 1604. 

') Ëssenius, OraU fun,, p. 9. Later raadpleegde Voetius daarover ook 
verschillende handboeken. In den vroeger genoemden catalogus zijner biblio- 
theek staat o. a. vermeld: David Ghytraeus, Regulae studiorum^ aeu de 
rcUione discendi in praecipuis artibi^ recte instituenday Lipsiae, 1595. Vgl. 
Voet, BibL stud. theol, p. 467. 

*) Brieven Stat.-colL, I, 363. 

*) Brieven Stat.-colL, I, 212 en 220. 

*) Hij was een zoon van Everardus Geisteranus, indertijd predikant te 
Alkmaar. Naar zijne moeder, die den naam droeg van Grietje Foreest, 
heette hij ook Joannes Everardi Forestus. Brieven Stat-coll, I, 241, 243; 
n, 279, 300. 

«) Brieven Stat.-colL, I, 267. 

4 



Digitized by VjOOQ IC 



60 TWEEDE HOOFDSTUK. 

onbedreven in menigerlei opzicht — voor zgne toenmalige 
vorming niet weinig te danken had. 

Al aanstonds wachtte hem, ook in de zomervacantie , 
het onderwijs van Knchlinus, die dan gehouden was »de 
confessie ofte belydenisse vande Nederlandtsche gherefor- 
meerde christelycke kercke, den bursalen drye malen ter 
weke te lesen ende vuyt te leggen" *). Voorts besteedde 
Gisbertus de eerste maanden *), doorgebracht in het Col- 
legium theologicum, met goedkeuring van den regent 
en onder toezicht van den subregent'), aan eene ver- 
nieuwde kennismaking met de oude letteren. Bepaaldelijk 
hielden de Latijnsche dichters hem bezig. Ze werden 
met lust en liefde herlezen, doch thans in uitgaven van 
critisch-philologische aanteekeningen voorzien *). Niette- 
genstaande hij de Grieksche schrijvers een tijd lang als 
bijzaak bleef beschouwen*), scheelde het weinig of Voetius 
ging ten volle in zijne studie der classieken op; vooral 
toen, na de vacantie, de academische gehoorzalen weer 



O Ordonn,, 1595, dl. I, art. 5. 

>) In October 1604 viel er eene komeet waar te nemen, welk verschijnsel 
Voetius aanleiding gaf, om, nog ten jare 1665, naast het opstel daarover 
van Andreas Libavius, eene door hem zelven geschreven »exercitatio de 
prognosticis cometarum" uit te geven , en later bij vernieuwing te plaatsen 
aan het slot zijner Dispp. select.^ ülti*aj., 1669, tom. V, p. 151—243. 

») Ordonn., 1595, dl. III, art. 16 en dl. I, art. 10. 

*) Een lijstje van verschillende boeken, op last des regents, door Jan 
Jansz. Orlers den 12^"^ Mei 1604 aan Gisbertus geleverd, woi^t aangetrof- 
fen onder de bijlagen tot fol. 60 verso der gemeenterekening over genoemd 
jaar. Oud-arch, Hemden^ E. 209. 

Later leverde ook Jan Ie Maire aan Voetius , zoowel uit zijn boekwinkel 
als uit door hem gehouden veilingen, volgens de daarop betrekking hebbende 
bijlagen tot fol. 40 en fol. 41 verso der gemeenterekeningen over 1605 en 
1606. Oud-arch, Hemden, E. 209 en 210. Ook schreef Lysbeth Claesdr. 
den Uden Maart 1605 aan Blanckaert: »daer vertrecken somtyts studen- 
ten 600 mach hy (nl. Gijsbert) eenige boecken coopen, maer met gereet 
geit, want hy coopt somtyts een boeck om half geit". 

*) Essenius, Orat fun., p. 10. 



Digitized by VjOOQ IC 



IK HBT StATBN-COLLEGIE. PBOPAEDEÜTICA. 51 

geopend werden en hij, naast de lessen door Petrus 
Bertius als onderregent gegeven, ook Vulcanius mocht 
hooren ^), den stoeren , breedgeschouderden Bruggenaar *) ; 
met zoo velen z^ner ambtgenooten liefhebber van een 
goeden dronk , wat echter niet belette , dat hij gereedelijk 
werd me^eteld onder de beroemdste litteratoren van 
dien tgd*). 

Het tweede, inzonderheid het derde jaar van Voetius' 
verblijf te Leiden werd met allen ernst door hem gewijd 
aan de wetenschap der wigsbegeerte in haar geheelen 
omvang en zoo breed mogelijk opgevat *). Daartoe volgde 
hg zoowel het onderricht in de logica, gegeven door den 
subr^ent Bertius , als de collies van Qilbertus Jacchaeus, 
juist ten jare 1605 tot buitengewoon hoogleeraar in de 
redeneerkunde aangesteld*). Bovendien bestudeerde Voe- 
tius, voor zichzelf, de verschillende handboeken daarover 
geschreven door Crellius •) en Matthisius ^) , door de beide 



>) Voet., Dispp. select, tom. H, p. 653; IV, p. 262 en Polit. eccles., iom. 
n, p. 923. 

*) »Bnigarum sobolee, patriis e finibas exul**, zegt van hem Daniel 
Heindus in een epigram. Zijn geschilderd porti*et versiert de Leidsche 
universiteitsbibliotheek; ook berust aldaar, wat hij in handschrift heeft 
nagelaten. 

*) Vulcanius, sedert 1581 hoogleeraar in de Grieksche taal, viras tevens 
86cretari&>tran8lateur bij den academischen senaat. Zie voorts bijlage XXVII. 

*) Vgl. Voet., Bibl. stud, iheol., p. 17—21 , passim. 

^ Gilbert Jacchey, van geboorte een Schot, werd den 12^»» Febr. 1603 
ingeschreven in het »album studiosorum**. Reeds 19 Sept. daaraanvolgend 
kreeg hij verlof, om »exercitii causa*' op Woensdag en Zaterdag — daar 
geen enkele hoogleeraar dan college gaf — de geschriften van Porphyrius te 
verklaren. Acta acad, L. B,, cod. Vm, fol. 74, 76, 80. Vgl. Hand. v. cur., 
8 Febr. en 8 Nov. 1604, alsook 8 Aug. 1605. 

•) De hagoge logices van Crellius wordt , evenals het meerendeel der wer- 
ken, die hier volgen, aangetroffen in den aucüe-cataiogus van Voetius' bi- 
bliotheek. 

') Hij schreef In universam Aristotelis logicam prolegomena, nunc 
limati'UB conacripta, Colon., 1565, en Epitome logicae Ariatoteleae graeco- 
latinae^ CJolon., 1569. 



Digitized by VjOOQ IC 



&è TWEEDE HOOPDÖTÜfc. 

Italianen , Toletus en Zabarella *) ; — niet het minst de 
jjPraecognita logica" van Bartholomaeus Keckermann, gelijk 
ook diens ^Systema minus" en ^Gymnasium logicjim'' *). 
Naar zich liet verwachten , maakte Gisbertus , bij zulk 
eene streng-methodische voorbereiding, te gemakkelijker 
kennis met de geschriften van den grootvorst der vsrijs- 
begeerte, Aristoteles, door Bertius » vier mael ter weke, 
ter bescheydenheyt vanden regent onder den bursalen*' 
behandeld '), en uit wiens ^Organen" — gelezen met of 
zonder de aanteekeningen van Pacius *) — alle veertien 
dagen, in de gehoorzaal van het Staten-coUegie , door de 
jongeren ^onder goddelijken bijstand"') werd gedispu- 
teerd*). Straks beproefde ook Gisbertus aan dat steekspel 



1) Franciscus Toletus, een geleerde jezuïet, was pauselijk hofprediker en 
kardinaal; ook doceerde hij te Rome de philosophie, en stierfaldaard=i560. 
Hij gaf o. a. uit eene Instructio ad logicam. Volgens Voetius werden zijne 
geschriften gekenmerkt wfacilitate et perspicuitate". Bibl, stud, theol.^ p. 369. 

Giacomo Zabarella, in 1589 te Padua gestorven, waar hij hoogleeraar was 
in de wijsbegeerte , ondei-scheidde zich door groote zelfstandigheid , ook tegen- 
over de uitspraken van Aristoteles. Zijne Logica^ in 1587 te Padua versche- 
nen, beleefde tal van herdrukken. Vgl. Voet., Bibl. stud, theol.y p. 382. 
Dispp. selecLy tom. I, p. 764, en tom. V, p. 223. 

*) Barth. Keckermannus , Praecognitorum logicorum tractatus IIl^ system, 
logico praemissi, en Gymnasium logicum^ id est de iwu et exercitatione 
logicae artis libH lil. Vergeleken met andere handboeken over hetzelfde 
onderwerp, zegt Voetius daarvan in zijne Bibl. stud. theol., p. 343: «longe 
praefero praecognita philosoph. et logica Keckermanni". Zie ook p. 672, 
673; Thers. heaut, p. 101. — Voor 2 gld. kocht Gisbertus indertijd bij 
J. Ie Maire het »Gymn. log.'' en het «Systema minus Keckermanni". Oud^ 
arch. Neusden, E. 209. 

») Ordonn., 1595, dl. I, art. 10. Vgl. dl. m, art. 19, en Eerste register, 
not. V. 4 Nov. 1596. 

*) Het »Organon Aristotelis", zonder aanteekeningen, kostte Voetius 
toenmaals bij J. Orlers 35 stuivers. Oud-arch. Heusden, E. 209. 

^) Nu eens heette het : &ioü wXXaiA^AvoyroQ , dan weer : roO &toO rpivfitY^w 
a-vvipyoCvTo^. Vgl. Voet., Dispp. select.^ tom. IV, p. 17: »0-^ et^ determinabo", 
p. 590: i>a'i>v &t^ praestabimus". Zie voorts Dispp. select., tom. V, p. 742 
en hierachter, bijl. XXVIII. 

«) In zijne Polit. eccles., tom. II, p. 756, deelt Voetius mede, dat door hem ook 
nog werden bijgewoond »privata collegia logica sub praesidio studiosi alicujua". 



Digitized by VjOOQ IC 



IN HET 8TATEN-C50LLEGIE. PROPAFDEUTICA. 53 

zgne dialectische kracht, als hij in tien „theses", door 
drie »corollaria*' achtervolgd, eene beknopte inleiding ver- 
dedigde op het tweede boek van bovengenoemd „Organon*', 
hetwelk handelt over de „interpretatie". Zonder juist veel 
waarde te hechten aan het hooggestemde loflied, hem 
bg die gelegenheid door zgn mede-kweekeling en tijdge- 
noot Jason Bilandns^) „amoris ergo" toegezongen , mogen 
wij niettemin vertrouwen, dat het disputeeren, onder 
leiding van den subregent, Heusdens zestienjarigen bur- 
saal naar wensch zal zijn afgegaan ^). 

Volkomen in overeenstemming met Kuchlinus' oordeel, 
die de logica „het instrument der instrumenten" noemde '), 
onmisbaar bij de vorming van iederen d^el^ken godge- 
leerde, bleef ook Voetius haar zijn leven lang eeneeere- 
plaats toekennen in de ry der wijsgeerige wetenschappen*). 



*) Hij was een zoon van Usbrant Biland, predikant te Hellevoetsluis, en 
als alumnus eerst gedenomineerd door de regeering van Purmerend, later 
door die van Delft. Brieven Stat-coll 1, 349; D, 91. 

•) Overeenkomstig het slot van Bilandus* Carmen in honorem docti pro- 
bique adolescentis d, Gisberti P. F. Voetii, aldus luidende: 

»Nec tibi caterva fallax adferat inanem metum 
Praelianti: si procellis hostium ingeniuro tibi 
De&tigatum labescat, Pallados praesentia 
Bertiique mens sagacis, vincierque nescii 
Auxili te liberatum sospitabit munere". 

Zie verder bijlage XXIX. 

•) In zijne openingsrede bij Bop., a. w.^ boek XXIX, fol. 406, — in 
welke hij tevens verklaarde : «De ware philosophie moet met de theologie ende 
om der theologie wil gheleert worden, laet ons haer als eene camenier 
ghebniycken". Vgl. Joh. Kuchlinus, Oratio, p. 22 & 20, alsook: Voet., 
Dispp. select, tom. I. p. 767; torn. IH, p. 750—753; tom. IV , p. 756, 757 ; 
Ther. heaut, p. 127, 128 en dr. H. H. Kuyper, a.tü., dl. I, blz. 221—225. 

*) »Artium mediocris cognitie , et multorum tmematum ac capitum memoria 
localis sufficiet ad alia festinanti. Logicam tarnen excipio, et rhetoricam: 
quarum illam imprimis et docentem et utentem familiai'em sibi reddat, si 
quis feliciter velit êioxtryilv'. Voet., Bibl stud. theol, p. 9. Vgl. p. 27, 28. 
Ook Leidens curatoren achtten »de philosophie 't fundament aller geleert- 
heid ende scienten". Hand. v, cur.^ 8 Febr. 1601. 



Digitized by VjOOQ IC 



54 TWEEDE HOOFDSTUK, 

Toch werden, ter wille van de dialectiek, ethica en 
physica geenszins door hem vergeten of verwaarloosd. 
Wederom was het Aristoteles — al dan niet gecommen- 
tarieerd — aan wiens meesterwerken beiden, Bertius 
en Bontius *), hun onderwijs vastknoopten. Zijn vrgen 
tijd gebruikte Voetius voor het lezen, wat de zeden- 
leer betreft, der tien boeken ^De moribus ad Nico- 
machum", door Riccobonus naar den Griekschen tekst 
verklaard^), terwgl hij, om behoorlek kennis te maken 
met de natuur philosophie , las en ten deele ook excer- 
peerde de » Beginselen der physica" van Aristoteles, 
diens drie boeken „De anima" en de uiterst kleine, 
ten onrechte aan hem toegekende verhandeling „De 
mundo", door Bonaventura Vulcanius met ophelderende 
noten voorzien '). 

Als wilde Qisbertus zich onmiddellijk tegen eenzijdig- 
heid wapenen, zoo voegde hij daaraan toe, op ethisch 
gebied de „Physiologia Stoicorum" van Justus Lipsius*) 
en diens „Manuductio ad Stoicam philosophiam" ; de 



1) Reinerus Bontius kreeg van HH. curatoren verlof den titel te voeren 
van professor medicinae et physices »niits niet anders ter handen nemende, 
nog opentlijck lesende, dan physicam et ea quae ad physicam pei^inent**. 
Hand. v, cur.^ 8 Febr. 1606. Dat Voetius ook Jacchaeus hoorde »in col- 
legio physico'', blijkt uit het door hem medegedeelde, Dispp. selecta, 
tom. V, p. 183. 

*) Van dien Griekschen tekst luidt de titel: *HÖ/jei 'SMoiiéx^*»\ io 'tlatijn 
Ethica Nicomachica geheeten. Vgl. Voet, Dispp. select,^ tom. III, p. 641 ; 
IV, p. 702. 

') Aristoteles de mundo cum scholiis Bonav. Vulcaniiy Lugd. Bat., 1591. 
Vgl. Voet., Dispp, select., tom. IV, p. 337; Th. Crenius, Animadversiones 
philologicae et historicae, pars XI, Lugd. Bat., 1702, p. 19, 111. 

De hierboven genoemde werken van Aristoteles zijn in het oorpronkelijke 
getiteld : Utp) ^v^-zx^c dxpoéia'iu^, ^ Trtpt ^o-tKÜv ^px^^' — ^'P' 4^;^9c* — üf^i 
xóa-iiov. Het auteurschap van dat laatste boekje wordt ook door Voetius, 
Bihl. stud. theol, p. 30 en 405, aan Aristoteles ontzegd. 

*) Beide geschriften kwamen in 1604 te Antwei*pen uit. Vgl. Voet, BibL 
stud. theol, p. 372 en 430. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN HBT 8TATEN-00LLEG1E. PBOPARDBÜTXCA. 55 

.Meditationes ethicae" van Goclenius^); de twaalf boe- 
ken der yPhilosophia moralis" van Alessandro Piccolo- 
mini'); het ^Systema ethicae tribus libris adomatum" 
van Eeckermann, naast diens ,Oeconomica" en „Poli- 
tica" *), alsmede enkele practisch-wijsge^rige tractaten van 
Plutarcbus *). Met hetzelfde doel, doch meer uit het 
oogpunt eener wetenschappelijke natuurbeschouwing, door- 
liep Voetius in haar geheel de „Physica" van Aristoteles, 
verklaard door de Conimbricensers *) ; die van den Griek- 
schen kerkvader Nicephorus Blemmydas •) ; die van Magi- 
ros^, alsook des laatsten en Confingerus^ commentaar 
op het geschrift „De anima'' van Melanchton •), benevens 
het leerdicht van Lucretius „De rerum natura" •). 



1) Wanneer Voetias in zijne BibL stud, theol. de «lexica philosophica" op- 
noemt, verzekert hij, p. 344: »inter quae excellit Rodolphi Grodenii'*. Vgl. 
p. 597, en Dispp, select, tom. I, p. 708; V, p. 215. 

>) Door Gisbertus gekocht voor 2 gld. 10 st. op eene auctie bij J. Ie Maire. 
Oud^rch. Heusden, E. 210. 

^ Barth. Keckermannus , Systema disciplinae politicae, Seorsim cux. 
synopsis discipHnae oecanamiccte, eodem auctore, Hanoviae. 

*) Te weten : nspl &ofynv(a^. — TlBpï weU^m itymytiQ, — Iltp) rSh ifs^nêvrm 
rd»c ^«AM-tf^C, ac r. A. 

*) »Qu]bu8 non vacat om nes (n. scriptores hic landatos) emere, eligant 
sibi Gonimbricenses propter citationee autonim , et multas controversias phy- 
sicae specialis ad libr. Meteor. et de goneratione et coiruptione". Voet., Bibl, 
stud. theoLj p. 369. In zijne «Dispp. select.*' worden die commentaren — 
welke, door paters-jezuïeten geschreven, volgens hem «subtilitate praecel- 
Innt" — meermalen aangehaald. Vgl. Dispp, select, tom. lU, p. 687. 

•) N. Blemmydas, Epitome logica et physica, Graece, Aug. Vind., 1605. 
Zie Voet., Dispp. select, tom. I, p. 621. Vgl. ibid,, p. 584. 

') Voetius rangschikt het werk van den Marburgschen hoogleeraar Johan- 
nes Magirus onder de vpleniora physicae systemata". Bibl. stud, theol, p. 368. 

•) Melanchton, Commentarius de anima, Wittenbergae , 1530. Naar aan- 
leiding daarvan merkt Voetius op: »Medica etiam attigerunt nonnuUi ex 
theologis*, ut Melanthon, cujus libellum de anima commentariis suis oma- 
runt duo medici Magyrus et Caufingerus". Bibl stud. theol, p. 472. Vgl. 
Dispp. select, tom. II, p. 201. 

») De auctie-catalogus (pars II, misc. in oct. n**. 33) vermeldt: »Lucretius 
de rerum natura cum notis Lambini", waarvan de volle titel luidt : D. Lam- 
binus, Titi Lucretii Cari de rerum natura libri sex, lods innumerabi- 



Digitized by VjOOQ IC 



56 TWEEDE HOOFDSTUK. 

Over het algemeen maakte men toentertijd aan Leidens 
academie weinig werk van de wiskunstige vakken *). Niet 
tevreden met, een paar malen 's weeks, professor Ru- 
dolphus Snellius*) het classieke en als voor de eeuwen 
bestemde handboek „T>e sphaera mundi'' van Johannes 
de Sacro Bosco *) te hooren uitleggen , oefende Gisbertus 
zich bij vernieuwing — buiten de gewone lessen om, en 
geholpen door een zijner studiemakkers, die op dat ge- 
bied goed thuis was — in de reeds te Heusden bijzonder 
gewaardeerde reken-, stel- en meetkunde van Pierre de 
la Ramée*). Eveneens gaf zijn vertrouwelijke omgang 
met Thomas Carbasius*), natuur-philosoof en later ge- 
neesheer te Hoorn, afinleiding, dat hij nu en dan werd 
uitgenoodigd , om, in tegenwoordigheid van enkele andere 
jongelui, een chemisch of een anatomisch onderzoek bg 
te wonen, door den toekomstigen medicus verricht®). 



libus ex auctoritate quinque codicum marmscriptorum emendatie Parisiis, 
1570, Vgl. Voet., Bibl. slud. theoL^ p. 371; Crenius, o. /, pars VI, Lugd. 
in Bat., 1700, p. 14. 

>) Hand. v. cwr., 10 Aug. 1591 ; Acia acad. L. B., cod. Vm, fol. 45. 

^) Magister Rud. Snellius was, sinds 10 Febr. 1601, gewoon hoogleeraar 
in de wiskunde. Acta acad. L. B., cod. VIÜ, fol. 64. Over de lessen, door 
hem te geven in het Staten-collegie , zie Eerste register, not. v. 4 Nov. 
1596. Vgl. Hand. v. cur., 3 Maart 1593. Ook schreef hij zelf eene »Arith- 
metica'*, door de bursalen gebruikt. Oud-arch. Heusden, E. 210. 

') Geboren in het graafschap York, heette hij eigenlijk John Holywood. 
Zijn »tractatus*' beleefde niet minder dan 65 verschillende uitgaven en 
werd gecommentarieerd door Melanchton, Franco Burgersdidus, Clavius en 
vele anderen. »Floruit anno 1214" schrijft Voetius, Dispp. select., torn. lU, 
p. 1347. 

^ *) Zie hierboven, blz. 17. Dat er, nu en dan, vrij zonderlinge »quaesita 
mathematica" in het Staten-collegie behandeld werden, wordt door Voetius 
ter loops vermeld, T?iers. heaut., p. 305. 

') Garbasius promoveerde, 22 Mei 1609, tot «magister artium*'. Acia acad. 
L. B., cod. vm, fol. 96, 

') Eigenaardig is de belangstelling van alle toenmalige studenten in der- 
gelijke «demonstrationes". Bij herhaling vermelden de senaatsnotulen , dat 
er door de professoren geen college werd gegeven »propter administratio- 
nem rei anatomicae". Acta acad. L. B., cod. Vm, fol. 76, 87; IX, fol. 1, 



Digitized by VjOOQ IC 



TN HET STATEN-COLLKGIE. PROPAEDEUTICA. 57 

Maar ook theoretisch trachtte Voetius van zulke zaken 
op de hoogte te komen ^). Daartoe maakte hij achtereen- 
volgens kennis met de, voor die dagen ^ niet minder 
boeiend dan degelijk geschreven „ üniversa medicina*' van 
Jean Fernel*), hofarts bg Frankrgks koning Hendrik II ; 
met Lemnius' veelgeprezen werken ^) ;,De miraculis oc- 
cultis naturae" en »De vita recte instituenda" ; met Li- 
bavius' geschrift over de metalen *) en met meer andere 
boeken van die soort , gelijk hij ook , in het belang eener 
algemeene ontwikkeling, de aardrijkskunde vanCestius*) 
bestudeerde, naast de ^^Tabulae geographicae" van zgn leer- 
meester Bertius*); de ^Batavia" van Hadrianus Junius^, 



4, etc Carbasius ontleedde voor Voetius »een paar honden" en hield voor 
hem «operationes quasdaro chymicas". Essenius, Orat, fun., p. iO. 

Met beti*ekking tot dat onderrichten van studenten door studenten, 
verklaai-t Voetius in zijne BibL stud. theoL^ p. 28 : »Dici non potest quanta 
discentiae nostrae fiat accessio, cum alios doceraus". 

1) Altijd, in zoover hij die studie noodig achtte voor een theoloog. Vgl.£i&^ 
stud. theoL, p. 388—391, 466, en Dispp. select, tom, U, p. 195— 227, waar 
hq handelt »de perfosso latere Ohristi". 

^) Johannee Femelius, üniversa medicina, tribus et viginii libris abso' 
luia, Parisiis, 1567. »Legi olim in schola praeter medicinam Femelii , Heur- 
niam et Ludovicum Fonsecam de peste*', schrijft Voetius, Thers, heaut., 
p. 284. 

*) Levinus Lemnius, De miraculis occultis naturae libri IV, Antverpiae, 
1559. De vita cum animi et carporis incolumitate recte instituenda liber 
unu9, Coloniae, 1581. 

*) Andreas Libavius, Commentationum metallicarum libri IV de natura 
metallorum, mercurio philosophorum, azotho et lapide seu tinctura phy- 
sicorum conficienda, e rerum natura, experieniia et auctorum praestan^ 
Hum fide, Francofiirti, 1597. 

■) Voetius citeert in zijne Bibl. stud, theol, p. 410, de x>Geographia poë- 
tica a Lamberto Danaeo collecta, et cum geographia Cestii edita in 8^'*. 

•) Petrus Bertius, Variae orbis universi et ejus partium tabulae XX 
geographicae, ex antiquis geographis et historicis confectae, 4**. oblonge. 

^) Na den dood des schrijvers verscheen zijn: Batavia. In qua praeter 
genlis et insulae antiquitatem, originem, decora, mores, aliaque ad eam 
kistariam pertinentia, declaratur, quae fuerit vetus Batavia, quae Plinio, 
Tacito, Ptolomaeo cognita, quae etiam genuina inclytae Francorum nationis 
fuerit sedes, Lugd. Bat, 1588. 



Digitized by VjOOQ IC 



58 TWEEDE HOOFDSTUK. 

naast de zoo kloeke deelen der «Nederlandsche oorlogen'' 
van Petrus Bor *). 

Aldus trouw de hand leggende aan zijne propaedeu- 
tische vorming*), werd Gisbertus overvallen door eene 
gebeurtenis, die niet slechts het Collegium theologicum 
even onverwacht als gevoelig trof, maar welke ook geens- 
zins naliet belangrijken invloed te oefenen op menigen 
bursaal, daar geplaatst. Den 3^«ï^ Juli 1606, 's namiddags 
te twee uren , overleed Johannes Kuchlinus , zestig jaren 
oud. Kort was hij ziek geweest. Weinige dagen te voren, 
aan den avond van 30 Juni, had hy, oogenschijnlgk vol- 
komen gezond , met Bertius nog allerlei dingen besproken, 
den gang van het onderwijs betreffende; dezen o. a. 
medegedeeld, hoe hij met het verklaren van den cate- 
chismus juist gereed was gekomen en hij dat werk eerst 
na de groote vacantie dacht te hervatten, daar alle 
oudere alumnen — op één na — bij het proponeeren *) 



*) P. Chr. Bor, Oorspronck^ begin ende vervolgh der Nederlantsche oor* 
logen\ beroerten en borger lycke oneenicheyden^ beginnende mette opdrachte 
derselver landen^ ghedaen by keyser Carel V oen synen zoon coninck 
Philippus van Spangien^ tot de droevig he doodt van syn Excellentie Willem 
prince van Orangien, hoogt, memorie^ Amst.-Leydeii , 1602. Vgl. Voet., 
Bibl. stud, theol.y p. 133, 134, 662 en Dispp. select., toni. m, p.311, waar 
Bor door hem genoemd woixlt «diligentiseimus rerum Belgicarum scriptor". 

*) Later zien wij den Utrechtschen hoogleeraar bovenvermelde geschriften, 
door hem als bursaal min of meer nauwkeurig bestudeerd, in zijne talrijke 
werken geregeld aanhalen. Bij de disputaties op physisch, metaphysisch , 
ethisch, politisch en oeconomisch gebied verdedigd in het Staten-coUegie 
en nog aanwezig ter Leidsche universiteitsbibliotheek, heb ik geene enkele 
verhandeling van Voetius , wel van de meesten zijner tijdgenooten gevonden. 
Volgens Essenius, Orat. fun., p. 13, zal Gisbertus — behalve de vroeger 
genoemde vdisputatio logica de interpretatione" — ook gehouden hebben 
eene «disputatie physica de motu''; beide »suo marte conscriptae''. Essenius 
vergist zich evenwel, wanneer hij de verdediging der stellingen laat ge- 
schieden »sub doctore Gomaro'\ 

') Er werd door de bursalen geproponeerd , onder voomtterschap van den 
subregent »in philosophicis", onder dat van den i^egent »in theologicis**. 
Men bezigde daarbij 5f de Nederlandsche öf de Latijnsche taal. Geschiedde 



Digitized by VjOOQ IC 



IN HET 8TATBN-C0LLEGIB. PBOPABDBÜTICA. 59 

honne benrt gekr^en en behoorlgk veryuld hadden. Den 
Yolgenden ochtend , Zaterdag zes uur '), zat Euchlinus als 
naar gewoonte voor „by het oefenen der jonckheyt in 
dispatatione theologica'\ Het onderwerp, aan de orde 
gesteld , liep over de verschillende trappen of graden van 
gehoorzaamheid 9 waartoe de geloovige christen tgdens 
dit leven vermag op te klimmen. Bezig met den bursalen 
aan te toonen , hoe hier, zal het goed zijn , sprake dient 
te wezen van een voortdurenden wasdom, welks volein- 
ding de eeuwigheid waarborgt , b^on plotseling Euchlinus* 
stem te haperen, zijn blik te staroogen, zgn gelaat in 
te vallen. Nauw was dit door de coll^isten opgemerkt, 
of het dispuut werd ten spoedigste — evenwel, volgens 
vaststaand gebruik, nog eerst met dankzegging — ge- 
sloten. De onderregent , in allergl geroepen en de gehoor- 
zaal binnengetreden, ziende, dat eene beroerte Kuchlinus 
getroffen had, liet hem zoo omzichtig mogelijk door een 
paar der sterkste jongelieden overdragen naar diens stu- 
deervertrek, vlak bfl het auditorium gelegen. Op het 
aldaar terstond gespreide bed bracht de kranke «getast 
van de apoplexia" zijne laatste uren door, van tijd tot 
tijd bezocht en toegesproken door de Leidsche predikanten 
Festus Hommius, Adrianus Borrius en Egbertus Aemilius *), 



het eerste, dan moesten de coUegisten »die selve tale zoucken te verrycken, 
ende van alle vuytheemsche , bastaerde, ende gheschuymde woorden tezuy- 
Teren". Ordonn., 4595, dl. UI, art. 19. 

') Ook de vtheses logicae*' werden op dat vroege morgenuur verdedigd. 
Zoo b. V. de disputatie door Winandus Hermanni Schuylius gehouden , 25 Sept. 
1599, roet vermelding op den titel: »hora 6 matutina". Latere disputaties, 
waaronder die van Voetius, bevatten — misschien als onnoodig — geenerlei 
aanduiding van tijd of plaats. 

•) Vgl. Lucas Trelcaüus, L. F., Oratio funebris in obitum rev, et dar. 
viH d. Johannis Kuchlini^ p. 12. Trelcatius jr. had zich met het houden 
der lijkrede belast , op verzoek van P. Bertius en F. Hommius , schoonzoons, 
of naar het, in de nog niet verfranschte taal dier dagen, heette: «swagers** 
van Kuchlinus. Vgl. Brieven Stat.-coll., I, 347. 



Digitized by VjOOQ IC 



60 TWEEDK HOOFDSTUK. 

om weldra »in den Heere Christo zalichlyck te ont- 
slapen", naar Bertius, daags daarop, den gecommit- 
teerden raden der staten van Holland en West-Friesland 
berichtte *). 

Volkomen te recht getuigde hij in dien brief, dat 
Kuchlinns tot een zwaar en vaak ondankbaar ambt was 
geroepen geworden^). Aan stipte plichtsbetrachting, aan 
onvermoeide zorg, dat alles binnen het Collegium theo- 
logicum bleef »in zyn behoorlycke ende gewoonlycke 
stuer", had het , sedert zijne herbenoeming ^), den regent 
niet ontbroken. Ook nam Kuchlinus een tgd lang, bg 
vrijwillige leening, met Gomarus den predikdienst waar 
ten behoeve der Gereformeerde gemeente van Leiden*). 



>) Brieven StaL-colL, I, 375. 

^) Hij genoot daarvoor eene bezoldiging van 1200 gid., benevens »andere 
praeeminentien , vi^ydommen, ende gerechticheeden'* , gelijkstaande met het 
tractement van een «professor ordinarius" in de godgeleerdheid. Eerste 
register, not. v. 9 Juni 1595 en 9 Febr. 1607. 

') Vóór dien tijd schijnt mij zijn gedrag, bij terugkeer naar Amsterdam, 
minder rechtmatig. Aldus dacht daarover ook de secretaris der Leidsche 
curatoren, Jan van Hout, wanneer deze, in een schrijven van 25Nov.l592, 
Kuchlinus onder het oog brengt : »hoe hij selfe verstaet , dat zijne beroepinge 
hem is toegecoomen door Goddelycke voorschickinge , en hij sich dus niet 
met vleys ende bloedt, niet met wyfiF of wylfvininden, maer wel ende wys- 
selycken beraeden moet". Hand, v, cur., 25Nov. 1592. Vgl. ^ctooccwi. L. 5., 
cod. Vla, fol. 46—48. Trelcatius, de lijkredenaar, glijdt om zoo te zeggen 
over het gebeurde heen, als hij, (}rat. fun., p. 9, zegt; »quamvis non diu 
tune praefuerit. Siquidem et qua erat modestia et quo erga Amstelrodamenses 
affectu excusavit, qua potuit et debuit revei*entia". 

Nèi dien tijd kan Kuchlinus, meen ik, grooter aanspraak maken op den 
hem gegeven lof: »Ita Collegium theologicum rexit ut nihil omnino, neque 
quoad singularem et solidam eruditionem , neque quoad doeend! facultatera et 
fetcilitatem , neque quoad morum gravitatem ab ullo quopiam in ipsodeside- 
ratum sit". Ti'elcatius, Orat, fun., p. 9. Vgl. J. Meursius, At?iencie Batawte, 
Lugd. Bat., 1625, lib. H, p. 184. Zie ook bijlage XXX. 

*) )»Quantum autem docendo, hortando, movendo, saepe etiam increpando, 
ecclesiae illi (n. Amstelrodamensi) et huic nostrae (n. Leidensi) profuerït; 
testes sunt auditorum fere omnium conscientiae ; testes nostrae, quibus 
sermonum suorum aculeos infigere solitus est". Ti'elcatius, Orat. fun., p. 8. 
Vgl. bijlage XXXI. 



Digitized by VjOOQ IC 



IK HET StATRN-CÓLLEGIE. ^EOtAÊDÊtTlCA. 61 

In beide betrekkingen ijverig werkzaam , werd hij , na 
zgn dood, straks geprezen als »een trouwe leeraer ende 
oprechte regent" *) , wiens „ghesonde leere leeft in zijn 
gedruckte disputatien int CoUegie ghehouden" •). Wat 
die gezonde leer betrof, ze deed hem nu eens verkla- 
ren'): ydat den mensche, versopen in een afgront der 
sonden, ende met schrickelicke duysternisse , ende eene 
seer droevige ongheregeltheyt der aflfecten omringht , door 
verscheyden hulpmiddelen van leeringhen , vermaninghen, 
ende troostingen, behoort opghericht ende bevestight te 
worden, op dat ten minsten eenich kleyn beginsel vande 
kennisse Godes ende de ware heylicheyt in hem te weghe 
gebracht ende bewaert mag werden"; om dan weer 
te verzekeren*): „dat 't oude serpent, dien vader der 
leugenen, alle daghen nieuwe ketteryen verweet ende de 
oude vernieuwt, drgvende listighe menschen, dat zy 
walgen vande gewoonlicke manieren van spreken der 
kercke, ende nieuwe phrases, gewisse tekenen van eene 



^) Fr. Gomarus, Bedencken over de lyck-oratie van meesier P, Bertius^ 
Leyden, 1609, blz. 7. 

*) Fr. Gomaru8, Proeve van fnr. P. Bertii aenapraeck, Leyden, 1610, bh. 
23. De «disputationes theologicae** van Ruchlinus, aangehaald door Voetius, 
o.a. Dispp. select^ torn. III, p. 1265, en als zoodanig ook vermeld in diens 
auctie-catalogus (pars H, theol. in quarto, n^. 583), waren eigenlijk «theses 
theologicae de catechesi christiana'*. Zie bijlage XXXII. 

*) vSi enim Adamo mentis suae et voluntatis, omninmque affectuum 
polcberrima ffvinurpte^ adhuc ornato , Deus certum diem (n. sabbatum) medi- 
taUonibus et exercitiis rerum caelestium tribui voluit, hominem profecto in 
peccatorum voraginem nunc demersum, horrendisque tenebris et tristissima 
affectuum êereiftit circumdatum, varüs doctrinarum, bortationum, et conso* 
lationum adminiculis erigi et confirmari oportet, ut vel tenue agnitionis 
Dei, et sanctitatis verae initium, effici in ipso posdt, et conservari**. Joh. 
Kuchlinus, Oratio^ p. 8. 

*) vQuousque ergo serpentis antiqui, contra ministerium verbi, odium con- 
ceptum progredi sinemus? .... Excitat quotidie pater ille mendaciorum novas 
haeresee , veteres renovat, homines versutos indtat, ut ad inusitatas ecclesiae 
formas loquendi nauseam capiant , novas phrases certae iT9ptitiasna?Jm^ indices 
fingant". Joh. Kuchlinus, Oratio^ p. 11. 



Digitized by VjOOQ IC 



62 TWEEDE HOOFDSTUK. 

vremde leere, versieren"; waarop hij, als ten eenen 
male onafwijsbaar, zegevierend liet volgen O - » wie en 
merckt dan niet, datmen van node heeft godvruchtighe 
ende gheleerde mannen, die Gtoda woort weten recht te 
sngden , de waerheyt voor te staen , de sophisterien ende 
leugens te bestrijden ende te wederlegghenl" 

Deze woorden , gesproken bij zijn eerste optreden als 
r^ent van het Staten-coUegie •), zouden in Kuchlinus^ 
mond zeker niet misplaatst zijn geweest , waren ze geuit 
korten tijd vóór zijn overladen'). Immers ongeacht de 
verklaring, afgelegd door Gomarus, Arminius en Trel- 
catius junior — eene verklaring*) ook door hem onder- 
teekend — en den lO^en Augustus 1605 aan HH. cura- 
toren overhandigd, inhoudende het getuigenis: j^dat sy 
wel gelooffden dat onder den studenten meer disputen 
vielen dan hen lieflF was, maer dat sy niet weeten dat 
voor soo veel de fondamenten der leere aengaet, onder 
den professoren der faculteit der theologien eenig geschil 
is", meende Kuchlinus , al spoedig na Arminius' optreden, 

<) »Qui8 igitur non videt piis et doctis viris, qui verbum Dei recte secare, 
veritatem propugnare, sophismata et mendacia oppugnare, et refutare sdant, 
opus esse?*' Johannes Kuchlinus, Oratio^ p. ii. 

s) Bor, a.w.^ boek XXIX, fol. 38a en &. 

') ]»Magna in Ulo fuit artium liberalium et philosopbiae cognitio, major 
linguarum, sacrarum litterarum maxima; quibus omnibus aocessit constans 
et indefessa in muneris sui executione Mes et diligentia", getuigt Trelcatius 
in zijne Orat fun.^ p. 9, waarop hij met nadruk laat volgen: »Quam 
fldeliter verum illud religionis nepenthes propinavit suis? Quam diligenter 
cavit ne igniculi hereseoon et fitlsarum opinionum, dneri doloso suppoeiti, 
incendium huic orthodoxae theologiae seminarie inferrent?" 

*) Ze moest als tegenwicht strekken van het gravamen , door de Doixlsche 
classis ter behandeling ingediend op de particuliere synode van Zuid-Holland, 
te houden binnen Rotterdam, 30 Aug. 1605 en volgende dagen. Vgl. Go- 
marus, Bedencken^ blz. 43, en P. Bertius, Aen-spraeck oen dr, Fr. Goma' 
rum op zijne bedenckinghe over de lyck-oratie ghedaen na de hegraefenisse 
van dr, Jacohua Arminius zalig her, Leydeu, 1609, blz. 10 — 13. Zie ook 
Ckitalogu8 van het oud Synodaal archief, bewerkt door K Q. Janssen, 
's-Gravenhage, 1878, I, 6, 5 en hierachter, bijlage XXXHI. 

Digitized by VjOOQ IC 



ÏN HET STATEN-COLLEGIE. tRO^AEDEüTlCA. 63 

uit liefde tot „de suyverheyt der waerheyt", zoo niet 
rechtstreeks dan toch zijdelings , zich te moeten verzetten 
tegen de richting, aan Leidens academie door zgn neef 
en vroegeren zoowel als lateren ambtgenoot, hoe langer 
hoe beslister, voorgestaan *). 

Overigens wist hg, bö verschil van meening ook op 
ander gebied, door kalmen ernst en, zoo noodig, door 
een zéér krachtig optreden, gepaard met welwillend en 
hulpvaardig dienstbetoon, vastberaden het bestuur te 
voeren over de inrichting aan zijne zorgen toevertrouwd'). 
Geen wonder, dat verreweg de meeste bursalen zich tot 
hem voelden aangetrokken. Onwillekeurig vergeleken som- 
migen — daar op zgn sterfdag, bg het voortzetten der 
gebruikelijke bijbellezing, de beurt was gekomen juist 
aan het laatste hoofdstuk van Genesis ') — naderhand , 
in hunne herinnering, het weenen der Egyptenaren bij 
Jakobs gebalsemd lijk met den rouw, die het Staten- 
coUegie vervulde, toen men er zich had voor te bereiden 



^) Kuchlinus, in zijn leven driemaal gehuwd , had tot derde vrouw Greertje 
Jacobe, zuster Tan Harmen Jacobs , den vader van Arminius (Jacob Harmsen). 
Vgl. Brieven StaL-colL^ I, 89. Te Amsterdam waren beiden zeven jaar lang 
te zamen predikant geweest; te Leiden was ook Kuchlinus, als regent, op- 
genomen in de rij der theologische professoren. Zie voorts bijlage XXXIV. 

^) 'Ende dewyle d*autoriteyt des regents is den handt der vruchtbaer- 
Ijcker opvoedingbe der jonckheyt inden GoUegie theologiae", luidt het in 
een merkwaardig concept-request van Kuchlinus aan de staten van Holland, 
dat ten zeerste pleit voor zijne paedagogische verdiensten, en eene scherpe 
tegenstelling vormt met het volkomen gemis daarvan bij den regent Jeremias 
Bastingius. Zie Brieven Slat-coll, I, 186. Vgl. ResoL HolL, 19 Mei 1601. 

') In het begin van Grenesis 50 wordt, naar bekend is, melding ge- 
maakt van de Egyptenaren , die Jozefs vader zeventig dagen lang beweenen. 
Dat dit hoofdstuk toen juist aan de beurt kwam, alsook dat, daags vóór 
Kuchlinus* dood, gelezen werd Genesis 49, waar, in vers 33, staat: vAls 
Jakob voleind had aan zijne zonen bevelen te geven, zoo leide hij zijne 
voeten samen op het bed, en hij gaf den geest, en hij werd verzameld tot 
zijne volken", rekende Trelcaüus — OraL fun., p. 11 — mede te behooren 
tot die ypraesagia", die, in weerwil van Kuchlinus' schijnbaar welvaren, 
hier niet ontbroken hadden. 



Digitized by VjOOQ IC 



64 TWEEDB HOOFDSTUK. 

op de plechtige uitvaart'), waarbg Kuchlinus' stoflFelgk 
overschot , evenals dat van den ouden patriarch , Woens- 
dag 5 Juli 1606 zou worden ten grave gebracht*). 

Zoo rustte dan wederom op Hollands staten de moeie- 
lijke taaky een geschikt regent te benoemen aan het 
Collegium theologicum. Ten einde hen voor te lichten 
bfl die keus , vergaderden , niet lang na Kuchlinus' dood, 
curatoren en bui^emeesters van Leiden '). Na herhaalde 
besprekingen onderling, afgewisseld door »eenige particu- 
liere comparitien", waarin men raadple^de* zoowel «met- 
ten heer advocaet vanden lande" als » metten professoren 
theologiae , om vanden selven te verstaen wat persoonen 
sijluyden zouden bequaem agten, om 't voors. r^entschap 
ter eeren ende ten dienste vant CoUegie te mogen betre- 
den" ; — welke theologische professoren, niet minder dan de 
leden van den Leidschen kerkeraad, zich beijverden des- 
noods ongevraagd advies te verleenen*); — werd in 



1) Door den academischen senaat was aan Bertius, als sobregent, verlof 
gegeven, om, terstond na afloop der »oratio fanebris** van Trelcatius, een 
woord tot Kuchlinus' nagedachtenis te spreken voor de bursalen, in de ge- 
hoorzaal van het Staten-collegie. Acta Acad» L, 5., cod. Vul, fol. 83. — 
Ook sommige alumnen voelden zich gedrongen het aandenken van den 
betreurden leermeester, en wel in poëzie , te verheffen. Zóó deden o. a. 
Voetius' medebursalen Robertus Puppius en Victor Rickelsma, door de uit- 
gave hunner :»Funebria in exequias rever, viri d. Joh. Kuchlini", alsook 
Gaspar us Barlaeus, die een «Garmen funebre in obitum d. Joh. Kuchl." 
dichtte. Zie dr. W. P. G. Knuttel, Catalogus van de pamfletten-verzameling 
berustende in de Koninklijke bibliotheek^ 's-Gravenhage , 1889, dl. l,'st. I, 
blz. 270, n«>. 1348 en 1349. 

*) Het portret van Kuchlinus, bekleed met de hem door curatoren ge* 
schonken toga en een kalotje op het hoofd, wordt aangetroffen bij Meursius, 
Ath. Bat, lib. U, p. 181, alsmede in de verzameling: Les vrays pourtraits 
de les célèbres et plus renommés professeurs^ depuis Ie commencement de 
nilustre académie de Leide. Vgl. Eerste register, not v. 6 Dec. 1595. 

») Vgl. ResoL HolL, 27 Juni 1606. 

*) Aanbevolen werden o. a. Wemei*us Helmichius en Johannes Becius, pre- 
dikanten, respectievelijk te Amsterdam en te Dordrecht. Eerstgenoemde was 
reeds in 1591, nog predikant te Delfl zijnde, door Leiden begeerd alstheo* 



Digitized by VjOOQ IC 



IK ÖET STATËN-GOLLËGIB. ^ROPAEDEtJTICA. 65 

overleg met Gecommitteerde Raden goed gevonden ^alsnog 
niet egntelijck te procederen tot aenueminge van een 
regent^\ maar leiding en gang der zaken voorloopig te 
blgven toevertrouwen aan Petrus Bertius^). Dezen de 
tengels van het bewind op dat oogenblik vooi^oed in 
handen te geven scheen ongeraden , zoo wegens het 
veelbewogen verleden van den subregent, als omdat 
men twgfelde*), of wel ^sgn humeuren soude mogen 
strecken tot eenige moderatie int stuck van religie te ge- 
bmycken*' ')• 

Bertius was geboren te Beveren, een dorpje in West- 
Vlaanderen, den 14d«n November 1565. Zijne ouders, 
reeds vromer overg^aan tot de leer der Hervormden, 
zagen kort daarop zich gedwongen de vlucht te nemen, 
eerst naar Duinkerken, toen naar Engeland. Nauwelgks 
zeven jaar oud , in een der Londensche voorsteden achter- 
gebleven onder de hoede van meester Ghristiaan de Rgck , 
terwgl zijn vader — Pieter de Bert senior — de Noordzee 
overgestoken, als predikant en eene enkele maal als 
privaat-docent, werkzaam was binnen Rotterdam*) en 



logisch professor. Zie Tweede register raeckende de univereiteyt binnen Leyden^ 
foL 50. Vgl. Voet., Polü. eccles., lom. O. p. 667, en Reaol Holl, 15 Juli 1606. 
In zijne Bibl. jtud. theol. p. 572, getuigt Voetins van Helmichius : »Yere et 
solide eruditus theologus, merito iumen ecdesiarum Belgicarum dicendus'*. 

*) »Ick zal daer en tusschen naer myn vermogen in alle vleit en getrou- 
wicheyt verzorgen dat de directie van het Gollegie in zjn behoorlycke en 
gewoonlycke stoer blyve*', had Bertius al voorshands in zijn brief van 
den 4^**^ Juli 1606 aan HH. gecommitteerde raden ven Holland en West- 
Friesland geschreven. Brieven Stat-colL, I, 375; Resol Holl.^ 25 Aug. en 
8 Sept. 1606. Zie ook bijlage XXXV. 

s) Eerste register^ not. v. 8 Aug. 1606. 

') Toch behoorde hij, overeenkomstig Ordonn,^ 1595, dl.I,ai*t. 9, reedvals 
subregent, te zqn: »onder den oogen der burualen eenen levendigen spiegel 
van alle deuchden ende manierlycke zeden, ende ghelyck een levende wet, 
volgende de Gereformeerde religie, daervan hij oick openbare professie zal 
doen, op dat de bursalen hen daemaer mogen dragen'*. 

♦) Vgi. Oud Synod. archief, Hl, 8Ö, I, 2—4. 

6 



Digitized by VjOOQ IC 



00 TWEEDE HOOFDSTUK. 

Goes, Wolfertsdijk en Heinkenszand , trachtte Pieter de 
Bert junior zich, te gelgk met het aanleeren derFransche 
taal , zoo goed mogelijk te bekwamen ook in het grieksch 
en latrjn. Uit Engeland teruggekeerd, bezocht hg, sedert 
October 1 576 , in gezelschap en onder toezicht van Jacobus 
Arminius *)> de pas gestichte hoogeschool te Leiden. Een 
zesjarig verblijf aan die academie stelde Bertius in staat 
hier en daar *) de oude letteren te onderwazen , tot hg 
— met zijn vroegeren en steeds door hem hooggeschatten 
leermeester, professor Justus Lipaius ^), in 1691 naar 
Duitschland vertrokken*) — achtereenvolgens zich op- 
liield te Frankfort a. d. Main , te Heidelberg en te Straats- 
burg. In laatstgenoemde plaats ontving hij uit Leiden 
-het eervol aanzoek om , nevens den regent dr. Jeremias 



ï) Na den moord ten jare 1575 door de Spanjaai*den te Oudewater ge- 
pleegd aan zijne bloedverwanten, had Arminius eene toevlucht gevonden in 
het gezin van Bertius sr. Vgl. Kist en Royaards, Nieuw archief voor ker- 
kelijke geschiedenis^ inzonderheid van Nederland^ Schiedam, 1852, dl. I, 
bJz. 174—176; Leyden, 1854, dl. H, blz. 275—280. Zie ook P. Bertius, 
Oratio in ohitum rever, et clar, viri d, Jacobi Anniniiy Lugd. Bat., 1609, 
p. 11—13. 

s) Hij gaf privaat-lessen te Antwerpen, Ostende, Middelburg, Goes en 
Leiden. Den lO^en Febr. 1589 gratis als academieburger geïmmatriculeerd , 
kreeg Bertius al spoedig, daartoe door rector en professoren aanbevolen, 
Tan Hollands staten 200 gld. subsidie — )>in aensieninge van de bequaemheyt 
ende goede hoop van den suppliant, omme te hebben een eerleek onderhoudt 
tot sgn studie nodigh zijnde". Resol, HolL, 30 Oct. 1589. 

>) Door Voetius minder hoog gesteld , o. a. in zijne Dispp. select.^ tom. I, 
p. 207; n, p. 608; UI, p. 781, 783; Polit. eccles., tom. I, pars II, p. 433, 
maar desniettegenstaande, Dispp. select., tom. FV, p. 668, als een vemunctae 
naris criticus" gepi*ezen. Vgl. Grenius, o. 2., pars VII, Lugd. Bat., 1700, p. 54, 56. 

*) Een zestal brieven, door Bertius en Lipsius gewisseld — belangrijk ab 
proeve hunner wederzijdsche verhouding — staat afgedrukt bij Petr. Bur- 
mannus, Sylloge epistolarum , Leidae, 1727, tom. I, p. 578 — 585. De cor- 
respondentie, tijdens zijne buitenlandsche reis door Bertius met den stads- 
secretaris te Leiden, Jan van Hout, gevoerd, wordt gevonden in de Hand. 
V. cur,, 18 Maart 1593. In diezelfde «Handelingen" is ook opgenomen een 
merkwaardig aanbod, door curatoren en burgemeesters Bertius gedaan, en 
hierachter vermeld als bijlage XXXVI. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN HET 8TATBN-C0LLEGIE. PROPAEDEXJTICA . 67 

BastingiaSy binnen bet Staten-coUegie als subregent op 
te treden ')• 

Bij het waarnemen dier betrekking bleek hem spoedige 
hoe Bastings „bekende goedigheijt , ende angebooren zagt- 
moedighegt, heel vreemt sijndevande ernstige straflFheijt" 
dezen Tolkomen ongeschikt maakten voor het besturen 
van eene dergelijke inrichting '). Gevolg daarvan was dan 
ook het bekende bursalen-oproer in October 1594, ten 
tgde dat de niets kwaads vermoedende regent het Col- 
legie voor eenige dagen had verlaten en rustig binnen 
de stad Hoorn vertoefde '). Ofschoon „inne de beclaeghe- 
lijcke tragoedie, die daer ugt vorder gevolgt es, niet 
anders gedaen hebbende, dan ten beveele, ende uijt- 
druckelijcke last vande curateurs ende bargemeesteren", 
moest Bertius straks tot zgn bitter verdriet ondervinden, 
hoe hij „bg veele lugden in een groote opspraecke, ende 



*) Vgl. Bertius, Aen-spraeck, blz. 25. Uit Dordrecht schreef de Bert jr. 
aan Jan Tan Hout, dat hij Bastingius er opgezocht en met dezen hun 
toekomstig samenwerken besproken had. »Ejus colloquium quam raihi neces- 
sarinm foerit , jam demum intelligo , cum de munere capescendo , deque universa 
CoUegü theologici ratione atque ordine turn ex illius sermonibus edoceor, 
tum ex legibus publice in hanc rem editis". Hand, v. citr., 18 Mei 1593. 

*) Eerste register, not. ir. 7 Dec. 1594. Uitvoerig wordt die ongeschikt- 
heid toegelicht door Bertius' verslag — 43 bladzijden groot — geschreven 
op last van HH. curatoren, en waarbij hem tevens bevolen werd mede te 
deelen »a]le de faulten, mishandelingen ende overtredingen, tot nog toe 
inde Ck>llegie gebeurt , dog getrouwelkken ende soo weynig yemant , wie off 
van wat aansien die oock mogten sijn, verschoonende'*. Opgenomen in het 
register voornoemd, behelst dat verslag onder meer de verzekering: «Illud 
vero tolerari non potest, quod manifestissime deprehensum est, ignorareil- 
lum (n. Bastingium) rationem gubemandi regendique Ck)llegii". Toch werd 
dezeo door Hollands staten »omme eenige respecten, extraordinaris toege- 
voeght de somme van 300 gld.*' , terwijl zij bovendien , na hiertoe gedaan ver- 
zoek, één hunner — den burgemeester van Amsterdam, Reinier Cant — 
afvaardigden als doopgetuige van Bastings » jongen geboren soon", met op- 
dracht , uit naam der Staten, den vader aan te bieden »eene vergulde koppe, 
tot een vereeringe". ResoL HolL, 13 Juli en 3 Oct. 1594. 

«) ZÏB Schotel , Stud.'Opr., blz. 70—90. Vgl. ResoL HolL, 27 en 29 
Oct. 1594. 



Digitized by VjOOQ IC 



èÖ tWEEDB ÖOOPDÖTth^. 

naerdenken was gecootnen" *). Allereerst bg de studenten 
der Leidsche hoogeschool ') en de kweekelingen van het 
Staten-coUegie. »üaer is eenen geweest — zoo klaagde 
aan curatoren de onderregent zijn nood — die mg opent- 
Hek over taeflfel, in jegenwoordigheijt van allen anderen 
bursalen , voor een verrader gescholden heeft , eude heeft 
mij durven verwgten, dat ick gansch HoUant in roeren 
gestelt hebbe. Een atider heeft mg durven dreggen , ende 
eenen anbrenger ofte beclapper noemen. Als ick hebbe 
willen lesen , niemant en heeft tot mijne lectiones willen 
coomen ^), daerentusschen heeft men niet opgehouden, 
pasquillen jegens mg te schrijven" *). Ook toen hij, tegen 
den zomer van 1599, eene nieuwe poging meende te 
kunnen wagen om zijne, in den winter van 1594, te 



*) Eerste register^ not. ▼. 22 Mei 1595. De grievende beschuldigingen van 
tijd tot tijd tegen hem ingebracht , konden onmogelijk worden vergoed door 
de 200 gld., welke curatoren , in hunne vergadering van 28 Nov. 1594 , 
aan Bertijis toekenden »voor extraordinarise diensten, by hem tot nog toe 
gedaen". Vgl. bijlage XXXVH. 

*) Reeds vóór dien tijd was hij den studenten geen «persona grata*\ 
zooals blijkt uit de senaatsnotulen van 9 Febr. 1594: »Bertius in ethicen 
Aristotelis praefaturus, quum jam cathedram conscenderet , maximo a atu- 
diosis strepitu exdtato , nuUum verbum fecit". Wanneer curatoren , in plaats 
van Vulcanius, die tegen Maart 1595 als secretaris-translateur van den 
academischen senaat wenschte af te treden, daartoe Bertius aanbevelen, 
luidt het in de notulen van 10 Febr. te voren: » Visum est senatui acade- 
mico non expedire ut Bei*tius hoc tempore eo munere fungeretur". Acla 
acad. L. B., cod. VIII, fol. 37, 38. 

*) Toch was hij niet de eenige, wien het in 1594 onmogelijk werd ge- 
maakt de aangekondigde of voorgeschi*even lessen te geven. »Per totum 
annum tot turbae fuerunt, ut nee professores munere suo fungerentur, nee 
studiosi ad officium redirent", toekent Burman aan bij een brief, geschreven 
door den hoogleeraar Raphelengius aan zijn voormaligen Leidschen collega 
Lipsius. Zie P. Burmannus, o. ^, tom. J, p, 197. Die opmerking wordt be- 
vestigd door het genotuleerde in de Acta Acad. L. S., cod. VIII, fol. 33, 34, 
en in de Hand, v, cur,^ 8 Febr. 1594. 

*) De brief, waaraan die klachten zijn ontleend , WQrd dpor Bertius ge^ 
schreven en uit het Staten-coUegie verzonden op 8 Januarj 1595. Zie Eerste 
register^ not. v. 9 Jan. 1595. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN HET STATEN-OOLLKGIR. PEOPAEDEUTICA. 6Ö 

nauwemood begonnen collies over de ethiek van Aristo- 
teles voor de studenten te vervolgen , achtte de senaat 
die proefiieming nog ongeraden en hield hg Bertius met 
allen ernst daarvan terug O* 

Wat echter den ^lector academicus" voorloopig bleef 
ontz^d y mocht intusschen de subregent grootendeels her- 
winnen : belangstelling en vertrouwen bij zijne leerlingen. 
Niet weinig kwam hier Bertius ten goede, het welwil- 
lend oordeel over zijn persoon en de zedel^ke steun van 
Kuchlinus •), met wiens dochter, Anna Maria, hg eerlang 
in het huwelijk trad. Ook de omstandigheid, dat hem 
de gewichtige taak werd opgedragen, door eene plechtige 
lijkrede de nagedachtenis te eeren van den aan Leidens 
universiteit even beroemden als beminden Janus Dousa'); 
dat curatoren en burgemeesters besloten »de hujrsinge 
des subr^ents" te verbeteren*) en ^met hondert guldens 
int jaer" diens wedde te verhoogen*), waarna hg zich, 

<) >Propo8uit magnif. rector nomine P. Bertii ut ipsi aasignetur hora 
qtia poblice doceat ethica Aiistotelis. Decretum ut moneatur per magnif. 
rectoren) Bertius sen. acad. metuere ne illi male cedat hoc tempore si quid 
pubüce institueret**. En voorts: »Decretum ut B. Vulcanius significaret P. 
Bertio visum senatui academico consultum ut per cedularo moneat studiosos 
se ob negotia quaedam dilaturum aliquamdiu praelectionem ethices. Respondit 
se id focturum". Acta Acad, L. B,^ cod. Vm, p. 56. Vgl. Hand. v, cur.^ 
8 Mei 1599 en 7 Febr. 1600. 

*) «Ende zoo veel de pei'soon Petii Bartii angaet, verclaert de voorn. 
Gochlinus dat hij mit deseive gaeme 't voorschreve regent-ampt begeert 
aen te nemen, ende als voeren te betreden, sondeclinge vermits de goede 
qualiteyten die hij Gochlinus, in eenen* onder regent van noden sijnde, 
verstaet dat inde voorschreven Bertio sijn". Eerste register^ not. v. 28 
Januari 1595. Vgl. ResoL Holl. 12 Juli 1595. Zie ook bijlage XXXVin. 

') P. Bertius, Oratio de vita et obitu nobiliasimi viri d, Jani Dousae 
Nordovici domini, Lugd. Bat., i604, Vgl. Acta Acad. L. B., cod. Vlfl, fol. 
79. Jhr. Johan van der Does, eerste curator der hoogeechool, overleed 
8 Oct. 1604. 

♦) EersU register, not. v. 11 Mei 1603. 

») Eerste register, not. v. 27 Dec. 1595; Hand. v. cur., 27 Dec. 1595. 
Vgl. Brieven Stat.-colL, 1, 20, en Hand. v. cur., 9 Febr. 1603; Resol. Holl, 
28 Oct. 1604. 

Digitized by VjOOQ IC 



70 TWEEDE HOOFDSTUK. 

hoewel reeds sedert Februari 1600 buitengewoon professor 
in de ethiek aan Leidens hoogeschool, tevens den 17^«^ 
Juli 1604 tot «magister artium citra uUum examen^^ zag 
bevorderd *) — dit alles werkte samen om , zoo binnen 
de muren van het Staten-collegie als in de academische 
gehoorzaal, Bertius eindelijk de plaats te verzekeren, 
waarop hij aanspraak meende te kunnen maken vanw^e 
«sijn geleertheijt, ervarenthegt ende leven"'). 

Nadat indertgd bursalen en studenten met hunne 
„opspraecke" waren voorgegaan, volgden professoren en 
predikanten met hun „naerdencken". Reeds den 19dexi 
December 1594 vervoegden zich ter Staten- vergadering 
drie „dienaeren des Goddelgcken woorts", te weten: 
Henricus Corputius, Johannes Wtenbogaert en Petrus 
Plaucius , gedeputeerd door j,de kercken soo vanden Zuijt 
als Noorder quartieren van HoUant", in last hebbende 
hun Edel Mogenden »eenige saecken voor te stellen 
aengaende het redressement ende den welstant van het 
CoUegie der theologien". Tot de punten , die noodwendig 
onder de aandacht van BLB. Staten moesten worden ge- 
bracht, behoorde ook „een vrijmoedelic adverteren" van 
hetgeen op verschillende tijden, uit den mond van ver- 
schillende personen , den remonstranten •) omtrent den 
toenmaligen subregent was ter oore gekomen. De be- 
zwaren, bg deze gelegenheid tegen Bertius aangevoerd, 
bleken eensdeels 'eene he^rhaling te zjjn der oude, reeds 
bekende grieven *), welke het curatoren en burgemeesters 

O Acta Acad. L. B,, cod. Vm, fol. 78. 

«) Eerste register^ not v. 24 Mei 1595. 

') D. i. de remonstreerende Zuid- en Noord-Hollandsche gemeenten. 

^) Dat hij namelijk }»gehouden wert selff oock bij eenige professoren, in 
sulcken weerzin bij allen studenten , niet alleen inden Goilegie mer oock daer 
buijten inde universiteijt geraeckt te sijn, datmen niet en agt dat hy met 
eenige vrugt inden Coll. sal konnen gecontinueert werden". Eerste register, 
not. V. 25 Dec. 1594. 

Digitized by VjOOQ IC 



IN HET 8TAT£N-00LLK0IB. PROPAEDKÜTICA. 71 

yan Leiden , daartoe door de Staten uitgenoodigd ^ vroe- 
ger slechts geringe moeite had gekost met nadruk te 
beantwoorden en te wederleggen. Voor een ander deel 
verweet men den onderr^ent: »ten eersten dat hg te 
jong was; ten tweden dat hij in logicis niet genoeg 
ervaren was; ten derden dat hg te straff was^); ten 
vierden dat hij te ongestadig van zinnen was ; ten vgffden 
dat hg den borgemeesteren eenige saken anders dan 
'toehoorde over ende angebragt hadde". Wat betrof zgne 
godsdienstige overtuiging, zeiden gedeputeerden eenig 
vermoeden te hebben, dat deze niet ten volle samenviel 
met de aangenomen leerbegrippen «mer datmen daer op 
niet en kost bouwen". Slechts rekenden zg zich verplicht 
onder de aandacht der HH. Staten te brengen, hoe door 
Bertius aan Daniel Colonius, toen nog predikant bg de 
Waalsche gemeente te Botterdam, een, uit dit oogpunt, 
zéér verdacht schrgven was gericht, welk schrgven on- 
getwijfeld „te becoomen was" *). 

Ten einde zich al aanstonds te vrgwaren voor meerder 
ybelastinge", die uit genoemde briefwisseling zou kunnen 
geboren worden , leverde de subr^gent curatoren en bur- 
gemeesters copie van hetgeen hij met Colonius verhandeld 
had'). Deze haastten zich nu, op hunne beurt, de inge- 
diende stukken ter hand te stellen aan de leden van 



O Volgens getuigenis van den bursaal Franc Dnbbiu8,doorburgemeeeter8 
van Leiden en den curator mr. J. de Groot »bij eede ende bij monde ge- 
boort sijnde*', hadden niet slechts alle kv^reekelingen in het Staten-collegie 
onder elkander een bijnaam, maar ook zij, die over hen gesteld waren. 
Zoo v?erd Bertiqs, mii»cfaien om zijne gestrengheid, in onderscheiding van 
Bestings »dappigbeid*', in den regel aangeduid met het weinig vleiende 
epitheton: »koevoet**. Eerste register ^ not. v. 23 Oct. 1594. 

«) Eerste Register, not. v. 21 Dec 1594. 

') Die «dobbelden ?an sijne brieven" werden — »omme de gedagtenisse 
daer van te bewaren" — opgenomen in het Eerste register, not. v. 8 
Januari 1595. 



Digitized by VjOOQ IC 



72 TWEEDE HOOFDSTUK. 

Leidens theologische fe-culteit, waarna den 228*»» Fe- 
bruari 1595 de alleszins gunstige verklaring volgde, door 
Franciscus Junius/ Lucas Trelcatius en Franciscus Go- 
marus gezamenlgk onderteekend, dat bedoeld schröven 
geene aanleiding gaf Beftius van jezuïetische neigingen 
te verdenken'). Zag alzoo de gewantrouwde zich, in 
gevolge dat oordeel , gezuiverd van de grootste en zwaarste 
beschuldiging, die der ketterij, tegen hem ingebracht*), 
straks ook betuigde hetzelfde drietal hoogleeraren, bg 
vereenigde zitting van senaatsleden en curatoren : „dat 
sïj niets niet opden voors. P, Bertium te seggen en 
hadden, mer hem tot het onder' r^ent-ampt wel ende 
ten genoegen gequalificeert ende bequaem hielden ende 
kenden" '). 

Hoe nochtans de blaam van onrechtzinnigheid — ver- 
diend of niet verdiend — bleef kleven op den subregent, 
kwam ten duidelykste aan het licht na Kiichlinus* 
dood en het door Bertius voorloopig in handen genomen 
bestuur over het Staten-coUegie. Aan hem persoonlek 
rekenden bij die gelegenheid curatoren zich verplicht 
mede te deelen , dat hij zijn boek over het Pelagianisme, 
wijl »bij eenige geoordeelt wierde 'tselve niet stichtelgc 
te sullen wesen", vooreerst niet zou uitgeven, maar wachten 
op nadere vergunning daartoe van HH. Staten*). En aan 
de theologische professoren werd door diezelfde verzorgers 
der hoogeschool het dringend verzoek gericht, om zich 
van tyd tot tijd, overeenkomstig de verordeningen*), te 



') Eerste register^ not. v. 8 Januari 1595. Zie bijlage XXXIX. 

*) Eerste register , not. v. 8 Januari 1595. Zie bijlage XL. 

») Eerste register, not. v. 24 Mei 1595. Vgl. Hand. v. cur,, 27Decl595. 

*) Tegelijk met eene disputatie van Arminius over i^des menschen vrije- 
willekeur en hare crachten", zag in 1609 te VGmvenhage Bertius* ver- 
handeling het licht onder den titel : Van de ketterije Pelagii ende CaelestiL 

») Ordonn,y 1595, dl. I, art. 4 en 22. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN HBT 8TATEN-00LLBQ1E. PROPAEDEOTICA. 73 

laten vmden bg de repetitièn, welke de proregent 
yerplicht was met de alumnen van hnnne respectieve 
lessen te houden , opdat Bertius i^oorsaecke soude hebben 
om op d^een off d^andre materie te spreecken ende int 
vrundelijck te handelen" '). Bewgs geno^, dat curatoren 
het door hem te geven godgeleerd onderwijs niet ten 
volle vertrouwden y ook al hadden zij overigens besloten 
„te besoeken hoe sig Aie r^eringe ende bestieringe van't 
Collie onder 't belegt van d. Bertius soude toedragen". 
Te oordeelen naar hetgeen weldra plaats greep , mocht 
die proefneming aantrankelgk geslaagd heeten. Immers 
werd Bertius den 6d«i Februari 1607, bij acte van Ge- 
committeerde Baden, voorgoed tot r^ent benoemd^). 
Een paar dagen later braven zich curatoren en burge- 
meesters, alsook de rector magnificus , Budolphus Snellius, 
met twee der theologische professoren, Arminius en Trel- 
catiusjr., in plechtigen optocht naar het Staten-coU^e ^. 
Bertius' woning binnengetreden, werd hem daar voor- 
gelezen het besluit van Gecommitteerde Baden en hg 
uitgenoodigd den bij de statuten gevorderden eed af te 
l^gen. Middelerwijl waren alle bursalen samengekomen 
in het groot auditorium. Vergezeld door Leidens magistraat 
en den curator jhr. Comelis van der Mgle, sprak hier 
Arminius op emstigen toon de kweekelingen toe, hen 
vermanende, steeds te bedenken met welk doel zg door 



«) Eerste register, not. v. 8 Aug. 1606. Zie bijlage XU. 

') ResoL HolLy 5 Febr. 1607. — Als subregent van het Staten-collegie 
kreeg Bertius sedeil dien tijd naast zich Justus Jacobi Bulaeus, omtront 
wien hij in 1611 aanteekende: »23 Febr. obiit ex lenta pbtisi ds. Justus 
Bulaeus, Collegü subregens, natus annos 31 '\ Zie over Bulaeus: Brieven 
Stat.'coll, I, 209, 210; Hand, v. cur,, 8 Febr. 1609 en 8 Mei 1611 ; ResoL 
Holl, 30 Mei 1609; Acta acad. L. B,, cod. Vm, fol. 50. Plaatsvervanger 
van Bei*tius als «professor ethicee" werd Gilb. Jacchaeus. Hand. v. cur,, 
31 Aug. 1607. 

») Eerste register, not. v. 9 Febr. 1607. 



Digitized by VjOOQ IC 



74 TWEEDE HOOFDSTUK. 

HH. Staten in deze stichting waren opgenomen , en trouw 
alle middelen aan te wenden om de hoopvolle verwach- 
tingen, die men van hen koesterde, op geenerlei wgze 
te leur te stellen. Ongetwgfeld zou hun dit gelukken, 
bgaldien zij een leven leidden in overeenstemming met 
het ambt, waarvoor z^ zich zochten te bekwamen. Aan 
de over hen gestelde machten gehoorzaam, konden zg 
verzekerd wezen ruimschoots te zullen deelen in de gunst 
hunner maecenaten. 

Als wilden curatoren en burgemeesters onmiddellgk 
de daad voegen bij het woord, schonken zij den bursalen 
^ onder wie zich ook onze Gisbertus Voetius bevond — 
,tot vereeringe voorden aencompste des nieuwen r^ents 
twaelff gulden om daervan in te leggen een tonneken wgn 
ende eerlijcken vroijlick te sijn". 



Digitized by VjOOQ IC 



DERDE HOOFDSTUK. 



Theologteche stadiën. Tertrek uit LeMen. 

Niet lang nadat Bertius onder feestelijk vreugdebetoon 
zyne betrekking had aanvaard , achtte Voetius het oogen- 
bük gekomen, om hem vergunning te vragen, zoo tot 
bet bflwonen der godgeleerde lessen als tot het zich naar 
eisch bekwamen in de Hebreeuwsche taal. Daartoe werd 
door hem en door sommigen zijner medebursalen, 8 Mei 
1607, aan den nieuwen reg^at binnen het Staten-coUegie 
een verzoekschrift gericht, in welk adres 4i opmerkten, 
hoe van het loopende jaar de maanden Maart en April 
verstreken waren , zonder dat volgens de statuten ^) 
hunne promotie „ad gradum magisterii in artibus" had 
plaats gevonden. Reeds bleek, als voorbereiding tot het 
theologisch onderwijs , een goed deel van hun beschikbaren 
tijd aan wijsbegeerte en oude letteren besteed te zijn. 
Wat te leeren nog overbleef, kon gemakkelgk in allerlei 
snipperuren worden aangevuld. Qeen hunner had plan 
de studie der ^humaniora" te verwaarloozen *). En moesten 
zij, van de lagere tot de hoogere klasse — of, gelyk 



>) Ordonn., 1595, dl. m, art. 21 en 22. 

') Voet., Dispp, select, tom. Dl, p. 632: iRepetitio et collatie philolegiae 
atque histoiïae latinae, graecae, hebraicae, orientalis, quam diligens theo- 
logus Danquam deponere potest, etc". Vgl. Bibl, stiid, theoL, p. 34, 227, 
^ Polit, eccles., toni. U, p. 233; Oudnirch. Heusden, E. 210, bijlage tot 
foL 33 yevao der gemeenterekeniog over 1608. 



Digitized by VjOOQ IC 



76 DERDE HOOFDSTUK. 

het heette, van „mensa secunda" tot „mensa prima" — 
bevorderd *), iets meer voor „cope van boucken ofte ander- 
sins" besteden, zoo werd aan Bertius verzocht bfl HH. 
curatoren te willen uitwerken , dat ook het bedrag hunner 
jaarlgksche toelage vanw^e de Staten naar evenredigheid 
mocht verhoogd worden. Het antwoord , door den regent 
op genoemde aanvraag gegeven , luidde voor elk der acht 
bursalen toestemmend, mits aan het bg de wet gevor- 
derde examen behoorlijk zou zijn voldaan^). 

Sedert volgde Voetius , die hiermede het hoofddoel van 
zijn streven bereikt achtte , met verdubbelde vlijt de lessen 
in de godgeleerdheid aan Leidens hoogeschool ^). Hoewel 
begeerig, om, ten spoedigste, naar eene uitdrukking 
door Kuchïinus gebezigd , „met volle zeilen in de theologie 
te varen", begreep hij nochtans , dat philosophie en philo- 
logie hare oude rechten op zijn ijver in het minst niet ver- 
loren hadden. Vandaar, dat Gisbertus voortging met enkele 
studiegenooten het onderricht bij te wonen van den hoog- 
leeraar Jacchaeus in metaphysica en ethiek*); evenals 

1) Zie hierachter, bijlage XLIl, alsook Kuchïinus' adres, ten jai*e 1601 
gezonden aan de staten van Holland en West-Friesland, voorhanden in het 
aixhief der Leidsche curatoren, en waarvan het concept gevonden vrordt 
in de Brieven StaL-coll, I, 186. Vgi. Reaol, Holl, 19 Mei 1604, alsmede 
het advies van HH. curatoren, in dato 8 Nov. 1602 en het antwoord der 
Staten, gedagteekend 18 April 1603 — welke beide stukken aanwezig zijn 
in bovengenoemd archief. 

«) Vgl. bijlage XUU, en Acta acad. L, B., cod. VIU, foL 50. 

^) »Post haec philologica et philosophica progymnasmata theologiae, qui 
studiorum scopus erat primarius, addixit se magis", getuigt Essenius, OraU 
fun,^ p. 12. 

*) «Metaphysicae , quae tune (1605) manibus studiosoinim terebantur Gom. 
Martinii, Chynaei, Jac. Martinii, Javelli, Fonsecae, imprimis Frandsci Zwarezii 
(ex qua compendium contractum nobis dictabat et explicabat praeceptor noster 
Gilb. Jacchaeus), huc etiam aliquid conferebant". Voet., Dispp, select,^ torn. 
V, p. 4f58. Vgl. 183, 215. De Leidsche senaaisnotulen bevatten, met het oog 
op genoemd onderwijs , deze merkwaardige beperking : »Deci*etum ut magister 
Jacchaeus in posterum abstineat a conclusionibus et corollariis ullo modo ad 
theologiam pertinentibus". Acta aead. L. J5., ood» VIU, fol. 89. Vgl. fol. 83. 



Digitized by VjOOQ IC 



fHEÓLOGlSCÖE dTÜDlÊN. VEfttBBK T3Tt LBIDEN. 77 

hg, gedurende het vierde en vijfde jaar van zijn verblijf 
binnen het Staten-coUegie , maar zelden verzuimen zou 
den beroemden Daniël Heinsius te gaan hooren ^ bij diens 
geleerde en tevens smaakvolle verklaring van Xenophon, 
Aristophanes en Pindaruö ^). Hiermede niet tevreden , be^ 
studeerde Voetius opnieuw^ en zorgvuldiger nog dan 
te voren , de Grieksche grammatica , prosodie en ae<5ent6n- 
leer^, vertaalde, onder leiding van zgn medebursaal 
Guilielmus Neuhusius \ die een hoogst bekwaam litterator 
was, van Lucianus sommige dialogen in het latijn, ja 
nam ook gretig de gel^enheid waar, om , bij ontbijt en 
middagmaal 9 met twee zgner latere geestverwanten öp 
theologisch gebied, Johannes Cloppenburch en Antonius 
Plandus, tal van onderwerpen uit het gewone, dagelijksche 
leven ^exercitii causa'' te bespreken in het grieksch*). 

1) Na ileinshis genoemd te hebben »1umen academiae Leidensis universo 
literatorum orbi conspieuum et admirandura", laat Voetius volgen: »ego, 
qni tot eruditissimas Heinsii lectiones super Xenopbontis Republica Laceder 
moniorum, Aristophanis Nebulis et Pluto, Pindari Olimpids, frequentavi". 
Polü, eccle8.y tom. m, p. 245, 246. Vgl. Dispp. select., tom. lü, p. 701, 
702. Essentus vergist zich, als hij, Orat. fun,, p. iO, zegt, dat Gisbertus 
de colleges van Heinsius bezocht ipost obitum Vulcanii*' ; deze stierf eenst 
in het begin van Nov. i6i4. 

>) Wat echter niet belette, dat naderhand Orenius, o. /., Lugd. Bat., 1705, 
pan XrV, p, 42, onder andere verbeteringen, ook deze meende te moeten 
voorslaan: »In Voetii H. BibUothec., c. I, p. 243,- pro yvürrw lege yvrnvr^, 
quod, ut Idve noü notarem, nisi idem ibidem Voetius, c. ü, princ p. m. 252^ 
rfly yvArrmf haberet pro yimvrSh^ nam yy«M^dc, ^, dy vocabulum liórevwBBaQ^ 
non wpvmptairéiuw», quod Voetii scriptura vult, nemo nescit". Vgl. mijn op- 
std over eenige onuitgegeven brieven van en aan Gisbertus Voetius , geplaat^ 
in bet Archief voor Nederlandsche kerkgeschiedenis, onder redactie der hoogl. 
Acquoj ea Rogge, *s-Gravenhage, 1893, dl. IV, blz. 276 vv., aldaar brief Q» 

') Voet., Polit. eccles, tom. II, p. 756. Op aanbeveling, zoo van Bertiu9 
als van den hoogleeraar Gom. Grotius, die beiden verklaarden , dat hij, 24 
Dec 1606, met zeer goed gevolg eene rede in het grieksch had gehouden 
op Jezus' geboorte, werd Willem leviresz. van Nieuwenhuyzen den 8*^^ Jui4 
1607 door de Leidsche vroedschap tot haar alumnus gekozen. Zie Brieven. 
Stat.'ColU, n, 18. Vgl. dr. Bw W. Hoffmann, Beknopte geschiedenis van, 
het gfimnasium te Haarlem, Haarlem, 1889, blz. 11, 12. 
*) ERsemus, Ora<. fun., p. 11, 12. Vgl. Voet, Bibl stud. theoL, p*43,44r 

Digitized by VjOOQ IC 



78 DERDE HOOFDSTUK. 

Tijdens de vro^te jaren van het bestaan der academie 
te Leiden, had het onderwijs in de Hebreeuwsche taal 
er dikwerf niet weinig te wenschen overgelaten. Wie 
daarmede door curatoren werd belast, bleek nu eens 
j^der sprake onkundig te wesen", terwijl dan weder van 
hem gold, dat hij — hoe goed ook te huis op zijneigen 
veld van wetenschap — slechts ten deele mocht vertrouwd 
heeten met de beginselen van het hebreeuwsch *)• De 
alleszins bekwame vakgeleerde, Johannes Drusius, dien 
men, bij verhoogde jaarwedde, buiten twijfel voor de 
universiteit had kunnen behouden, was in 1585 naar 
Franeker vertrokken, waarheen het sedert gebruikelijk 
werd, dat zich onderscheiden theologanten begaven, om 
daar, na volbrachte studie binnen Leiden, hun kennis 
van het hebreeuwsch zoo goed mogelijk aan te vullen •)• 
Voor Voetius en diens tijdgenooten was dit evenwel 
onnoodig. Immers bezat toen de hoogeschool in Guilielmus 
Coddaeus en Franciscus Gomarus een tweetal professoren, 
aan wier leiding het beoefenen der Hebreeuwsche taal 
en letterkunde gerust kon worden toevertrouwd. Laatst- 
genoemde inzonderheid ^) wist b^j öisbertus zulk eene 
warme liefde voor het oostersch te wekken , dat hij, met 
de studie daarvan , nog lang na zgne academiejaren, zich 
heefb bezig gehouden. Niet slechts leerde hij op Gomarus^ 

1) Dat eerste was het geval met llermannus Rennechenis; het tweede 
betJTof Rudolphus Snellius. Vgl. Schotel, Stud.-opr,, blz. iS. 

') »Ita olim non pauoi studiosi Belgae cursu in academia Leidensi abeolnto, 
primum Franekeram ob florentissimum istic linguae hebraicae studium, se 
conferebant". Voet, Polit, eccles.^ tom. ü, p. 772. 

') Waar Voetius naderhand gewag maakt van Coddaeus, vei*meldt hij 
dezen meer als een ijverig aanhanger van Arminius* beginselen dan wel 
als zijn vro^eren onderwijzer te Leiden in het hebreeuwsch. Zie b. ▼. Polü, 
eccles,^ tom. U, p. 59. Daarentegen prijst hij bij herhaling de ]>Ljra Davidis" 
als een »eruditu8 labor'' van zijn leermeester Gomarus. Dispp, select,^ tom. 
m, p. 678, en Polit. eecles.j tom. I, p. 531. Ook noemt hem Voetius 
»magnum inter theologes philologum". Dispp, select.^ tom. V, p. 294. 

Digitized by VjOOQ IC 



THEOLOGISCfHE STUDIËN. YBRTREK UIT LEIDEN. 79 

college — vier malen ter week bezocht — den tekst 
van het i,Oucle Testament" goed en grondig verstaan '), 
maar I4j besteedde ook een gedeelte van zgn vryen tgd aan 
het Jezen der door Bnxtorff senior') nitgegeven jpEpistolae 
hebraicae'' , en getroostte zich bovendien de niet geringe 
moeite ^ om zelf soortgelijke brieven op te stellen ^ welke 
dan werden nagezien door zgn ^^venerandus praeceptor", 
in wien h^ allengs ook begon te eeren^) den ^magnos 
theologus''. 

Tot geen der Leidsche professoren voelde Gisbertns 
zich sterker aangetrokken dan tot Gomarus en geen 
heefb beslister invloed geoefend zoowel op zijne god- 
geleerde denkw^ze als op de ontwikkeling van zijn per- 
soonlijk karakter*). ^Vermaerde balling van het gvrig 
Vlaenderlandt'* *), was deze jaren lang in den vreemde 



») Vgl. Voet., Dispp. select,, torn. IV, p. 739—745. Soms gaf hij dien 
tekst vrij slordig terug. Zoo schreef Voetius, als afgevaardigde ter nationale 
synode binnen Dordrecht vertoevende, den 23^» Mei 1619, in het album 
van Petrus Mulenns, zoon van den Groningschen hopgleeraar Nicolaus Mulerius, 
tot een aandenken dit citaat: rDi") ^!? ^D 1121 DID^; derhalve n3i^. in plaats 
^'^ 1^3^^ (Amos 3 : 8). Genoemd album is tegenviroordig het eigendom van 
den heer G. J. van Limbuiigh, predikant te Thamen a. d. Amstel, die het 
mij 'welwillend ter inzage a&tond. 

>) Johannes Buxtorfius, Epütolarum hebraicarum decas, Basil., 1603. 
Van denzelfden schrijver verscheen iets later de Ituftitulio epistolaria hebr, 
cum epistolarum hebr, centuria. Vgl. Voet., BibL aiud. theoL, p. 166. 

») Voet, Dispp. select., tom. III, p. 1245. 

*) Voetius noemt dien leermeester in zijne BibL stttd, theoL, p. 165, »prae- 
ceptor noster de nobis meritissimus*' , tervrijl hij — Dispp, select, tom. V, 
p. 100 — omtrent hem verklaart: »Gum d. Gomaro nunquam contendi, nee 
contra eum quidquam defendi, nee scriptum aliquodipsius,autdisputationem 
oppugnandam mihi sumsi ; nedum ut heterodoxa, impia, blasphema, papismos, 
socianisroos, stancatismos (lege: stancarismos) illi impegerim. Quam gratus 
ipsi disdpulus usque ad finem vitae fuerim, quamque ego AèvfU^ et honori 
venerandi et veterani theologi ac praeceptoris mei studuerim , testari possent 
epistolae itiiotfi^Ueu" . Tevens blijkt uit die gevoerde briefwisseling, hoezeer 
ook Gomams prijs stelde op het werk van zijn discipel. Zie b. v. Dispp, select,, 
tom. I, p. 466, 539. 

«) Brandt, a. w., dl. Il, blz. 52. 



Digitized by VjOOQ IC 



80 DE&DB ttOOt-DStUK. 

door zuiver Calvinistische theologen gevormd en opgevoed , 
waarna hfl — eerst als predikant te Frankfort a. d. Main en 
vervolgens als hoogleeraar te Leiden — de beginselen van 
den Geneefechen hervormer voorstond met onwankelbare 
trouw O» zonder ooit terug te deinzen voor eenige gevolg- 
trekking, door de onverbiddelijke logica daaruit afgeleid. 
Al aanstonds onderscheidde zich öomarus, gelgk zoo- 
vele uit hun land verdreven Protestanten, door zijn 
vurigen geloofemoed, welke hem onverschrokken deed 
afgaan op het voorgestelde doel'), tevreden „de waer- 
heydt te mogen groot maecken''; daarbij „willich ènde 
bereydt" haar »tegen alle poorten der hellen'* te verde- 
digen *) , in vast vertrouwen op Gods genade i^onder wiens 
schilt goet te vechten is'* *). Die waarheid viel voor hem 
samen met de «suyvere, gesonde'* leer, geput uit den 
b^bel, vervat in confessie en catechismus, onderwezen 
door alle Gereformeerde predikanten en, bij het aan- 
vaarden van zijn professoraat, ook „grondelick gevonden 
in d'universiteyt" *). Dit laatste echter zou anders worden. 



I) Waar het, naar zijn cK>rdeel, ondergeschikte punten geldt, zegt Voetius 
o. a. van zijn leermeester : »Ex nostris Fr. Gomarus emollit sententiam Calvini, 
distinguendo non dubitasse eam (n. Mariam) de promissionis veritate, sed 
de modo**. Dispp, select, tom. Il, p. il04. 

*) Van hem heet hèt dan ook bij Voetiiis: »ab omni indulgentia JCM-ftixf} 
quam maxime alienus**. Dispp, select, tom. Hl, p. 1242. 

•) Gomarus, Proeve, blz. 4, 2i. 

*) Gomarus, Waerscliouwinghe over de Vermaninghe oen R, Donteclock, 
Leyden, i609, blz. 6. 

•) Gomarus, Proeve, blz. 21. Tegenover Arminius' verklaring, algelegd 
op de Haagsche conferentie in Aug. 1609: »men moeste niet vraghen, 
watmen tot noch toe gheleert hadde, maer ondersoecken wat waerheydt is, 
ende watmen voortaen sal leeren", roept Gomarus verontwaardigd uit, in 
zijn Bedencken , blz. 46 : »Als of de religie niet met goede kennisse ende 
vaste gronden, in onze kercke, al over menich jaren, ware ghestelt in de 
confessie ende catechismo, maer datroen nu eerst , als eenich onrecht ghehadt 
hebbende, ofte in twijfel zijnde, die behoefde te stellen**. Vgl. Voet., PoUL 
eccles., tom. m, p. 30. 



Digitized by VjOOQ IC 



THEOLOGISCHE 8TÜDJBN. VERTREK UIT LEIDEN. 81 

Niet lang nadat Voet als bursaal binnen het Staten- 
collegie was opgenomen, achtte Gomarus zich, den 31 s^» 
October^) 1604, verplicht „tot oefifeninghe der jeucht" 
twee en dertig theses over de goddelijke praedestinatie 
,openlijck te stellen" tegen de vijftien artikelen, op 7 
Februari deszelfden jaars, door Willem Basting*) ver- 
dedigd onder het voorzitterschap van Arminius '). Nauw 
was genoemde handelwijs ruchtbaar geworden ook buiten 
de academie, of gedeputeerden der Noord- en der Zuid- 
Hollandsche synode deden in Juni 1605, zoo bij de theo- 
logische professoren als bg de verzorgers van Leidens 
hoogeschool, onderzoek naar mogelijke oneenigheden aldaar 
ontstaan, waarna den 228ten Jiei 1607 drie hoogleeraren 
en dertien predikanten op last der Staten-Generaal te 
VGravenhage hun «conventus praeparatorius" hielden*), 
in het belang eener beslissing der gerezen geschillen op 
de weldra uit te schrijven nationale synode. 

Omstreeks dezen tijd nu, woonde Gisbertus voor het 
eerst de godgeleerde collies bij *). Met het onderwijs , 

1) Volgens Bertius, Aen-spraeckj blz. iO, waren die theses «ghestelt ende 
aenghedaghen den 12. Octobris". De door mij genoemde datum staat ver- 
meld bij Stephanus Gurcellaeus, /. Anninii examen thesium d. Fr, Gomari 
de prttedestinatione, i645, en wel in dezer voege: »(Tbeses quas) publice 
disputandas proposuit (Fr. Gomarus), ad 31 Octob. anno i604, responden te 
Samuele Grutero, Lugd. Bat. ~ Rogge laat, in zijn a. to., dl. I, blz. 254, 
de openbare verdediging dier stellingen op i4 October plaats grijpen. 

>) Hij was een zoon van den voormaligen regent Jeremias Bastingius, die 
19 Oct. 1598 stierf. Door bemiddeling van Gomarus droegen indertijd de 
Staten tot zijne studiekosten bij. Resol. Hotl., 29 Jan. 1600. 

') Beide disputaties verschenen in 1609, tot groot misnoegen van Gomarus 
«vertaelt uyt het latijn", bij Jan Paets Jacobsz. «drucker vande universiteyf'. 
Vgl. Polit. eccles.^ tom. III, p, 691. Ook Voetius acht later die overzetting 
van Gomarós' stellingen erop aangelegd »ut (Gomarum) plebi imperitiori 
magis odiosum aut ridiculum redderend*. Dispp, select, tom. IV, p. 728. 

*) Voet., Polit. eccles., tom. III, p. 181, 182. Vgl. Resol HolL, 1, 8 en 
24 Mei 1607. 

<) De elechen, daaraan naderhand door Voetius gesteld, ontwikkelde hij 
in zijne Bibl siud. theoL, p. 35—69. Vgl. Essenius, Orat fun., p. 12—14. 

6 

Digitized by VjOOQ IC 



82 DERDE HOOFDSTUK. 

gegeven door Lucas Trelcatius jr., die gewoon was de 
theologische wetenschap, samengevat in een j^Epitome" 
of »Kort begrip", encyclopaedisch binnen het jaar af te 
handelen ^), kon hij maar luttel winst doen •). Trelcatius 
toch stierf reeds den 12den September 1607, even na het 
openen van den nieuwen cursus ^ en na de uitgave 
zijner «Institutiones theologicae", in welke hij, beslister 
dan te voren, partg had gekozen tegen de denkbeelden 
door Arminius voorgestaan *)• En wat dezen betrof — het 
scheen wel of het den professor hoe langer hoe moeie- 
lijker begon te vallen, zijne plaats aan Leidens hooge- 
school vastberaden te handhaven. De wgze waarop Go- 
marus hem in den weg was getreden had Arminius diep 
geschokt, zóó zelfs, dat zijne gezondheid er merkbaar 
onder leed. Al genoot hij nog steeds in klimmende mate 
de goede gunst b^ verschillende gelegenheden van beiden , 
curatoren en burgemeesters ervaren ^) — de houding, welke 
de academische jongelingschap tegenover hem aannam, 
bleek sedert de laatste maanden eene sterke w^ziging 
ondergaan te hebben. Bij zgne komst ter hoogeschool 
den meesten theologanten eene zéér begeerde persoonlgk- 



1) Hand, v. cur,y 9 Nov. i602. In diezelfde acten noemt Gomarus den 
jongen Trelcatius «een fijn geleert naan*'. Bij Arminius daarentegen, aan 
Wtenbogaert schrijvende, heet hij iemand »qui monsti'osas opiniones pubUce 
profttetur". Ph. a Limborch , Praestantium ac eruditorum virorum epistolae 
ecclesiasticae et theologicae varii argumenti^ etc, edit. sec., Amst., 1684, p. 161. 

a) Toch vermeldt hij hem als zijn vroegei-en leermeester: Dispp, selecty 
tom. n, p. 1216. 

>) Vgl. P. Bertius, Oratio futiébria in ohitum d. Lucoe Trelcatii sstae 
theologiae doctoris in academia Batavorum Lugdunensi, Uabita post exse- 
quias in auditm*io theologico^ 17 kal, Sept,^ Lugd. Bat., 1607. 

*) «Trelcatius librum institutionum edidit — schrijft Arminius aan Wten- 
bogaert — in quo multa sunt nova, hactenus ecclesiae nostrae incognita''. 
Pra£st. ac erud, viror. epist.^ p. 160. Vgl. Voet., I>wpp. »e/eci., tom. lil, p. 7. 

*) ]>Jac. Arminius se suamque doctrinam notitiae et oixlini sjmodorum 
subtrahebat, sub alas curatorum academiae se recipiens", oordeelt Voetius 
in zijne Polit, eccles.y tom. III, p. 191. Zie ook bijlage XLIV. 



Digitized by VjOOQIC 



THEOLOGISCHE STUDIËN. VERTREK UIT LEIDEN. 83 

heid, was de groote opgang zijner lessen, en voorna- 
melijk van zijn privaat-collegie , onheilspellend gedaald. 
Ook moest hij, na het oproer van December 1607, dat 
Leiden wederom jammerlijk in last bracht *)> tot zijn bitter 
verdriet ondervinden, hoe allerlei j,pasqnillen", door de 
studenten »die hem partydig scholden", hier en daar bin- 
nen de stad — „ende byzonder voor de deuren der uni- 
versiteyt" — geplakt, meerendeels aan z^jn adres gericht 
waren •). 

Toen derhalve Voetius kennis maakte met Arminius* 
onderwijs , had de bekoring der nieuwheid reeds bij velen 
opgehonden haren invloed te oefenen. Gebleven, en nog 
aanmerkelijk vermeerderd, was slechts de zucht der aca- 
demiebnrgers onderling , om over confessie en catechismus 
een hoe langer hoe vrijer oordeel te vellen ') , ofschoon 
Anninius persoonlijk zich gerechtigd achtte tot de ver- 
klaring: »ick bekenne, dat ick niet en weet, wat do 
studenten in theologia seggen, ofte twisten van de aen- 
genome leere der kercken. Dat weet ick alleen, dat de 
selve, ofse my toegedaen ofte teghens sijn, nauwelicx 
en sijn beqnaem, om van sulcke ghewichtighe saecken 
te oordelen , tot welcker overlegginghe tijdt, neersticheydt, 
een heerlicke kennisse der heyliger schriften, ende een 
goede conscientie vereyscht worden"*). Mocht Voetius 



1) Zie bijlage XLV. 

«) Band. v. cur., 4 Febr. 1608. Vgl. Bertius, Aen-spraeck, biz. 22. 
Wellicht had de >pai*tydigheid*', waarvan Arminius door de studenten be- 
schuldigd werd , luttel uit te staan met zijne meeningen op theologisch gebied 
en hing zij veeleer samen met een hernieuwd geschil over de academische 
rechtspraak in die dagen. Zie Acta acad, L, JB., cod. VIII, fol. 90. Vgl. ResoL 
HolL, 30 Jan. i608. 

') Gomarus schrijft in zijn Bedencken^ blz. 47 »dat de staet, van de 
studenten in theologie int gheraeyn, suyverder in leere, nederigher van 
gbemoede, ende eendrachtigher onder malcanderen, van d.Arminio ghe- 
vonden is, dan hyse ghemaeckt heeft". Vgl. blz. 48, 49. 

*) R. Dontedock, Aniwoorde op een seker schrift^ eens onbekenden^ H on- 



Digitized by VjOOQ IC 



84 DBRDE HOOFDSTUK. 

voor het oogenblik aan die vorderingen al niet beant- 
woorden in de mate, waarin Arminius znlks van zijne 
discipelen verlangde — hij spaarde nochtans geene moeite, 
ten einde zoo spoedig mogelijk op de hoogte te komen 
der geschilpunten , die gaandeweg met onstuimiger drang 
ieders hoofd en hart beroerden ^). Daarbij hielp hem niet 
weinig het gebruik, door de theologische professoren over- 
genomen en trouw gevolgd, om alle dusgenoemde »loci 
communes" te behandelen in eene reeks van disputatién , 
welke bij elkaar gevoegd eene tamelijk volledige dog- 
matiek uitmaakten ^). Met hetgeen hij in dezen vorm op 
de lessen van Arminius hoorde ^), vergeleek Gisbertus steeds 
zorgvuldig, wat binnen de leerzaal van het Staten-coUegie 
door hem werd geëxcerpeerd uit Eeckermans j^Systema 



rechte geintituleert, Christelicke ende emstighe vermaninghe tot vrede^ enz., 
Delft, i609, blz. 39. 

1) «Quoniam autero isto tempore fervebant controvei^siae Arminianae, in iis 
speciatira exercuit se strenue : at sine ullo unquam commercio istorum errorum*'. 
Eisenius, Orat, fun.^ p. i2. 

^) Zie de belangrijkste dier »loci communes*' vermeld in: Voet., Polit. 
eccles.y tom. III, p. 80, 84, en Bibl. stud, theol.^ p. 77 — 86, passim. Vgl. 
Acta acad. L,B., cod. VIII, fol. 63; Hand. v. cur,, 8— i2 Febr. i641, en 
Voet., Thers. heaut,, p. i08. 

') Door de zeven zoons van Arminius opgedragen aan Leidens magistraat, 
verschenen later: Jacohi Arminii^ Veteraquinatis Batavi, s. theoL doctoris 
ejrimü, disputationes^ magnam partem 8. theologiae complectentes, publicae 
et privatae. Priores cum accessione aliqtutj et correctiares^ nunc 2b numero. 
Alterae vero totae novae ^ et 79 numero^ etc., Lugd. Bat., i6i0. — Dat het 
den studenten dikwijls vrij lastig viel met Arminius «piimis professionis 
suae annis** te disputeeren, omdat hij »ulteriores probationes et instantias, 
quas adferendas perspiciebat , praescindebat , negando plerumque majores 
propositiones , aut earum consequentias", verzekert Voetius, Polü. eccles.^ 
tom. II, p. 56. Vgl. Ttiers. heaut.^ p. 83. Zie echter ook: Polit, eccles.^ 
tom. III, p. 64 7, waar sprake is van de »egregiae disputationes Jac. Arminii'*, 
en Thers. heaut^ p. 422: »In Arminii thesibus de Natura Dei, de Deitate 
filii et spiritus s. omnia (pauculis exceptis) distincte , proprie , et docte explicata 
sunt , adeo ut nihil melius in illo scripti genere de illa materia dici potuerit. 
Haec mea quidem sententia , quam contra Socinianös et Remonstrantes tueri 
paratus sum". 



Digitized by VjOOQ IC 



THEOLOGISCHE STUDIËN. VE&TBEK ÜIT LEIDEN. 85 

theologicum", alsook uit de in druk verschenen godgeleerde 
stellingen van Franciscus Junius, van de beide Trelcatii, 
vader en zoon , van Gomarus en anderen ^). 

Naderhand bij machte een zelfstandig oordeel te vellen 
over de manier van doceeren door Arminius in practijk 
gebracht , deed Voetius vooral uitkomen , hoe deze minder 
gewoon was zijne eigenaardige denkbeelden, niet zelden 
afwijkende van de vastgestelde leer, aan de theologische 
studenten in het openbaar toe te vertrouwen, dan wel 
,zijn lichtschuwen twijfel en wat hg nieuws meende ont- 
dekt te hebben", op privaat-colleges, door middel van 
geschreven dictaten aan enkele ingewijden afzonderlek 
mede te deelen ^). Aldus kon het een poos lang schijnen, 
dat zijne dogmatische begrippen overeenstemden met de 
belijdenis , neêrgel^d in de formulieren der kerk '). Wie 



«) Voet., Dispp. select, torn. V, 442, 143. Vgl. BibL stud, theol, p. 485. 
De auctie-catalogus van Voetius' boekerij bevat een groot aantal disputatio- 
nes, en natuurlijk ook de hierboven genoemde. 

a) Voet., Polü, eccles.j tom. ü, p. 56, 330. Ook schrijft hij, Dispp, 
select, tom. V, p. 228: «Eminus ostendebat (n. Arminius in publicis prae- 
lectionibus) se malle hic nova heuremata et philosophemata quaerere, quam 
recepta suo loco relinquere". Soms blijkt de hoogleeraar meer onomwonden 
gesproken te hebben , en dan luidt het bij Voetius : »Temere a Jac. Arminio 
tune praeceptore meo in publica lectione non sine zelo et commotione velli- 
cabatur eruditissimi theologi nostratis Wemeri Helmichii nuperrime tune 
Amstelodami defuncti (30 Aug. i608), emortuale, quo suos contra minantem 
tune et formidatam orthodoxae religionis mutationem hortatus fuerat: ut 
constanter manerent seu starent in salutari doctrina, quam ipsos docuerat*'. 
Dispp. select, tom. III, p. 1122. Vgl. tom. V, p. 419. Vgl. Gomarus, Vertooch 
voor de E, E. fieeren Staten gedaen over de leere ende heleydt d, Arminii, 
gevoegd achter zijne, in 1609 te Leiden bij Jan Jansz. Orlers »boeckvercooper 
in de Duytschen bybel", uitgekomen «Waerschouwinghe** ; alsook : G. Bau- 
dartius van Deynse, Memoryen ofte cort verhael der gedenck-weerdichste so 
kercklicke als werltlicke gheschiedenissen, enz., vanden jaere 1603 tot in het 
jaer 1624. Tweedde editie grootelicx vermeerdei-t, Arnhem, 1624, boek I, blz. 5&. 

>) Op iets dergelijks doelt Gomarus, waar hij, Bedencken, blz. 44, her- 
innert aan Arminius' verklaring, in 1605 afgelegd tegenover de synodale 
gedeputeerden van Zuid-Holland: »Dicam verum, sed non omne venim quod 
scio: dicam ubi erit opportunum". Vgl. Voet., Dispp, select,, tom. IV, p. 638. 



Digitized by VjOOQ IC 



86 DERDE HOOFDSTUK. 

echter bij de publieke lessen door Armiuius g^even tot 
het wezen der zaak wist door te dringen, bespeurde vol- 
gens Voetius terstond , hoe de hoogleeraar er meestentijds 
op uit was, de bewijskracht te ontzenuwen van zoo 
menige schriftuurplaats , aangehaald om het rechtzinnig 
gevoelen te steunen^). Op die wjjze zijn leermeester als 
in de kaart ziende, dreef licht mogelijk Gisbertus, neer- 
gezeten onder zgne medebursalen, nu en dan ondeugend 
den spot met de toenmaals veel vernomen betuiging van 
Arminius' volgers: ^den eenen dagh leert den anderen 
wat datmen sal gelooven" *). 

Zoo voor iemand, voor Gomarus was het geheel 
ondoenlijk zulk eene leus tot de zijne te maken. In 
tegenstelling met Arminius hield hij zich vast verzekerd 
de godsdienstige waarheid volledig te bezitten, die, 
eenmaal langs rechtmatigen weg verkregen, hem nimmer 
meer ontvallen zou. Daarbij kende hij groot gezag toe 
aan de getuigenissen van vromere en latere theologen; 
altijd voor zoover zij door hunne uitspraken meewerkten 
om het orthodox systeem krachtiger te bevestigen, of 
dit in een beter, een helderder licht te plaatsen '). Geen 



*) Voet., PoliL eccles., tom. H, p. 56, 57. Vgl. p. 59, 60. Gomarus 
betuigt, in zijn reeds genoemd Vertooch^ dat Arminius »sijn nieuwe leere 
den wech allenskens bereyt heeft*', o. a. door aan de tegenpartij te ont- 
nemen hare wapenen, te weten; »de treffelickste plaetsen der heylighe 
schriftuere, waer op ghewichtighe puncten der ware leere onser kercke ge- 
grondet staen tegen duydende: soo dat de fondamenten ondergraven zijnde, 
de leere dies te lichter soude vallen*'. 

*) Simonis Episcopii brief, In de welcke de gi^ont van de Remonstranten^ 
aengaende hare belijdenis ende eenstemminge in het geloove, naecktelick 
ontdeckt wort. Met een voor-reden aende hoog-mog : heeren staten generael 
der Vereenighde Nederlanden, s* Graven-haghe, 1620, blz. 17. Vgl. Voet, 
Polit. eccles,, tom. I, pars II, p. 498: »Sed ab anno 1609. usque ad 1619. 
aliquod est intervallum, ita ut dies diem multa eos (n. Remonstrantes) 
dedooere aut docere potuerit". Zie ook: tom. III, p. 258, en Dispp. select., 
tom. I, p. 489, 518; tom. V, p. 762; Thers. heaut., p. 107, 116, 117. 

*) Aan Arminius verwijt daarom Voetius diens »depreciatio scriptorum 



Digitized by VjOOQ IC 



THEOLOGISCHE STUDIËN. VfiRTEEK UIT LEIDEN. 87 

wonder, dat op die wijze het streven hem vreemd bleef 
.de jonghe ende jeuckende ooren met nieuwicheden te 
Mttelen, ende met twijfelinge ende teghensprekinghe , 
van de ghemeyne leere onser kercke, aen te locken, en 
los te maken" ')• Bedeeld met een veel vaster gezondheid 
dan zgn drie jaren ondere ambtgenoot Arminius *), kwam 
het maar zelden voor, dat hij zich verplicht zag w^ens 
ziekte eene openbare les uit te stellen •) , terwijl hij — wat 
blijkbaar niet heeft nagelaten bij Voetius groot vertrouwen 
te wekken*) — steeds met volkomen zekerheid sprak 
en getuigde ^), waar Arminius het noodig , althans raad- 
zamer achtte zgne onwetendheid te erkennen *). Zoowel 
den brief aan de Filippiërs^ als dien aan de Romeinen 

Calvini, Bezae, Zanchii, Perkinsi, etc.". Polit eccles.^ torn. D, p. 56. Vgl. 
Dispp. select.., toni. V, p. 82, 326; waartegenover Petrus Bertius den hoog- 
leeraar Gromarus voor de voeten werpt: «Beroerende uwe E. wie isset die 
noch daghelicx citeert Durandum, Gabrielem Biel, Molinam, Bonaventuram, 
Gumelum, Dominicum Bannes, Chr. Javellum, Gregorium de Valentia, 
ende andere meer?" Aen-spraeck^ blz. 26. 

>) Gomainis, Waerscliouwinghe^ blz. 3i. 

*) Toch noemt Baudartius, nadat hij, a. to., boek I, blz. 206, minstens 
een twaalftal kwalen heeft opgesomd, aan welke Arminius leed en die hem 
dan ook ten grave sleepten, blz. 21 &, den hoogleeraar »een sterck, robust 
man, van bloedighe complexje". 

«) Zie bijlage XLVI. 

*) «Explicatione illa solummodo adhibita, quam ex d. Gomaro didiceram, 
quamqne satis expeditam, tatam et a communiori sententia minus abhor- 
rentem putabam". Voet., Dispp. select., tom. V, p. 634. Vgl. p. 636 en 
torn. I, p. 388, 457, 465. Op laatstgenoemde plaats heet Gomarus: «theo- 
logos fide dignissimus**. 

*) Bertius voerde dan ook vrij spijtig Gomarus te gemoet: «Doch segt 
my d. doctor, twijfelt ghy nerghens in? weet ghytal?" Aen-spraeck, h\z.b. 

^ »Ego tam multarum rerum inscius sum — schrijft Arminius aan Wten- 
Ixygaert — ut tix audeam quid meum publico committere". Proest, ac erud. 
viror. epist., p. 140. Gomarus laat in zijn Bedencken, blz. 41 »deseerweer- 
digbe ende hoochbegaefde" d. Fr. Junius verklaren: »dat hy liever wilde sijn 
penne ghebruycken, om den jesu wijt Bellarminum te wederleggen , tot nutte 
der kercke int ghemeyn , dan sijn tijdt te verslijten , om eenen te leeren (nl. 
Arminius), die vast in sijn onvasticheydt blijvende, meer achterwaerts scheen 
te leeren, dan voorwaerts". 

T) Voet., Dispp. select., tom. V, p. 682, 683; Thers. heaut., p. 165. 



Digitized by VjOOQ IC 



88 DEEDB HOOFDSTUK. 

hoorde öisbertus den hoogleeraar achtereenvolgens op 
z^n college verklaren^), waarbjj, met betrekking tot de 
hoe langer hoe feller om zich heen grijpende praedesti- 
natie-geschillen , Gomarus' exegese van laatstgenoemden 
brief den bursaal buiten twijfel meer dan gewone belang- 
stelling zal hebben ingeboezemd*). Tegen het einde on- 
geveer van zijn studietijd , mocht Voetius nog ruimschoots 
winst doen met Gomarus' lessen in de dogmatiek ')• Eenig 
overgebleven theologisch professor aan Leidens academie , 
had hg volgens senaatsbesluit van 7 November 1609 
de behandeling op zich genomen der j^loci communes'' *) , 
misschien wel heimelijk verheugd alzoo een tegenwicht 
te kunnen geven aan het onderwijs, daarin vroeger door 
Arminius verstrekt *). Volgens vaststaand gebruik werden 
ook hierbij theses gesteld, welke dan de een of andere 
student tegenover zijne medestudenten moest verdedigen •). 



ï) Voet., Dispp, select.^ tom. V, p. 458. In zijne Bibl. stud, tfieoLy p. 526, 
roemt hij Gomarus* uitlegging van den brief aan de Romeinen «instar om- 
nium'* ; ook die van andere Nieuw-Testamentische brieven wordt daar aan- 
bevolen. Vgl. p. 534, 556. Den commentaar door Gomarus geschreven op 
den brief aan de Filippiërs acht Voetius «longe accuratissimum". Dispp. 
select, tom. Il, p. 279, 28i. 

*) Reeds ten jare i604, na de groote vacantie, meldde Arminius in 
verband met den opkomenden praedestinatie-twist aan Wtenbogaert: »Ver- 
satur ille (n. Gomarus) jam in capitis noni ad Rom. explicatione, quod pene 
absolvit**. Proest, ac erud. viror, epist, p. i34. 

») Voet., Dispp. select, tom. V, p. 349. Vgl. tom. I, p. 442, 466. 

*) Acta acad. L. B., cod. VIH, fol. 96, — »Gomari quondam praeceptoris 
nostri theses quaedam accuratissime explicant theologiam mere positivam; 
quaedam mere elencticam; quaedam utramque", schreef later Voetius in 
zijne Dispp. select, tom. III, p. 2. Vgl. tom. IV, p. 17. 

^ )»Suas explicat theses de Justificatione , modo in Bertium, modo in piae 
memoriae Arminium", berichtte iS Febr. 1611 Wtenbogaeit aan Vorstius. 
Proest ac erud. viror. epist, p. 271. 

^) Bibt stud. theol.y p. 85, gewaagt Voetius van die stellingen op hoogst 
waardeerende wijze. Vgl. Dispp. select, tom. V, p. 142, 458. Dezelfde 
curatoren, die in het najaar van 1608 bij Gomarus en Arminius gelijkelijk 
aandrongen, dat zij hunne dispuut-colleges toch hervatten zouden »mits 
die goede vruchten die men daeruit gespeurt hadde**, terwijl zij aan elk 



Digitized by VjOOQ IC 



THEOLOGISCHE STUDIËN. VERTREK UIT LEIDEN. 89 

Dat het bij dergelflke gel^enheden dikwijls ging »opt 
puntgen van een Spaensche naelde", als yrerd er gedis- 
puteerd „om van vrunden vremde , en van vremde vyanden 
te maecken" *), viel niet te verwonderen. Zoo wist Voetius 
nog na jaren te verhalen , hoe voorheen Gomarus , college 
gevende, zich meer dan eens ongunstig had uitgelaten 
over Arminius' kennis der Grieksche en Hebreeuwsche 
taal, ieder aanradende om, althans op dit gebied, diens 
critiek ernstig te wantrouwen ^). Ook was het somwglen 
gebeurd, dat Gomarus zijnen ambtgenoot „in het uyt- 
gaen van de disputeerplaetse , in teghenwoordicheydt van 
den achtbaren heere rector, hadde ghestraft^* over allerlei 
onrechtzinnige gevoelens, onder diens voorzitterschap bij 
de verdediging der stellingen aan het licht gekomen •). 
Vooral Arminius' gedrag op de conferentie 30 Mei 1608 
te 's-Gravenhage gehouden en het niet openlijk beant- 
woorden der een en dertig artikelen, hem door den 
Hoogen Baad namens zgn medeprofessor ter hand gesteld, 
gaven Gomarus, gelijk hij het uitdrukte „rechtveerdich 
acbterdencken , dat Arminius daer in onklaer werd be- 



hunner, wegens het presideeren daarbij «eene vereennge'* van 250 gld. deden 
toekomen, oordeelden het later geraden, Gomarus ambtshalve te vermanen, 
dat hij zou ophouden met het voordragen zijner theses «twelc CX). ende BB. 
niet en konden verstaen te strekken tot dienst vande universiteit of profyt 
van de studenten daerin frequenteerende". Hand, v, cur., 8 Nov. i608; 
8—10 Febr. i609 en 8— i2 Febr. 16H. 

I) Cotnoedia vetus^ blz. 23; een pamflet, in i612 door Willem Meerman 
uitgegeven. Voetius zinspeelt op dat blauwboekje, o. a. PoliL eccles,^ tom. 
U, p. 29, 314. Baudartius, a. tü., boek II, blz. 25a, acht het »wel aerdich 
verdiditt ende gheschreven, maer tot braeckens en spouwens toe vol laste- 
ringen ende schelt-wooixlen op de religye ende het predick-amt**. 

*) Voet., PoliU eccles,, tom. n, p. 60, 62. Vgl. Gomarus, Opera theologica 
omniaj edit. U, Amst., i664, pars I, p. 397. — Hoogleeraar te Utrecht, 
maakte Voetius naderhand zelf gewag der i^/ioxeyfa van Arminius: Dispp, 
select., tom. U, p. 386. Vgl. Thers, heaut, p. iOO. 

') Voet., Polit eccles.y tom. Il, p. 59; Gomarus, Proeve, blz. 16; Proest, 
ac entd. viror, episU, p. 226—228. 



Digitized by VjOOQ IC 



90 DBRDE HOOFDSTUK. 

vonden'* i). Van dit oogenblik af stelde hg zich beslist 
tegenover den ambtgenoot*). Hadden hunne Edel Mo- 
genden aan Arminius, b^ diens afeonderlijke verdedi- 
ging zijner denkbeelden voor den Hoogen Raad, op 30 
October daaraanvolgend , met groote lankmoedigheid het 
eene oor geboden , Gomarus vertrouwde, dat zij j,nae 
de wet Solonis ende der gherechticheyt" het andere ge- 
sloten en voor hem zouden bewaard hebben. Dienover- 
eenkomstig verzocht •) en verkre^ hg den 12<i«ï^ December 
1608 toegang, ook voor zijn persoon, tot der Staten 
vergadering, alwaar hy betoogde: ,hoe sgn mede-professor 
niet en was ghebleven stantvastich by de gesonde leere, 
maer afgheweken tot verscheyde dwalingen", van welke 
sommige met die der Pelagianen en Jezuïeten overeen- 
kwamen, sommige nog veel verder gingen*). 

Begon, na dit optreden, de spanning tusschen beide 
hoogleeraren met den dag bedenkelijker afmetingen aan 
te nemen, ook de academische jongelingschap bleek 
weldra in twee partijen verdeeld , waarbij nog kwam, dat 
de bursalen, zooals Gomarus zich uitliet, binnen het 
^wijlen bloeyende CoUegie'', groot gevaar liepen j^haer 
in onnutte questien te verstricken" , daartoe verleid 
«door den herder selve", die loon naar werken ontving, 
waar de discipelen „om sijn leere twistich werden" •)• 

Menig onverkwikkelijk tooneel gaf destgds op de Celle- 



I) Gromarus, Proeve ^ biz. 15; waaraan de een en dertig, hierboven ge- 
noemde, artikelen voorafgingen. 

^) Den i8d«> Aug. 1608 schreef Huig de Groot aan zijn zwager, Nicolaas 
Reigersberg: »Gomarus magis in dies se ducem partium facit'*, en 14 Dec 
1608 berichtte Arminius den Amsterdamschen burgemeester Sebastiaan 
Egbertsz: sVerum aperte jam in me agera incipit collega meus**. Proest, 
ac erud. viror, epist, p. 211, 219. 

») Zie bijlage XLVII. 

*) Gomarus, Vertooch, blz. 2. Vgl. Resol Holl, 12 Dec. 1608. 

*) Gomarus, Bedencken^ blz. 47. 



Digitized by VjOOQIC 



THB0IXX3ISCHE STUDIËN. VKRTREK ÜIT LEIDEN. 91 

broedersgracht de kamer te aanschouwen , in welke Ber- 
tius als regent verblgf hield. Zoo zag, binnen die muren, 
terstond na afloop der zomervacantie — 2 September 
1608 — een van Voetius' oudere studiemakkers. Petrus 
Caylius 0> tegenover de beide gedeputeerden Johannes 
Bemhardi en Buardus Acronius zich ter verantwoording 
geroepen w^ens het feit, dat hij enkele onheusche, vrg 
heftige uitdrukkingen, door den Delftschen predikant 
Albertus Oosterwyck omtrent Arminius en Wtenbogaert 
gebezigd, had oververteld, naar hij betuigde: ten einde 
zich te vergewissen, of de tegen hen ingebrachte be- 
schuldigingen al dan niet gegrond waren*). Zoo werd ook, 
uit dit vertrek, den ll^en Januari 1609 een sehrg ven ver- 
zonden aan de r^eering van Heusden, waarbij Bertius 
zich grootelijks beklaagde over Voetius zelf). Van zijne 
komst in het Staten-coUegie af — aldus berichtte de 
r^ent — had zich deze »ten meestendeele zeer stoutelyck'* 
aangesteld. Reeds Kuchlinus moest niet weinig van hem 
verduren en zou, ware hij blijven leven, Qisbertus 
,tot noch toe inden CoUegie niet en hebben getolereert; 
te meer, om dat het exempel van een moetwillich jong- 
man bij anderen leechlyck wert naergevolcht". H^j, Ber- 
tius — »niet alleen van natueren zeer geduldich*), maer 
oock door langen arbeijdt gebroken ende gemuteert" — 
wanhoopte niet licht aan iemands verbetering, vooma- 



') Zie over P. Cuylius hierboven, blz. 48, aant. 2. Vgl. Brieven Stat,- 
colL, II, 90; Rogge, a.to., dl. II , blz. 21, aant. 2. 

») Brieven StaU-coll, E, 409. 

») Brieven Stat-coll, II, 115. 

*) Zie — met betrekking tot een soortgelijk schrijven — de letteren, 10 
Mei 1608 gericht aan de Magistraat van Woerden , over Voetius* medebursaal 
Samuel Joannis, waarbij Bertius zichzelf evenzeer een getuigschrift toekent 
van »innerlycke affectie, goede paüentie en wel bedachten i*aedt". Brieven 
SUU.'ColLy U, 80. 



Digitized by VjOOQ IC 



92 DERDE HOOFDSTUK. 

meiijk , wanneer hij zag dat slechts Jonckheg t ende on- 
ervarentheyt" oorzaak dier euveldaden waren. Daarom 
had hij, ofschoon ^genoech getercht", zich aanvankelijk | 
tevreden gesteld met Voetius ernstig te vermanen , hopende 
langs dezen weg hem te brengen ^tot overdenckinge , 
kennisse ende berouw". Thans evenwel was hg ten volle 
overtuigd, dat alles voortkwam „uyt lichtvaerdichegt, 
haeslicheijt, quade nourituur, eygendunckenhey t, vermengt 
met een disreputatie van alle autoritegt ende hoochegt, 
ja oock van alle geboden, ten zg dat hem tot het alder- 
minste de oorzaken niet uytgeleijt en werden; waerdoor 
hij menichmael van ons ende andere stoutelyck durft 
oordeelen tot ons naedeel , ende ons den jongelieden te 
spotte stellen". Beden waarom Bertius de Heusdensche 
vroedschap dringend verzocht haren bursaal »op het 
scherpste, ende dat hoe eer hoe liever, te vermanen tot 
behoorlycke respect ende gehoorsaemheijt" aan zijn per- 
soon , terwijl hg , ingeval op die bestraflBng geene beter- 
schap mocht volgen, vast besloten was »de handt van 
hem af te houden en tegens hem te procederen tot zijne 
exclusie, op dat niemant meer door zgne vordere stou- 
ticheijt in tCJoUegie gedebaucheert werde". Tot welken 
maatregel hij echter betuigde, niet dan hoogst ongaarne 
te zullen overgaan, zoowel j,om den grooten arbeijt aen 
Gisbertus geemployeert", als »om t goede verstant ende 
begrip, waermede hij van Godt almachtich was begaeft" 
en ook, omdat Voetius, ,,dit eenmael geweert zgnde", 
gelijk Bertius hoopte ,tot een wel bequaem ende geleert 
dienaer der kercken J. Christi geraken zoude". Eindelijk 
herinnerde hij in zgn brief Gisbertus' maecenaten, hoe 
ook aan Comelis van Drongelen *) — een voormaligen 

1) Comelis Jansz. van Drongelen, den 10^» Nov. 1596 gedenomineerd 
door Heusden, weixl den S^^^^ Oct. 1598 »ghepriveert*' van zijn beneficium. 

Digitized by VjOOQ IC 



THEOLOGISCHE STUDIËN. VERTBEK UIT LEIDEN. 93 

stadgenoot van Voetius — »de kosten niet wel bestedet 
en waren". 

Kadat de Heusdensche magistraat den inhoud van 
Bertius' missive »met verwonderinge , seer ongaeme" had 
verstaan, te meer «dew^le haer alumnus dus lange 
inde CoUegie was geweest sonder merckelicke dachten 
daarover te hooren", besloot zij ten spoedigste aan het 
verlangen van den regent te voldoen. Maar tegelijk met 
de schriftelijke bestrafi&ng Voetius toegezonden ^), wilde 
men ook Bertius „versocht ende gebeden hebben, dat 
hem gelieven soude met denselven alumno, geduerende 
den corten tijt, die hem nog in CoU^o openstont, soo 
vele te civiliseren , als behoudens sgne eere ende reputatie 
conde geschieden, vertrouwende dat Gisbertus voortsden 



Oorzaak dier verwijdering was Aiet slechts »zijne onwetentheyt ende onver- 
stani — alzoo hij zeer weinich inde Latynsche sprake , ende niets inde Griexsche 
hadde toegenomen — maer oock zijne styMnnichey t , ongehoorsaemhey t , 
ongehondenheyt, ende insonderheyt zijn quaet leven, handel ende wandei". 
Brieven StaU-colL^ I, 164. Vgl. 84, 20, 109. Geruimen tijd na van Dron- 
gelens vertrek uit het Staten-collegie, kwamen er nog telkens schulden 
aan het licht, welke hij te Leiden gemaakt had, en die door Kuchlinus 
later op last van Heusdens magistraat werden betaald. Oud-^rch. Heunden , 
E. 208, bijlagen tot fol. 50 en fol. 41 der gemeenterekeningen over 1601 
ea 1602. 

*) Licht mogelijk was het juist de heugenis dier bestraffing, welke Voetius 
naderhand in zijne Bibl, stud, theoL, p. 32, deed verklaren: »Ut parentee, 
tutores, noecaenates quique suos coramendent speciali curae et inspectioni 
alicujus professoris, aut condonatoris , aut senioiis, aut cujuscunque alterius 
amici ac noti, viri pii et zelotae: immo ut in contubernium curatoris seu 
tutoris istiusmodi introducant, siquidem fieri possit. Hanc ego jam a prima 
adolescentia cum legerem epistolam Lipsii ad Paulum Busium (zie: J. Lip- 
sius, Epistolarum selectarum centuria ptHma miscellanea , Antverpiae, 
i605, p. 103 — 107.) putavi longe praestantiorem esse rationem promovendi 
publici boni et liberalia ingenia explorandi ac praeparandi ; quam si in col- 
legium aut quasi monasterium aliquod toto acaderaicae vitae curriculo 
compingantur. Nam utilia esse collegia teneris quibusdam adolescentibus 
triviali pulvere etiamnum respersis ad laboi*era studiorum et integros mores 
anno uno atque altero formandis; nolim negare". Vgl. Polit, eccles,^ tom. 
II, p. 733; m, p. 547. 



Digitized by VjOOQ IC 



94 DERDE HOOFDSTUK. 

alle occasien soude wechnemen, die den E. heere rector 
jegens denselven eenichsints mochten verbitteren ende ver- 
storen". Met aan dien wensch goedgunstig het oor te 
leenen zou Bertius „een eerlick ende godlick werk" ver- 
richten , en werd tevens der vroedschap „een sonderlinge 
dienst" bewezen, „die sij t' allen tijde naer gelegentheijt 
bereet was te minsten *) met danckbaerhegt te erkennen" *). 
Hoe beleefd Heusdens regeering haar verzoek ook had 
ingekleed, de regent van het Staten-coUegie scheen 
weinig gezind daaraan te beantwoorden. Immers duurde 
het niet lang, of Yoetius gaf hem tot nieuwe klachten 
aanleiding. Op dringende begeerte van Bertius verga- 
derden den 298t«i Maart 1609 ter senaatskamer de rector 
magnificus Everardus Vorstius, benevens de beide pro- 
fessoren Qomarus en Rudolphus Snellius , als inspecteurs 
van het CJoUegium theologicum, terw^l Arminius door 



1) Dat de regent het geenszins beneden zijne waardigheid rekende, ook 
tastbaarder bewijzen van erkentelijkheid aan te nemen, blijkt o. a. uit dit 
schiijven der vroedschap van Kampen, gedagteekend 26 Sept. 1609: »U. E. 
schicken wij bij desen tot een danckbaerheyt sekei*en gedroechden Issell- 
haem, soe goedt als wij voer ditmael hebben kunnen vuytgaen ende be- 
coemen*' ; — of uit dit postscriptum : »Mijn vader sal met den eereten U. E. 
een calcoenschen haen senden , ende bidde dat U. Ë. die in viientschap be- 
lieve t' ontfangen want het vuyt jonsten geschiet", voorkomende in een 
brief van den 3^» Mei 1608, waarbij Johannes Bilandus, broeder van Jason 
Bilandus, bursaal in het Staten-collegie (zie hierboven, blz. 53), Bertius 
verzoekt: »met den aldereersten tot diens faveur een testimonium ofle ge- 
tuygenisse van leven ende leei*e te willen oversenden". Brieven Stat.-colLy 
II, 160, 71. 

«) Brieven Stat-coll.^ H, 116. Dat schrijven, verzonden 24 Jan. 1609, 
kwam te Leiden aan juist op een tijd, dat de professoren, wegens het 
overlijden van den grooten Josephus Justus Scaliger, hunne colleges eene 
geheele week lang, van 22 tot 29 Januari, deden stilstaan, ilcto omd. L. B., 
cöd. Vni, fol. 94. Genoemde brief werd indertijd als bijlage A opgenomen 
achter mijn academisch proe&chrift: School-gezag en Eigen- onderzoek, 
Historiach'krüische studie van den strijd tusschen Yoetius en DescarteSy 
Leiden, 1861, blz. 217, 218. 



Digitized by VjOOQ IC 



THEOLOG18CHB STUDIËN. VEKTKEK UIT LEIDRN. 95 

ongesteldheid verhinderd was de samenkomst bij te wonen. 
Hier nu bracht de regent verslag uit over de jongste 
ongeregeldheden der bursalen en deed h^j tegen Gisbertus 
— die, ofschoon herhaalde keeren vermaand , zich »moet- 
willich" bleef aanstellen en deswege den vorigen dag 
voorloopig uit der Staten stichting verwijderd was — geen 
minderen eisch hooren, dan dat door genoemde hoog- 
leeraren aan dezen alumnus het genot zijner beneficie 
eene poos zou ontnomen worden, om, zoo hij zich ver- 
beterde, binnen het Collie terug te keeren of, vol- 
hardde hij bg zgn wangedrag, krachtens bevel van 
hunne Edel Mogenden voorgoed daaruit te worden weg- 
gezonden '). De drie ter vergadering aanwezige professoren, 
onder wie Gomarus zgn „gratus discipulus" *) wel zooveel 
mogelijk zal gespaard hebben, oordeelden de zaak be- 
langrgk genoeg , om haar niet overhaast af te handelen. 
Men besloot dus den volgenden dag, wanneer, naar 
men hoopte, ook Arminius en de hoogleeraar in de rech- 
ten , CJomelius Grotius , tegenwoordig zouden zgn , opnieuw 
bijeen te komen, ten einde „dan ernstig en rypelijk" te 
overleggen, welke maatregelen er dienden genomen te 
worden. Hoe deze beraadslaging afliep, daarvan zwijgen 
de senaatsnotulen *). Met zekerheid valt uit andere be- 
scheiden*) slechts op te maken, dat Voetius tot aan de 

*) »Ende zoo Tuyt de straffe vanden regent gheen beteringe en volcht, 
zal by den beeren rector vande universitey t , ende een off twee vande pro- 
fessoren, opt rapport vanden regent geeuspendeert , off op tselve rapport 
by den heeren Staten vande burse geheel gbepriveert, ende voorta arbii- 
tralycken gestraft worden , blyfvende evenwel aen tghemeen landt veilplicht". 
Ordann,^ 1595, dl. m, art. 38, op het einde. 

«) Voet., Dispp. select, tom. V, p. 100. 

*) Acta acad, L. 5., cod. VIII, fol. 95. — Wat meer is: van al het hier 
gebeurde tusschen Bertius en Voetius wordt door Essenius, in zijne Orat 
fun. , met geen enkel woord gerept. Ook Voetius zelf maakt daai*van , voor 
zoover mij bekend is, in zijne latere geschriften nergens gewag. 

*) Zie bijlage XLVUI. 



Digitized by VjOOQ IC 



96 DBRDE HOOFDSTUK. 

zomervacantie van 1609 „hem binnen Leyden is onthou- 
dende geweest buyten den CoUegie" ^) ; na welk tijds- 
verloop hg waarschijnlijk *) het hoofd niet gebogen , maar^ 
als bursaal uitgebannen y het laatste anderhalf jaar van 
zijn verbijf aan de academie bij particulieren heeft inge- 
woond ^). 

Ongetwijfeld speelde het te Leiden bestaande verschil 
op theologisch gebied eene groote rol bij de zoo weinig 
vriendelijke verhouding tusschen den regent van het 
Staten-coUegie en Voetius, wat inzonderheid openbaar 
werd, nadat Gisbertus zgne godgeleerde studiën had aan- 
gevangen *). Trouw volger van het rechtzinnig Calvinisme, 
tevens vurig bewonderaar van öomarus' onverbiddelijk 
strenge en op dogmatisch gebied beslist overtuigde persoon- 
Igkheid, kon Heusdens gedenomineerde alumnus blijk- 
baar zijne tong niet voldoende in bedwang houden tegen- 
over Bertius^ „vaste resolutie"**), om den bursalen het 

1) Misschien woonde toen Gisbertus zoolang in bij Elisabeth Claesdochter, 
weduwe van Joost Filipsz. Vg). hierboven, blz. 38, aant. 4. 

*) Zie bijlage XLIX. 

^ Zie bijlage L. 

4) Dat vermoeden wordt nader aangedrongen door hetgeen Voetius mede- 
deelt omtrent zijne betrekking tot Heusdens rijk begaafden predikant, 
Gothofredus Ualoinus (Godofridus Halewijn), die , gepromoveerd in philosophie 
en theologie, aldaar de plaats vervulde, opengevallen door het afsterven 
van Gom. Martini Rodenburch. De paaschvacantie van 1609 in zijne vader- 
stad doorbrengende, besprak Bertius* kweekeling met Halewijn, dien hij 
roemt als een »vir magni ingenii, et pro illa aetate excellentis eruditionis, 
vitae et conversationis castigatae, orthodoxiae tenax et zelotes*^ de godge- 
leerde verschilpunten van den dag, en onder andere ook «Arminianas, 
quae tune serpebant, novitates*'; van welke »novitates" Halewijn uitste- 
kend op de hoogte was «uti ego tune theologiae in acad. Leidensi studiosus 
coram ex ipso, et ex scriptarum in I. cap. ad Rom. concionum in aedibus 
viduae post obitum ipsius, lectione didid; et juxta mecum, satis certi 
erant auditores, ex habitis illis concionibus, in quibus praemonebat contra 
novos illos speculatores". Polit eccles,, tom. II, p. 757, 758. Vgl. tom. IH, 
p. 89, 90. 

>) Wat deze »vaste resolutie" betreft, zou Sibrandus Lubbertus, die met 
hem in briefwisseling stond — eene briefwisseling, volgens Baudartius, a,w.<i 



Digitized by VjOOQ IC 



THEOLOOISCHS STUDIËN. VËBTBJBK UIT LEIDBN. 97 

gevoelen van Arminius „int stuck der predestinatie met 
zijnen aencleve te leeren ende inteplanten^^ ^). Had Kuch- 
linus' schoonzoon, ten jare 1601, als subregent het leer- 
stuk der voorbeschikking „inden CoUegie na Gomari wijse 
verclaert" en, omstreeks 1605, zijn discipelen „tselve 
article" voorgesteld „ghelijck het by broeder Donteclock 
verstaen v^ert'^*), zoo deelden gedeputeerden der Zuid- 
en der Noord-Hollandsche synode — zich gedragende naar 
een besluit, half October 1608, binnen Dordt genomen — 
den lateren regent mede, dat „de kercken geene ver- 
sekertheyt en hadden van s^ne suiverheyt in de leere", 
dan bgaldien h^ öf binnen kort onder Gomarus in de 
theologie promoveerde, öf met hen mondelijk handelde 
„vande poincten der religie, ende hun daerin contentement 
dede''. Wat het eerste betrof, luidde Bertius^ antwoord, 
13 Februari 1609 g^even aan de a^evaardigden der 



boek I , biz. 186 »wel vriendelick begonnen , maer onvriendelick gheeyndicht" — 
desgevraagd, zeker ook op Bertius gewezen hebben als op «een dier nova- 
teurs, die, dewijle sy inde theologie niet seeckers gheleert en hebben, liaer 
ghdoove bycans alle maenden veranderen". Zie mr. W. B. S. Boeles, Fries- 
lands hoogesehool en het rijks a(A«naeum te Fran€/;er, Leeuw., 1878 — 1889, 
dl. n, bIz. 31, alsook den Brief d, Sibrandi Lubbertiy professor tot Fra- 
niker: gheschreven aenden eerweerdichsten aertsbisschop van Cantelberch, 
Delft, 1613, blz. 26. Ygl. daarmede Voetius' oordeel, later neergelegd in 
zijne Dispp, select, ^ tom. UI, p. 3: »Petrus Bertius nee textualis, nee dog- 
maticus, nee practieus theologus, qui cum illotis manibus ad theologiam 
doceadam provolasset, ejus fimdamenta nunquam jecerat". Zie ook ibidem^ 
p. 780. Zelf echter vraagt Bertius in zijne Aen-spraeck y blz. 18, diiestweg 
Gomarus af: »Meent ghy dat ick den riete ghelijck ben?** 

1) Bertius, Aen-spraeck^ blz. 23. 

«) Bertius, Aen-spraeck^ blz. 19. Joh. Amoldi Corvinus schrijft in de 
voorrede van zijn anoniem uitgegeven pamflet Christelicke ende ernstig he 
vermaninghe tot wrede oen jR. Donteclock ^ over sijne V samensprekinge 
vande vertaelde theses ofte disputatie d, Fr, Gomari ende d. Jac. Arminiiy 
aengaende de goddelijcke predestinatie ^ s' Graven-Haghe , 1609: »Het ge- 
•chil is alleen hoe Godt de selve besondere personen in t besluyt der pre- 
destinatie heeft aenghesien, namelijck als ongheschapen soo d. Gomarus 
leyt, of als geschapen ende gevallen in Adam (soo Donteclock seyt) of als 
ghesdiapen , gbevallen ende ghelovich of onghelovich , soo Arminius seyt". 

7 



Digitized by VjOOQ IC 



98 DERDE HOOFDSTUK. 

Zuid-HoUandsche synode ^), in absentie van die der Noord- 
HoUandsche »dat hy niet seer genegen en was tot de 
promotie , overmits sgn naturel niet en streckte tot eenige 
titulen^'. Liever dus dan te doctoreeren wilde hg „met 
de broederen in communicatie komen"; welk onderhoud 
nagenoeg twee dagen in beslag nam en ten gevolge had^ 
dat Gedeputeerden der beide synoden eerlang aan de 
staten van Holland en West-Friesland berichtten: „hoe 
dat sy tot haren grooten leetwesen verstaen hadden ver- 
scheyden dachten over de regeeringe van 't theologische 
CoUegie te Leyden , sulcx , dat aireede eenige steden hare 
alumnos daerover thuys hielden" *). Zonder zich nu in 
te laten met de wijze , waarop genoemde stichting werd 
bestuurd, of een oordeel te vellen over het persoonlijk 
beleid daarbij van den regent > hadden zij gemeend uit- 
sluitend te moeten letten op de beschuldiging tegen dezen 
ingebracht: „dat hy niet suyver noch gestadich en was 
in de leere der kercke" — eene beschuldiging, maar al 
te juist bevonden op de conferentie, welke zij onlangs 
met Bertius gehouden hadden *), en gestaafd bovendien 



1) Te weten aan: Raardus Acronius, Egbertus Aemilius en Johannes 
Becius, respectievelijk predikanten te Schiedam, Leiden en Dordrecht. 

*) Dat was o. a. het geval met Voetius* jongeren medehursaal Aegidius 
Becius, door de regeering van Dordt gedenomineerd en sedert 8 Juni 1608 
bursaal in het Staten-collegie. Hierover schreef Bertius, 8 Sept. 1609, aan 
Oldenbarnevelt : «lek ben verwitticht, dat d. Becius van meeninge is zijnen 
zoone naer Schotlandt te zenden, eude dat hij denzelven daerom te rugge 
houdt". Brieven Stat-coll.^ II, 16i. Becius, die door de Zuid-Hollandsche 
synode bij herhaling naar Bertius afgevaaixligd was geworden, lichtte 
evenwel, 8 Oct. 1609, den regent geheel anders in. Vgl. Brieven Stat-coll, 
II, 86 en hierachter, bijlage LI. 

De recensielijst van den rector magnificus over de jaren 1575 — 1618, aan- 
wezig in het Leidsche senaatsarchief, vermeldt op 27 Oct. 1609: «Johannes 
(Aegidius' broeder) Betius, Dordracenus, ann. 19. stud. philosoph. Apud 
Matthiara Huberti inde Griffioen". 

8) »Ten was geen cleyne sake — schrijft Baudartius, a. tü., boek I, blz. 
19a — dat Bertius, die ghestelt was om regent ofte regierder te syn in het 



Digitized by VjOOQ IC 



THEOLOOISOHE STUDIËN. YSBTREK UIT LIfilDBN. 99 

door ^sekere disputatie ende andere exercitien, waerin 
hy hem also verclaerde, dat doet. Qomarus veroorsaeckt 
was geweest den voorn, regent in tegenwoordicheyt van 
alle de studenten daer over te vermanen" ')• 

Maar ook buiten de muren van het Staten-collegie ^ 
verhief weldra die hoogleeraar-inspecteur zyne afkeurende 
en waarschuwende stem tegen Bertius' onderwijs. Nadat 
Arminius van de hernieuwde samenkomst , 13 tot 21 
Augustus op last der Staten te 's-Gravenhage met Go- 
marus gehouden ^)9 waar zg beiden , elk gesteund door 
een viertal predikanten als assessoren, het goed recht 
hunner overtuiging met allen nadruk bepleit hadden , 
in Leiden ziek was teruggekeerd , duurde het niet lang '), 
of de kwaal , die hem reeds geruimen tijd onderm^nde % 
sloopte zijne laatste krachten. Gestorven op Maandag , 
den 19dott October 1609 ^omtrent de middach" *), werd 
Arminius' stoffelijk overschot ,door menichvuldighen ar- 
beyt verswackt, door veel wakens ghecnuyst, door strg- 
den verbroken , door qualen versleten , door sieckten ver- 



CoUegye der theologie binnen Leyden , alwaer de jonge studenten wierden 
op-geU*ocken , diemen heden ofte morghen tot den dienst der kercken soude 
gebruycken, onguyver in de religye wiert bevonden. Wat synder voor 
vruchten ta verwachten wt eenen boom-gaert, welckes jonge boomen ver- 
ghift worden?*' 

I) Acta deputatarum Zuid^Hollandiae et utriusque synodi Zuid- et Noord- 
Hollandiae. (zie Oud Synod. archief, m, 81, B.) Vgl. bijlage LIL 

«) Re^ol. HolL, 7 en 12—22 Aug. 1609. 

>) Reeds den S*^"^ Sept. daaraanvolgend berichtte Bertius aan Oldenbarnevelt: 
»Dr. Arminius ee gisteren ende eergisteren zeer qualijck geweest, zijnde ge- 
tormenteert dolore stercoris, welcke zelf in corporibus integris koi'te wijlen 
pleegt te maken , — dan de Ueere heeft genade gegeven door middel van 
twee clysteren, die hem zijn geordonneerd'. Brieven Stat-coll., II, 161. 

«) Breedvoerig schrijft van den Borre, den 19^<^ Mei 1609, uit Leiden 
aan Episcopins te Amsterdam over Arminius' ziekte, in een brief a%edru kt 
bij Creniue, o./., Amstel., 1701, pars X, p. 298—300. 

*) »Circa meridiem" luidt het bij Bertius, Orat, in ohit Arm., p. 42. 



Digitized by VjOOQ IC 



100 DERDE HOOFDSTUK. 

teert" % den 228ten daaraanvolgend in de Pieterskerk 
bggezet. Terstond na die plechtigheid , hield Bertius over 
zijn verscheiden eene redevoering*) in het „auditorium 
theologicum". Daar het te voorzien was, dat de regent 
van het Staten-collegie , sinds jaren Arminius vertrouwe- 
ling '), niet slechts met zekeren ophef zou spreken „tot 
lof ende prijs van d'aflijvige", maar dat hij allicht ook 
zou gewag maken van bijzonderheden , min vleiend voor 
diens tegenstanders op leerstellig gebied, zoo was hem 
door den senaat der hoogeschool verzocht, en had hg 
dezen beloofd, bg zijne toespraak alles stilzwijgend te 
zullen voorbijgaan , wat Gomarus persoon en dogmatische 
overtuiging betrof*). 



*) Pelri Beriii lijck-oratie over de doot vanden eerw. ende wytberoemden 
heere Jacohus Arminius^ doctor ende professor der h. theologie inde 
hooghe schole tot Leyden, De welcke by hem w ghedaen inde Latijnsche 
tale terstont nae de hegraeffenisse in het axAditorium der theologie op den 
22. Octobris anno 1609. Ende namaels door een liefhebber verduyst^ 
Leyden, 4609, blz. 3. — Die »verduitscher" was Corviniis, zie dr. H. C. 
Rogge, Beschrijvende catalogus der pamfletten-verzameling van de boekerij 
der Remonstrantsche kerk te Amsterdam^ Amst., 1863, st. I, afd. I, blz. 114, 270. 

^) Gomarus, Bedencken^ blz. 45, achtte die toespraak »niet soo seere 
uyt de borst ghesprotea, als na de conste der orateuren beschreven". 

') Bertius betuigt, in zijne Orat, in obit. Arm., p. 13: «Simul ergo in 
hanc scholam (i. e. acad. Lugd. Bat.) missi, ex eo semper animis, studiis, 
voluntatibus fuimus conjunctissimi*'. Op die vriendschap viel echter, vol- 
gens Gromarus , bij den regent van het Staten-collegie wel iets af te dingen. 
Zie Bedencken, blz. 45, 46, waar de hoogleeraar, in de hitte van den 
steeds personeeler geworden strijd, als bewijsstuk tegen Bertius een door 
dezen aan Johannes Bernhardi (Jan Barentsz.), pi*edikant te Delfl, gerichten 
brief publiceert, voor den schrijver op dat oogenblik zeer bezwarand. Al 
merkt ook Bertius later te recht op, hoe Gomarus »niet eerlick ende 
hunner vrientschap ghenoech en doet, dat hy privee brieven, die daerom 
besloten ende besegel t werden, op datse van een yeder niet gelezen en 
souden werden aen den dach brengt, sonder zijnen danck, ende weten" — 
het compromitteerend karakter van dien brief wegnemen , vermag hij niet. 
Vgl. Aen-spraeck, blz. 19—23. 

*) Het pleit niet voor Bertius' waarheidsliefde, wanneer hij — door Go- 
marus naderhand daarop gewezen — «stoutelyck" verzekert: »Ick en weet 



Digitized by VjOOQ IC 



THEOLOGISCHE STUDIËN. VERTREK ÜIT LEIDEN. 101 

Ongeacht die belofte, meende evenwel Bertius in zijne 
lijkrede het onderwijs, door genoemden hoogleeraar zoo 
vroeger als later gegeven , op ééne Ign te moeten plaatsen 
met ,het verwerren der gene die tot de h. theologie 
toegeeyghent waren in veel onnutte questien"; of ook, 
met ,,het versaken der schriftuyre", ter wille van eenige 
,8ware, spits-vindige voorstellinghen endevraghen^'. Daar- 
entegen werd omtrent Arminius door den regent ver- 
zekerd, dat deze aan Leidens academie opnieuw had in- 
gevoerd die wgze van studeeren „die mani;ielijck is, ende 
niet als t' merck ende de gronden van saecken ondersoeckt; 
die de verdwalde jonge luyden weder heeft gheleydt tot 
de heylsame, suyvere, ende van alle dreck ledighe fon- 
teynen , op dat daer uyt de religie gesocht soude worden" ^). 
Naar te verwachten viel , mishaagde zulk eene schildering 
professor Gomarus in geen geringe mate; vooral toen 
Bertius zijne rede spoedig daarop het licht deed zien, 
niet slechts — gelijk hij haar had uitgesproken — in de 
Latijnsche taal, maar overgezet tevens in het nederlandsch. 
Ten volle verzekerd „dat hij hem noch teghen den over- 
leden , in sijn leven , niet en hadde misgrepen met onliefde , 
noch t^hen de waerheydt der saecke, met onghesta- 
dicheydt" ^, meende Gomarus de academische hoorders dier 
oratie , en inzonderheid het groote publiek buiten Leiden , 
zijnerzijds te moeten voorlichten door de uitgave van 



d. doctor noch van versoeck, noch van belofte*', terwijl hij toch getuigt, 
de lijkrede te houden »met goede bewillinghe onsee raets", en in de notulen 
van dien »raet" duidelijk wordt gelezen: »Octob. 19. Decretum est qui 
orationem fiinebrem esset habiturus in obitura d. Jacobi Arminii, nihil ei 
misceret quod ad alicujus^ collegae contumelLam pertineat". Vgl. Gromarus, 
Bedencken , blz. 41 ; Bertius , Lijck-oratie , blz. 3 en Aen-spraeck , blz. 5 ; 
Acta acad. L. B,, cod. VIII, fol. 96. Zie ook bijlage LUI. 

^ Bertius, Lijck-oratie^ blz. 17. 

s) Gomarus, Bedencken, blz. 41. 



Digitized by VjOOQ IC 



102 DEBDE HOOFDSTUK. 

een verweerschrift, welk pamflet gaandeweg nog drie 
andere in het leven riep *). 

Tot hen , die deigel^ke lectuur gretig ter hand namen, 
of met zekere voorliefde ter spraak brachten, behoorde 
buiten twijfel ook Gisbertus Voetius. Koos hg zonder 
een oogenblik te aarzelen Gomarus' partij, zgn „respect 
ende obedientie", wat Bertius betrof, leed (ook al toefde 
hij hoogstwaarschgnlgk niet meer binnen de muren van 
het Staten-coUegie) nieuwe schade, toen deze in een der 
uitgegeven vlugschriften openlijk verklaarde: dat het 
gevoelen van Arminius reeds sedert lang ') door hem 
werd voorgestaan. 

Alzoo gestijfd in zijn afkeer van Socinianen en Liber- 
tijnen — wier geestverwant hg den regent van het 
Staten-coU^e rekende — bleek Voetius tegelgkertijd 
versterkt in zgn haat t^en de Jezuïeten, niet het 
minst, doordien de onderhandelingen met den Spaan- 
schen erfvijand^ ofschoon zéér tegen den zin der Cal- 
vinisten hier te lande aangeknoopt, nog betrekkelijk 
onverwacht hadden geleid tot het sluiten van een twaalf- 
jarig bestand, 21 April 1609 in Den Haag plechtig af- 



1) Gomarus* »Bedenckea" werd als op den voet gevolgd door Bertius* 
»Aen-8praek*'. Daarna verscheen Gomarus' »Proeve'*, en de Sc?iouwe over 
d, Fr. Gomarii proeve van m, P, Bertii aen-spraeck^ hfj een van sijn 
discipulen (t. w. Corvinus), tot nodige protestatie voor de eere s\jns meesters, 
ende voorbode van de wederlegging he van d. Gomari waerschouwinghe 
uytgeg keven, By Jan Paedts Jakopsz., 1610. Vgl. ResoL HolL, 15 Febr. 
1610. Zie voorts bijlage LFV. 

<) Bertius' ivisselende opgaven zijn oorzaak, dat die termijn: vsedert 
lang** niet nauv^keurig kan bepaald worden. Volgens zijne Aen-spraeck, 
blz. 23, was hij omstreeks het begin van 1608 «neutrael**; doch, te oor- 
deelen naar blz. 24 van hetzelfde pamflet, had de regent zijn schoonvader 
Kuchlinus — die reeds in Juli 1606 overleed — »ten deele ghecommunioeert", 
dat hij van Gomarus verschilde »int stuck vande predestinatie ende pereeve- 
rantie". Vgl. Gomarus, Proeve, blz. 23 alsook diens Bedencken^ blz. 46, 
en Voet., Polit eccles.y tom. I, pars H, p. 498. 



Digitized by VjOOQ IC 



THEOLOOISCHS STUDIËN. VERTREK UIT LEIDEN. 103 

gekondigd ^). Om nu later die Papisten op hem bekend 
gebied te bestrijden, zocht Gisbertus bij tijds vertrouwd 
te raken met de Katholieke verschilpunten, alsook met 
hetgeen van Protestantsche zgde daartegen was inge- 
bracht^. Volledig zag h^ de Boomsche vraagstukken, 
welke hem uit dit oogpunt belang inboezemden, aange- 
geven en behandeld door de classieke disputaties van 
den kardinaal-aartsbisschop Eobertus Bellarminus *) , ter- 
wijl hg, wat de polemiek der Hervormden betrof, zich 
beurtelings verdiepte in de geschriften van den fransch- 
man Antoine La Boche de Chandieu *) , van den italiaan 



*) Schreef de Leidsche hoogleei'aar Baudius, ter eere van het gesloten 
l)68tand, zijne Dissertatiuncula super induciis belli belgici\ — iiet Haarlems 
rector, Gom. Schonaeus, door sommige discipelen der Latijnsche school 
eene zijner »comoediae sacrae" opvoeren »na de publicatie van den stilstand 
der oorloge dezer landen" (zie dr. A. H. Grarrer, SchoncteuSy Haarl., 1889, 
blz. 73); een calvinist, misschien wel Fr. Aerssens, verzekert in het pam- 
flet PrcLctycke van den Spaenachen raedty blz. 5 «dat den treves niet en 
is gbesproten uyt liefde van den vrede, ende af-keer van de veelvoud ighe 
bloedtstortinghen , die d*oorloghe veroorsaeckte (ghelijck de ghesuyckerde 
woorden van de versoeckers te kennen gaven) maer uyt een Machiavellische 
behendicheydt*'. Vgl. Rogge, Wtenbogaert, dl. I, blz. 334^342 en Voet., 
Diêpp. 8elect.y torn. II, p. 842; Polit, eccles.^ torn, I, pars II, p. 516, 517. 
Voor de vele blauwboekjes over de vredehandelingen , het bestand, zijne 
sluiting en viering, zie dr. Knuttel, a.ti;., dl. I, st. I, blz. 301 — 306; 308 — 
318, terwijl in het Otid-arch, Heusden^ E. 211, onder de bijlagen tot fol. 72 
verso der gemeenterekening over 1609, nog voorhanden is eene niet on- 
aardige »Dectaratye van verscheijde oncosten ende verschoetten penninghen, 
gedebaoseert int publiseren ende vieren vande Treves*', binnen Voetius' 
geboortestad. 

*) Esaenius, Oraf, fun.^ p. 12. 

*) Disputationes de controversiis christianae fidei adversua hujua temporis 
haereticos. De uitgave daarvan , bezorgd door Johan. Bapt. Confalonerius , zag 
In 1590 ta Ingolstadt het licht. Vooral in zijne »Polit. eccles.", is Voetius 
later gewoon hem druk aan te halen en te weerleggen. 

4) Een der uitnemendste leerlingen van Calvijn en predikant bij de Ge- 
reformeerden te Parijs sedert 1554, vluchtte de Chandieu later, tot twee- 
malen toe, naar Grenève, waar hij hoogleeraar werd in het hebi*eeuwsch. 
Hij schreef onder de joodsche namen : Sadeel (champ de Dieu) en Zamariel 
(chant de Dieu). Zijne Opera iheologica verschenen een jaar na zijn over- 
lijden , in 1592 te Genève. Voetius roemt de »aurea verba Zadeelis" in zijne 



Digitized by VjOOQ IC 



104 DBRDK HOOFDSTUK. 

Girolamo Zanchi *) , van den engelschman William Whi- 
taker*) en van den duitscher Conrad Vorst*), toen nog 
hoogleeraar aan de doorluchte school te Steinfort. Ook 
werd , naar vanzelf sprak , door hem kennis genomen van 
den, in gelijke richting, uitgegeven arbeid der vader- 
landsche godgeleerden Franciscus Junius en Sibrandus 
Lubbertus *)• 
Tot afwisseling dier elenchtische studiën doorliep Voe* 



Dispp, select, torn. m, p. 1339. Vgl. Polit. eccles,, tom. II, p. 721. Bij Ie Maire 
kocht hij in 1607 voor 4 gld. 6 st »Ant. Zadeelis opera Theologka", zie 
Oud-arch, Heusden, E. 210. 

1) De auctie-catalogus van Voetius* boekerij bevat van Hieronymus Zan- 
chius — achtereenvolgens hoogleerar ta Straatsburg , Heidelberg en Neustadt , 
terwijl hij voor eene benoeming aan Leidens academie bedankte — verschil- 
lende werken^ zoo in quarto als in octavo. Zijne Opera theologica zagen in 
twee folianten te Heidelberg het licht, ten jare 1613. Op eene auctie bij Ie Maire 
in 1607 kocht Voetius voor 3 gld. 10 st »Zanchius, De natura Dei", zie 
Otid-arch, Hemden, E. 210. 

^) Voetius bestudeerde toentertijd van Whitakerus, prof. theol. aan de 
hoogeschool ta Cambridge, de PraelecHonea in quibua tractatur cantroversia 
de ecclesia contra pontificios, inpr. Rob. Bellarminum, Herbomae Nassov., 
1599 en de Disputatio de soera scriptura contra hujtis temporis papisttis, itnpr. 
Rob, Bellarminum et Thom. Stapletonum, Herb. Nass., 1600. Vgl. Grenius, 
o. Z., pars X, Amstelodami, 1701, p. 145. 

*) Gonradus Vorstius, Enchiridion controversiarum : seu index errorum 
ecclesiae Romanae, una cum antidoto. Ex quatuor tomis disputationum 
Roberti Bellarmini in gratiam studiosae juventutis excerptus, Steinf.,1604, 
alsook Apologia pro ecclesiis orthodoxis, in qua tres primi fidei nostrae 
artiaili pleniu^ examinantur, Opposita t?iesibu8 Jesuitarum, Monasterii 
nuper excusis, Hanoviae, 1607, en Anti-Bellarminus contractus: hoc est 
compendiosum examen omnium fidei controversiarum , prout eas Rob. 
Bellarminus IV disputat, siuirum tomis complexus est, Hanoviae, 1610. 
Vgl. Voet., Thers, heaut., p. 85. Al blijkt Vorstius, uit die geschriften, 
naar Voetius' schatting »non tam erroneus theologus, ac paucis annispost" 
— toch verzekert hij : »jam turn vulpem Socinianam vapido sub pectore ge- 
stabat". Dispp, select, tom. V, p. 58, 217. 

*) Junius schreef o. a. Animadversiones ad controv, secundam christ fidei, 
de Christo capita totius ecclesiae, quam Rob, Bellarm, disput, suarum 
libris exaravit adv, hujus temp. haereticos, ex off. Plantiana, 1600; Lub- 
bertus gaf uit: De papa Romano libri decem, scholastice et theologice 
collati cum disputat Rob, Bellarmini, Franeq., 1594; De conciliis libri 
quinque, Genevae, 1601; De ecclesia libri sex, Franeq., 1607. 



Digitized by VjOOQ IC 



THEOLOGISCHE STUDIËN. VERTREK UIT LEIDEN. 105 

tins met groote belangstelling meer dan ééne geschiedenis 
der martelaren^). Bovenal verkwikte hg zich aan het 
galden boeksken van Thomas a Eempis ^pDe imitatione 
Christi'' en aan andere ascetische werken, geschreven in 
denzelfden eenvoudig-stichtel^ken geest *). Dit alles had 
plaats buiten de gewone lessen om, ten tijde dat hg 
trouw privaat-college hield, zoowel bg Ctomarus') als bg 
Festus Hommius *) — laatstgenoemde behandelde dispuuts- 
gewgze de Nederlandsche geloofebelgdenis — en dat ook 
de overige practisch-theologische vakken steeds grootere 
toewijding van hem vorderden. In het maken van schetsen 
voor preeken en in het proponeeren zelf') ontving Voe- 
tios, met nog andere bursalen, twee malen 's weeks het 
noodige onderricht van de Leidsche predikanten Adolf 
Sprankhujzen *), Egbertus AemiUus en den zooeven ge- 



Voet, Dispp, êelecL, torn. II, p. 1024. Vgl. PoliL eccles,^ tom. I, pars 
I, p. 213; tom. D, p. 137—139, 735; tom. m, p. 278. 

«) Voet., Bihl. siud. theoL, p. 176, 177; Thers. heaut, p. 196, 319. In 
zijoe Dispp, select,^ tom. I, p. 83, schnjft hij: »Velim modo ostendi quod- 
nam scriptum eorum asceticum cum libello Tbom. è Kerapis de imitatione 
Cbristi paria &cere poant?" en, tom. n, p. 484, luidt het: »quae notata 
▼ide a Tbom. k Kempis in aureo libello de imitatione Christi". Vgl. tom. 
IV, p. 130, waar het heet: »Et non immerito Thomas k Kempis anreum 
suum libellum (exceptis nonnullis, quae juxta errores istius saeculi intercur- 
runt) de imitatione Ghristi , hoc titulo insignivit : Qui sequitur me". Volgens 
tom. V, p. 698, 708 — 712, wordt naderhand aan Voetius die hoogschatting 
iran Thom. èi Kempis' arbeid door Maresius beslist ten kwade geduid. 

») Voet., Dispp. select., tom. V, p. 641. 

*) Essenius, Orat, fun,, p. 13. 

*) Niet weinig kwam den bursalen hierbij te stade, dat zij gehouden 
waren »des sondaeghs de voor ende naermiddachsche predicatien van be- 
ghin tot den eynde, mit goeder aendacht ende een jegenwoordighen gheest 

naerstelycken te hooren ende den regent tsyuen believen ende ver- 

maenen rekenschap te gheven van tgundt zy gehoort, verstaen, ende ge- 
leert hebben". Ordonn,, 1595, dl. IH, art. 24. Vgl. Voet., BibL stud, iheol., 
p. 81, 178, 179. 

*) Bij Essenius, OrcU, fun., p. 13, luidt zijn voornaam ten onrechte 
vAdrianus'*. Misschien heeft de lijkredenaar hem verward met Adnaan van 
den Borre, gedurende Voetius' studiejaren ook predikant te Leiden. Evenals 



Digitized by VjOOQ IC 



106 DERDE HOOFDSTUK. 

noemden HommiusO» terwijl hg, in Augustus 1610 de 
zomervacantie te Heusden doorbrengende , onmiddellgk 
gebruik maakte van de gelegenheid hem aangeboden 
om, zoowel in Meeuwen en Eethen als vervolgens ook 
in zflne vaderstad, „de eerste proeven te doen van syn 
prediken voor de gemeynte" •). 

Gebonden aan de van hoogerhand vastgestelde veror- 
deningen , bood himne dagelijksche levenswijze den kwee- 
kelingen van het Staten-coUegie in den regel maar weinig 
tijd ter ontspanning. Nu en dan werd onder toezicht 
van den regent ,eene speelre^ze" door Leidens omstreken 
gemaakt, waarbg men nochtans zeer „bedagtelgck*^ moest 
handelen, wilden curatoren en burgemeesters wegens 
„exorbitantie vande costen" zich later niet bezwaard 
vinden aan den schafbmeester, op diens overgeleverde 
verklaring , het uitgeschoten geld terug te betalen '). 
Hielden de universiteitsprofessoren eiken Woensdag en 
Zaterdag vacantie, zoo stond het den bursalen op die 



zijn collega Joh. Amoldsz. Ravens (GorYinus) was Adr. Borrius een overtuigd 
aanhanger van Arminias. Zie Voet., Thera, heaut^ p. 107. Nog deed 
toentertijd te Leiden dienst : Matthias Platevoet , gelijk Adolf Sprankhuy- 
zen, een geestverwant van Gomarus. Daniel Golonius, sedert 30 Mei 1606 
regent van het Waalsche oollegie, gevestigd op de Groenhazegracht , was 
tevens predikant bij de Fransche gemeente. Vgl. Voet., PoliU ecclea,, torn. 
II, p. 68. 

1) Voor zijne moeite ontving Hommius,\)p aanvrage door hem gedaan, 
van curatoren »sonder dat sulcz soude worden getrocken in consequentie'*, 
volgens besluit dd. 10 Aug. 1610, de som van 150 gulden. Aemilius' weduwe, 
Anna Thomasdochter, kreeg »om de voorschrevene redenen, ende bysonder 
om haeren soberen staet als belast sijnde met ses cleyne kindertgens**, 
eveneens 150 gld. ter vergoeding. Hand. v. cur., 8 — 12 Febr. 1611. 

*) Die bijzonderheid staat vermeld in de aanteekeningen door Nicolaus 
Voetius, zoon van Gisbertus, neergeschreven in het kerkeraads-actenboek der 
gemeente Meeuwen, alwaar hij predikant was van 1657 tot 1666 Kist en 
Moll, Kerkhiat. arch., dl. I, blz. 312. 

') Dit gebeurde o. a. , tijdens Kuchlinus' regentschap, met eene «declaratie 
van costen'*, ingeleverd door den oeconomus Franck van Dobben. Eerste 
register^ not. v. 12 Mei en 12 Aug. 1597. 



Digitized by VjOOQ IC 



THEOLOGISCHE STUDIËN. VERTREK UIT LEIDEN. 107 

dagen meestal vrjj na bekomen verlof „buyten der stede 
te gaen om te spelen, ende hun te verlustighen , midts 
datter nyet onbehoorlycx en werde bedreven , twelck ont- 
stichtinghe off ergemisse zoude moghen veroorzaecken'' ^). 
Deze of gene herberg te bezoeken , ten einde er met 
studenten der hoogeschool wijn , bier en tabak ,te drinc- 
ken", was den alumnen op zware straf verboden *). Wel 
echter zagen zg sdch, binnen het Collie, drie keeren 
ter week gelegenheid gegeven tot „dexercitien des lic- 
haems , beghinnende tswinters een uyre voor het middach- 
mael , ende tsomers een uyre voor het avontmaeP' •) ; een 
hoogst nuttige maatregel , in het belang der gezondheid ook 
van Yoetius, die, reeds tgdens de laatste jaren van zijn 
verblgf te Leiden, af en toe werd geplaagd door eene 
pijnlgke aandoening der milt, aan welke hij naderhand 
slechts door een nauwgezetten leefregel, gevoegd bghet 
gebruik van passende geneesmiddelen , ten deele het hoofd 
vermocht te bieden*). 

Bracht der Staten ordonnantie mede, dat „verkeer- 
berden, quaertspelen , taerlinghen: ofte yet diergelycx, 
hoe men tselve oick soude mogen noemen", buiten de 
muren van het CoUegie meesten blijven *) — de strenge 
tucht, waaronder Heusdens bursaal voorheen was opge- 
groeid , gepaard aan zgne persoonlijke neigingen , maakte 
het hem alleszins gemakkelijk dit gebod trouw te eer- 
biedigen*). Met zgne bevordering tot de zuiver theolo- 
gische studiën werd aan Yoetius, naar vaststaand ge- 



ï) Ordonn., 1595, dl. lU, art. 36. 

«) Ordonn,^ 1595, dl. III, art 32, 38. Vgl. Voet, Dispp, select, tom. IV, 
p. 389 en 495; p. 400 en 496. 

») Ordonn., 1595, dl. III, art. 34. Vgl. Voet, Polii. eccles,, tom.n,p.744. 

^) Essenius, OraU fun,, p. 36. 

•) Ordonn., 1595, dl. III, art. 37. 

•) EsBenius, Orat. fun., p. 14. Vgl. Voet, Bibl. siud. theol, p. 426, 427. 



Digitized by VjOOQ IC 



108 DERDE HOOFDSTUK. 

bruik, tevens het recht verleend, om, indien hg zulks 
wenschte, zich op de behandeling van het een of ander 
muziekinstrument toe te leggen O* Had hij , als school- 
jongen, bij Franco Odolphi — die ook deken was van 
het Heusdensche St.-Caeciliagilde*) — reeds de zangkunst 
beoefend, en later met zijne medealumnen nu en dan 
eenige stichtelijke liederen*) ingestudeerd, sedert hg na 
afgelegd examen aan „mensa prima*^ gezeten was , leerde 
Voetius cither zoowel als fluit en orgel bespelen *), terwijl 
het voorts geheel met zijne inborst strookte, zich niet 
slechts de praktgk, maar ook de theorie der muziek be- 
hoorlek eigen te maken ^). 



1) Zie bijlage XTiTÜ , en aldaar het antwoord van Bertius op het hem aan- 
geboden request. 

*) Oud-arch, Heusden, E. 211, bijlage tot fol. 35 der gemeenterekening 
over 1609. 

') »Sed quia suavissimos modules plerumque aptari videmus verbis fatuis, 
insulsis, otiosis, saepe subobscoenis : ut propriam oblectationem habeat 
theologiae studiosus sectetur musicam psalmodicam Joh. Petn Swellingii 
etc.", schrijft later Voetius in zijne BibL atud, theol.^ p. 425, terwijl in de 
Ordann.y 1595, dl. III, art. 37 aan het slot, bepaald wordt: »in sulcken 
verstande dat sy geen musyckboucken en sullen mogen hebben, dan rait 
kennisse, ende toelatinghe vanden regent, op dat zulcx alle ontucht ende 
lichtveerdicheyt, voor zoo veel moghelyck is, mach werden gemyt ende 
verboet". 

*) Essenius, Orat fun.^ p. 14. Na het laatste nummer in den auctie- 
catalogus van Voetius' bibliotheek komen voor: »eenige pacquetten musijck- 
boeken en een phiool de gambe". 

») Zie den auctie-catalogus (pars II, misc. in folio, n**. 17, »Morley, In- 
troduction to music") en BibL stud, theoLy p. 424. Vgl. Polit eccles.y 
tom. I, pars I, p. 544—598; tom. II, p. 744. Wanneer Cd. Busken Huet 
in zijn werk Het land van Rembrand, Haarl., 1886, dl. II, I"*» heia, 
blz. 98, gewaagt van Voetius* degelijke, maar »boersche" opleiding, zegt 
de schrijver iets, dat hij moeielijk kan verantwoorden. Ware ook Heusdens 
bursaal niet voortgekomen uit een deftig gezin, dan nog had allicht het 
verkeer met zijne studiegenooten , naar Jan van Hout indertijd opmerkte: 
»wech genomen ende gebetert de botticheyt , diemen ons Hollanders t'sy in 
schimp, t'sy in enist, telcken innewreef ende voor de schenen wierp". 
Innel, ende aenv, vant ColL der theoLy blz. 16. Vgl. daarmede Solenn. 
inatig, p. 18. 



Digitized by VjOOQ IC 



THEOLOGISCHE STUDIËN. YBRTBEK ÜIT LEIDEN. 109 

Verzekerde Enchlinus in zgne rede, gehouden bg de 
opening van het Staten-coll^e , dat^) »soo wie inde 
jeacht ghemeene studiën, ghemeene tafel ghebruycken, 
ende onder dezelve meesters ende opsienders, als soghe- 
lingen van eener melck, onderwesen worden, dezelve 
wetten gehoorsamen , ende dezelve maniere van leven 
volgen — derzelver gemoederen ende willen in deser 
vo^en 't zamengroyen tot eene zeer nauwe vrientschap , 
die niet alleen hunluyden ghenoechlyck ende nuttich, 
maer oock de kercken, scholen, ende de gemeene zake 
in veelerley wgse aengenaem ende profijtich zy" •), zoo 
rekende hij natuurlijk buiten den invloed der praedesti- 
natie-geschillen „met hunnen aencleve'', eerst later op- 
gekomen. Ten bewijze zou kunnen dienen Voetius' hou- 
ding in vervolg van tgd tegenover Geisteranus , Barlaeus , 
Episcopius en Dwinglo, zgne vroegste vrienden binnen 
het Collegium theologicum *). 

Door het verkeer met die studiemakkers nog te Leiden, 
deed voorloopig de strgd der meeningen aan hunne onder- 
linge verstandhouding weinig of geen afbreuk. Inzonderheid 
voelde Gisbertus zich aangetrokken tot Johannes Geiste- 
ranus. Zachtmoedig van aard , bedeeld met een innemend 
niterlgk, kalm en vredelievend, goed op de hoogte der 
verschillende w^sgeerige vraagstukken , gemakkelijk dich- 



*) iPraeterea constans est apud omnes sententia, futurum, ut quicunque. 
in pueritia, in adolescentia , in juventute, communibus studiis, communi 
mensa uterentur, et sub iisdem pi*aeceptoribus et inspectoribus , quasi 
9^po^ et collactanei, initiarentur, iisdem legibus parerent, eandemque 
Titae rationem sequerentur, eorum etiam animi et voluntates hoc modo in 
arctissimam aliquam, non sibi tantum utilem et jucundam, sed etiam 
ecclesüs, scholis, et communi societati multis modis gratam et fructuosam 
aroidtiam coalescerent'*. Joh. Kuchiinus, Oratio ^ p. 14. 

«) Bor, o. w., boek XXIX, fol. 3Öa. Vgl. Voet., PoliU eccles., tom. III, p. 547. 

*) Zie hierboven, blz. 49. Vgl. Voet., Dispp. select^ tom. m, p. 783; 
Thers. heaut., p. 235, 236. 



Digitized by VjOOQ IC 



110 DERDE HOOFDSTUK. 

tende zoo in het grieksch als latijn , schreef deze — ge- 
reed het Staten-collegie vaarwel te zeggen ') — in het 
,album amicorum" van Voetius den 2l8*<« November 
1608 . een kort maar kenrig epigram*). Buim twee jaren 
vroeger was Caspar Barlaeus vertrokken. Diens liefde 
voor de poëzie der classieken gaarne eerbiedigend , koes- 
terde Gisbertus evenwel geen grooten dunk van zyne 
godgeleerde kennis. Ook Barlaeus wijdde den vriend een 
Latynsch vers, doch, volgens zijne gewoonte, vervat in 
vrij hoogdravende taal »). De derde der oudere studie- 
genooten , Simon Episcopius , bracht hem , naar aanleiding 
van zeker motto*) toentert^d door de studenten bg het 



«) Brieven Stat-coll, II, 400. Voet., Dispp. select, tom. I, p. 488—490. 

>) Zie bijlage LV. Vgl. over die »alba amioorum" Schotel, Academie , 
blz. 356—358. 

») Voet, PoHL eccles., toin. II, p. 46, 47. Vgl. p. 66 en tom. ffl, p. 
48 »inter quos non infimus insignis poëta Barlaeus'*, alsook Dispp. select, 
tom. I , p. 508 en tom. V, p. 469 ; Crenius, o. I., pars XIÏT, Lugd. Bat., 
1705, p. 47. 

^) Te weten: »Nulliu8 addictus jurare in verba magistri". — Dat ook 
Voetius, indien hij zulks noodig achtte, naar dit motto wist te oordeelen 
en te handelen, blijkt uit hetgeen hij, 30 Maart 1643, bij gelegenheid der 
uitgave van Gomarus* werken, schreef aan den Groningschen hoogleeraar, 
Mart. Schoockius: »De editione operum d. Gomari non possum non nobis 
et publico gratulari. Unum monueram rev. ministrum ex tribus editoribds, 
qui mihi bic adfuit, ut supprimeretur disputatio de decretis Dei: ne scan- 
dal um hinc oriatur apud nostros, Lutheranos, Pontificios, atque itaindlgna 
macula tanti theologi eruditie, JUpffiêMy orthodoxia aspergatur. De sabbatho 
non usque quaque per omnia feliciter é§oXoy§7, Sed hoc habet cum pluribus 
commune''. Acquoy en Rogge, Arch, v. Neder l. kerkgesch., dl. IV, blz. 300. 
Voetius ging daarbij uit van den stelregel: «Maximum vanitatis et ventosae 
sAMi/a^ signum eet, nihil veile tanquam exemplar aut exemplum, etiam 
in sapientissimis et probissimis, aut in majoribus, aut praeceptoribus , aut 
amicis suis intueri et sibi proponere: quia scil. jam tritum est, aut saltem 
aliis etiam notum, aut non est novum ac singulare, aut a te primitus non 
inventum, non lactum. Nee tamen ab altera parte tam ductiles et stolidi 
imitatores quorumvis dictorum et factorum etiam a sapientibus et bonis 
immo optimis profectorum esse debemus, ut absque rationali examine de 
lis peremtorie statuamus aliquod edrr^ hwoiiia^: uti Pythagoi*ae discipuli de 
ipso, «6rdc 'é^'\ Dispp. select., tom. IV, p. 144. Vgl. tom. U, p. 164; m, 
p. 1112, 1113, 1254; V, p. 57. 



Digitized by VjOOQ IC 



THEOLOGISCHE STUDIËN. VERTEEK UIT LEIDEN. 111 

neerschrijven hunner albam-ontboezemingen veel gebruikt, 
in schier overmoedig klinkend proza, gelijk Voetius later 
opmerkte „een profetischen afecheidsgroet" ^). Moest hij 
eindelijk ook Bemardus Dwinglo*) en Josephus van 
der Bosieren uit den kring zgner dagelijksche omgeving 
missen, hun verlies werd dubbel vergoed door den 
hechten vriendschapsband, zoo binnen als buiten de muren 
van het Staten-collegie 0> gesloten met Johannes Cloppen- 
burch , zgn „alter ipse", gelijk hij hem naderhand placht 
te noemen*), en met Antonius Plancius*). Andere bur- 



Voet., PoliL eccles,y tom. ü, p. 45. — Wat Episcopius, onder genoemd 
motto, in het album van Voetius schreef, luidde aldus: »Nemo unquam 
qoidquam magnae frugi edet in ulla scientia, qui non eo aspirare audet, 
ut possit aliquando de praeceptore suo judicare. Nee facUe est currere 
homini, qui nimia religione pedes figit in vestigüs alterius, cujus potius 
dd)ebat celentatem et vigorem corporis optare et imitari, quam passus 
oomerare*'. 

«) Deie bood hem — zie Voet., PoliU eccles.^ tom. II, p. 47 — den ll^w» 
Jan. 1609, de volgende dichtregelen tot een aandenken: 
»Arrham favoris hanc tibi libens linquo 
Amice Voeti, nocte ne tegant coeca 
Ventura amorem secia mutuum nostrum, 
Sed nos loquatur mortuos anus charta, 
Magisque notescamus et magis semperi" 
>) Den iO^^ Juni 1607 als »Ck)ll. alumn.*' bij den rector magnificus in- 
geschreven , gingen Johannes Theodori Gloppenburgius en Antonius Plancius, 
kort na de zomervacantie van 1609, met goedkeuring der Amsterdamsche 
vroedschap, vrier gedenomineeitien zij waren — misschien wel ter porzake 
van Bertius' hand over hand toenemende onrechtzinnigheid — naar het 
schijnt, bij particulieren te Leiden inwonen. Brieven Stat-coll, II, 178. 
Vgl. daarmede 90 en 104. Zie ook hierboven, blz. 77 en blz. 98, aant. 2. 
*) Voet., Thers. heaui,^ p. 75. Vgl. Polii, eccles., tom. II, p. 757, waar 
Cloppenburch heet: »commilito et contubemalis in academia Leidensi ami- 
cissimua", of ook tom. III, p. 274, waar hij door hem genoemd wordt: 
>in studiis academicis Wó^x^''* ^S^- I>i»pp, select.^ tom. V, p. 133. 

s) Deze was een zoon van den Amsterdamschen predikant, en behoorde 
almede tot zijne »intimi". Voet., Dispp, select^ tom. I, p. 655 ; Polit eccles.^ 
tom. I, pars II, p. 415. — Als Voetius* vrienden uit het Staten-collegie staan 
bovendien nog te boek Gosuinus Buytendyck en Joannes Sneten. Zie Dispp, 
stlecL^ tom. V, p. 683, en Polit eccles.y tom. I, pars II, p. 140. Ook telde 
hij, ter Leidsche academie, onder zijne ^commilitones" Hermannus Folinus, 



Digitized by VjOOQ IC 



112 DERDE HOOFDSTUK. 

salen wederom wist Voetius uit de jongeren ^) tot zich 
te trekken en aan zich te verbinden , door gedurende 
zgn laatsten studietijd te Leiden op te treden als docent 
in de logica*). Begonnen met Keckermanns „Systema 
majus" te verklaren , repeteerde en examineerde Gisbertus 
later naar aanleiding van het behandelde , terwijl hg ook 
geregeld iedere week over een bepaald onderwerp liet 
disputeeren, of breedvoerig de theses besprak door som- 
migen gesteld en uitgewerkt. Een der beste discipelen 
op dat privaat-collie was ongetwijfeld Franck Pietersz. 
Burgersdyck % die, zéér met Voetius bevriend, naderhand 
in gelijken geest de philosophie onderwees zoo aan de 
academie van Saumur als aan Leidens universiteit*). 



later geneesheer in Den Bosch, en Leonardus Conincksbergen ; blijkens 
Thera, heauU, p. 284 en Polit ecclea.y torn. Il, p. 695. 

*) Voetius* jongere tijdgenooten , binnen de eigenlijke studentenwereld, 
waren o. a. de twee Heusdenaars, Valerius Adriani a Boeckhoven en Cor- 
nelius Blanckaert. Laatstgenoemde wordt, ten jare 1623, vermeld op de 
schepenrol zijner vaderstad. Zie van Oudenhoven, a. to., blz. 166. Ook stu- 
deerde er uit Heuoden in 1610 te Leiden nog een Joannes Blanckaert, 
die inwoonde bij den rector Fraudenius. Zie Volumen I inscriptionum Hve 
catalogus studiosorum academiae Leydensis^ 1575 — 1618, aanwezig in het 
senaats-archief. Beiden, Gornelius en Joannes, waren zoons van den dros- 
saert Nicolaus. 

3) »Po8tea annis provectior, aliis collegia logica turn didactica, turn 
piuctica, turn disputantium aperui'*. Voet., PoliL eceles.y tom. II, p. 756. 
Vgl. hierboven, blz. 52, aant. 6, alsook bijlage XXXV. Volgens Ëceenius, 
Orat fun,j p. 13, trad Voetius als privaatdocent in de logica op »quo ma- 
gis novitios ab erroribus Arminianorum praesei*varet". Naar het mij voor- 
komt, kunnen ook geldelijke omstandigheden daartoe aanldding gegeven 
hebben. Zie bijlage LVI. 

») Brieven Stat-coll.^ II, 179. 

*) »Hic (n. Fr. Burgersd.) in albo amicorum , quod noster (n. Voetius) 
habebat, nomine suo inscripto, praeceptoris elogio eum honoravit; sed 
noster, ad dedinandam invidiam, aliquanto post id expunxit". Essenius, 
OraU fun,j p. 13. Vgl. daarmede Voetius* eigen getuigenis: «Philosophus 
Burgersdicius amicus cum viveret, mihi perquam charus^ et meus olim in 
collegio logico practico, et disputatorio disdpulus". Dispp, select^ tom. IV, 
p. 287. Vgl. p. 259 en tom. V, p. 126. 



Digitized by VjOOQ IC 



THEOLOGISCHE STUDIËN. VERTREK UIT LEIDEN. 113 

Door verschillende professoren wegens zijne meer dan 
gewone dialectische bekwaamheid bg herhaling aange- 
zocht om in de wijsb^eerte te doctoreeren, onder be- 
lofte hunnerzgds, dat de voorwaarden tot die promotie 
zoo onkostbaar mogel^k zouden gemaakt worden, wei- 
gerde nochtans Gisbertus elke uitnoodiging van dien aard 
op te volgen *). Zijne gedachten werden ingenomen door 
geheel andere dingen. Het Staten-coU^e , waarbinnen 
hg vroeger als alumnus had verblijf gehouden of, niet 
zeer waarschijnlijk, nog voortdurend vertoefde, begon 
naar zgne schatting hoe langer hoe beslister te gelgken 
op ,een kuyle Josephs", nadat de regent Bertius in 
eigen persoon met ruim veertig geestverwanten den 
14den Januari 1610 te Gouda was bijeengekomen, om er 
heimelijk te beraadslagen, wat na Arminius' dood diens 
aanhangers te doen stond. Weldra bleek de bekende 
^Remonstrantie" , met haar vigf artikelen Oldenbamevelt 
overgereikt , doch bestemd voor de Staten , van genoemde 
samenspreking de vrucht te zgn*). 

Omstreeks denzelfden tgd verscheen — weder met op- 
dracht aan 's lands regeering — het „Tractaet van t' ampt 
ende authoriteyt eener hoogher christelycke overheydt in 
kerckelycke saecken", gesteld door Johannes Wtenbo- 
gaert*), onder wiens voorzitterschap ook „de ligue" der 
doleerende Arminianen te Gouda gesloten werd. Beide 
gebeurtenissen veroorzaakten groote opschudding binnen 



') Essenius, Orat fun,^ p. i3, 14. Zie voorts Acta acad, L,B.^ cod. VIII, 
foL 48 — 50, passim »de ratione et modo qui tenebitur in promotionibos 
alamnorum Collegii*'. Vgl. Hand, v. cur., 1 Maart 1598. 

«) Zie Rogge, Wtenbogaert, dl. Il, blz. 20—26. 

^ Resol, Holl, 16 Febr. en 20 Dec 1610. Later, hoogleeraar te 
Utrecht, schreef Voetius tegen dat »Tractaet" een drietal disputaties, in 
1640 vertaald uitgekomen onder den titel: Grondige ende pertinente ver- 
klaringe over de vrage unen de kerckelijcke macht toekomt* Vgl. PoliU 
eccles.^ torn. I, pars I, p. 129, en Rogge, Wtenbogaert, dl. II, blz. 26—35. 

8 



Digitized by VjOOQ IC 



114 DERDE HOOFDSTUK. 

het kamp der Gomaiisten; voornamelijk, wijl kort daarna 
een schrijven volgde, door de staten van Holland en 
West-Friesland gericht zoowel tot de classikale verga- 
deringen in die gewesten als tot curatoren der Leidsche 
academie, met verzoek aan laatstgenoemden : professoren 
en studenten ^te willen insinueren, dat een yegelijck 
hem sal onthouden van voort aen in eeniger manieren 
in druck ofte geschrifte yet uyt te geven opt ampt der 
overigheyt, in kerckelycke saecken, opte predestinatie 
ende de poincten daer van dependerende , op peyne van 
als wederhorige gestraft te worden" *). En juist had Voetius 
zich aangegord, om onder den „venerandus praeceptor" 
eene zeer actueele disputatie te verdedigen, getiteld: „De 
cognitione et natura Dei", waarin hij ijverig dacht te 
velde te trekken tegen tal van onrechtzinnige meeningen 
door de beide Socini en, op hun voetspoor, ook door 
Conradus Vorstius voorgestaan •). Ten gevolge van der 
Staten i,missive", moest dat plan echter onuitgevoerd 
blgven ; jammer genoeg , wijl — naar het hem toescheen — 
confessie en catechismus te Leiden groot gevaar liepen, 
allereerst binnen het Collegium theologicum. 

O&choon de Staten in een vertrouwelijk schrgven van 
16 Februari 1610 Bertdus hadden aangemaand, zich der 



ï) Hand, v. cur., 24 Maart 4610. Vgl. Acta acad. L. B., cod. IX, fol.1; 
Resol, Holl, 44 en 23 Maart 1640. Zie ook Voet., Polit eccles,, tom. I., 
pars n, p. 474, 475: »Qua arte et intentione haec prohibitio tune facta, 
odorari üeu^Ie poterant, quotquot polypo non laborabant*'. 

*) »Po6tremo cnrriculi academici anno collatis ac consuHis aliis theologis 
qui in manibus erant, conscriptionem disputationis de cognitione et natura 
Dei, contra Socinianas et Vorstianas opiniones, sub praesidio d. Cromari 
defendendam, moliebar", Dispp. select, tom. V, p. 458. Vgl. Essenius, 
Orat, fun.y p. 13, wiens bericht eenigszins anders luidt: »Paraverat 
(n. Voetius) etiam disputationem theologicam de notis ecclesiae contra Pon tifi- 
cios; itemque alteram de Deo ad versus Conr. Vorstium; et praesidium cl. 
Gomari rogaverat, sed hoc non impetrayit per motus academicos istius 
temporis". 



Digitized by VjOOQ IC 



THB0L00I8CHS STUDIËN. VSKTRK UIT LEIDEN. 115 

bursalen «respect ende obedientie'' te verzekeren door 
«goede modestie ende leven**; waartoe zeker veel zou 
bgdragen» dat hg hen met geene i^nieuwe questien** bezig 
hield ^)y noch hun toestond zich te verdiepen «in eenige 
carieusheyt der differentiale poincten , die onder de theo- 
loganten al te vehement (Gkxlt betert) gedisputeert wer- 
den"*) — zoo scheen evenwel hunne vingerwijzing op 
den regent weinig of geen indruk gemaakt te hebben. 
Immers liet Berüus, naar hij den Edel Mogenden ant- 
woordde, geene gel^enheid ongebruikt^ om, wanneer 14j 
in het Collie bij eene bijbellezing de Schrift verklaarde 
of aldaar de geloo&belgdenis en den catechismus behan- 
delde, zgnen discipelen te leeren: «dat Godt de Heere 
alle menschen wel wil zalich hebben ; dat het bloet Jesu 
Chnsti ons reinicht van alle onse zonden; dat tgeloove 
ons moet toegerekent werden ter gerechtigheyt" , terwijl 
hg, aan den anderen kant, hen voorging met beslist te 
ontkennen : «dat Godt almachtich van eewichejrt t meeste 
deel der menschen zonder aensien van zonde ter.verdoe- 
menisse zoude hebben geordineert , ende zeer weinige ter 
zalicheyt ; dat Jesus Christus alleen gestorven is voor die 
alzoo uytvercoren z|jn, ende dat de zonden van dese 
menschen , hoe groot ende swaer dat ze oock zgn , moeten 
vergeven werden; dat Godt door een onwederstaenlycke 
cracht dese alleen treckt, willende dat d'ander verloren 
gaen" '). Hierbg kwam bovendien — iets , wat Voetius 



>) Brieven Stat-coll, U, 185. Vgl. ResoL HolL, 15 Febr. 1610. 

*) LBatstgemelde woorden komen voor in eene aanschriJTing, door de 
staten yan Holland en West-Friesland tot de bursalen gericht. Zie Brieven 
Stat-coü,, n, 186. 

s) Bertius moet blijkbaar gerekend hebben op der Staten onkunde in 
dogmaticis, om, met het oog op *t hierboven aangehaalde, den Mog. HH. 
te durven verzekeren: «Dit is in rechter eenvuldicheyt de verdaringe van 
alle myne subtyiheden, ende dit zijn de nieuvre wegen, die my ver- 



Digitized by VjOOQ IC 



116 DERDE HOOFDSTUK. 

later betuigde even lichtvaardig als ongepast te vinden ') - 
dat, kort na de zomervacantie van 1610, te Leiden 
steelswijze een boek van hand tot hand ging, met Ber- 
tius^ naam als schrgver op den veel vertoon makenden, 
uitdagenden titel: ,Hymenaeus desertor"*), waarin toe- 
stemmend door hem werden beantwoord „twee vra^h- 
stucken van den afval der heylighen", namelijk: of de 
rechtvaardige zgne rechtvaardigheid verliezen kan, en of 
hij, in dat geval, ware rechtvaardigheid heeft bezeten? 
Terwgl zulke dingen ongestraft plaats grepen, achtte 
Gomarus zich verplicht den regent van het , mede aan zgn 
opzicht toevertrouwde, Staten-coUegie hoog ernstig te ge- 
moet te voeren: i,Gheeft uwe leerlingen gheen oorsaecke 
van meyneedicheydt , wetende dat sy alle ghesworen 
hebben, in onse tegenwoordicheydt , dat sy geen andere 
leere en sullen volgen, dan die in d'universiteyt geleert 
wordt , dat is , de gemeyne leere der confessie ende cate- 
chismus" ^). Maar ook dier universiteit zelve dreigde een 
kwaad , hetwelk den hoogleeraar en zgne geestverwanten 
ten zeerste verontrustte. Sinds den 19don October 1609 — 



dacht maken in leere ende leven. Dit zijn de questien , die ick ter gelegent- 
hejt vande texten der schrifture mijne discipuien afvrage , conform de leere 
des catechismi". Brieven Stat.-colL, II, i86a. Zie verder hijlage LVII. 

«) Voet, Dispp. Relect., torn. ffl, p. 774. Vgl. Polit eccles.y tom. II, p. 71. 

*) P. Bertius, Hymenaeus desertor sive de sanctorum apostasia proble- 
mata duo, 1 An fieri possit ut justua deserat justitiam suam 9 2 An quae 
deseritur fuerit vera justüia? Lugd. Bat., 4601 (dat moet zijn: 1610). 
Eene Nederduitsche vertaling daarvan zag o.a. in 1613 het licht, getiteld: 
Hymenaeus desertor. Ofte: twee vroeg h-stucken ^ van den afval der heyli- 
ghen. Het eerste^ of het oock moghelijck zy dat een rechtveerdighe zyne 
rechtveerdigheydt verlate? Het tweede^ of de rechtveerdigheydt y die ver- 
laten wordt y een ware rechtveerdigheydt zy gheweest? Beschreven in La- 
tijnscher sprake: door Petrus Bertius ^ regent in het Collegie der godheydt 
tot Leyden, Ende nu overgheset in onse Nederduytsche tale, Ghedruckt 
(zonder naam van plaats en van drukker) in 1613. Ziedr. Knuttel, a.tü., dl. 
I, st. I, blz. 385. Vgl. ook bijlage LVIH. 

») Gromarus, Proeiw, blz. 34. 



Digitized by VjOOQ IC 



THEOLOGISCHE 8TUD1EN. VERTREK UIT LEIDEN. 117 

toen na Trelcatius junior Arminios was gestorven — 
had bet godgeleerd onderwijs aan Leidens hoogeschool 
ten tweeden male*) uitsluitend op Gomarus' schouders 
gerost. Van onderscheiden kant waren er reeds hu en 
dan personen genoemd, om in die leemte te voorzien*). 
Op aanbeveling van Jobannes Wtenbogaert zocbten cu- 
ratoren en burgemeesters een der beide vacante leerstoelen 
te doen bezetten door Conradus Vorstius*), destijds ge- 
plaatst aan bet academiscb gymnasium van Steinfort; 
waarna de andere katheder zou worden ingenomen door 
den Haagachen ho^rediker zelven, ook al rekende h^ 
zich weinig geschikt een dergelijk ambt te bekleeden *). 
Doch — en dit gaf bg Wtenbogaerts toestemming den 
doorslag — zoodoende werd voortgezet de „forme van theo- 
logie sulcx als die bij d. Arminius saligher begonst was'' *)• 
Beden genoeg voor de t^enpartg om «dese beroepinge 



*) De eerste maal was dit het geval geweest na den dood, in 1602, van 
Lucas Trelcatios senior en Franciscus Junius, beiden toen aan de pest 
overleden. 

*) Te weten: Bertius, diens zwager Hommius, Gorvinus en anderen. 

•) Vgl. het opstel van dr. Rogge: »Het beroep van Vorstius tot hoog- 
leeraar te Leiden" in de Gids, i873, dl. II, biz. 34—70; 499—559. 

»Men mocht hier teghen doen watmen wilde — schrijft Baudartius, a. tü., 
boek n, blz. 386 — Wtenbogaerts haene was coninck, hij over-crayde alle 
de andere''. 

*) Onder de bezwaren door Wtenbogaert opgeworpen tegen zijn aanne- 
men Tan het professoraat, komt voor: »dat hij niet en was gewent latijn 
te spreecken 't weldi nogtans gerequireert wort bij de studenten wiens 
ooren soo geheel delicaat sijn, ende voor al dat hij sig in soo lange jaeren niet 
en hadde geoeCTent in disputationibus twelck het prindpaelste was vande 
voorsdireve profeasie, — behalven veel andere oorsaecken die hem souden 
mogen deterreren om in dese periculose ende knibbelige tijden sodanigen 
last aen te vaerden, daer toe bij de schouderen niet en hadde om te dra- 
gen". Hand, v. cur., il Maart 1640. Vgl. met die zelicritiek het oor- 
deel, kort en krachtige door Yoetius over Wtenbogaert geveld: »Joh. 
Wttenbogardns theologus vaAimu^fpoc ^ éêoXtryutéhêpoQ". Polit. eccles., torn, 
n, p. 341. Zie ook Thera. heaut, p. 78. 

») Hand. v. eur., 40 Juli 1610. 



Digitized by VjOOQ IC 



118 DERDE HOOFDSTUK. 

seer heftig te contremineeren" ^). Gomarus , door curatoren 
gevraagd j,eens ter goeder trouwen ende met een besadigt 
gemoet te willen verclaren, wat redenen hy hadde tot 
misgenoegen in de beroepinge Vorstii", aarzelde niet te be- 
tuigen, dat het, b^ overkomst van dien als atheïst ge- 
brandmerkten «doctor ignorantiae" *), onmogelijk missen 
kon , of Leidens universiteit werd door ieder „gedecrieert" ; 
want „hoewel d. Arminius sijn gevoelen hadde, soo was 
hy nogtans een Sant te rekenen by desen" '). Niet gun- 
stiger luidde de verwachting, gekoesterd omtrent den 
Steinfortschen professor door het meerendeel der studenten 
in de theologie. Had men acht jaren vroeger binnen 
dien kring zich „seer genegen" betoond, Arminius voor 
den opgevallen leerstoel te winnen*), nu daarentegen 
werd door sommigen geen middel onbeproefd gelaten, 
om, zoo mogelgk, zgn geestverwant uit de academische 
gehoorzEial te weren. Bij dat pogen onderscheidde zich 
volgens Voetius voornamelijk zijn studiegenoot Easpar 
Wiltens ^). Op het punt , door de classis van Amsterdam 
als predikant ten dienste der Oost-Indische compagnie 
te worden uitgezonden, besteedde Wiltens den laatsten 
tgd van zijn verblgf te Leiden aan het opstellen van een 
request, dat, door acht daartoe aangewezen theologanten 
goedgekeurd en vervolgens door ruim vijftig hunner 
onderteekend •), op den 3den October 1610 bij HH. cura- 
toren werd ingediend, met verzoek het ter hand te 



1) Zie bijlage LIX. 

2) Dien naam hadden, naar het schijnt, reeds sommige studenten aan 
Vorstius gegeven. Hand. v, cur.y 30 Sept. tot 2 Oct. 1640. 

») Hand. v. cur., 30 Sept. tot 2 Oct. 4610. 

*) Hand. v. cur., 9 Nov. 1602. 

>) Gekarakteriseerd door hem als »egregie doctus et pro aetate prudens". 
Voet., Polit. eccles.^ torn. II, p. 65. Vgl. Dispp. select.^ tom. III, p. 815. 

*) »'t Ghetal vande ghene die tot de overleveringe van dit ghe-hanteyckent 
hebben, is gheweest ontrent de vijf oft ses-en-vijftich , te weten, alle 



Digitized by VjOOQ IC 



TH£0IX)6ISCHE STUDIËN. VERTEEK UIT LEIDEN. 119 

willen stellen aan de gedeputeerde staten van Holland 
en West-Friesland. 

O&choon in hun adres ten volle erkennende , dat zij 
Yorstius „altijdt hadden hooren vernoemen als een per* 
soon van groote geleertheyt", met wiens gaven ,seer 
veel" winst voor hen viel te doen, lieten zij nochtans 
»ter andere zyden" niet onopgemerkt »hoe sy hadden 
verstaen, ten deele uyt het getuygenisse van de theolo- 
gische faculteyt der universiteyt tot Heydelberg, ten 
deele uyt het oordeelen van verscheydene treflFelijcke, 
geleerde , ervarene ende godsalige mannen , ten deele oock 
uyt het lesen van sijn schriften *) : dat de selfde d. Vors- 
tius in verscheydene, ende dat seer gewichtige articulen 
is verschillende vande leere die in onse Gereformeerde 
kercken, so hier te lande als elders, eendrachtelijck uyt 
Gods heylig woort, geleert ende ghepredict werdt". Uit 
dien hoofde ^remonstreerden ende suppliceerden sy met 
alle ootmoedigheyt , dat doch het beroep van d. Conradus 
Vorstius gheenen voortganck hebben" en hg over hen 
,als meester, leeraer ende professoor niet en mochte 
worden gestabilieert" *). Zonder dat Voetius in zgn bericht 

die ghene (thien ofte twaelf partialen uytgeeondert) die de lessen der 
professoren inde godtheyt te dier tijt hoorden, sonder daer toe te nemen 
die tot het gehoor der selver noch niet ghecomen waren". Aldus bericht 
het woord »tot den leser", dat aan het later in druk verschenen request 
voorafgaat. Volgens Baudartius, a. tv., boek II, blz. 38&, werd dit verzoek- 
schrift door de studenten aan curatoren overhandigd »op dat sy gheen on- 
suyvere meick wt syn (Vorstius) vergiftichde borsten suygen en souden". 

') Reeds enkele maanden vóór het overleveren van hun request, had 
zeker theologisch student te Leiden uit Vorstius' geschrift De natura ei 
cUtributis Dei een register opgemaakt »van verscheyden vreemde en onghe- 
hoorde opinien". Naderhand gewaagt Voetius van nomnia Gonr. Vorstii 
tbeomachica", in zijne Polit eccles.^ tom. U, p. 76. Vgl. Dispp., select^ tom. 
V, p. 67, 247. 

") Zie Requeste vande studenten in de h. theologie , ghelevert inde handen 
van mijne EE. heeren^ de heeren curateuren van de universiteyt tot Leyden^ 
den derden Octob, a** 1610, ende den sesthienden des selfden maents inden 

Digitized by VjOOQ IC 



120 DERDE HOOFDSTUK. 

omtrent Wiltens zulks ultdrukkelgk vermeldt, heeft hij 
toch buiten eenigen twijfel genoemd request mede onder- 
teekend ') , en dit te eerder, wijl hem niet onbekend zal 
gebleven zgn , hoe de regent van het Staten-coUegie, door 
zijn optreden ') in dezelfde curatoren- vergadering, waarin 
ook Gomarus gehoord was , alle krachten had aangewend, 
om de verzorgers der Leidsche hoogeschool te overreden 
«dat sij sig niet en wilden laten affkeren , van sodanigen 
nuttelycken instrument voorde universiteyt totte professie 
der theologien te beroepen^^ ^. Dienaangaande kon Bertius 
gerust wezen. Niet alleen toch reisden curatoren spoedig 
daarop naar Den Haag, om er persoonlijk Vorstius' zaak 
te bepleiten bg Oldenbamevelt en de Gecommitteerde 
Baden *) ; welke laatsten — naar den Steinfortschen hoog- 

Hage aende H.H, mijnheeren de gedeputeerde staten van Hollant ende West- 
Vrieslandt , aengaende de heroepinghe C, Vorstii , enz. (z. n. v. pi. en v. dr.), 
anno 1611. Het oorspronkelijk ingediende Terzoekschrift , voorzien met de 
handteekening van 56 studenten, schijnt verloren, blijkt althans niet aan- 
wezig in het archief der Leidsche curatoren. Evenmin wordt het gevonden 
op het rijksarchief te *s-Gravenhage , of op het stedelqk archief te Leiden. 

1) In overeenstemming met wat Voetiüs verklaart, Dispp. select^ tom.V, 
p. 90, »in me, quem theologum orthodoxum ipse agnoscit, quique advei*sus 
Vorstü éêofmx^ adhuc in academia Leidensi studiosus juxta cum aliis 
hoifföxot^ pro viribus invigilavi". 

>) Bertius verscheen daar, te gelijk met zijne partijgenooten prof. Goddaeus 
en de predikanten Adr. Borrius en Isaacus Johannis. Laatstgemelde vfas 
»kerckendienaer tot Noortwyck'*. 

') Hand. v. cur., 30 Sept. tot 2 Oct. 1610. Bovendien had Bertius, vóór 
het begin der zomervacantie , aan Vorstius een particulieren brief gezonden , 
waarin hij o. a. schreef: »Quum ad vos publico nominediscederetlectissimus 
Dei servus d. Joannes Uytenbogardus , non potui non private etiam instinctu 
meo aliquid per ipeum ad te dare Utterarum, quo et negotium publicum 
meae apud te voluntatis teetificatione commendarem, et rogarem simul, ut 
post excessum incomparabilis viri d. Jacobi Arminii in ista scholae ecclesiaeque 
oonstitutione tuam nobis operam non denegares". Dat. Lugd. Bat., 16Julii, 
anno 1610. Proest, ac erud. viror. epist, p. 256. 

^) Beiden waren, naar Voetius meende, volstrekt niet bij machte over 
het Vorstiaansch geschil te oordeelen. Wat Oldenbamevelt betrof, getuigde 
hij naderhand: »Ne dicam, Nestora eorum, yece talem in negotiis higus 
saeculi, sed bis puerum fïiisse in controversiis tune agitatis", terwijl van 

Digitized by VjOOQ IC 



THSOJiOGISCHE STUDIËN. YEETREK UIT LEIDEN. 121 

leeraar verzekerd werd — »wel middel souden connen 
yinden om de wrevelaers te coherceren" ; maar binnen 
Leiden ten^gekeerd, ontboden die «voedsterheeren" ook 
voor hun rechterstoel een vijftal, nog niet tot ,mensa 
prima" bevorderde en dus nog niet in de theologie stu- 
deerende bursalen ^\ ten einde dezen ernstig onder het 
oog te brengen 9 hoe verkeerd zg hadden gehandeld met 
zich t^en Vorstius' „beroepinghe" te verzetten en daartoe 
het, 16 October j. L, bij Gedeputeerde Staten ingediende 
adres ,te hantteyckenen". Vermaand, om oprecht leed- 
wezen over die daad te betuigen, althans haar als niet 
gebeurd te beschouwen, bleven twéé der vijf kwee- 
kelingen beslist weigeren aan het verlangen van HH. 
curatoren te voldoen, ^seggende , dat sg in haer conscientie 
niet conden bevinden dat sg qualic gedaen hadden" , het- 
geen weldra aanleiding gaf tot beider ontslag uit het 
Staten-coll^e *). 

Onder zulke omstandigheden, die als het ware een 
voorspel leverden van hetgeen straks , op meer uitgebreide 
schaal, zou plaats grijpen binnen de vaderlandsche kerk. 



de Staten door hem verklaaixl werd: «OrdinesHollandiae, maximam partem 
tune idiotas (d. w. z. personen , die geene academische opleiding hadden genoten), 
minimam literatos; omnee tarnen in quaestionibus Vorstianis et Sodnianis 
de Deo, ejusqne attributis, de persona et satisfactione Christi, etcimprimis 
in effugüs, tergiversationibus, cothumis, homonymüs circa statum con- 
troversonim inficialem, nee perspicaces, nee exercitatos*'. Polit eccles.y lom. 
n, p. 6i en tom. I, pars E, p. 551. Vgl. Tfiera, heaut, p. 82. Zie echter 
ook Polü, eccles.^ tom. III, p. 195. 

O Te weten: Joannes Michaeiis, Joannes Sneten, Samuel Platevoet, 
Samuel Ampsinck en Gilbertus Nieuwenhuyzen. Hand, v, cur,, 8 en 9Nov. 
1610. Oyer de verhouding van Voetius tot Samuel Ampsingius, zie Polü, 
eccles., tom. UI, p. 928, 929. 

^ Hand. v. cur.y 8 en 9 Nov. 1610. Vgl. daarmede het woord »tot den 
leeer" in het gedrukte request. De ontslagen alumnen waren Platevoet en 
Nienwenhuyaen. Een paar maanden later werden »den regent Petro Bertio 
om eenige eztraordinarise diensten mede toegevoegt hondert twintig gulden". 
Hand. v, cur,, 8—12 Febr. 1611. Zie ook bijlage LX. 



Digitized by VjOOQ IC 



122 BBKDE HOOFDSTUK*. 

kon het niet anders, of Voetius zag, ten jare 1611, met 
bl^dschap bet oogenblik aanbreken , dat zijne academische 
studiën voltooid mochten heeten. Reeds was het dcD 
door hem zoo hooggeschatten Gomarus raadzaam voor- 
gekomen, zich een beroep te laten welgevallen naar de 
illustre school, die in Middelburg stond te worden op- 
gericht *), ?^1 Leidens theologische faculteit gevaar liep, 
als plaatsvervangers van Trelcatius jr. en Arminius geen 
^zuivere professoren" te krijgen, en had deze daaruit 
aanleiding genomen, om, bij zjjn afecheid van de stu- 
denten, openlijk te verklaren: »dat Vorstii beroepinge 
ende compste alhier die eenige oorzaacke was van sgn 
vertreck" *). 

Toen nu laatstgenoemde omstreeks de paaschvacantie 
binnen Leiden vertoefde, ten einde met HH. curatoren 
en burgemeesters de voorwaarden te bespreken ter aan- 
neming van het professoraat aldaar, 2^de ook Gis- 
bertus Voetius, na een zevenjarig verblijf*), Hollands 



1) Zie over die »8cbola illustris'* van Middelburg : dr. H. U. Ruyper, o. w^ 
dl. I, blz. 580—590. Vgl. dr. J. D. de Lind van Wijngaarden, AnUmius 
Walaeus, Leiden, 1891, blz. 31, aant. 1. 

s) Hand. v. cur., 23 April 1611. Ook Wtenbogaert schreef, reeds 18 
Febr. 1611, ait Den Haag aan Vorstius: «Ipse (n. Gomarus) qni suis biHbas 
harum turbarum autbor merito haberi queat, jam aperte apud curatorss 
protestatus est, se abiturum si tu veneris. Et ut videas rem serio agi, 
aedes suas, quas habebat Leidae percommodas, affixo ad fores prograramate 
publico venum exposuit, et tandem vendidit**. Proest ac erud. viror, epist., 
p. 272. Vgl. daarmede »de missive** door Ellardus van Mehen, predikant 
te Harderwijk, den 22>teii Februari 1611 gezonden »aende vergaderinge 
tot Amsterdam*', v?aarin hij deze aanspoort »op middelen bedacht te sijn 
om d.d. Gomaro sijne swaericheeden te benemen, daer hy andOTs mochte 
bewoghen worden, om te vertrecken**. Acta deput Zuid-Holl. (de Oud 
Synod. archief, III, 31, B). 

*) >Ego, qni integro septennio in academia illa (n. Leidensi) snbstiti*'. 
Voet., PoliU eccles.j tom. III, p. 246. Te oordeelen naar zijn verlangen, 
kenbaar gemaakt aan Heuadens magistraat (zie hierachter, b^lage XLVHI), 
heeft Voetius nog eerder dan bij dacht de academie verlaten. Bleef Gisbertus, 
ook na het gebeui*de in Maart 1609, kweekeling van het Staten-coUegie — 



Digitized by VjOOQ IC 



THEOLOGISCHE STUDIËN. VERTREK ÜIT LEIDEN. }23 

boogeschool vaarwel ') , voorzien van een zéér loffelijk 
getuigschrift, hem juist bjjtijds *) door Gomarus nog ver» 
strekt*). Half April 1611 was hg terug in zijne vader* 
stad — «ygeouffent*) ende bequaem gemaect ten dienste 
der kercken , t'sy omme daer inne de eenicheyt der aen- 
genomen christelijcke leere te behouden , mit vermydinge 
yan alle schadelijcke scheuringen, t'sy om de dolingen 



wat ik evenwel niet waarschijnlijk reken — dan is zijn verblijf aldaar, op 
Terzoek der Heusdensche vroedschap, door Gecommitteerde Raden boven 
den gestelden «zesjarigen termijn" met nog een jaar verlengd geworden, 
overeenkomstig het bepaalde in Ordonn.^ 1595. dl. ïï, art. 8, 9. Diezelfde 
verlenging van studietijd werd o. a. ook bevnlligd aan Voetius' medebursalen 
Gerardos Velsius, Joannes Allendorpius en Marcus Notheius. Brieven Stat.- 
coll, II, 82, 180, 296. Vgl. Resol Holl, 16 Mei 1608. 

') Het ontslag, dat de bursaal bij IIH. staten op de gebruikelijke wijze 
moest aanvragen — zie Ordonn.^ 1595, dl. Il, art. 6 — werd niet enkel 
achtervolgd door de vergunning, om het Collegium theologicum te ver- 
laten, maar Gecommitteerde Raden deden hunne toestemming meestal ook 
vergezeld gaan van eene ^vereeringhe**, in den regel ten bedi'age van 30 gld. 
Brieüen Stat-colL, I, 258 en n, 146. Vgl. ResoL Holl, 1 Nov. 1606 
oü 15 Jan. 1607. Aan Voetius echter is die som, ook bij een mogelijk 
vertrek »uit het Staten-collegie", ongetwijfeld niet ter hand gesteld , conform 
het door curatoren genomen besluit: »datmen geen van allen (bursalen), 
die sigh met de voors. teijckeninghe (van het request tegen Vorstius) ge- 
moeijt hebben en sal laten volgen eenige extraordinarise vereeringe". 
Hand. v. cur., 8 en 9 Nov. 1610. Vgl. bijlage LX. 

') Voetius had van 7 tot 10 Maart 1611 bij Gomarus nog college ge- 
houden, zie Dispp. select, tom. V, p. 683. 

*) Essenius, Orat. fun,, p. 14. »Divisa autem &cu1tate theologica cum 
Gomarus et Arminius aliquamdiu eandem constituerent — schreef later 
Voetius in zijne Polit, eccles., tom. II, p. 68 — aperti orthodoxi a Gomaro 
protectionem , commendationero , testimonium petebant*'. Na zelf van den 
Leidschen senaat , op daartoe gedaan verzoek , een behoorlijk getuigschrift 
ontvangen te hebben , aanvaardde Gomarus den 28*^>^ Mei 1611 zijn profes- 
soraat met het houden eener inaugureele rede in de koorkerk te Middel- 
burg. Acta acad. L, B., cod. IX, fol. 3, 4. Vgl. dr. U. H. Kuyper, a. tv., blz. 
583; Crenius, o. /., pars Xm, Lugd. Bat., 1705, p. 141. 

^) Deze woorden zijn ontleend aan de rede, vraarmede Jan van Hout als 
stadssecretaris het Staten-collegie inleidde , alvorens »af te lesen ende uyt 
te roupen de acte nppende de fondatie ende stichtinge van het Collegium 
theologie". Zie Innel, ende aenv, vant Coll d. theoL, bk. 18, 19. Vgl. daar- 
mede Solenn, inaug., p. 21, alsook Bor, a. ti;., boek XXIX, fol. 346 en 35a. 



Digitized by VjOOQ IC 



124 DERDE HOOFDSTUK. 

die uijt eygen nieusgierige bewegentheyden voortcomen , 
of deur t'heymelijc innesluypen, ende door biechtsche 
inneblaesingen van papen off monicken , ende sonderlinge 
van des Boomschen Antecbrists vleydende ende pluym- 
strijckende misbruijckers vanden goddelijcken name Jesus, 
veroorsaect werden, tydelijcke te connen tegengaen^'. 
Dier roeping getrouw, achtte Voetius tevens den emstigen 
en hoogen last vervuld, nedergelegd in de stichtingsacte 
van het Collegium theologicum. 



Digitized by VjOOQ IC 



VEERDE HOOFDSTUK. 



Terug in Hensden. Predikant te Tiymen. 

Uit Leiden wedergekeerd , hield Voetins voorloopig nog 
eenigen tgd yerblgf te Heosden j binnen welke stad niet 
weinig veranderd bleek, sinds hg haar ter wille zgner 
academische vorming verliet. 

Franco Odolphi, zijn vroegere leermeester en vaderlijke 
vriend , had , als rector, daar plaats gemaakt voor Abraha- 
mns Genius^). Bodenburch en diens opvolger, Halewgn*), 
de twee predikanten, in wier zuiver-Gereformeerde b^nse- 
len Gisbertus ten volle deelde , waren kort na elkander aan 
hunne gemeente ontvallen'); de eerste tegen het najaar 
van 1608, de laatste met den winter van 1609. Het 
duurde betrekkelgk lang, eer beider ambtgenoot, van 
Houweningen *) , door een nieuwen medebroeder Hale- 



*) Zie bijlage V en LVI. Vóór zijne aanstelling te Heosden was Genius 
»onder-rector ten huyse van sekere minister omtrent der stadt Leyden**. 
Oud-arch. Heusden, E. 211. Vgl. Resol. Holl., 2 Dec. 1604. Later »propo- 
neert'* hij, en wordt dan, 17 Mei 1615 te Arkel bevestigd, een classisbroe- 
der Tan Voetins. Hand. cl. Gafc, 8 Sept., 20 en 21 Oct. 1614. 

*) Van Maartensdijk werd Halewijn indertijd naar Heusden bei*oepen. Hand. 
cL Gore, 14, 15 en 29 Dec 1608. Vgl. Oud-arch. Heusden , E. 211 , als- 
mede hierboven , biz. 96 , aant. 4. 

^ Oud^trch. Heusden, E. 210, bijlage tot fol. 30 der gemeenterekening 
over 1608. 

^ Zie hierboven, blz. 31, 32. 

O 



Digitized by VjOOQ IC 



126 VIERDE HOOFDSTUK. 

w^ns ^vacante plaetse^^ zag innemen. Niet dat de kerke- 
raad weifelde bg zijne keus. Terstond beriep hij, met 
eenparige stemmen , Wynandus Schuylius, ^dienaer des 
Goddelijcken woorts" te Scheveningen *)• Ofschoon »soo 
veel hem aenginck tot Heusden wel gesint", weigerde 
nochtans z^'ne classis Schuylius te „dimitteren", vooral 
toen ook de Haagsche magistraat „sich interponeerde voor 
die van Schevelingen" *) , die blijkbaar hun predikant in 
het geheel niet wilden missen. 

Aldus teleurgesteld , werd Heusdens gemeente voor het 
vervullen der vacature spoedig opnieuw aangezocht door 
Joannes Qrevius '), ^staende tot Heteren *) in Gelderlant." 
Had men dezen reeds vroeger vergund z|jne kanselgaven 
te doen hooren , daar hg was aanbevolen •) bij van Houwe- 
ningen en bij Maximiliaan de Homes, heer van Lokeren, 



1) Deductie van de proceduren der Remonstranten in de claase van 
Garinchem^ lol. i. Zie over dat geschrift hierachter, bijlage LXI. 

*) »T'welcke men meynt niet geschiet te zijn sonder beleyt ende ingeven 
van Joannes Uyttenbogaert , voorganger vande Arminiaensche factie'*; een 
vermoeden , dcior den samensteller van bovengenoemde Deductie veel geopperd, 
maar niet bewezen. Ongetwijfeld stond de later te Heusden beroepen predi- 
kant, Joannes Grevius, tot Wtenbogaert in zéér vriendschappelijke betr^- 
king; zie b^lage LXXII. Van zijn kant prees deze in Grevius »de open-her- 
ticheyt en de gemoet sonder galle'*, als »by een yder die hem kennen bekendt". 
Vgl. den door Wtenbogaert opgemaakten, met Episcopius en Grevinchoven 
onderteekenden Brief aende hoogh-mog. heeren Staten Generael over 
de sententie Joh. Chrevii ghebannen int ttichthuys f Amsterdam^ 1620, 
blz. 14. 

') Geboren omstreeks 1530 te Burik, tegenover Wezel »inden lande van 
Cleef*, waar nog in 1620 zijne oude moeder woonde, was Grevius — April, 
1606 — als proponent te Ueteren bevestigd, na een jaar vroeger, op den 
lO^en Mei, in Arnhem voor de eerste maal gepreekt te hebben. Brief sent 
Grevii^ blz. 14; Praest. ac erud. viror, epist.^ p. 629. 

*) Ueteren was toen gecombineerd met «Randtwijck". Kist en Royaards, 
Nederl. archief, dl. IV, bh. 13. 

'^) Dit geschiedde door den Bommelschen predikant Henricus Leo, die, 
zooals later bleek , het gevoelen van Arminius was toegedaan. Vgl. Kist en 
Royaards, Archief voor kerkelijke geschiedenis, inzonderheid van Neder- 
land, Leiden, 1836, dl. VU, blz. 241—243; 247. Medegecommitteerd 



Digitized by VjOOQ IC 



TEBÜO IN HBüSDEH. PREDIKANT TS VLIJMEN. 127 

commandant der grensvesting') — de voor het meeren- 
deel streng-Calvinistisch gezinde kerkeraad , die „den disci- 
pnlos ende commensalis doctoris Conradi Yorstii^' ') maar 
ten halve vertrouwde, had zich zei ven buiten twijfel ge- 
lukgewenscht, toen hij de GreeflF, na gehouden proef pre- 
dikatie, onverrichter zake had zien w^rekken »met een 
reijspenning voor zyn moeyten ende costen" *)• Nu echter 
zorgde Qrevius i,eenige recommandatie*^ mede te brengen 
van Johannes Fontanus*), j,achtende dat deses Fontanus 
gnnste hem voor al nodich ende dienstich soude zijn om 
de bergers, die alsdoen schrupuleus waren eenige pre- 
dicanten die vande nieuwe opinien suspect mochten zijn 
in te laten, te contenteren ende alle mistrouwen te be- 
nemen". Daarenboven leverde hij bij de Homes i,een 
voorschrijven" in , hem verstrekt door zgne genade graaf 
Ernst van Nassau , gouverneur over Gelderland , ten ge- 
tot de nationale synode te Dordt, onderteekende Leo, 3 Juli 1619, de acte 
van stilstand. Zie A. J. iran der Aa, Biographisch woordenboek der Neder- 
landen^ Haarlem, 1865, in voce. 

I) De Homes was militie-gouverneur te Heusden van 1599 tot 1613. 
Van Oudenboven, Beschr. v. Ueusd., blz. 210. 

*) De groote gehechtheid van Grevius aan Vorstius blijkt o. a. uit zijne 
brieven aan dezen gericht. Proest. <tc erud, viror. epist, p. 530; 670, 671. 
Tegenwoordig bij diens sterven op den 9^^ Oct. 1622 te Tonningen, in 
het Uolst^nsche, schrijft de GreefT daarover aan Johannes Narsius, ook 
een geestverwant van Vorstius, aldus: »Vix effari possum quantum a£Qigat 
animom meum tanti viri, tanti amici, jactura. O diem vere luctuosum, qui 
enm nobk afastuliti" LL, p. 684. 

') Grevionelf schatte die moeile en kosten niet gering »a]s wesende het 
int bankte vande wijnter, dat hy hem in Huesden hadde laten vinden'*. 
Oud-areh. Heusden y E. 211, bijlage tot fol. 48 der gemeenterekening 
over 1610. 

*) Johannes Fontanus v^as predikant te Arnhem en even ijverig Grerefor- 
meerd als zijn latere schoonzoon, EUardus van Mehen (zie hierboven, blz. 
122, aant. 2). De samensteller der Deductie herinnert er aan, hoe Grevius 
«eertijts op een (xeldersche synode tot Aemhem seer spijtich ende bitter Fon- 
taaum hadde doorgestreecken , overmits Fontanus die Nimmeegsche predi- 
canten gewaenchout hadde dat Grevius met de opinien Vorstii ende Arminii 
vras ingenomen". 



Digitized by VjOOQIC 



128 VIBRDB HOOFDSTUK. 

volge waarvan deze zich tot den kerkeraad wendde met 
verzoek y ditmaal toch den Heterschen prediker te willen 
beroepen y onder betuiging zijnerzijds: persoonlijk borg te 
blijven voor diens ^suyverheijt der leere"; verklarende 
»op zgn edeldom, dat Grevius de opinien Arminii niet 
toegedaen was" O, noch dat door hem «eenige onraste 
ofte swarichegt inde gemeynte soude ontstaen". 

Hoewel kerkeraad *) en magistraat met den drost Blanc- 
kaert nog een wijle ^diflficulteerden" •), kon niettemin 

>) Toch had Grevius, 14 Januati 1610, te Gouda reeds deelgenomen aan 
de beraadslaging zijner partijgenooten , na het overlijden van Arminius. 
Vgl. dr. Rogge, Wtenbogaert^ dl. II, blz. 21, aant 2. Als gevestigd pre- 
diker te Heusden werd naderhand op eene kerkeraadsvergadenug onbewim- 
peld door hem erkend »dat hij met de Remonstranten geteeckent hadde, 
eer hy tot Heusden beroepen ofb gecommen was**. Daarop doelende schreef 
later Voetius: »Siet, hoe dat sijn beroep niet verhindert werde, maer 
voortganck hadde als hij alles beloofde ende placebo speelde**. Actenboeck 
vanden kerckenraet^ over de jai*en 1617 tot 1621; berustende in het archief 
der Hervormde gemeente te Heusden; vgl. bijlage XCIX. 

*) Omtrent den Heusdenschen kerkeraad, die Grevius »seer ongheeme*' 
tot tweeden predikant beriep, merkt Trigland op — Kerck. gesch,^ blz. 
806a — hoe de broederen aldus handelden ^met recht, vermits dat loo- 
pen, dat ambiëren ende onderkruypen van een beroepinghe, met gi*oote 
reden den kercken behoort suspect te wesen**. 

') De ouderling Jacob Jacobsz. Croes, in wiens gezin Voetius eertijds 
was uitbesteed geworden — zie hierboven, blz. 23 — en de diaken Dirk 
Goossens van der Horden, schoonzoon van eerstgenoemde, als in 1604 ge- 
huwd zijnde met »Aeltje Jacob Croes dochter**, bleven het langst onwillig 
»om t*seive beroep te teeckenen**. Van der Horden liet zich eindelijk daar- 
toe bewegen »door heftige instantie ende intercessie Nicolai Houweninghii**, 
terwijl Croes onwrikbaar volhardde bij zijne weigering. Opdat echter de 
beroepsbrief zou schijnen »sijne volle onderteeckeninge des geheelen kercken- 
raedts, bestaende uyt acht personen, te hebben, ende sonder schrupule off 
swaricheyt inde classe mogen vertoont werden**, wist men een der oud- 
ouderlingen over te halen om zijn naam te zetten op de plaats van Jacob 
Jacobsz. Dedtictiej fol. 2. Vgl. daarmede hierachter bijlage C, alsook 
de «depositie** afgelegd door Groossens en Croes, in dato 3 Juni 1618, 
voorhanden in de Brieven en papieren der klassis van Gorinchem (zie 
bijlage LVI), welke «Brieven en papieren** belangrijke aanteekeningen be- 
vatten omtrent de gebeurtenissen van dezen tijd. Jammer, dat enkele 
losse bladen, sterk door mot en vochtigheid aangetast, weldra geheel zullen 
verloren zijn. 



Digitized by VjOOQ IC 



TERÜO IN UEU8DEN. PRSDIKANT TE VLIJMEN. 129 

van Houweningeiiy 26 April 1610 , op de Gorcnmsche 
classis „de beropinge sijnes collegae d. Grevii" voorstellen , 
en tevens meêdeelen i,dat he albereits toe Heusden waere'* ^). 
Yeel minder haast dan de predikant uit Heteren maakte 
met zgne overkomst, betoonden de aanwezige broeders 
in het doen van onderzoek naar diens ^^testimonia doc- 
trinae ac vitae'\ Immers vond men goed ^dat de sake 
Orevii sonde wtgestelt worden tot op de naeste classicael 
vergaederinge" ; welke vergadering wederom afliep, zon- 
der dat er sprake van was geweest bovenvermelde ge- 
tuigschriften te toetsen'). Eerst in de samenkomst van 
11 Augustus 1610 werd Johannes de Greeflf— ,,naedathij 
den catechismum met de confessie, neerstelgck van hem te 
vooren tot dien eijnde doorleesen sijnde , hadde onderteij- 
ckent»), ende voorts oock, met handtregckinge aen den 
praesidem d. Gideonem Sonneveldium •) , belooft sich te 
onthouden van alle nieuwicheden ofte altijt deselvige 
eerst tijts met den broederen des classis te communiceeren , 
sonder die ofte bedectelijck ofte openbaerlijck te divulgee- 
ren" — onder goedkeuring van gedeputeerden der Zuid- 



<) Te Heteren werd Grevius vervangen door Gerardus Velsius, den vroe- 
geren medebursaal van Voetins, die, zéér Arminiaanschgezind , zich door 
de provinciale synode te Leiden in 1619 zag gedeporteerd. Rist en Royaards, 
Archief, dl. VÜ, biz. 58. 

^ Hand. cl. Gtyrc,, 17 Mei 1610. In de vergadering van 21 Juni 1610 
vertoonde Grevius zijne «testimonia" der classis van Nijmegen. Toen men 
echter bevond , dat die stukken hem vaaren verstrekt «aleer h j hadde het 
beroup van Heusden; dat hj oock nijet en hadde eenich getuychnisse syner 
dimissye nochte van syne vorige gemeynte, ofte magisti'aet aldaer; nochte 
oock vande classe", oordeelden de broeders, dat Grevius uit een later tijd- 
perk getuigschriden diende in te leveren, zou hij istichtelyck ende orden- 
telyck tot een membrum classis werden aengenomen'*. 

i) In de Hand. cl. Gore, 11 Aug. 1610, volgt hier: »quo ad sensum non 
particularem hujus aut iilius novum, sed consuetum et communem ecdesia- 
rum Reformatarum in Belgio". 

4) Gedeon van Sonnevelt stond toen nog te Woudrichem. Naderhand 
beroepen te Delft, werd hij den 6^^ December 1618 aldaar bevestigd. 



Digitized by VjOOQ IC 



130 VIERDB HOOFDSTUK. 

Hollandsche synode , aangenomen j^tot eenen lieven ende 
weerden medebroeder ende als membrum classis gead- 
mitteert", op uitdrukkelyk daarbij gevoegde voorwaarde: 
i,daty soo hj bevonden wert andersins gedaen te hebben, 
hy sich gewillichlgck alsdan soude gesuspendeert houden 
van synen dienst"^). 

Aanvankelijk scheen het , alsof Grevins zijn woord , ge- 
geven op de classicale vergadering te Gorcum , ongeschon- 
den bewaren zou. Van 1610 tot 1615 met van Hou we- 
ningen arbeidende te midden der Heusdensche calvinisten, 
beijverde hg zich ^hem binnen te houden, sonder de 
Arminiaensche opinien ende disputen onder het volck te 
stroijen". Leverde soms de een of andere tekst, uitge- 
kozen voor de gemeenschappelgke godsdienstoefening, stof 



O Vgl. met die notulen der Grorcumsche classis het opgeteekende in de 
Deductie^ fol. 2. Wanneer, enkele jaren later, door den Heusdenschen 
kerkeraad aan Grevius herinnerd wordt: «dat Claes Pietersen van sijnent 
wegen bij de ed. magistraet alhier gelooft hadde ende als borge was ge- 
worden dat hij geen Arroiniaen was, dat oock sijne aenneminge in de 
acten des classis anders iuijde*' — antwoordt, volgens eene depositie, den 
29«t«n Mei 1618 opgesteld en namens bedoelden kerkeraad door Voetios, 
Tuelinck, J. van den Brouck' en Lambert Jarensz. onderteekend, de GreelT 
diiestweg: »Soo Claes Pietersen dat gedaen heeft, soo heeft hij qoalijck 
gedaen, hij wiste hoe ick gesint was. Ende, hebbe ick dat soo belooft 
ende soo gedaen in den classe, soo wederroep ick sulcks. Ofte oock soo 
mach het al vrij anders geschreven sijn als het gepasseert is, gelijck dat 
al meer in den classe is gebeurt, het sijn al mede menschen**. Briev, en 
pap. kl. Gorinchem, 

Tegen dit laatste strijdt wat staat vermeld. Hand. cl. Gorc^ 20 en 
21 Oct. 1614: »Nae dat dese classicalia alsoo verhandelt waren, heeft 
d. Grevius, praeses, het examen begonnen, ende de diie candidatos (Genius, 
Platevoet en Nachenius) ordentlyk af gevraecht de besonderste loei commu- 
nes theologiae. Hebben de candidati haer in den examine alsoo gedraegen, 
dat sy tot den kerckendienst van den classe opgenomen syn, doch ver- 
maent a praeside, dat sj haer doch neerstich willen oefifenen in het lesen 
der H. Schrift ende eenige goede autheuren, ende onderteyckenen de con- 
fessie ende catechismo , volgens de resolutie daer van genomen in den dassi 
ordinaiia tot Cuylenborch ende nu wederom communi suffragio ver- 
nieut". 



Digitized by VjOOQ IC 



TERUG IN HSU8DBN. PBEDIKAMT T£ VLIJMBN. 131 

in overvloed tot het openlijk bespreken der leerstellige 
geschilpunten, zoo roerde hij die met opzet niet aan, 
maar vergenoegde zich enkel, daaruit j,eenige generale 
ende morale vermaningen'^ afteleiden ^). Nog meer; wie 
hem in zgne pastorie kwamen opzoeken , ten einde i^eenich 
bescheet ofte verclaeringe van dese nieuwe opinien'^ te 
ontvangen, zagen hunne weetgierigheid bitter teleurge- 
steld; want de onder verdenking liggende predikant »di- 
verte^rde het propoost, pratende van yet anders, ofte 
s^de, dat het niet te beduyden en was; — dat de geleer- 
dai onder innecanderen jet disputeerden van eenigehoge 
ende subtile materien , die de gemegnte niet aen en gingen 
ende boven haer verstant was". Als liet zgne verzekering 
nog aan duidelgkheid te wenschen over , eindigde Grevius 
meestentijds het gesprek , met hen te vermanen »tot sim- 
pelhegt ende eenvoudichegt , jaes^gende, dat zg haer met 
haer ambacht souden moeyen ende gerust zgn" *). Tot goed 
vertrouwen in z^n persoon stemde daarenboven het feit, 
dat op 1 Augustus 1610^ in de Sint Catharijne kerk, de eer- 
ste afkondiging plaats vond van het voorgenomen huwel^k 
tusschen Johannes de Greeff en Josina van Bavensteyn, 
.weduwe van döctore Haluino Gothofredo , in syn leven 
mede dienaer des Goddelijcken woorts binnen Huesden"*). 



>) Met op die wijze te handelen, gedroeg zich Grevius overeenkomstig 
het door de Staten geresolveerde op 20 Mei 1611 , nog nader aangedrongen 
door hunne resumtie van 15 November deffzelfden jaars, waarbij o. a. werd 
bevolen »dat de praedicanten in hare praedicaüen van de gheoontroverteerde 
poincten soo soberlijck ende moderatelijck souden handelen, als tot meeste 
ruste, vrede, ende stichtinghe der gemeente dienen conde, sonder ter eenre 
ofte andere zyde hen te laten voorstaen ofte verluyden, den anderen 
daer inne overwonnen te hebben*'. 

«) Deductie, fol. 3. 

') Oud-arch, Heusden, J. I, 1 «Register van huwelijken en huwelijks- 
afkondigingen van 1590 tot 1639". Vgl. daarmede E. 217, bijlage tot fol. 
45 der gemeenterekening over 1622. . 



Digitized by VjOOQ IC 



132 VIERDE HOOFDSTUK. 

Ook buiten de wallen der frontierstadtrofVoetius, om- 
streeks Paschen van het jaar 1611 , öf geheel nieuwe óf 
grootendeels gew^zigde toestanden aan. In de eerste plaats: 
het veldwinnen der Reformatie rondom Heusden*). Nog 
kort te voren werd in de naastgelegen dorpen »de pau- 
selyke religie getolereert ende geêxerceert" •). Het stond 
den priesters — wien evenwel »den publyken dienst der 
misse" verboden was *) — volkomen vr^ op Zon- en heilig- 
dagen te prediken en zich naar »haere gewoonelykewyse" 
te gedragen bg »het doopen der kinderen, het ondertrou- 
wen en trouwen; mitsgaders het biechten der krancken 
ende de b^ravinge der dooden" *). Waar, ten gevolge der 
Hervormde bew^ng, geene i,ordinaere Paepsche pastoo- 
ren" langer «resideerden" *) , zochten velen zich zoo goed 
mogel^k te behelpen «met het lesen van het Sondags 
evangelie door voorlesers ende schoolmeesters, onder 



1) Toentertijd werden de dorpen nabij Ueusden gelegen verdeeld in de 
bo ven-dorpen: Engelen, Vlijmen, Onsenoort, Hedikhuizen, Herpt, Oad- 
Heusden, Biiardwijk met Den Ëlshout, en in de beneden-dorpen: Hees- 
been, Aalburg, Genderen, Doeveren met Gansoijen, Drongeten, Eethen, 
Meeuwen, Babyionienbroek met Hill, Veen en Wijk. Aldus luidt de opgave 
bij Jac van Oudenhoven, Beschrymnghe van het landt van Heusden, 
Amst, 1651, blz. 8. Vgl. echter C. R. Hermans, a.w,, dl. 1, blz. 289, en 
Resol HolL, 2 Mei 1617. 

>) T. w. in Meeuwen, Drongelen, Eaardwijk, Vlijmen, Engelen, Herpt en 
Hedikhuizen. Zie Ypeij en Dermout, a.w,^ dl. H^ blz. 121. Vgl. ook Voet., 
Polit, eccles,^ tom. I, para H, p. 486. 

^ Kerkelijk archief der Herv. gemeente te Vlijmen^ n®. 17a, fol. 1. 

^) Gemelde bijzonderheden werden eertijds opgeteekend door Nic. Voetius 
— zie hierboven, blz. 106, aant. 2 — en onder den titel »Het begin ende 
oorsprongh der Gereformeerde gemeynte in den lande van Heusden en de 
aangelegene heerlijkheden** opgenomen in Eist en Moll, Kerkhist, arch^ 
dl. I, blz. 301—315. Vgl. dr. R. Fruin, De wederopluiking van het Kor 
tholicisme in Noord-Nederland^ omstreeks den aanvang der XVII^ eeuto, 
in «de Gids*', 1894, dl. I, blz. 268. 

*) Namelijk te Heesbeen , Doeveren , Genderen , Eethen , Babylonienbroek, 
Veen, Wijk en Aalburg. Zie Ypeij en Dermout, a. tp., dl. H, bh. 121; 
Kist en MoU, a.w., dl. I, blz. 302. 



Digitized by VjOOQ IC 



TIBÜO IN HEUSDEN. PREDIKANT TE VLIJMEN. 133 

dewelcke ook sommige formeele predicatien deden , die 
onordentelyk haer selven daer toe promoveerden, sonder 
consent en believen van de kerckmeesters ende reenten 
des dorps" *)• Ook gebeurde het dikwerf dat oefenaars en 
predikanten, wier hulp men om hunne geringe gaven 
elders niet had b^eerd , of die wegens slecht levensge- 
drag uit hunne betrekking waren ontslagen geworden, 
bij dergelijke herderlooze gemeenten zich indrongen, en 
.op den predickstoel geclommen t^en de ordeninge der 
kercke", aldaar bleven arbeiden, tot z^, door een kerke- 
Igk of burgelijk vonnis getroffen , hunne plaats moesten 
ruimen >). 

Aanvankelijk in vereeniging met zijn ambtsbroeder, 
Bodenburch ') , en , na diens overlijden , geheel alleen op- 
tredende, had van Houweningen, daartoe door de classis 



1) Reeds de Gorcumsche dassisvergadering van 26 April 1604 klaagt «dat 
inden dorpe van Veen nocb geduldet wert een Paep de welcke daer alomme 
▼eel schade doet**; terwijl op die van 23 April 1607 o. a. besloten wordt 
»dat den monick tot Wijck die den clansem bedrogen heeft, ende sich 
draecht als een openbaer Papist sal ontboden worden voor den droesaert 
van Hueeden ende de dienaeren des evangelii aldaer ende vermaent synen 
dienst die hij sich onderwint int lesen ende manier van prediken tot Wijck 
▼oors. te verlaten ofte bj weijgeringe van dien dat de auctoritejt vande 
ed. heeren Staten tot weyringe van hem sal worden versocht**. 

*) Dat was bij voorbeeld het geval met Johannes Vonckius te Babylonien- 
broek, voormalig predikant van Hazerswoude »ende om een groot schandael 
door de classe van Leyden van synen dienst afgeset**. Rist en Mol], a. w., dl. 
I, blx. 302. Vgl. Hand, cl. Gore, 25 Mei 1609, en de Dordtsche kerkorde 
van 4578, art. 9, in De kercken-ordeninghen der ghere formeerder Neder- 
landtscher kercken^ in de vier nationalen synoden ghemaeckt ende ghe- 
arresteert: mitsgaders eenighe anderen in den provincialen synoden van 
Hollandt ende Zeelandt gheconcipieert ende besloten: waer by noch ande- 
ren^ in bysondere vergadering hen goet ghevonden^ by ghevoeght zijn, 
Delft, 1612. 

') Hand, cl. Gore, 20 Sept 1604. Vgl. daarmede die van 18 Juni en 
2 Aug. 1604, alsook de Acta deput Zuid-HolL, in dato 4 Maart 1598 en de 
Acta synodi particularis Zuid-Hollandiae (zie »Oud Synod. archief*', ÜI, 
20, I), in dato 10 Aug. 1604, art. 25. 



Digitized by VjOOQ IC 



134 YISRDE HOOFDSTUK. 

gemachtigd) b^ Heusdens gouverneur ^ drost en magistraat 
weten te bewerken, dat, onder toezicht van den kerke- 
raad, »vyff dorpen in den selven lande met predicanten 
souden worden voorsyen; namelyck twee boven Heusden; 
Herp, ende Baertwyck; ende beneden drye als Eeten, 
Wyck, ende Babylonienbrouck" *), welk plan — i,gheremon- 
streert" bij hunne Edel Mogenden door gedeputeerden 
der Zuid-HoUandsche synode — »een goede uytcomste 
sorteerde, dewyle men verstout dat daer hongher was 
naer de suyvere leere'**). Dienovereenkomstig meenden 
straks enkele leden de vergaidering te moeten aansporen, 
„om te arbeyden datte Papen vanden HoUantschen bodem 
ende met naemen wtde dorpen onder het resort deses 
classis schuylende mochten geweert ende dat alomme 
godtsalige ende gequalificeerde predikanten inderselve 
plaetse mochten ingestelt werden"'). Na ook van hun 
kant gehoord te hebben het rapport der Gecommitteerde 
Raden „nopende 't stuck van de pastorye-goederen in de 
dorpen slands van Huesden , mitsgaders van de kercken- 
dienaeren die aldaer geraemt waren nodigh te wesen'\ 
ordonneerden de staten van Holland en West-Friesland 
„aen de classe van Gomichem te worden geschreven, onmie 
te despecieren eenighe bequame persoonen die met hoope 
van goede vrucht de kercken aldaer te bouwen souden 
mogen bevolen worden"*). 

ï) Hand. cL Gore,, 18 April 1605. 

2) Hand, cl. Gore, 9 Aug. 1605. Zie voorts van Oudenhoven , Landt v. 
Heusd, blz. 30, 31. Vgl. Acta syn. part. Z.-H, in dato 30 Aug. 1605, 
art. 21; 8 Aug. 1606, art. 14; 14 Aug. 1607, art.11 enl40ct.l608, art.5. 

*) Hand. cl Gore, 11 Mei 1609. Vgl. dr. Fruin, De toederopluiking ^ 
enz., blz. 18—22. 

*) Resol. Holl., 7 Dec. 1609. Vgl. die van 24 Aug. en 23 Oct. 1609. — 
Een enkele maal ook werd door de gemeente zelve aan Gorcums classis 
gevraagd, haar »een kerckendienaer*', den Hervormden beginselen toegedaan, 
te willen beschikken. Zie bierachter, bijlage LXII. 



Digitized by VjOOQ IC 



TERUG IN HSU8DBN. PREDIKANT TE YLUMSN. 135 

Door de broeders werd terstond naar den geest der Sta- 
tai gehandeld. Eon er wegens „de ongelegentheyt des tyds^' 
— het was winterdag; men schreef 11 Januari 1610 — 
geen voltallige vergadering samenkomen , dit belette echter 
niet, dat wie j,extraordinarie'' tegenwoordig waren elkan- 
der yopenynge'' deden omtrent enkele „soo predicanten 
BiB proponenten^', die zij bekwaam rekenden de nieuwe 
gemeenten ,inet stichtynge'' te dienen; een werk, waar- 
aan natuurlek eigenaardige moeilgkheden verbonden 
waren. Voorts besloot men, daar de dorpen onder Heus- 
den geene voegzame pastorieën hadden, en hunne bevol- 
king , „door d'inwateringe bedorven zijnde" ^ , ook weinig 
middelen bezat ter voorziening in dat gemis, om aan 
heeren Gecommitteerde Baden te vragen, of de Staten 
hen voorloopig van die zorg wilden ontlasten, door »op 
eenige plaetsen nieuwe wooninge te doen optimmeren; 
op andere plaetsen , die gewoenelijcke huijshuijre voor den 
tgdt van een |jaer ofte twee den predicanten volgen te 
laten , tot dat die dorpen daemae sel&i voor die behuij- 
singe mochten sorge dragen; ende daer die wooninge rebel 
waren, dat sg verbetert souden worden". 

Alsnu ontvingen Veen , Babyloniénbroek met Hill , Wijk 
met Aalburg en Hedikhuizen met Herpt vereenigd , ieder 
hun Gereformeerden „kerckendyenaer", respectievelijk in 
den persoon van Comelius Sinapius (Mostert), David du 
Piere, Jacobus Snoeck en Josephus van der Rosieren*). 

^ »AnDo 1610. den 2. Februari us voor den dagenraedt, brack den dijck 
tot Hedickhuysen door, ende twee uren daer nae den dijck tot Vlymen". 
Van Oudenhoven, Landt v. Heusd,, blz. 32. Vgl. Resol. ffo2^, 7Sept.i6ii. 

*) «Sullen gegeeven worden requesten (libelli supplices pro Heusdanb) 
aen de ed. mog. hh. Staten om ordonnantie van verscbeenen gagie te im- 
petreren voor de dienaers inden lande van Heusden. Naem. voor Gornelio 
Sinapio, Josepbo vander Rosieren, Jacobo Snoeck, David du Pyre*'. Hand. 
cl Gore, ii Aug. 1610. Vgl. die van 11 Jan., 1 Febr., 26 April, 17 Mei 
en 21 Juni deszelfilen jaars. Zie voorts Kist en Moll , a. to., dl. I, blz. 306, 307. 

Digitized by VjOOQ IC 



136 VIERDE HOOFDSTUK. 

Zoo kon thans Gisbertus^ dicht in zijne nabuurschap, den 
oud-bursaal weer ontmoeten ^ die binnen het Staten-coll^e 
mede zijne eerste schreden eens had geleid^). 

Niet tevreden met de kennis, verkregen aan Leidens 
hoogeschool, gaf Voetius, schier onmiddell^k na zijne 
terugkomst , zich bgzonder veel moeite , om van Heusdens 
magistraat de noodige gelden te bekomen voor eene we- 
tenschappelijke reis buiten 's lands ^). Tot de steden , waar 
hij, bij inwilliging zijner aanvrage, korter of langer 
dacht te toeven, behoorden in Duitschland: Heidelberg 
en Herbom; in Zwitserland: Bazel, Zurich en Qenève; 
in Frankrijk: Saumur en Sedan; in Engeland: Londen, 
Oxford en Gambridge. En dit om hunne academiën en 
musea, hunne godgeleerde professoren en bibliotheken, 
hunne merkwaardige oudheden en beroemde kerkel^ke 
personen'). De stadsregeering evenwel bleef vrij koel 
tegenover zijn vurig verlangen, gedachtig misschien aan 
hetgeen er vroeger met hem was gebeurd binnen het 
Collegium theologicum •)• Als «apostille" op het ingediende 
request , ontving hij aanvankel^k een bescheid , dat zijne 
hoop geheel ^frustreerde" *). 

*) Vgl. hierboven, blz. 49. 

^) Essenius, Orat, fun.y p. 15. Zoo ontvangt in later dagen, op voor- 
spraak van Voetius, Heusdens bursaal, Johannes Sylvius »reijsende naer 
Vranckryck, ende Engelandt, omme syne studiën te voltrecken, op hope 
dat deselve sullen strecken ten dyenste van Godes kercke ende syne ge- 
meente**, daartoe, voor twee jaren, van de stedelijke regeering eene jaar- 
lijksche subsidie, groot 250 gld. Oud-arch, Hetisderiy £. 68, fol. 40 verso 
der gemeenterekening over 1629. 

3) Kbt en Moll, a. ta., dl. I, blz. 309. — »TheoIogus peregrinatur, ut 
ampliorem solidae eruditionis ac pietatis thesaururo sibi comparet**, schrei 
Voetius in zijne BibL stud, theol, p. 224. Zie ook p. 225, 226. Vgl. PoUU 
eccles.^ torn. II, p. 772 — 774, en Auctie'Catal.^ part. II, misc. in oct, 
n^. 187: »De arte peregrinandi , et de regimine iter agentium Hilarii , Pyrck- 
mair, Turleri, et Gratioli. Item Tordanae quaestiones*'. 

*) Zie hierboven, blz. 91—96. 

^ Het in den tekst meegedeelde is ontleend aan enkele ^notities", door 



Digitized by VjOOQ IC 



TBBÜO IN HEUSDSN. PREDIKANT TE TLIJMSN. 137 

Was de teleurstelling groot, toch drukte zij den gewe- 
zen alumnus minder neer dan te wachten viel. Zijjne ge- 
zondheid namelgk liet voor het oogenblik te wenschen 
over*). Volgens het oordeel der geneesheeren ontbrak het 
hem aan genoegzame lichaamsbeweging , waarom h^ , een 
paar maanden lang, les nam in het schermen bij zekeren 
franschman la Fontaine ^). Gelukkig belette die ongesteld- 
heid Voetius niet „in het land van Heusden voor d^een 
ende d'ander te predicken**; wat aan de Qorcumsche clas- 
sis uitnemend te stade kwam in een tijd, dat van Hou- 
wemngen en Grevius , gesteund door hun kerkeraad , alle 
moeite deden om „de vacerende plaetsen met dienaeren 
te voorsien** *). 

Tot die plaatsen behoorde ook Vimmen. Wonende „op 
de uytterste frontieren" *) , in de onmiddellflke nab^heid 
van „het Nederlantsche Bomen , dat is 's Hertogenbosch'^ 
bleek de bevolking van genoemd dorp niet zeer her- 
vormingsgezind ^) , voorgegaan als zij was door Nico- 
laus Havens „conventuael van het clooster te Bern"*), 



Voeüaszelf »nae sijn beste onthout in schrifle gestel t'\ . op twee halve 
folio bladen, bewaard bij de Brieven en papieren der kUtssis van Gorinchem, 
in het vervolg hier vermeld als: Gisb. Voet, Aant. N*. I. 

1) »In sijn jonge jaren was hjr niet sterck, en sorotjds met groote 
kranekheid besocht*'. Zie Comelis Gentman, Allon Bachuth, of Lyck- 
predikatie^ over de dood van den hoog-beroemden heere (xisbertus Voetius, 
Utrecht, 1677, bk. 22. 

«) Essenios, Orat. fun,, p. 15. Vgl. Voet., Bibl. stud. theoL, p. 401. 
Genoemde schermmeester was tevens pachter van de waag; Oud-^rch. 
Heusden, E. 63, fol. 2 verso. 

>) Gisb. Voet, Aant. N<». I. Vgl. Kist en Moll, a.w., dl. I, biz. 309. 

^ »In vico Vlijmen eztremo Hollandiae, et agro Sylvaeducensi conter- 
mino"; Voet, Polit. eccles,, tom. I, pars II, p. 350. 

*) Er is zel& — «ie Kerkl, arch. Vlijmen, 17a, fol. 2 — sprake van 
een vhertneckich wederstrevelen der inwoonderen tot Vlymen tegens de 
nijvere leere des h. evangelü**. 

<) »Bj Hoosden, ter plaetse genaemt Beme, heeft gelegen de abdye van 
Boiie, van de ordre der Premonstrejten". Van Oudenhoven, Landt v, Heusd.j 



Digitized by VjOOQ IC 



138 VIERDE HO0PD8TOK. 

die geene gelegenheid ongebruikt gelaten had „om te 
roepen tegen de Reformatie'\ Nog »in syn laetste ser- 
moen'* had h^ met nadruk zijne getrouwen vermaand » 
„dat sij haer zouden wachten van dese nieuwe predican- 
ten ende haere leere, jae dat sij die niet hooren en sou- 
den op pene van de euwige verdoemenisse'* ^). Juist daarom 
wenschte de classis van Qorcum „geen ordinaris predi- 
kant" noch proponent, maar „een meer als gemeyn ge- 
leerde , bequame ende ervaren kerckendienaer" in Vlijmen 
aangesteld te zien*). Tegen den zomer van 1610 werd 
door haar met Heusdens gouverneur en drossaard het 
plan gevormd: Hermannus Bergejus, „die er de eerste 
Gereformeerde predicatie gedaen hadde", uit Kuilenburg 
derwaarts te beroepen; terwijl men — „om dit te beter 
te eflfectueren" — ook gezamenlijk „voor dese plaetse een 
grooter tractement, als op andere dorpen, by de heeren 
Staten soude solliciteren" *). Toen nochtans het een zoo- 
min als het ander „succedeerde" *) , zagen zich de broeders 
zelf genoopt tot het late najaar „elck haere beurte in 
het prediken aldaer waer te nemen" *). Van deze verplich- 

blz. 28—30. Vgl. Kist en Moll, a,w., dl. I, blz. 305, 306, alsmede Reaol. 
Holl, 24 Aug. 1609; 24 Ang. en 25 Sept. 1641; 1642, passim. 

>) Kerkl, arch. Vimmen, 17a, fol. 1, 2. 

2) Kist en MoU, a.to., dl. I, blz. 308, 309. Omdat er te Vlijmen nog 
geen kerkeraad bestond , moest »de beroepinghe by de classe'* geschieden , 
volgens art. 5 der Haagsche kerkorde van 1586. Zie daarvan ook art. 36. 

s) Kist en Moll, a.w,, dl. I. blz. 308. 

4) Na Bergejus bedankte nog voor Vlijmen: Georgius Freijlingius »ge- 
vyresene kerckendienaer binnen Naerden**, terwijl Theodorïcus Petri «gewesen 
dienaer des Godtlicken woorts in Sujderwolde**, door Ruardos Acrooius 
der classis van Gorcum aanbevolen »8oe van vregen syne outhejt, ende 
lange bedieninge inde gemeente Ghristi, als oock van vregen sjne godtsae- 
Hcheyt ende geleertheyt'\ daar ter plaatse wel op beroep preekte, maar 
niet weixl begeerd, overmits »de ingesetene tot Vlymen haer stieten aen 
syn spraecke, dat die wat te hooch was'*. Hand. cL Gore,, 20 Sept. en 
18 Oct. 1610. 

*) Hand. cl. Gore, 21 Juni, 26 Juli en 11 Aug. 1610. 



Digitized by VjOOQ IC 



TBRUO IN HBD8DSK. PKBDIKANT T£ VLIJMEN. 139 

ting werden zij eene korte poos ontslagen, doordien de 
Hornes en Blanckaert „het niet stichtelick en conden 
bevinden, dat het dorp van Vlijmen op soedanige manire 
byden winter tyt soude bedient werden , als inden classe 
ordinair binnen Vianen beslooten was" ^). Nadat genoemde 
autoriteiten de zaak met enkele predikanten, door van 
Houweningen tot eene samenkomst in Heusden uitgenoo- 
digd , voorloopig besproken hadden , wisten zgne collega's 
Grevins over te halen , om „voor eenen seeckeren tyt inde 
dienst der kercke tot Vimmen te continueren", onder „so- 
lemnele" belofte , hem gedaan „dat hy te Paeschen soude 
ontslaegen werden, hetsy dat Vlgmen met een eygen 
kerckendienaer soude voorsien wesen ofte niet". 

Nauwemks was dit besluit op eene buitengewone ver- 
gadering der classis „metten anderen praesenten broede- 
ren gecommuniceert ende door deselve geapprobeert", of 
Heusdens jongste predikant vertrok naar Vlijmen en be- 
gon „zyne residentie binnen den dorpe te nemen" ^). Het 
natuurlgk gevolg van Grevius' pastorale werkzaamheid 
alhier was, dat zgn invloed te midden der zich nog steeds 
vormende gemeente met eiken dag toenam. Niet beter 
meende hij daarvan gebruik te kunnen maken, dan door 
de aandacht der voornaamste dorpelingen te vestigen op 
iemand , dien hfl alleszins geschikt rekende om „tot Vly- 
men gevoordert te werden". Teruggekeerd „inde ordina- 



>) Daar toch was bepaald, dat de twee Ueusdensche predikanten »den 
roa^it Getob, haer souden laeten gebruycken, ende dat daer nae die tot 
Gorcuro (t. w. Petrus Leewius en Jodocus Geisteranus) den maent \an 
Novemb. den dienst yan VI j men souden waememen, waer op dat volgen 
souden de dienaeren tot Gujrlenborg (nam. Bergejus en Adam Billichius) 
Yoor den maent van December*'; evenwel altijd onder conditie »dat haere 
kerckenraden tselve souden gelieven intewilligen'*. Hand. cL Gore, 20 
Sept. i6i0. Vgl. hiermede die van 4—5 Oct. 1610. 

*) Hand. cl. Gore,, 4—5 Oct 4610. Vgl. Kerkl. arch. Vlijmen , 17a, 
fol. 2. 



Digitized by VjOOQ IC 



140 VIEBDB HOOFDSTUK. 

rischen dienst synder kercke*\ vertoonde Grevius aan de 
classis te Qorcum ,eene sekere forme van beroup, gestelt 
byden schoutet ende gemeyne nabueren') van Vlymen, 
met approbatye vanden eersamen kerckenraet tot Heus- 
den, opden persone van Samuel de Prince*), student 
der h. theologie tot Leyden", waarbij zy den broeders 
verzochten , dat hun deze »tot een ordinarischen kercken- 
dyenaer" zou gegeven worden *). Aanstonds besloot de ver- 
gadering gemelden student „nomine classis" uit te noodigen 
den 9^«" Mei 1611 voor haar te verschenen, ^medebrengende 
testimonia doctrinae et vitae vand. pro£Gomaro 
ende Festo Hommio" *) , terwijl hij zich bovendien zou heb- 
ben voor te bereiden op het verklaren van Apoc. 18 vs. 4. 
Ten bestemden dage leverde Samuel de Prince, overeen- 
komstig den ontvangen last, zijne ^getuychnisse" in, die 
door de broeders met meer dan gewone omzichtigheid*) 
werden gekeurd , en in orde bevonden. Wat „de propo- 
sitye hem opgeleyt" betrof, daaraan hadden zij slechts 



1) In Vlijmen was toen schout: Gillis Jansen van Herle, burgemeester: 
Aart Lambertsen, schepen en heilige-geestmeester: Michiel Geerlincks, 
kerkvoogd: Lambert Jansen Heesbeen. Gisb. Voet, Aant, N*. I. Vgl. KerkL 
arch. Vlijmen^ 47a, fol. 38. 

2) De reeds meermalen aangehaalde Deductie^ fol. 3, zegt van dien 
Samuel de Prince, dat hij »eertijts in sijn leven sich heel qualick gedragen 
hadde". 

«) Hand, cl Gorc.y 12 April 1611. Waarschijnlijk heeft Grevius met zijn 
Heusdenschen collega en kerkeraad tot die vsekere forme van beroup" 
krachtiger de hand geleend dan Vlijmens schout met de »gemejne nabue- 
ren**; althans wij lezen: »De predicanten arbeyden daerentusschen de 
vacerende plaetsen te voorsien, gelijck Drongelensis tot Veen, Prindus tot 
Vlijmen, tegen de welcke die van Vlijmen haer van eersten aen oppoeeer- 
den, alhoewel Grevius hem de beroepinge toeseijde". Giah, Voet A(tnt 
N'. I. Vgl. Deductie, fol. 3. 

*) Hommius moest als Leidsch predikant aan de Prince diens kerkelijke 
attestatie doen toekomen; Gomarus stond juist gereed naar Middelbmng te 
vertrekken. Vgl. hierboven, blz. 123, aant. 3. 

^) Naar het schijnt, waren Gomarus en Hommius niet of slecht op de 
hoogte van de Prince*s gedrag, zooals later blijken zal. 



Digitized by VjOOQ IC 



TEEÜG IN HBÜ8DEN. PREDIKANT TB VLIJMEN. 141 

,een matelyck vergenougen". Bleef dus de Prince al voor 
Vlijmen ^gerecommandeert", zoo wilde men nochtans eerst 
van een en ander verslag uitbrengen »om vorder tot stich- 
tinge der kercken te handelen"*)- 

Middelerwijl was door Qomarus den heer van Lokeren 
voor de nieuwe standplaats „hj missive aengewesen" 
Gisbertus Voetius^). Ook had deze, door Heusdens predi- 
kanten daartoe ten dringendste aangezocht, op den biddag ') 
van 15 Juni 1611 beider vacatuurbeurt te Vimmen waar- 
genomen*), met het verrassend gevolg, dat de aanzien- 
lijkste dorpsbewoners »na gedane predicatie, schriftelyke 
onderteeckeninge op syn persoon gedaen, hem gepresen- 
teert en daerby mondelyk gebeden hebben, hem selven desen 
dienst niet te willen onttrecken" *). Onder de vele rede- 
nen, welke hen noopten dat verzoek met allen nadruk 
te zijner kennis te brengen, noemden zg ^de gelegent- 
heyt en noodt derselve gemeynte; daer men nu lange 
mede geklottert hadde*), en dat by sulcken bedieninge 
door het gaen en komen der naburige ende andere pre- 
dikanten des classis, geen aanwas aldaer te verwachten 
stondt^; dat ook de gesamentlyke toehoorders tot syn 



«) HandL cl. Gore,, 9 Mei 1611. De Prince werd later predikant te 
Baardwijk en Elshout, nadat Andelius aldaar door toedoen van Grevius 
»de plaetse geroijmt hadde'*. Zoo luidt het in de Deductie, fol. 3, maar 
niet zonder partijdigheid. Aan van Andel hadden de Staten, wegens zijn 
hoogen ouderdom, reeds een pensioen van 300 gid. toegezegd; ook beval 
hijzelf de Prince als zijn opvolger bij de classis aan. Zie Hand, cl. Gore,, 
22 April en 23 Sept. 1613. 

2) Kist en Moll, a.w., dl. I, blz. 309. Vgl. Gisb. Voet. Aant, N^ I. 

«) Resol, Holl,, 29 Mei 1611. 

*) Toch had Voetius, naar hij verzekert, eerst »lange*' geweigerd in 
hun verzoek te treden. Gisb. Voet. Aant, N®. I. 

») Kist en Moll, a.w,, dl. I, blz. 309. Vgl. Hand, cl. Gore, 27 Juni 1611. 

«) Te weten: ongeveer een jaar tijds. Vgl. Hand. cl. Gore., 21 Juni 
1610; Kerkl. arch. Vlijmen, 17a, fol. 2. 

^ Zoo klaagden o. a. Blanckaert, in een schrijven aan de classis gericht, 

10 



Digitized by VjOOQ IC 



142 VIBRDE HOOFDSTUK. 

gaven en persoon gesint waeren" ^). Voetius , die juist 
een dag te voren door de gemeente van Aalburg was 
gepolst, of hij een beroep naar die plaats wilde opvolgen, 
als het haar zou gelukt zijn zich van de combinatie met 
Wflk los te maken, waartoe bg heeren Staten reeds 
sedert lang pogingen werden in het werk gesteld') — 
antwoordde aan Vlgmens notabelen »dat hy sulcks niet 
verwacht en hadde, ende syne intentie heel anders was; 
doch dat hy sich geheel soude gedragen aen den raedt 
ende het goetvinden des classis"'). 

Niet minder dan hem zelven trof dit onverwacht be- 
roep Heusdens predikanten en kerkeraad; ook strookte 
het allesbehalve met hunne plannen omtrent Samuel de 
Prince*). Vandaar dat Grevius — vooral toen „die van 
Vlymen haer t^gen de Prince opposeerden" — zich ter- 



en Vlijmens gecommitteerden mondelijk op de vergadering »dat den dienst 
aldaer des Sondaechs naer driemaels te luijden gevaceert hadde, ende dat 
niet sonder groote scandale". Hand. cL Gore, 18 Juli i61i. 

>) Kist en Moll, a.w., dl. I, blz. 309. 

^) In margine van het request der inwoners van Aalburg, ondersteund 
door de classis van Gorcum, plaatsten de Staten een weinig later deze 
alleszins gunstige apostiile: >Soo wanneer de habitatie voor eenen kei'cken- 
dienaer om bequameljck tot Aelburch te connen woonen sal weesen ge- 
maeckt, sal opde beroepinge van eenen spesialen kerckendienaer gelet ende 
gedaen worden na behooren. Actum in den Haghe den 12^» Septembris 
a^ i64i, ter ordonantie vande Gecommitteerde Raden, A. Duyck". Briev. 
en pap, kl, Gorinchem, vgl. Voet., Polit eccles,, torn. II, p. 614, 615. 

>) Kist en Moll, a.w., dl. I, blz. 309, 310. Vgl. echter, bijlage C. 4, 
de beschuldiging van afbedelarij en afpersing door de Greeff tegen Voetius 
ingebracht. Ook al was er veel onwaars in Grevius* aanklacht, geheel zui- 
ver mocht de zaak niet heeten. Voetiuszelf verhaalt : vDaerentusschen, alsoo 
sjr seyden eenige te Vlijmen waren, vreemdelingen, Josephum wel te be- 
geeren etc. — is mijn broeder door raet ende advys Sonneveldii ende 
Geisterani derwaerts gegaen, om aen te seggen, dat sij des morgens vrouch 
[beroep] souden doen". Gisb. Voet. Aant, N®. I. 

^) Ruim oene week vóór Voetius de hem opgedrongen vacatuurbeurten 
waarnam , had Grevius der classisvergadering aangediend »dat die van Vlie- 
men emstelijck versochten, dat het den classi believen mochte een beroep 
te stellen op Samuelem de Prince". Hem werd echter gelast »dat hij inde 



Digitized by VjOOQ IC 



TERUG IN HEUSDEN. PREDIKANT TE VLIJMEN. 143 

stond beijverde zulk een gevaarlijken mededinger „te di- 
verteren", door Voetius in vertrouwen te kennen te geven, 
dat enkele leden der vroedschap twee honderd gulden 
zouden bgeenbrengen ^) , waarmee zgn tocht naar het 
buitenland kon worden begonnen. Toen deze echter den 
stadssecretaris daarover aansprak, vernam hij uit mr. 
Lambert van Haeren, hoe slechts de helft dier som be- 
schikbaar was ; reden genoeg , om de studiereis vooreerst 
niet te aanvaarden 2). Zag Grevius alzoo zijn pogen ver- 
gdeld, nu zocht hij langs een anderen weg, geholpen 
door van Houweningen en Heusdens kerkeraad, zijn doel 
te bereiken. Aan de classis van Qorcum werd een schrij- 
ven gericht ^versoeckende dat Josephus vander Rosieren 
die van Vliemen tot een wettelijck ende ordinaris kercken- 
dienaer soude mogen worden toegevoecht" ') ; een maatregel , 



eerstcoinende extraordinare vergaderinge een schriflelijck consent soo vande 
lidtmaeten ofte nabueren tot Vliemen, als van den e. magistraet van Heus- 
den soude laeten blijcken". Hand, cl Gorc,^ 6 Juni 1611. 

>) Gisb. VoeL Aant N^. I. 

*) Zelfs toen naderhand sde predicanten haer uijtterste devoir hadden ge- 
daen, ende sonder Voetii weten ofte vei'soeck of willen beloopen, dat 
d'ordre op provisie van middelen tot sijn reijse noch eens soude hervat 
worden", zoodat de magistraat besloot »tot twee jaeren toe*' hem 300 gld. 
te beschikken — welke resolutie aan Voetius door Blanckaert werd bekend 
gemaakt, tervdjl hem tevens »optie soude gegeven worden om te reysenofle 
te bly ven" — luidde wederom zijn antwoord : »dat hij met die van de classe 
ende die van Vljmen niet conde spotten; maer soo het classis goed vondt 
ende hij behoorlijck uijt de handelinge tot VIjrmen gelicentieert wierde, 
dat hy dan in danck sulcx aennam, mits 1. dat sijne schulden tot Leijden, 
ontrent 200 gulden, eerst werden afbetaelt, anders soude niet konnen 
met eeren vertrecken; 2. dat hij seecker mochte sijn van missive ende 
yemant weten mochte door welcke hem het geit soude bestelt werden; 
alsoo niemant op hem dencken soude als hij soo verre waer, gelijck tot 
Leijden hij nu een jaer geseten hadde, etc". Crisb, Voet Aant N^. I; vgl. 
bijlage LVÏ. 

») Over van der Rosieren was indertijd, maar op andere wijze, door de 
claesis beschikt geworden. Immers, wij lezen: «Door dien de dorpen Eten 
ende Meuwen noch voor eerst niet en konden met eenen bequamen kercken- 
dienaer versorcht werden, ende d. Josephus seer wejnige toehoorders heeft 



Digitized by VjOOQ IC 



144 VIERDE HOOFDSTUK. 

die daarna aan Princius — wiens voorgenomen huwelijk 
anders „bedorven", en wiens persoon „genoechsaem ge- 
ruineert soude sijn" — het vacant gekomen Hedikhuizen 
met Herpt moest beschikken'). 

Gelukkig voor de goede verstandhouding tusschen Gis- 
bertus en Josephus , dat eerstgenoemde , bij wat hem ten 
opzichte van Vimmen te doen stond, het oordeel der 
classis had ingeroepen *). Dientengevolge was hg , naar het 
gebruik medebracht, begonnen') met »bg provisie" voor 
haar „te proponeren", en wel over Bom. 4. vs. 25. Hierin 
„een goet behaegen" scheppende, gafzij hem, om opnieuw 
te verklaren: „de woorden Christi Matth. 6. vs. 20", en 
hoopte dusdoende „te coemen tot syn examen praepara- 



in sjne plaetsen, naem. Hedickhujrsen ende Hei'pt, soo hebben de broederen 
goet gevonden om de meerdere stichtinge dat Josephus den dienst tot Eten 
ende Meuwen sall bj provisie waememen, oock mede dat hj in deselvige 
plaetsen sal praeferentie hebben voor andere". Hand, cL Gorc.y ii AugAQiO. 

1) Wanneer de gecommitteerden uit Gorcums classis: de predikanten 
Leewius, Sonneveldius en Neander, volgens den hun opgelegden last, 
Heusden hebben bezocht, om »naerder te vernemen tot wien van beijde dat 
800 den eers. raagistraet van Heusden, als de nabueren van Vliemen meest 
souden gesint sijn", rapporteeren zij den 48d«ii Juli 1611 aan de in Gorin- 
chem vergaderde broeders »hoe dat sij volgens haere commissie tot Heusden 
sijn geweest, ende voor eerst den drossart op de saeke van Vliemen aen- 
gesproocken hebben, dewelcke verklaerde, dat hij geraedtsaem vont, dat 
Gisbertus Voetius tot Vliemen soude gepromoveert werden, toonende oock 
een schriftelijck beroep van die van Vliemen op den gemelden Voetium. 
Sijn sij oock in den kerckenraedt verscheenen , de welcke meest gesint viras tot 
de persoone Josephi vander Rosieren, wt oorsaecke dat Princius alsdan in 
Josephi plaetse soude mogen gestelt werden". Hand, cl. Gorc,^ 27 Juni 
4611. Vgl. Gish. Voet. Aant. N^. I. 

>) Waar Vlijmens gecommitteerden aan de classis verzekeren T>hoe dat 
sij eendrachtelijck sijn gesint tot Voetium", daar merken zij tevens op ]»dat 
het transporteren van Josepho onmin soude maecken tusschen haer ende 
die van Hedickhuijsen haere nabueren". Hand, cl. Gore, 18 Juli 1611. Vgl. 
hierboven, blz. 142, aant. 3. 

>) »Hebbe mjne attestatien door Snoeck in de classe doen vertoonen*'. 
Gisb. Voet Aant. N*». I. Zie voorts Hand. cl. Gore, 18 Juli 1611 en bij- 
lage Lxm. 



Digitized by VjOOQ IC 



I 

I 

r 



TERUG IN HEU8DEN. PREDIKANT TE VLIJMEN. 145 

torium"0* Nadat den \b^^^ Augustus 1611 de predikanten 
Sonneveldius en Leewius , gecommitteerd door de classis , 
om zoowel Heusdens magistraat als kerkeraad gunstig 
te stemmen voor Voetius' bevordering naar Vlijmen, daar- 
over het gewenschte rapport hadden uitgebracht^), werd 
zijne tweede propositie »byden broederen geexamineert 
ende schriftmaetich bevonden". Ook bleek het voorloopig 
onderzoek , ^aengevangen per praesidem ')" , van dien 
aard te wezen , dat hij ^daerinne de vergaederinge genoech 
dede" ; weshalve men goed vond hem op de eerstkomende 
«ordinarische classis'* het examen peremptorium af te 
nemen , ingeleid door de verklaring van Matth. 28. vs. 19. 
Dinsdag, 6 September 1611, verscheen derhalve op de 
classis te Gorcum Ruardus Acronius, predikant te Schie- 
dam , als afgevaardigde van de Zuid-HoUandsche synode ^), 
ten wiens overstaan Voetius zijne propositie deed ^tot 



') Hand, cl. Gorc,^ i Aug. 46ii. — Wie aan de academie of elders 
hunne godgeleerde studiën hadden voltooid en eene plaatsing als predikant 
begeerden, waren toentertijd verplicht aan tweeërlei kerkelijk examen zich 
te onderwerpen. Het eerste, een voorloopig onderzoek naar hunne bekwaam- 
heden, verleende hun, na daarbij geslaagd te zijn, het recht, om, al dan 
niet aanbevolen door de classis, die hen »praeparatoir** had geëxamineerd, 
op vacante plaatsen hunne gaven te doen hooren. Door de eene of andere 
gemeente beroepen , volgde het »peremptoii*" examen , in de acten der Gor- 
cumsche classis nu eens voorkomende onder de benaming van »examen 
abeolutum" of van «examen legitimum*', dan weer lexamen justum" of 
«examen totale" of ook kortweg lexamen" geheeten; waaraan tevens 
verbonden was »het subscriberen van den cathechismum met de confessie*'. 
Vgl. Voet., Polit eccles., tom. II, p. 517—543; tom. m, p. 77—92, en 
dr. H. G. Kleyn, Algemeene kerk en jpZoateeiy Ac gre?necnte, Doixirecht, 4888, 
blz. 56. 

2) Zie bijlage LXIV. 

*) Nam. Gid. Sonneveldius. 

*) Johannes Becins, predikant te Dordrecht, Acronius* medegedeputeerde, 
was afwezig. In dezen tijd woonde veelal slechts één der synodale afgevaar- 
digden het examen peremptoir, voor de classis gedaan, bij. Zoo was weer 
Becius tegenwoordig en werd Acronius gemist bij het examen, door 
Ghristianus van Straessele den Q^^ Deo. 1611 afgelegd. 



Digitized by VjOOQ IC 



146 yi£RD£ HOOPDSTUK. 

een sonderlinge welgevallen d. deputati, ende der bro- 
deren", gevolgd door het examen 'peremptoir, waarb^ 
Petrus Leewius, dien de vergadering daartoe te voren 
had aangewezen O > presideerde en examineerde — ^den 
candidato de principaelste hooftstucken der Christeliker 
religie methodice docteque afvragende"; o. a. ook 
dat der voorbeschikking , in verband met de zienswgze der 
bovenvaldrijvers *). Voetius »queet hem tot een volcomen 
genougen des gedeputeerden des synodi, ende gesamentlijk 
alle der broderen, tam ad d. praesidis interrogata 
prompte solideque respondendo, quam d.d. 
fratrum objectiones nervose refutante". Met 
eenparige stemmen werd daarop geresolveerd ^dat hy tot 
een wettig kerckendienaer soude opgenhomen ende ontfan- 
gen worden, onder belofte, dat hy die articulen verhaalt 
inde acten des classis binnen Qorcum den 11 Au^usti 1610 
gehouden^), libenter et candide soude ondertegke- 
nen"; hetwelk geschiedde. Nog besloot de vergadering, dat 
Voetius door van der Rosieren — in de jongstverloopen da- 
gen zijn mededinger tegen wil en dank*) — alsook door 



') Hand, cl. Gore, 15 Aug. 1611. Voorzitter en examinator was, bij 
zulk eene gelegenheid , in den regel de pi*edikant of één der pi*edik anten 
van de plaats, waar de classicale vergadering op dat oogenblik gehouden 
werd. 

^) »Quid de pi*aedestinatione sentiam, satis superque professus sum in 
examine peremtoiio, quo tota approbante classe Gorinchemensi , ut et synodi 
deputato Ruardo A.cronio, specialiter super quaestione de pi*aedestinatione 
supra lapsum ascendente, ad ministerium ante 50. annos promotus sum'\ 
Voet., Dispp. select, tom. V, p. 110. Vgl. PoliL eccles,, tom. U, p. 28, en 
Resol. HolL, 25 Juni 1610, alsook bijlage LXV. 

>) Zie bijlage LXVI. 

*) Dat de onderscheiden partijgroepen , in zake het beroep te Vlijmen, 
elkaar volstrekt niet angstvallig uit den weg gingen, bewijst o. a. het 
samenkomen »opten 26 August! 1611 ten huyse Adriaen JorLssen weert in- 
den Hollantschen thuijn" van sommige magistraatspersonen, t. w. den 
burgemeester Adr. Jansen van Guyck, den schepen jhr. Hendrik van Oud- 
heusden en den secretaris mr. Lambert van Haeren, »by haer hebbende die 



Digitized by VjOOQ IC 



TERUG IN HSUSDEN. PREDIKANT TE VLIJMEN. 147 

du Piere »der gemegnte van Vliemen voorgestelt, ende 
daema door d. Grevium met oplegginge der handen naer 
apostolischen gebroik geconfirmeert sonde werden"*). 

Zoodra Voetius' naam door »drie Sondaechse proclama- 
tien'") den volke zonder j^hindemissen" was verkondigd 
geworden^, belette niets zijn trouwen raadsman en 
vriend, den drost Blajickaert *) , die hem ook eertgds te 
Leiden als genomineerd bursaal aan Kuchlinus had voor- 
gesteld *) , om — „vergeselschapt met eenige van de oude 
kerckenraden , ende voorts over de veertich personen , lief- 
hebbers van Heusden" — den tweeentwintigjarigen can- 
didaat*), op Zondag 25 September 1611, ter intrede^) 



hen opde const van musicq verstonden: Franco Odulphi, Voetius, Dingman 
Adriaensen, Cornelis van Drongelen, Josephus van der Rosieren ende 
Adriaen van Schaeyck, omme het concept te maecken vande organe; in 
wat vouge ende manieren tselve best diende gestelt ende te spreecken op de 
registers". Oud-arch. Heusden, E. 53, fol. 52 met de bijlage. 

O Hand, cl. Gorc.^ 6 Sept. 1611. Zie over dat »confirmeeren** Voet., 
Polit, eccles,, tom. III, p. 110. Vgl. ook art. 24 der Dardische kerkorde 
van 1574. 

») Kerkl. arch. Vlijmen, 17a, fol. 2. 

') Volgens art. 4 der Haagsche kerkorde van 1586, dat echter slechts 
gewaagt van een »vercondighen inder kercken van den naeme des dienaers 
den tijt van veeilhien daghen". Vgl. Voet., Polit eccles., tom. lU, p. 260. 

^) Hij ¥ras het waarschijnlijk geweest, die gezorgd had, dat Voetius 
destijds van de Heusdensche magistraat 150 gld. had gekregen, om binnen 
Leiden zijne schulden af te doen. Gish, Voet. Aant. N^. I. 

*) Zie hierboven, blz. 41. 

*) »Si quis ante annum 30, immo et ante 24. aut 25. virilem animum 
et curam gerat, et r^w se exhibeat fidelium in sermone, in conversatione , 
io caritate, in spiritu, in fide, in puritate; — si intentus sit lectioni, si 
ejus profectus sit manifestus; — si vigilans, temperans, coropositus, et si 
aequos, si aptus ad docendum; — si non sit obnoxius crimini luxus, aut 
sabjid nescius, si sibi pertinaciter non placeat, non iracundus, si tenax sit 
fidi illius secundum doctrinam sermonis, ut posat et exhortari doctrina illa 
sana, et contradicentes convincere — non debet juventus ejus contemni*', 
verzekerde later Voetius, Polit. eccles., tom. II, p. 721. 

') Giêb, Voet, Aant, N**. I. Essenius, Orat, fun., p. 15, vermeldt minder 
juist: »In functionem hanc sacram dicto anno XI. ineunte mense Septembri 
introductus est". 



Digitized by VjOOQ IC 



148 VIERDE HOOFDSTUK. 

naar de nieuwe standplaats te brengen*). Hier werd hg 
jjOpentlijck voor der ghemeynte" bevestigd ^met behoor- 
Igcke stipulatie ende af-vraginghen , vermaninghen , ghe- 
bedt ende oplegginge der handen", volgens het formulier 
,daer van zgnde" *) ; evenwel niet door Grevius , zooals 
bepaald was % maar door Sonneveldius , den predikant 
uit Woudrichem. 

De taak, waartoe Voetius met jeugdig vuur zich had 
aangegord, mocht allesbehalve licht heeten*). Immers 
werden „inden dorpe van Vlgmen"») onderhouden „vele 

<) Blanckaert was drost ook van Vlijmen en Engelen. Zie van Ouden- 
hoven, Landt v. Heusd.^ blz. 10. 

^) iDaer nae sullen de dienaren in haeren dienst met bewillinghe ende 
beantwoord inghe der navolgbeude stucken bevestight worden. Ten eersten, 
ofee ghevoelen datse van God ende zijne ghemeente wettelijck tot desen 
dienst beroepen zijn. Ten tweeden, o&e de heylige bijbelsche schriftuere 
voor het eenighe woort Gods, ende de volcomene leer der salicheyt hou- 
den, ende alle ketterien, daer teghen strijdende, verwerpen. Ten dei*den, 
ofse haren dienst nae dese leere ghetrouwelijck te bedienen , ende den selven 
met oen Vroom leven te verderen, bereyt zijn. Item soose yet deden, dat 
strafbaer is, ofse haer selven der Christel ijcker vermaninghe onderwerpen*'. 
Art. 5 der Bordtsche kerkorde van 1578. 

<) Hand, cl. Gorc.^ 6 Sept. 1611. Grevius heeft, volgens den samensteller 
der Dediictie »t*beroep Gisberti Voetii ten uytersten toe teghengeetaen , 
wey gerende den voors. Voetium in den kerckendienst tot Vlijmen te con- 
firmeren, gelijc hem nochtans vande classe was opgeleijt'*. In plaats van 
aan die opdracht te voldoen, bevestigde hij toentertijd Comelius Dronge- 
lensis tot predikant te Veen. Gisb, Voet. Aant. N^. I. Vgl. DedttcHe^ fol. 
4. Zie verder bijlage LXVD. 

*) »Initia regiminis ecclesiastici semper ob èintpfa¥ sunt aspera: et longe 
asperiora essent, ni vires viridis juventae Deo benedicente ad êtfévfJa» opitu- 
larentur". Voet., Polit. eccles.y torn. n, p. 234. Vgl. met die verklaring 
deze instantie, voorkomende op p. 246: »Facile idoneus quis ent, qniin 
ecdesüs agrariis nove plantatis aut plantandis concionetur. Resp. Sic per- 
peram multi judicant. Sed experientia docet, m^jorem prudentiam, emdi- 
üonem, raorum et conversationis ixpt^lcn^ dicendi vim et gi-atiam illic 
plerumque requin; quam in veteranis et bene ordinatis ecclesiis, aliquo 
ministrorum numero, et composito synedrii regimine instructis". 

^) Vlijmen en Engelen, beide behoorende tot het bisdom VHertogen- 
bosch, hadden sedert 1571 geressorteei-d onder den landdeken van Orten. 
Zie J. van Oudenhoven , Silva-Duds aucta et renata of een nieuvoe ende 



Digitized by VjOOQ IC 



TRRUO IN HEÜSDEN. PREDIKANT TK VJJJMEN. 149 

superstitieuse abuysen des Pausdoms , de weicke te ge- 
Igck met het invoeren van de Reformatie behoorden af- 
geschaft ende b^raven te zgn geweest , als strijdende te- 
gens het woordt des Heeren , ende de waere Gereformeerde 
religie daer op gefondeert" '). Ook was verrew^ het groot- 
ste deel der bevolking , dat door hennep- en vlasbouw, 
of door het winnen van hooi, zijn brood zocht te ver- 
dienen *), onbeschaafd en onontwikkeld *). 

Al terstond b^on hij daarom met, bg zich aan huis, 
leerstellig godsdienstonderwijs te geven*), ten einde zóó 
langzamerhand de noodige lidmaten en eene behoorlijk 
ingerichte gemeente te vormen, waarvan op dat oogen- 
blik nog zeer weinig te bespeuren viel. Gingen voor- 
shands maar enkelen geroeid ter kerk^), toch beklom 



gantsch vermeerderde heschrijvinge van de stcuit van 8* Hertogen^Bossche^ 
Den Bosch, 1670, blz. 114. 

1) Tot de »8iiper8titieu8e ende afgodische ceremoniën'* te Vlijmen, ook na 
bet invoeren der Reformatie, nog jaren lang gepleegd en onderhouden, 
behoorde: «specialijck het gebruyck van dootskleederen roet eenighe crujrs- 
860 ende beelden , *t %y dat de selfde binnens dorpe mogen zijn , ofte buy tens 
dorpe gehaelt werden: het omdragen van het lijck rontom de kercke,ende 
bet graf; het knielen ende bidden voor het graf, als de doode is begraven: 
bet offeren op het graf ende voor den afgestorvenen, mitsgaders het sinc- 
ken ende andermael begraven van de craemvrouwen*'. Ket^kl. arch. Vlijmen^ 
17a, fol. 11. Vgl. Voet, Polit eccles.^ tom I, pars I, p. 36; pars D, p. 
273—275, 349—351. 

*) Hermans, a. tü., dl. I, blz. 293. Van Oudenhoven, Landt v. Heusd,^ 
blz. 9, meldt: »Tot Vlymen worden veel peulen ende eenighe andere hof- 
kruyden geteelt, ende in de Hollandtsche steden vei'voert ende vertiert'*. 
De Auctie-^xital.^ pars II , misc. in oct., heeft onder n^. 250 »Varii scriptores 
de re mstica, et vocibus rei rusticae*'; onder n^. 427 »Mizaldus , de secretis 
hortorum, et de arborum insitione*'. Vgl. Voet., Bibl, slxid. theoL^ p. 437. 

') «Vlimenses passim omnes superstitionibus et erroribus Pontificiis erant 
addictissimi ; paucis exceptis, qui conciones hujus sui pastoris audiebant 
aliquando, sed isti valde rudes". Essenius, Orat. fun,^ p. 15. 

^ Essenins, OraU fun,, p. 15, 16. 

^ »Anno 1587. heeft de grave van Hohenlo de schans, daer de Span- 
jaerts de Vlijmsche kerck mede omschanst hadden , inghenomen , ende 
raeckte de kerck daer door in brandt ende branden af, sonder dat daer 



Digitized by VjOOQ IC 



150 VIERDE HOOFDSTUK. 

Voetius lederen Zondag tweemaal den kansel , terwgl er , 
gedurende den winter, bovendien des Donderdags door 
hem gepreekt werd % Bij zjjne verschillende toespraken 
zag hij zich gedwongen — misschien wel meer dan hem 
lief was — rekening te houden met de eigenaardige be- 
hoeften der veelal Roomschgezinde hoorders. In navol- 
ging van Paulus, die, gelijk hij betuigde: om hen te 
winnen den Joden een Jood was geworden*), knoopte 
ook Voetius ') den eersten tijd schier elke predikatie vast 
aan de toenmalige, bij de Katholieken gebruikelijke Zon- 
dagsteksten *) , ja weigerde hij nooit op hunne ^heylich- 

van niet en bleef staende als de mueren , ende een ghedeelte van den tooren. 
Anno 1594. wierde dese kerck sonder het choor seer slecht wederom op- 
ghetimmert, alsoo het dorp door den oorlogh seer verarmt zijnde, de on- 
kosten van een geheele ende bequame opbouwinghe niet en konde draghen'\ 
Van Oudenhoven, Landt v. Heusd., blz. iO. 

<) Nog nam Voetius in zijne dorpskerk geregeld de taak van voorzanger 
op zich, soms ook die van voorlezer. Polit, eccles,, tom. II, p. 500. Vgl. 
tom. m, p. ilO— 113, en art. 37—52 der Dordtsche kerkorde van 1574. 

3) I Kor. 9 : 20. — »In alle middel-matighe dinghen, sullen gheen 
kercken veracht worden, die een andere wijze ghebruycken, dan wydoen", 
bepaalde art. 72 der Dordtsche kerkorde van 1578. 

') Essenius zegt in zijne Orat. fun., p* 15, dat Voetius alzoo handelde 
»ex consilio viri cujusdam praeclari", en vei*zekert, p. 16, naar het mij 
voorkomt, niet zonder overdrijving: »Ista ratione factum etiam, ut omnes 
pagi istius incolae, quantum vis Pontificii, benevolentiam insignem nostro 
exhiberent, et officia quaevis omni data occasione praestai^ent" ; althans, 
wij hooren Gentman, predikant te Utrecht, in zijne Lyck-predikatie ^ blz. 
11, betuigen: » Rooms-gesinde sullen over hem niet klagen (nam. in den 
zin van: rouw bedrijven), welcker nieuwigheden, en afwijckingen van *t 
oude Gatholijcke geloove, dat eenmael den heiligen is over-gelevert , by 
altijd seer bestreet , van over lange ja)*en , selfs tot onlust van de jeukerige 
ooren onder ons'*. 

*) »Cum textus dominicales olim primis auditoribus nostris ex papatu vix 
emergentibus et a papatu undique drcumseptis explicaremus", schreef 
Voetius in zijne Bibl. stud. theoL, p. 215. Bepaalde art. 56 der Dordtsche 
kerkorde van 1578: »Ende in plaetsen daer de Sondaeghsche evangeliën 
noch gebruyckt worden, salmen sulcx dulden, ter tijt toe datmen het 
selve bequamelijck sal moghen af-stellen" — zoo was vroeger door de Dordtsche 
kerkorde van 1574, in art. 39, vastgesteld: »Aengaende den Sondaeghschen 
evangelium diemen int Pausdom plach te ghebruycken; is besloten datse 



Digitized by VjOOQ IC 



TERUG IN HKU8DEN. PRKDIKANT T£ VLIJMEN. 151 

daghen" ter evangelieverkondiging het kerkgebouw te 
doen ontsluiten y en »over hunne affgestorvene personen" 
eene lijkrede uit te spreken ^). Ongeacht die groote 
iüschikkeiykheid door hem betoond, zag toch de Gor- 
cumsche classis, op hare vergadering van 9 Juli 1612, 
zich nog verplicht, om — na ^sekere dachten" uit Vlfl- 
mens gemeente ontvangen en overwogen te hebben — den 
drost van Heusden j^emstelyck te versoecken dat zyne E. 
soude gelieven ampts halven soo veel moghelyck te voor- 
den in verscheyden swaricheden ende misbruycken aldaer 



inde kercken niet en sullen ghepredickt worden**. Licht mogelijk gaf die 
inschikkelijkheid, door Voetius tegenover zijne, \oor een groot deel, nog 
half-Roomsche gemeentenaren betoond, aanleiding tot het gobeuixie, ver- 
meld bij Essenius, Orat fun., p. 36: »Hoc morbo durante, ut calumnia- 
tonim Êibulas, de Voetio in religione nutante, et ad Roroanensium partes 
indinante refelleret, praetorem loei cum septem scabinis ad se vocari jussit 
(n. Voetius) : coram illis testamentum suum ordinavit , eique inseruit sinoe- 
ritatis constantiae suae in Reformata religione, in ista veritate, et genuina 
pietate, planam ac plenam declarationem" ; — alsook tot deze ontboezeming, 
neergeschreven in de Vlijmensche kerkeraadsacten , blz. il: »ende de er- 
varentheyt leert, dat door al te groote sachtichejt ende gedult, daer door 
men gemeynt hadde de selve te sullen overwinnen, als oock door de voor- 
gaende droevige retorsien, de voorgemelte superstitieuse abuysen des Paus- 
doms eensdeels op nieus ingevoert zijn , andersdeels nieuwe krachten hebben 
gekregen, waer door men buyten hoope gecomen is, om door dien wegh 
ende middel der selve quijt te worden**. 

<) Ook dat bleek min of meer strijdig met de synodale voorschriften ; zie 
art. 52 en 53 der Dordtache kerkorde van 1574, aiii. 48 en 50 der Middel- 
burgsche kerkorde van 4584, art. 58 en 60 der Haagsche kerkorde van 
4586. Daarom besloot de Gorcumsche classis, met betrekking tot het hou- 
den van lijkpredikatiën, in hare vergadering van 40 Sept. 4642, »dat het- 
selve behoort naegelaten te worden**. Diensvolgens kreeg de scriba in last 
»hetselve door brieven te interdiceren aen Spudaeum (pred. te Arkel), 
Notheum (pred. te Nieuwland), Christianum a Porta (pred. te Hoornaar), 
Joeephum, ende Voetium**. Vgl. Hand. cl, Gorc,^ 44 April 4598; 27 Sept. 
4599, alsook Voet., Dispp. select, tom. III, p. 43, 44; PoliL eccles,, tom. 
I, pars II, p. 239 — 244 en p. 284 , alwaar Voetius, met betrekking tot de 
vroeger door hem gehouden lijkreden , zegt : «Easdem (n. conciones funebres) 
ad tempus aliquod habuimus, tum ut superatitiones Papales in exequüs, 
homines dedoceremus, tum ut ad conciones ministrorum reformatorum 
audiendas eoedem alliceremus**. 



Digitized by VjOOQ IC 



152 VISaDE HOOFDSTUK. 

daghelyx voorvallende , door welcke de opbouwinghe van 
Qodes kercke tot merckelijcke bedroevenisse der vromen 
grootelyx verhindert werdt" ^). 

Lastig en maar weinig de moeite loonend bleek voor 
Voetius de combinatie van Vlijmen met het een uur noor- 
delijker gelegen Engelen , dat „eertijdts plaghte een schoon 
dorp te wesen, op veel plaetsen bemuurt ende stadts 
wijse betimmert", waar tal van steenbakkerijen werden 
aangetroffen; doch dat later zijn bebouwden grond door 
i,de riviere de Mase" gedeeltelijk had zien wegspoelen en 
dat ook, wat de vroeger lange rij zijner huizen betrof, 
door den oorlog groote schade geleden had, ten gevolge 
waarvan »het oudt floressante Engelen seer was verkleent , 
uytgemergelt ende verarmt" *). In het voor- en najaar , 
dikwijls ook gedurende den winter, wanneer de vlakke 
landwegen overstroomd waren, viel het uiterst bezwaar- 
lyk zich van het eene dorp naar het andere te begeven, 
zoodat Voetius niet zelden een paar uren moest omloo- 
pen en daarbij nog vaak tot aan de enkels door het wa- 
ter gaan ^) ; op welke tochten hij meestal, om geen vergeef- 
sche reis te doen, in het voorbijwandelen de twee of 
drie lidmaten van Engelen *) aanhaalde , die dan met hem 



1) Nog in 1642, en later weer in 1654, was het noodig, dat Heusdens 
drost, door »Jan de boode aen den rinck met den kleppel van de clock*', te 
Vlijmen een plakkaat liet publiceeren , waarbij »op straff van *t opperdeed 
ende vijf en twintich guldens wierde verbodt gedaen, by aldien ijemant 
dese Paepsche ceremoniën meer soude onderhouden. Insonderheyt dat geene 
heydensche hoochten van kransen ende bloemen binnen in de kercke op de 
graven souden gesteeken worden". Kerkl, arch. Vlijmen, 17a, fol. 11. 

^ Van Oudenhoven, Landt v. Heusd.^ blz. 8, 9. 

^ Essenius, Orat fun., p. 16. Vgl. bijlage LXVm. 

*) Sinds een zekere Cornelis — volgens dr. Sepp, a. lü., blz. 40 — op 
het Bosch veld bij Engelen, in het land van Heusden, de eerste predikatie 
hield »op te maniei*e van die gereprobeerde religie", was hier het aantal 
Hervormden blijkbaar niet toegenomen. Ook werd door Voetius zeer ge- 



Digitized by VjOOQ IC 



TERUG IN HSÜSDEN. PREDIKANT TE VLIJMEN. 153 

ter preek gingen ^). Soms bracht hijzelf ettelijke gemeen- 
teleden uit Vlijmen meê, ten einde op die wjjze het ge- 
tal zgner toehoorders een weinig te versterken. Daar dit 
echter steeds met kosten, hoe luttel ook, gepaard ging, 
kon zulk een gezamenlijk kerkbezoek slechts bij hooge 
uitzondering plaats vinden. Het tractement toch , dat ten 
bedrage van vijfhonderd gulden hem jaarlijks werd uit- 
betaald, dwong tot overleg*). 

Als gewenschte vrucht van zijn pogen, smaakte Voe- 
tius de voldoening , dat door hem »op den Paeschdach anno 
1612", voor de eerste maal, te Vlijmen «werdt uytge- 
recht het avontmael onses Heeren J. Christi nae zijne 
instellinge , ende zijn alsdoen 34 persoonen in het getal 
geweest, de welcke door het nutten des heyligen avont- 
maels haere openbaere belydenisse ende eenicheyt met de 
Gereformeerde kercken betu^jcht hebben" '). Onder deze 
vierendertig personen telde hij zijne moeder „ Manken, 
weduwe van Pauwels Voet", zgne zuster j^Lgsken" *) en 



klaagd >over den Paepschen schoolmeester in den dorpe Engelen gestelt, 
streckende tot groote ontstichtinge ende verhinderinge van de vruchten 
synes arheijte". Hand. cl. Gore., 29 Juli 1613. 

1) Volgens Essenius, Orat. fun.<, p. 16, kwam men des Zondags te En- 
gelen aanvankelijk bijeen in eene daartoe gehuurde woning; naderhand, 
door bemoeiing niet het minst van Voetius, in een nieuw opgericht kerk- 
gebouw. Vgl. van Oudenhoven, Landt v. Heusd., blz. 9. 

«) Zie dr. Rogge, Wtenhogaert, dl. I, blz. 131, en Voet., Polit. ecclea., 
torn. n, p. 239. Blijkens Hand. cl. Gore., 6 Aug. 1612, verzocht en ver- 
kreeg Vlijmens prediker van zijne classisbroeders »een requeste aen de ed. 
mog. heeren Staten tot een extraordinare stipendium'*. Vgl. Resol. 
Holl, 19 Nov. 1607, en Voet., Polit. eccles., torn. I, pars D, p. 797— 845, 
handelend »De stipendüs ministrorum". 

«) Gedurende Voetius' pastoi'alen arbeid (25 September 1611 tot 24 Mei 
1617) op deze zijne standplaats, werd bovengenoemd aantal lidmaten meer 
dan verdubbeld. Zie bijlage LXIX. 

*) Later huwde Elisabeth Voet met Hendrik Schi7vers van Zweerts, 
«ingenieur ten dienste der Vereenigde Nederlanden". Zie de geelachtlijst bij 
Isaac Le Long, a. tv., blz. 89; vgl. hierboven, blz. 13. 



Digitized by VjOOQ IC 



154 VIERDE HOOFDSTUK. 

zijn broeder ^Dirck , schoolmeester tot Vlymen" ^), welke 
hem te zamen naar zijne standplaats gevolgd waren. 

Maar ook in andere opzichten was voor Voetius het 
jaar 1612 belangrijk. Allereerst en allermeest wegens zijn 
huwelijk *), den b^^^ van Bloeimaand ') gesloten met De- 
liana*), dochter van Johannes van Diest') en Maria van 
Liemt*). Jammer, dat zijne blijdschap over die heuche- 
lijke gebeurtenis straks niet weinig werd getemperd door 
een even onverwacht als droevig verlies. Den 3^«» Augustus 



ï) KerkL arch. Vlijmen, 17a, fol. 38. 

s) vConjugium si meditentur ministn, videant, ut suo tempore piam 
quam et statui ministerii maxime convenientem , sibi quaerant uxorem , doh 
tarnen aliis qualitatibus destitutam, juxta versiculum quinque uxoris quali- 
tatee circumscribentem : Sit pia, sit prudens, pulcra, pudica, potens". 
Zoo betuigde Voetius in zijne Polit eccles., tom. U, p. 239. Vgl. daar- 
mede nog p. 333, 713. 

«) Oud-arch, Heusden, J. I, 1. 

^) Ongetwijfeld wordt ook Deliana Jans, in meerdere of mindere mate, 
geteekend door de schets, welke dr. H. J. Polak geeft van de yrouwen- 
gestalten dier dagen, in zijne verhandeling over Constantijn Huygens — 
zie de Gids, 1889, dl. I, blz. 510: »Jong zijn ze niet, aan onze voorstel- 
lingen van schoonheid en bevalligheid beantwoorden ze slechts zelden. Maar 
welk een kalme vastberadenheid, welk een blijmoedige plichtsbetrachting, 
welk een vredige ernst ademen die heldere oogen, die gevulde gelaatstrek- 
ken, die reine voorhoofden! Van hartstocht hebben die boezems nooit ge- 
blaakt, of het moest de hartstocht zijn voor het woord Gods en voor de 
grootheid van vaderland en gezin. Leed is er menigmaal over die hoofden 
heengegaan, maar met onwankelbaar vertrouwen in de oneindige liefde 
van den Vader daarboven hebben ze het èn zelve gedragen èn bij de 
huisgenooten gelenigd". Het waren eerbiedwekkende matronen. Vgl. Voet., 
Polit. eccles,, tom. ü, p. 198—212. 

») Sepp, a.tü., vermeldt, blz. 62, dat Ck)melis van Diest en Henricus 
van Diest predikanten zijn geweest »te 's Hertogenbosch in 't doorbreken 
der Hervorming, ten jare 1566". Vgl. van Oudenhoven, Silva-Ducis, blz. 
135—137. Licht mogelijk ook, dat sComelis van Diest" dezelfde fComelis", 
is geweest, als die eertijds preekte op het Bosch veld bij Engelen. Zie hier- 
boven, blz. 152, aant. 4. 

<) Zij was eene bierbrouwersdochter en niet onbemiddeld, met welke 
Johannes van Diest, verdreven uit Vlaanderen om zijne Hervormde geloofe- 
begrippen, nadat hij zich te Heusden gevestigd had, trouwde. Essenius, 
Orat, fun., p. 17. Zie verder bijlage LXX. 



Digitized by VjOOQ IC 



TERUG IN HBÜSDEN. PREDIKANT TE VLIJMEN. 155 

stierf Nicolaas Blauckaert O, langen t|jd Voetius' mach- 
tige en welwillende beschermer. Nog zag hg zich , in dat- 
zelfde jaar 1612 , den weg geopend, om, overeenkomstig 
het advies der Gorcumsche classis , te Vimmen een kerke- 
raad j^op te rechten" % bestaande uit twee ouderlingen *) 
en twee diakenen*), die, »nae drie Sondaechse proclama- 
tien ^), met openbare ghebeden ende stipulatien" ^), in hun 
ambt door hem bevestigd werden. 

Den S^^^ Maart 1613 schonk zgne vrouw aan Voetius 
eene dochter, Maria geheeten, die, reeds spoedig na de 
geboorte overleden, 23 Maart 1614 vervangen werd door 
eene tweede Maria Voet, van wie, evenals van hare 
naamgenoote, slechts staat vermeld: dat zij ongehuwd 
stierf^). 

Tusschen beide gebeurtenissen in viel Voetius' beroep 
naar het eenigszins grootere en meer aanzienlfike dorp 
Sprang , gelegen i,in de Langestraet" •) en totnogtoe met 



O »Nicolaus Blancardus, avo suo Stephano in praefectura Heusdana per 
annos 30 et ultra successor, mortuus 3 Non. Sextil. an. 1612 aet. suae 
66. Exstat huic Nicolao Blanckaert positum epitaphium Heusdae''. E. L. Vrie- 
moet, Athenarum Frisiacarum libri duo^ Leovardiae, 1758, p. 504. Zie 
ook Resol. Holl, 6 en 9 Aug. 1612; Oud-arch. Neusden, E. 212, bijlage 
tot fol. 38 verso der rekening over 1612. Vgl. hierachter, bijlage LXXII. 

^ Zie ai-t. 35 der Haagsche kerkorde van 1586. Essenius, Graf. fun,, p. 16. 

*) «Ouderlingen waeren Michiel Geerlinckx, de decker, ende Rutgert Lam- 
berts van Vianen, timmerman ; diaconen Lambert Jansen Heesbeen ende Aert 
Lamberts". Kerkl, arch. Vlijmen, 17a, fol. 3. 

*) «In plaetsen daer v^eynich ouderlinghen zijn sullen de diaconen een 
deel des kercken-raets moghen wesen"; art. 4 der Dordtsche kerkorde van 
1574. Vgl. Voet., PoliU eccles,, tom. I, pars I, p. 748—750, 931—953; 
tom. n, p. 436—508. 

O Vgl. hierboven, blz. 147, en aant. 2. 

«) Volgens art. 20 der Haagsche kerkorde van 1586. Zie voorts bijlage LXXI. 

^ Nog geen drie jaren later, 4 Januari 1617, zag weer eene dochter, 
Eli^beth, te Vlijmen het levenslicht, die eveneens stierf in hare jeugd. 
Vgl. de geslachtlijst bij Isaac Le Long, a. to., blz. 89. 

«) Resol. Holl, 15 Juni 1617. 



Digitized by VjOOQ IC 



156 VIEBDB HOOFDSTUK. 

Bezooien vereenigd geweest, welke beroeping hg echter 
meende van de hand te moeten wijzen *). Daarentegen 
stelde Vlijmens predikerzelf, sedert den nazomer van 
1615, alle pogingen in het werk, om zijn academievriend 
en geestverwant, Johannes Cloppenburch — reeds in 1612 
door Aalburg »tot haren specialen minister" begeerd *) — 
na volbrachte buitenlandsche studiereis^), voorgoed aan 
die gemeente te verbinden*). Ook nu weer bleek het 
Grevius te wezen, die, gesteund door Heusdens militie- 
gouverneur, den heer van Kessel*), tot allerlei «machi- 
natien" zijne toevlucht had genomen, om het beroep bij 



^) Comelius Hanecopius, die tot 1613 de combinatie Bezooien-Sprang 
had bediend, bleef, na het bedanken van Voetius — onvermeld gelaten in 
de kerkeraadsnotulen van Sprang — uitsluitend predikant op laatstge- 
noemde plaats; terwijl Johannes Snetenus (zie hierboven, blz. 111, aant5) 
hem bij de gemeente van Bezooien verving. In 1616 ging Haneoop naar 
Breda. Minder juist laat Essenius, Orat, fun,^ p. 22, eerst bij die gelegen- 
heid Voetius te Sprang beroepen worden. Vgl. I. Le Long, a. to., blz. 89. 

*) Zoowel in de Briev, en pap, kL Gorinchem als in de Deductie komt 
een zeer omstandig verhaal voor omtrent de wijze, waarop het beroep van 
Cloppenburch naar Aalburg werd uitgebracht en tegengewerkt. 

') »In academia Basiliend per ferias aestivas, eruditioribus studiosis lec- 
tiones publice habendae permittuntur : uti memini d. Joh. Gloppenburgio in 
peregrinatione sua concessum fuisse, ut publicis praelectionibus Jesajae 53. 
caput explicaret". Voet., Polit eccles., tom. D, p. 757. 

^) «Gloppenburgh van syne pei*egrinatie in het lant weder gecomen synde 
ende te Heusden gepasseert synde omme met d. Gysberto Voetio te spree- 
ken, 600 hij nawelycx te Amsterdam negen ofl tien dagen te huys was 
geweest, ontfangt missive van d. Voetio voorn, van date den 25 September 
1615 bij de welcke hy versocht ende ernstelyck gebeeden , ja in conscientie 
geperst wiert omme wederom derrewaei*ts te reysen ende sich eerst daeghs 
te laten vinden tot Vlymen tsynen huijse, omme met hem naerder te be- 
spreecken van die gelegentheyt die sich opende tot nieuwe beroepinge op 
synen pei-soon in den dorpe tot Aelburgh". Briev, en pap, kL Gorinchem. 

*) Zie over » Willem Adriaen de Homes, heere tot Kessell, en Woeet- 
wesell etc. generaell over de artillerie der Vei*enichden Nederlanden en 
gouverneur der stede en dese landen van Heusden", in April 1614 gehuwd 
met »Theodora van Haefften, vrouwe van Gloetingen, Nievelt etc.*': Oud- 
arch, Heusden^ J. I. 1 alsook E. 55, fol. 35 verso en 42 verso, en van 
Oudenhoven, Beschr. v, Heusden^ blz. 210, 211. 



Digitized by VjOOQ IC 



TSRÜO IN HEÜ8DEN. PRKDIKANt TB VLIJMEN. 157 

de Gorcumsche classis op Cloppenburch uitgebracht te 
yerijdelen *) ; nochtans met geen ander gevolg dan dat 
het tot November 1616 aanhield, eer deze te Amsterdam , 
waar hij met zgne moeder woonde, ^syn librarie ende 
meubelen waerdich maeckte om gescheept te worden", 
en voorts zich vestigde ^binnen den dorpe Aelburgh" *). 
Te midden van al die nieuwe toestanden , rijk aan zor* 
gen en plichten, geneugten en verdrietelgkheden, bleef 
Voetius' liefde tot de studie onverzwakt *). Als jong , nog 
onervaren ,kerckendienaer", streefde hg ijverig naar wat 
later door hem zou worden genoemd: het noodzakelijk 
aanvulsel eener academische vorming*). Winter en zo- 
mer 's morgens reeds te vier uren op«), verdeelde hij 
zoi^uldig zgn tijd tusschen het beoefenen der godge- 
leerde wetenschap en het gehoorzamen aan de practische 
eischen van het leeraarsambt*). 



O Hand. cl, Gorc^ 18 April 1616; vgL daarmede die van 5 Oct. 1615, 
8 Ang. en 19 Sept. 1616. 

X) Nadat de Gorcumsche daasis »met vreacht ende dancksegghinghe tot 
Godt'* het beroep van Aalburg »op den persoon d. Gloppenburgi gedaen" had 
vontfangfaen ende toeghestempf', vond deze er zelf geen bezwaar in »met de 
hayslieden ujt te sien nae eenige bequaemheyt van wooninge binnen den 
dorpe Aelburgh, welcke opgespeurt synde is 27 Nov. derwaerts gaen woo- 
oen''. Deductie, fol. 37. Vgl. echter Hand. cl. Gore., 3 April 1617 , waar ver- 
meld staat, hoe Cloppenburch, beschuldigd «dat hij noch inden kercken- 
dienst niet bevesticht sijnde den hejiigen doop bedient hadde binnen 
Hoesden", aan de classis vertoond heeft »een verclaeringhe ende attestatie 
vanden kerckenraet van Huesden, dat hij bij noot daer toe van haer was 
versocht". De vergadering nochtans betuigde, wel gewenscht te hebben 
»dat de behooriijcke ordre waere onderhouden: verstaen ondertusschen dat 
in toecomende tijden soodaenighe disordre met de synodale acten strijdich 
behoorde gecaveert te worden". 

«) Essenius, Grot. fun., p. 20—22. Vgl. Voet., Polit. eccles., torn. H, 
p. 24SL 

*) Voet., Bibl. stud. tkeol, p. 69. 

<) Gentman, Lyck-predikatie , blz. 15. 

•) Volgens Voetius werd toentertijd het eerste door velen verzuimd, het 
laatrte slechts noode en dientengevolge minder goed verricht. >Et haec 

11 



Digitized by VjOOQ IC 



158 YIBRDB HOOFDSTUK. 

Twee dagen waren er iedere week bestemd tot opfris- 
sching zijner Latijnsche , Grieksche en Hebreeuwsche kun- 
digheden^); ook herlas hij dan allerlei geschriften , die 
betrekking hadden op historie, oratorie en poëzie*). Hg 
liet niet af zich voomamelgk in het hebreeuwsch hoe 
langer hoe meer te bekwamen. Uit dien hoofde bestu- 
deerde hij vannieuws het «Oude Testament" in den grond- 
tekst, en zocht tevens eenigermate vertrouwd te worden 
met het spraakgebruik der Babbijnsche schriftgeleerden ^). 
Voorts las hij tot vijf of zesmalen toe « Jesaja'', zijn eigen 
vertaling toetsende aan die van Arias Montanus *) , een 
zeer geleerden Katholieken commentator^). Bg het be- 
werken van » Genesis" en de i,Psalmen" teekende hij 



causa est — zoo schrijft hij in zijne Bibl, stud, theol.^ p. 227 — quod primo 
ministerii biennio aut triennio in omnium fere studiorum academicorum 
oblivionem veniant*'. 

ï) Voet., Bihl, stud. theol, p. 227. 

>) Volgens toenmalig gebruik , maakte Voetius nu en dan Grieksche of 
Hebreeuwsche verzen, om die dan te zenden «amicis istarum linguarum 
cultoribus". Ook hield hij in genoemde talen briefwisseling met Johannes 
Seroyen «linguae graecae peritissimus", en met Johannes Gloppenburch »in 
hebratcis exercitatissimus". Essenius, Orat, fun.^ p. 21. Vgl. Voet., BibL 
8tud. iheoL, p. 167. 

3) In den auctie-catalogus van Voetius' boekerij staan als zoodanig ver- 
meld: »Duodecim prophetae cum commentariis rabbi David. Kimchi et 
notis Vatabli, typ. i'egiis, 1539 {Auctie-catal,^ pars I, theol. in quarto, 
n°. 5); — »Psalmi, cum comm. Davidis Kimchi hebr.'* {Auctie-ccUaL^ parsl, 
theol. in oct., n®. 265); — »Levi Ben Gerson, Gommentarius in Gant 
cantic, Ruth, Eccles., Esther" {Auctie-cataL ^ pars II, theol. in quarto, 
n^ 237); — «Uosea, Joel, Amos, Obadia, Jona cum commentariis rabb. Sal. 
Jarchi, Aben Esrae, et Dav. Kimchi" {Auctie-ccUal,^ pars II, theoL in 
quarto, n®. 345). Vgl. Voet., Bibl, stud. theol, p. 166, 300. 

*) Benedictus Arias Montanus, een Spaansch oriëntalist, leefde van 
1527—1598. Zie over hem Hei-zog, Real-Encykl, Bd. IX, S. 765. Vgi. 
Voet., Bibl. stud, theoL, p. 469, 505, waar geroemd worden diens «multi- 
plex eruditio et lectio". 

*) Commentaria in Isaiae prophetae sermones, Antverpiae, 1599. Onge- 
rekend het voorbericht, twaalf bladzijden groot, omvat de lijvige kwartqn 
1444 pagina's. 



Digitized by VjOOQ IC 



mSBXJQ IN HS0SDEK. PaBDIKAKT Tfi YLIJMEK. 159 

steeds met groote nauwkeurigheid de belangrijkste vari- 
anten op der Septuaginta*); terwijl hem, als handlei- 
ding tot het chaldeeuwsch , of liever tot het arameesch, 
de bekende hoofdstukken *) moesten dienen van » Daniël", 
naast niet al te zware gedeelten uit de vertolking, te- 
vens verklaring der i,Targumim" '). Voor het syrisch liep 
hij de Nieuwtestamentische boeken, in die taal overge- 
zet, nog eens door*). Meer bepaaldelijk vergeleek hg 
syrisch en grieksch met elkaar , onder het lezen der brie- 
ven van Paulus en der evangeliën naar Mattheüs en Jo- 
hannes. Bovendien begon Voetius op zgne eenvoudige 
dorpsstudeerkamer arabisch te leeren , aan welke taal de 
meesten zijner ambtgenooten , zoo vroeger als later, ten 
eenenmale vreemd bleven*). 

In het belang eener gewenschte kanselwelsprekendheid, 
die hem op hoofd en hart zijner hoorders den noodigen 
indruk moest helpen maken, bestudeerde Voetius de 
«Rhetorica ecclesiastica" van Eeckermann *)• Ook leerde 



O Vgl. Voet., BihL stud. theol, p. 509. 

s) Hoofdstuk 2 : 4b tot 7 : 28. 

') Wellicht had Voetius reeds in die dagen goeden dienst van zijn 
«Lexicon pentaglotton , hebraicum, chaldaicum, syriacum, talmudicorum- 
rabbinicnm, et arabicum Valentini Schindleri, HanoYiae, 1612*'. Zie 
AucHe-catal, pars I, theol. in fol. n*». 32. Vgl. Voet., Bibl. stud. theoL, 
p. 296. 

*) «Novum Testamentum syriace, apud Plantinum". Z\q Auctie-catal.^^n 
n, theol. in duodec, n**. 90. Vgl. Voet., Bibl. stud. theoL, p. 508. 

") «Arabicae linguae, quae nunc passim in Europa excoli coepit, utilita- 
tem Erpenius, Ravius aliique ^^épa^tQ praedicarunt", luidde het, omstreeks 
de helft der zeventiende eeuvf, bij Voetius in zijne Bibl. stud, theoL^ p. 
302. Zie voor de toenmalige hulpmiddelen bij die studie: p. 303, 350. 

*) Achter in het tweede, met kleine letter gedrukte folio-deel van Kecker- 
manns »Opera omnia quae exstant, Ck)lon. Allobr., 1614" is, van p. 9 tot 
p. 57, bovengenoemd werk opgenomen, onder den titel: Rhetoricae eccle- 
siasticae^ sive artis formandi et habendi conciones sacras^ libri duo: me- 
thodice adomati per praecepta et explicationes a Barth. Keckermanno 
Dantiscano. Vgl. Voet, Bibl. stud. theol., p. 482. 



Digitized by VjOOQ IC 



160 VtSRDE fiOOFDStüÉ^ 

hfl toen voor het eerst kennen diens geschrift „De na- 
tura et proprietatibus historiae" O- Wat de overige wgs- 
geerige vakken betreft — achtereenvolgens hielden hem 
bezig: Alsteds vier boeken der i,Praecognita disciplina- 
rum"*); de ^Metaphysica, Physica, Logica, Mnemonica 
en Mathematica", later door denzelfden schrijver, met 
eerstgenoemde boeken vereenigd , uitgegeven in zijne „En- 
cyclopaedie"'); de » Astronomia" *) ; het ,Systema geogra- 
phicum" met de ^Problemata nautica" ') ; de „Quaestio- 
nes de corporum naturalium locatione et loco" •) en het 
boekje i^De terrae motu"^) van Eeckermannus; de ^Optica" 
en de ^Physiognomia humana" van Timpier •), alsook het 
in vijftien boeken a^edeelde werk van Hieronymus Zan- 
chius , getiteld »De operibus Dei intra sex dies creatis" •). 



1) B. Keckermannus, De natura et proprietatibus historiae^ commenta- 
riu8, Hanoviae, 1610. Vgl. Voet., Bibl. stud. theoL, p. 326. 

2) Namelijk de vHexilogia", i. e. doctrina de habitibus mentis; de vTech- 
nologia", i. e. doctrina de proprietatibus, ordine, et numero disciplinarum ; 
de »Arche1ogia", i. e. doctrina de principiis disciplinarum ; de »Didactica*', 
i.e. doctrina de studio disciplinarum. 

s) Joh. Henr. Alstedius, Encyclopaedia septem tomis distincta^ Herb. 
Nassov., 1630; ook afgedeeld, volgens de inhoudsopgave, in vijfendertig 
boeken. Vgl. Voet., BihL stud. theol, p. 308. 

*) B. Keckermannus, Systema astronomiae compendiosum in gymnasia 
Dantiscano olim praelectum et duohus libris adomatum, Hanoviae, 1611. 
Vgl. Voet., Bibl stud, theoL, p. 405. 

*) B. Keckermannus, Systema geographicum cum duobus libris adoma- 
tum, Adjecta sunt in fine aliqu^ot problemata nautica ejusdem authoris^ 
Hanoviae, 1611. Vgl. Voet., Bibl stud. theoL, p. 409, 418. 

<) Het eerste deel der >Opera omnia Keckermanni" bevat, van p. 1771 
tot p. 1803, bovengenoemde verhandeling. 

^ B. Keckermannus, Meditatio de insolito et stupendo Ulo terrae-motu, 
quo anno praeterito^ VIII Septembris intra secundam et primam nocHs 
horam tota pene Europa et Asiae (quantum adhuc compertum est) pars 
non exigua^ uno prope momento contremuit^ Heidelbergae , 1602. Vgl. 
Voet., Bibl. stud. theoL, p. 369. 

^ Clem. Timplerus, Opticae systema methodicum. Cui suljecUi est Phy- 
siognomia humana^ Hanoviae, 1617. Vgl. Voet., Bibl. sttui. tkeol.^ p. 357, 385. 

*) Hieron. Zanchius, Opera Theologica^ exc Steph. Gamonetus, 1613. Vooraf- 



Digitized by VjOOQ IC 



TSRÜG IN HEU8DEN. PEEDIKANT TE VLIJMEN. 161 

Met het oog op de toepassing zijner lievelingsstudie ^ de 
logica*), ontleedde h|j eene breede reeks teksten, ten 
einde, naar aanleiding daarvan, allerlei schetsen voor 
preeken te vervaardigen, die hij dan uitwerkte, onder 
het raadplegen van Calvgns ^Institutie'* en «Commenta- 
ren", nevens de ^Aanteekeningen op het Nieuwe Testa- 
ment" van Beza, Zanchius en Piscator*). 

Natuurlgk werden door Voetius niet ongelezen gelaten 
de „Theses", toenmaals verdedigd aan de hoogescholen 
van Leiden en Franeker, van Groningen en Sedan; even- 
als hij trouw op de hoogte bleef der verschillende vlug- 
schriften, vóór en tegen Arminius' volgers in het licht 
gezonden*). Nu eens overwoog hij belangstellend het 
,Schriftuerlic ja" *), door Adriaan Jorissen Smout aange- 
voerd t^en sommiger „onschriftmatich neen", dat de Ge- 
reformeerde kerken hier te lande in niet geringe beroe- 
ring had gebracht ') ; waarbg natuurlgk ook de „Christa- 



gegaan door eene «epistola dedicatom", neemt bedoeld geschrift 432 folio- 
bladzijden in yaxk het derde deel. 

^) «Analytico commentatore , non arbitror magnopere indigere eos, qui 
boni sont logici", verzekert Voetius in zijne Bibl. siiui, theoL, p. 191. Vgl. 
hierboven, blz. 53, aant. 4. 

^ Zie Voet., BibL stud. theol, p. 499, 505, 514. 

') »Paulo post — zoo betuigt Voetius in zijne Dispp, select, torn. V, p. 
458 — ex academids studiis ad ecclesiae ministerium pertractus , totis viginti 
tribus annis non destiti, de his et aliis Bemonstranto Sodnianis controver- 
siis, quae imprimis in Hollandia fervebant, data quacunque occasione in- 
qoirere. et legende, meditando, repetendo in cognitione et wxiife^fi^ veri- 
tatis roagis magisque animum conBrmare*'. 

*) Adr Jor. Smout, Schrifiuerlic ja over de vraghe, of de leer-pointen , 
die ten huydighen daghe in gheschil ghetrocken worden, hei fondament 
der salickeyt raken ofte niet, Teghen het onschriftmatich neen ende zeg- 
ghen van zommighe dat d'opinien van beyde partijen (dat is , ja ende neen) 
hestaen konnen, zo met de waerheyt des Christelicken gheloofs, als met 
de salickeyt der siele, Schiedam, 1613. Zie Auctie-cataL, pars ü, theol. in 
qoarto, n^ 186. Vgl. ResoL HolL, 23 Dec. 1610 en 20 Juli 1613. 

^ Door de uitgave van zijn geschrift haalde Smout zich der Staten ernstig 
ongenoegen op den hals; zie Voet., Polit. eccles.^ tom. I, pars U, p. 475, 



Digitized by VjOOQ IC 



162 VIEBBB HOOFDSTUK. 

Ignen bril" ^) — een anoniem uitgegeven blauwboekje 
van zijn vroegeren studiegenoot , Bernardus Dwinglo *) — 
Yoetius' aandacht bezig hield ^ al ware het enkel om den 
schrijver, wiens naam zich vrij gemakkelijk raden liet ^). 
Dan ging hij weder zorgvuldig na het «Volcomender ant- 
woort"*) door Vorstius, Leidens ambteloozen hoogleer- 
aar % te Gouda neergeschreven , en waarmee deze doelde 



waar deze Smoutius, gebannen binnen VGravenzande, voorstelt als »ortbo- 
doxiae et primigeniae reformationis tenadssimus". Vgl. ook tom. II, p. 282. 

*) Christalijnen hrily tot versterckinge vanfschemerendeghesichtder een- 
voudighen die inde huydenS'daechache verschillen der religie met onverstant 
yveren; waerdoor sy claerlick aenschoutoen moghen het weder-schriftelijcke 
en landt-verderffelijcke ghevoelen Adriani Smoutii^ en sijnder mede- 
standeren , van datmen de voor-standers en dravers der vijf articulen , 
midtsgaders die de selfde oordeelen met de waerheyt des Christelicken 
gheloofs^ en salicheyt der zielen wel te connen hestaen^ behoort na de 
wet Mosis met de doot te straffen, Ghedruckt (z. n. v. pi. en v. dr.), 
anno 1613. 

2) Zie hierboven, blz. 49, 111. 

•) Voet., Polit, eccles,^ tom. I, pars II, p. 445; tom. H, p. 64. 

*) CJonr. Vorstius, 8.th. d., Volcomender antwoort op eenighe twist- 
schriften, onlangs by verscheyden broederen teghen hem uytgegheven, 
voomemelick op de verclaringe d, Sibrandi Lubberti, mitsgaders de 
naerder waerschouwinge der predicanten tot Leeuwaerden, Leyden, 1612. 
Zie Aiictie-cataL^i pars II, tbeol. in quarto, n^. 210, alsook Louis D. Petit, 
Bibliographische lijst der werken van de Leidsche hoogleeraren van de 
oprichting der hoogeschool tot op onze dagen, Leiden, 1894, afl. I, blz. ld. 

^ Naar Gasp. Barlaeus schrijft in zijn Discours oft vertoogh van Gaspar 
Barleus, onder-regent van 't collegie der godtheyt tot Leyden, Waer in 
met een rechtveerdighe vrymoedicheyt van spreken bestraft worden de 
ondeugende raedtslaghen ende betrachtingen van sommige theologanten 
ende predicanten onses vaderlandts, Wt den latyne verduytscht, na de 
copie, Leyden, 1616, blz. 5 (vgl. Petit, a. tv., afd. I, blz. 194), achtten 
de Gereformeerden destijds Vorstius veen ertzketter, op des gemeenen 
landts kosten onderhouden". Vgl. Resol, HolL, 16 Maart en 7 Aug. 1619. 
Volgens Grevius daarentegen »hadden de HH. Staten haer geit noeyt 
beter besteedt, dan aen Vorstium", dien hij, 17 Juli 1617 ten dassicalen 
maaltijd »in Guelen binnen Gomichem" aanzittende, «seer ghepresen ende 
voorgestaen heeft, dat d. Gonradus Vorstius was een exemplaer van duegh- 
den, ende te wenschen waere dat veel sodanighe mannen int landt wae- 
ren ende dierghelycke meer". Briev, en pap, kl, Gorinc/iem. Vgl. hierboven, 
blz. 127, aant. 2. 



Digitized by VjOOQ IC 



TEBUO IN HSUSDKN. PREDIKANT TE VLIJlfEN. 163 

zoowel op de »verclaringhe d. Sibrandi Lubbert!" O ^ 
op de „naerder waerschonwinghe der predicanten tot 
Leeuwaerden" •). Bg eene andere gelegenheid ergerde hg 
zich grootelijks aan de houding der Alkmaarsche magi- 
straat*), Venator bgzonder gunstig gezind*) en scherp 
gekant t^en flillenius'); of wel hem bekoorde ten zeer- 
ste het «Proef ken" •) door Comelius Gheselius geleverd 
,yan de schadelycke verschillen over de salichmakende 



>) Sibr. Lubbertus, Brief aende Staten Generael^ aengaende de bero^ 
pingfie d, Conradi Vorstii^ gheachreven int latyn^ Middelburgh, 1611. 

*) Naeder-waerschouwinghe^ over aeeckere verantwoordingen d, d, Vorstii^ 
onlancx tot syner verschooninge uytghegeven, Gestelt by den dienaren des 
Godtlycken woorts in de gemeynte J, Christin tot Leeuwarden ^ Leeuwar- 
den, 1611. Zie dr. Knuttel, a. w., dl. I, rt. I, blz. 363. 

*) Over Venator, Hillenius en het Alkmaarsche geschil handelt uitvoerig 
dr. Rogge, Wtenbogaert, dl. I, blz. 317—323; dl. II, blz. 58—66; 407,408. 
Zie ook ResoL Holl^ 1610 en 1611 , passim; alsmede die van 27 Oct. 1612. 
Naar Voetius verklaarde in zijne Polit, eccles.^ torn. I, pars n, p. 414, 
was Gom. Tan Hille een «fidelis Ghristi et ecclesiae minister''; daarentegen 
noemde hij Adolf de Jager of Venator een »concionator plus quam remon- 
stranticus", o. /., tom. I, pars n, p. 475. 

*) Declaratio Adolphi Venatoris concionatoris Alcmariani anno 1610. 
nobilibus dd, ordinibua Hollandiae et Westfrisiae exhibita: qua praecipue 
respondet sex quaestionibus super doctrina ejus a senatu ecclesiastico Alc- 
mariano propositis, Belgicae relationi historicae motuum Alcmarianorum 
Alcmariae anno 1611. editae inserta: nunc vero latine cum aliis nonnullis 
actis seorsim excusa, üt judicent ecclesiae omnes orthodoxae, Praemissa 
est prior Adolphi ad easdem quaestiones responsio^ nudis scripturae con- 
textibus instituta (z. n. v. pi. en v. dr.), 1612. Zie Auctie-catal.^ pars II, 
theol. in quarto, n^. 292. 

•) Corte ende tvaerachtige verantwoording he over de proceduren ende 
resolutien die de vroedtschappen van Alckmar^ gelijck teghen andere, als 
insonderheyt over ende teghen Comelium Hillenium op den 17. Julij 
anno 1610. hebben ghenomen, Ghestelt van weghen het meeste ende voor^ 
naemste deel der ghemeynte Jesu Christi tot Alckmar, Enchuysen, 1610. 
Zie Auctie-cataLy pars II, theol. in quarto, n**. 65. 

•) Proefken vande schadelijcke verschillen over de Christelijcke salich- 
makende leere, door de welcke de Ghereformeerde kercke van Rotterdam 
ende vele andere ellendichlijck worden beroert: kortelijck beschreven etide 
verclaert, door Comelium Gheselium, herder der gemeynte Christi voor 
desen tot Rotterdam^ ende tegenwoordichlijck tot Edam^ Amst., 1613. Zie 
Auctie-cataLj pars U, theoL in quarto, n®. 369. 



Digitized by VjOOQ IC 



164 TIERDE HOOFDSTUK. 

leere", om welk proeve burgemeesteren van Rotterdam 
den schrijver »wt hare stadt hadden doen leyden" ')• 

Ook achtte Vlijmens prediker, te midden zijner Pa- 
pistische omgeving, een of ander standaardwerk over 
de Boomsch-katholieke vraagstukken in dubbele mate 
voor zich noodig. Juist om die reden las en herlas 
hij het ^Mysterium iniquitatis" van Philippe Du Ples- 
sis-Momay^). Verder werden door hem nog nageslagen 
de „Opera", en daaronder vooral het i,Problema catho- 
licum" ')> van William Perkins , de „Catechesis palati- 
natus"*) van Reinhard Backofen, enkele homiliën van 
Cyprianus, Basilius en Chrysostomus *) , alsmede John 



*) Ck)rte waerachtighe onderrichtinge ofte beschrijvinghey van de proce- 
duren ende handelinghen der heeren hurghemeesteren ende vroetschappen 
der stadt Rotterdam ^ ende der predicanten^ met sommighe ouderling hen 
van de Duytsche kercke aldaer. Teghens Comelium Geselium^ dienaer 
der ghemeente Christi eertydts tot Rotterdam^ nu tot Edam. Door den 
selven. Ghedruckt (z. n. v. pi. e. v. dr.) 1614. Zie Auctie-catal^ pars II, theol. 
in quarto, n^ 189. Vgl. ResoL Holl, 10 Febr., 10 Maart, 19 April en 
20 Juni 1612; alsook dr. W. Geesink, Calvinisten in Holland^ Rotterdam, 
1887, blz. 145—185. 

^) Philippus Mornayos Plessiaci Marliani, Mysterium iniquitatis seu, 
historia Papattis. Quihics gradihus ad id fastigii enisus sit^ quamque 
acriter omni tempore ubique a piis contra intercessum, Asseruntur etiam 
jura imperatorum, regum, et principum Christianorum adversus Bellar- 
minum et Baronium cardinales, Salmurii, 1611. Vgl. Voet., Bihl. slud, 
theoL, p. 115. 

') »Guilielmi Perkinsi Anglo-Bntanni , \m clarissimi, opera theologica, 
Genevae, 1611". Het vierde boek daarvan bevat: Prohlema de Romanae 
fidei ementito catholicismo. Estque antidotum contra thesaurum CathoU- 
cum Jodoci Coccii et wfOTmiiia juventutis in leclione omnium patrum. 
Onder hen «qui in actu signato et exercito tbeologiam asceticam aut mys- 
ticam tradunt", bekleedt volgens Voetius Perkins eene eerate plaats; zie 
Bihl stud. theoL, p. 496. Vgl. 114, 571. Vgl. ook dr. Hugo Visscber, 
Guilielmus Amesius, Zijn leven en werken, Haarlem, 1894, blz. 13—17. 

*) Reinh. Backbofius, Catechesis Palatinatu^s testimoniis scripturae ac 
sententiis patrum, qui primis 500 a. C. N. annis in ecclesia claruerunt, 
exornata. Zie Voet., Bibl. stud, theol., p. 192, 193, en Allgemeine deut- 
sche Biographie, Leipzig, 1875, Bd. I, S. 755. 

^) »Homiliae nonnullae patrum non sine fructu subinde confeni possunt, 



Digitized by VjOOQ IC 



TEBÜ6 IN HBÜ8DSN. PREDIKANT TE VLIJMEN. 165 

Haywards ^) ^Sanctuarie of a troubled soul", — de laat- 
ste geschriften echter meer uitsluitend in het belang van 
zijn pastoralen arbeid. 

Op die wijze nu verdeelde Voetius binnen zijne omge- 
ving den tijd, tusschen theorie en practijk op kerkelijk- 
theologisch gebied*). Tevens hield hij het oog trouw 
geopend voor de confessioneele , straks ook politieke 
worsteling daarbuiten, welke hare crisis langzaam doch 
onverbiddelgk nader kwam. 

Daar Gecommitteerde Baden , uit naam der Staten , aan 
alle overheidspersonen , die tot hun ressort behoorden, 
to^ezonden hadden de resolutie door hunne Edel Mo- 
genden 22 December 1615 vastgesteld'), waarbij onder 
anderen bepaald werd »dat de regeerders van de steden, 
heerlijckheden , ende dorpen van HoUandt ende West- 



imprimis in materiis raoralibus, e. gr. de ira, ebrietatef avantia, pace etc. 
et in nonnullis ascetid» de morte, roartyrio, patientia etc. Sed cum judido 
legendae imprimis cum probantes aut amplificantes scripturam allegant*'. 
Voet, BibL stud, theol, p. 501, 502. Vgl. Dispp. select., tom 1, p. 87. 

') Zie over John Hayward , wiens hierboven vermeld werk — »a collection 
of prayers and pious meditations" — in 1616 te Londen verscheen en 
door Voetius in het oorspronkelijke gelezen werd : de Dictionary of natio- 
nal biography, edited by Leslie Stephen^ London, 1891, vol. XXV, p. 311, 
312. Vgl. Voet, Bihl. stud, theol.^ p. 176, alwaar het jaar der uitgave 
1611 op eene vergissing schijnt te berusten. 

*) Eene zware , ernstige , ziekte , die Voetius van begin Juli tot einde 
September 1616 bezocht en waardoor hij zelfs »per biduum solidum sine 
sensuum ac rationis usu manifesto cubuit, ut expiraturus quoquo memento 
videretur", belette hem tevens maanden lang naar hartelust te werken. 
Essenius, Orat. fun,^ p. 36. Vgl. Gentman, Lyck-predikatie , blz. 22 en 
hierboven, blz. 107, aant 4. 

*) Tegelijkertijd deden Gecommitteerden *aen de hooft-ofiScieren , burger- 
meesteren ende regeerders van de steden'' alsook »aen de hooft-officieren 
ende regenten van de dorpen" toekomen: een extract uit de Haagsche 
kerkorde van 1591; twee resolutiën, achtereenvolgens door de Staten ge- 
nomen in Februari en Juli 1612 «raeckende de ordre op de religie"; twee 
dito van Mei en September 1611, en eindelijk nog die van Januari 1614 
omtrent »het stuck der hooge praedestinatie". 



Digitized by VjOOQ IC 



166 VIBRDE H00ED6TUK. 

Vrieslandt, die hen in het verkiesen van de kercken- 
dienaren , ouderlingen ende diaconen , midsgaders het hou- 
den der kercken-raden ende classicale vergaderingen, in 
den haren na de ordonnantie van den jare 1591 begeer- 
den te rouleren, het selve souden moghen doen, ende 
by publijcque authoriteyt daer inne ghehandhoudt voor- 
den" ^), zoo vervoegde zich Heusdens drossaard , jonker 
Spierinck van Well ^) — «door ingeven ende aendrijven 
des heeren van Kessel" — in Maart 1616 te Vlijmen bg 
Voetius, en reikte hem genoemde verordening') over 
„om die met sijnen kerckenraet te doorsien" *). 

Hiertoe den eersten Mei „nae gedaene predicatie" samen 
vergaderd , werd al aanstonds door de broeders opgemerkt , 
hoe de ontvangen resolutie geenszins overeenkwam met 
hetgeen bleek bepaald te zijn in de vroeger gehouden 
nationale synoden*); terwijl zg voorts, als uitslag hunner 
«rijpe deliberatie", aan den drost wilden hebben meege- 
deeld: «dat men niet en conde sien wat stichtinge dese 
veranderinge in het beroepen van predikanten, ouder- 
lingen ende diaconen soude mogen inbrengen" •). Immers 
gaf de ordonnantie van 1591 het kerkelijk beroepings- 



*) Zie Resol. Holl, 4—20 Maart, 1614. 

9) Spiennck was, 9 Dec. 1612, aan Nic. Blanckaert opgevolgd. Zie 
Resol. Holl, 7 en 11 Dec. 1612. Vgl. hierachter, bijlage LXXH. Den 20^»» 
Juni 1616 geschiedde binnen de ftx>ntiei*p1aats de eerste afkondiging der 
ondertrouw van vden edelen eerentfesten joncker, jonckheer Rodolph Spie- 
lingh van Well, drossart vande stat en lant van Heusden, mitsgaders 
Engelen en Vlymen, dyckgraef ende maesgraef van het lant van Heusden, 
ende de edele eerentrycke joffrouwe, joffrou Catharina Dutriens". Het hu- 
welijk zelf werd gesloten »tot Tricht". Oud-arch, Heusd,^ J. I, 1. 

') Zie hierboven, blz. 165, aant. 3. 

*) Deductie^ fol. 25. Aan het hoofd der bladzijde schreef Voetius eigen- 
handig: »Van het invoeren der resolutien ende ordre van 1591". 

») Te weten in die van 1574, 1578, 1581 en 1586. 

^ Kerk, arch. Vlijmen^ 17a, fol. 4. Vgl. mr. J. C. Naber, Calwnisi 
of Liheriijnschf (1572—1631), Utrecht, 1884, blz. 56. 



Digitized by VjOOQ IC 



TERUG IN HBU8DSN. PBEDIKANT TE VLIJMEN. 167 

werk in handen van »vier persoenen nyt de wethoude- 
ren des dorps; ende drie predikanten des classis; ende 
maar eenen ouderlingh van wegen de kercke" *). Daarbij 
was het gansch onzeker gelaten y of bedoelde wethouders 
al dan niet ^lidmaten der kercke" moesten zijn: eene 
onzekerheid 9 die ^seer periculoos" mocht genoemd wor- 
den , „besonder op desen tijt , als men siet dat de magis- 
traten ten platten lande meestendeel Papisten sgn ende 
houden haer genoechsaem als openbare vianden van de 
Gereformeerde kercke ende religie''. Ook viel noch uit 
het woord Gods, noch uit de instellingen der oudere zoo- 
wel als der tegenwoordige ware Christelijke gemeente op 
te maken , dat „het verkiesen ende beroepen des herders 
toevertrout was geweest de wolven"; reden waarom die 
handeling, naar Vlijmens consistorie en haar voorzitter 
Gisbertus Voetius decreteerden , „als een deel der kercke- 
lijcker macht, niemant toe en quam dan der kercke''. 

Verder scheen het den kerkeraadsleden, meer bepaald 
met het oog op hun eigen lidmaten „teenemael ongele- 
gen eenige nieuwe kerckenordeninge aen te nemen". 
Eerst kort geleden tot de Reformatie overgegaan als de- 
zen waren, „soude het seer ergerlyck ende aenstootelyck 



1) Omtrent de »Verkiesinghe vandeD kerckeD-dienaren ten 
platten lande*', bepaalt Art. 2 der Haagsche kerkorde Tan 1591 o.a. 
bet volgende: ȣnde soo wanneer inde dorpen eenighen dienaer des 
woordU van nooden sal weeën, sullen de hoofl-officier metten scbout ende 
gberechte aldaer vier persoonen uyten parochie, die sy daer toe alder- 
beqnaemst binden, committeren; die met drie dienaren uyten dasse van 
dien quartiere met een ouderling vande kercke , ofte daer gheen ouderlinghen 
en zijn, met een Tierde dienaer vande voorseyde classe ghesamentlijck 
tot Terkieeingbe van een bequaem kercken-dienaer sullen procederen, ende 
den selven behoorlick doen examineren, ende daer nae der ghemeente inde 
kercke doen voorhouden, omme t'selve inde manieren als voren ghedaen, 
den verkosen dienaer inden dienst aenghenomen, ende sulcx als vooren 
geetelt te worden'*. 



Digitized by VjOOQ IC 



168 YIERDB HOOFDSTUK. 

sijn voor vele swacken , ende spottelyck voor de Papisten, 
soo haest wederom ijet te veranderen". En mocht boven- 
dien uit der Staten resolutie, genomen in hunne dag- 
vaart van 21 Februari tot 24 Maart 1612, met recht 
worden afgeleid, dat de ordonnantie van 1591 alleen- 
lijk ter naleving werd aanbevolen, om, vroeger of la- 
ter, voor eene gewijzigde plaats te maken')» zoo acht- 
ten de broeders het in dit geval dubbel noodig j,by 
provisie te volgen ende te onderhouden de kercken- 
ordeningen van Dordrecht , Middelborgh ende Haege , ge- 
lyck die tot noch toe hier ter plaetsen gevolcht sijn". 
Des te gereeder gingen zij tot zulk een maatregel over, 
wijl het blijkbaar „de meyninge was der ed. heeren Stae- 
ten" om voornoemde ordonnantie den steden, heerlijk- 
heden en dorpen geenszins met geweld op te dringen, 
maar slechts hare toepassing te vragen »daer t' selve be- 
geert ende goet gevonden wert" *). 

Uit dien hoofde berichtte Voetius zijn Heusdenschen 
drossaard, als «somma der gantscher antwoorde", dat, 
wanneer hunne Edel Mogenden zich nader verklaard en 
,oock eenige mitigatie op dese resolutiën" zouden gege- 
ven hebben (gelijk men hoopte en verwachtte), en wan- 



1) » Alles by provisie , ende tot andere sal wesen gheordonneert*'. Resol. Holly 
12 Juli totlO Aug. 1612. — »Item de vergadeiinghe des classis overghelesen heb- 
bende die missive der ed. mog. Staten, geresol veert ende geoixlineert hebben haere 
resolutie ende bedenckinghe op te schorten , oorsake veretaenden dat die ed. 
mog. Staten eenighe vei*anderinge over die aenghediende sake sullen doen'*. 
Hand. cl Gorc.^ 18 April 1616. — »Sijn de voorn, resolutien gesonden de 
cla^^si; doch van de classe niet aengenomen, selfs oock niet daer over ge- 
debateert ofte gedelibereert maer, alsoo men meynde dat de heei*en Staten 
selve daer in eenige veranderinge ofte rooderatie soude gebruijcken, sijn de 
selve ter sijden geleijt, al hoewel de Remonstranten ende andere tot de 
aenneminge wilden procederen". Deductie^ fol. 25. Vgl. dr. Rogge, Witen6., 
dl. Il, blz. 107-201. 

^) Vgl. ResoL HolL, genomen ter dagvaart van 12 Juli tot 10 Aug. 1612. 



Digitized by VjOOQ IC 



tSRUG IN HBÜSBiBN. PBEDIItANT TK VLIJMEN. 169 

neer j^de kercken van Hollant hier op eendrachtelyck sou- 
den geresolveert hebben" — Vlijmens gemeente zich alsdan 
mede bereid verklaarde „de nieawe kerckenordeninge aen 
te nemen soo niet bij forme van approbatie, ten minsten 
bij forme van tolerantie" ')• 

Nog werd in diezelfde kerkeraadsvergadering van 1 Mei 
1616 door hare leden een tweede , niet minder gewich- 
tig punt behandeld 9 naar aanleiding van i^een gedruckt 
boecksken, genaemt in het latgn: Decretum ill. 
ordd. Holl. et Westphrisiae, over het welcke was 
^jtg^even een seeckere resolutie op den naeme der ed. 
heeren Staeten" '). In tgdsorde ging aan bedoeld boekje 
vooraf een ander, dat, gericht tegen i, veler schandelicke 
calomnien , ende bysonder tegen den brief onlangs by Si- 
brandum Lubberti geschreven aenden eer-weerdichsten 
aerts-bisschop van Cantelberch", tot auteur had den ad- 
vocaat-fiskaal Hugo de Groot, wiens ambt, gelijk hg be- 
tuigde , meebracht ,der heeren Staten recht ende hoocheyt 
voor te staen" '). Zijn geschrift: „Ordinum HoUandiae ac 
Westfrisiae pietas" *) was dan ook bepaaldelijk aangelegd 
op de verdediging , in zake Vorstius' beroep , zoo van Lei- 
dens curatoren als van Hollands edel mogenden. Ofschoon 
reeds terstond vrg scherp bestreden *), liet de Groot door 



«) Kerk, arch. Vmmen, i7a, fol. 4, 5. 

«) Kerk, arch. Vlijmen, i7a, fol. 5. 

*) Hugo de Groot, Der heeren staten van Hollandtende West-Vrieslandt 
godta^iensticheyt, Overgheset wt de Latijnsche spraecke, 8* Graven-haghe , 
1613, blz. 2. 

^ Ordinum Hollandiae ac Westfrisiae pietas ah improbissimis multO' 
rum calumniis^ praesertim vero a nupera S, Lubberti ispistola, quam ad 
reverendissimum archiepiscopum Cantuariensem scripsii vindicata: per 
H. Ctrotium, earundem ordinum fisci advocatum, Lugd. Bat., 1613. 

<) In lijo Discours zegt Barlaeus, op bis. 10 en 11, na Tooraf de Groots 
boekje vermeld te hebben: »Wat doet men? De Vriesche doctoren Sibrand, 
Bogerman en Soping maken dch flucx daer teghen op, met de welcke 



Digitized by VjOOQ IC 



170 VIEBDE HOOFDSTUK. 

die verschillende aanvallen zich in het minst ni^t ont- 
moedigen, maar hielp hij kort daarop, bijgestaan door 
Wtenbogaert ^), en na herhaalde wijziging der oorspronke- 
lijke schets , Oldenbamevelt zoowel als het meerendeel der 
Staten^) aan eene ,, Resolutie totten vrede der kercken" *)• 
uitgaande van de verzekering, dat zij »wel ende be- 
hoorlick" hadden gelet op hetgeen ter Haagsche confe- 
rentie van 1611, «tusschen twaelfkercken-dienaren, eerst 
mondelinghe verhandelt, ende daer naer, beneflfens hare 
respective advisen in gheschrifte overghelevert was" *), 
deden de staten van Holland en West-Friesland met deze 
verordening een beroep op »die authoriteyt, die haer, 
als wettelicke hooghe overicheyt, nae Godes heylighe 
woordt, ende het exempel vanden coninghen, princen 
ende republijcken , die reformatie vande religie aenghe- 



sich vergeselschapt den rector van de schole tot Amsterdam Mattheas 
Slaad, ende alle vier uyt een gat blasende, vallense elck om seerst hem 
op 't lijf, ende slyten op 't hooft des voortreffelijcxsten mans (wiens ghe- 
lijck niet en leeft) alle de angels van schimpredenen ende scheltwoorden , 
die de onbeschaemtheyt hun ingeeft". Zie echter ook Resol, HolL, 28 
Juni 1619. 

1) Voetius, in zijne Dispp, select^ torn. IV, p. 726, noemt als »&bricator" 
ook Petrus Bertius. 

«) Vgl. dr. Rogge, Wtenbogaert, dl. II, blz. 207. 

>) De oorspronkelijke, Latijnsche, titel luidt: Decretum ülustrium etc 
potentum ordinum Hollandiae et Westfrisiae pro pace ecclesiarum ^ mu- 
nitum sacrae scripturae auctoritate, et conciliorum, antiquorum patrutn^ 
confessionum publicarum, et recentiorum doctorum testimonns, Lugd. Bat., 
1614. Over dat «Decretum" handelt Voetius breedvoerig in zijne PoZit. ecc2e$., 
tom. III, p. 41 — 46. Om zevenderlei redenen beantwoordt hij daar ontken- 
nend de vraag: j»An decretum ill. et potent. Hollandiae ordd. anno 1614. 
mense Januario conditum fuerit legitima doctrinae publice in ecclesüs tra- 
dendae regula, concordiae et consensus formula, ad veritatem et pacem in 
ecclesiis retinendam reducendam promovendam comparata; atque adeo ab 
ecdesiis et ministris recipienda?" Vgl. Brandt, a. lo., dl. II, blz. 235, 236; 
mr. Naber, a.to., blz. 57—59, en dr. Rogge, Wtenb., dl. U, blz. 197—200; 
209—217. 

«) Zie bijlage LVm. 



Digitized by VjOOQ IC 



TRBÜO IN HSÜ80SN. PBBDIKAOT TK VLIJMEN. 171 

nomen hebbende , was competerende" ; om verder , krach- 
tens hun besluit van Januari 1614 , te ordonneeren, hoe 
,by een yegelick aendachtelick soude gelet worden op de 
yermaninge des h. apostels Pauli^ leerende^ dat niemant 
en ghevoele boven het ghene dat hy behoort te ghevoe- 
len'\ Nader omschreven hunne Edel Mogenden dit pas- 
send gevoelen als bestaande hierin : „dat by alle kercken- 
dienaren de goede ghemeynten ende inghesetenen by alle 
gbelegentheyt ingheplant worde, dat het begin, midden 
mde eynde van ^smenschen salicheyt, ende namentlick 
oock het geloove, niet des menschen natuyrlicke krach- 
ten ofte wercken, maer alleen die loutere onverdienbare 
genade Godes in Jesu-Christo onsen saligh-maker toe- 
geeygent moet worden: dat God almachtich gheen men- 
schen gheschapen en heeft ter verdoemenisse : geen men- 
schen tot de sonden nootsaect; nochte geen menschen 
tot de salicheydt noodt, die hy gantscheligck besloten heeft 
die niet te geven". 

Was het al, naar de Staten opmerkten, gebruikelijk, 
dat aan de hoogescholen en door de predikanten in der 
minne werd geconfereerd over de beteekenis der schrif- 
taurplaatsen , handelend ^vande praedestinatie ende ge- 
Yolghe van dien" — hetgeen hunne Edel Mogenden vrije- 
Igk lieten begaan — toch stonden zg niet toe «dat die 
hooge disputen , waer uyt , tegens hunne ordre ende goede 
meyninghe, ongherijmde na-duydinghe ende extremitey- 
ten souden volghen", op den preekstoel of onderdegroote 
menigte werden gebracht; evenmin als zij konden dulden 
ydat die ghene, die inde voorsegde uytlegginghe niet 
hoogher en leerde ofte en gevoelde, dan dat Gk>d den 
Heere almachtich van eeuwicheydt nae sijn wei-behagen, 
ghegrondt in Jesu Christo onsen heylant ende salichma- 
ker ter eeuwigher salicheyt vercoren heeft , den ghenen , 

Digitized by VjOOQ IC 



172 VIKBDB HOOFDSTUK. 

die door de onverdienbare ghenade ende werckinge des 
heyligen geestes, in onsen Heere Jesum Christum geloo- 
ven, ende inden selven geloove door ghelijcke onverdien- 
bare genade, ten eynde toe volharden: ende daer jegens 
ter verdoemenisse verworpen heeft den ghenen, die in 
Jesum Christum niet en gelooven , ende in ^t selve onge- 
loof ten eynde volharden" — gemolesteerd en verplicht 
zou worden „hooger te leeren of te gevoelen". Immers 
hielden Hollands staten ,de selve leere genoechsaem ter 
salichheyt ende tot Christelicke stichtinge bequaem" ^) — 
gelijk zij die ook staafden, zoo tegenover predikanten 
als gemeenteleden, met eene reeks van bewgsplaatsen 
ontleend, niet slechts aan de Schrift maar evenzeer aan 
«concilien, oudt- vaderen, openbaere confessien mitsgaders 
sommige leeraren van die tijden"^). 

A%aande ongetwgfeld op nadere en meer uitvoerige 
inlichtingen hun door den praeses verstrekt, oordeelden 
Vlijmens kerkeraadsleden')» dat der Staten ordonnantie 
„niet weijnich als bedectelycken inruijmde de nieuwiche- 
den der Remonstranten van den vrijen wille des men- 
schen ten goede etc. met den aencleven van dien". Waar 
eenmaal dit onderwerp ter sprake was gekomen, daar 
betuigden tevens de broederen met nadruk, en deden 
zulks notuleeren, „dat sij (latende de classicale vergade- 



>) De hierboven gevolgde vertaling van bet »Decretum*' is die, welke 
voorkomt in de Verdedigingh vande resolutie der mog, heeren staten van 
Hollant ende West-Vrieslant ^ totten vrede der kercken^ teghen seker 
libel ^ gheintituleert Antwoort op drie wraghen^ dienende tot advijs in de 
huyden-daeghsche zwarigheyden. Eerste deel. Ghestelt door Johannem 
Wienbogaert , kercken-dienaer in '« Graven-haghe, EcclesiasU 3 : 7. Swii' 
ghen heeft sijnen tijdig spreken heeft sijnen tijdt^ ' s Graven-baghe, 1615. 
Vgl. Voet., Dispp. select, tom. IV, p. 726; Polit. eccles., torn. U, p. 266; 
tom. m, p. 756—760, alsmede dr. Rogge, Wtenb., dl. E, bis. 209—214. 

t) G. Brandt, a.w., dl. E, blz. 239. 

») Kerk, arch. Vimmen, i7a, fol. 5. 



Digitized by VjOOQ IC 



TEBÜ6 IN HEÜSDEN. PREDKANT TE VLIJHXN. 173 

ringen het voorder ondersoeck ende examen der voor- 
Doemder resolutie) genoech hadden aenden catechismum 
ende Nederlantsche confessie. Wel gerust ende te vreden 
in de leere der Gereformeerder kercken tot noch toe u^t 
Godes woort soo in andere als in dese landen sugverl^ck 
gepredickt" — verklaarden zij i,eendrachtelijck geen ge- 
noden te hebben soo aen de leere als procedueren der 
Remonstranten". 

Hoezeer het den kerkeraad van Vlgmens gemeente en 
inzonderheid haren voorzitter, öisbertus Voetius, ernst 
was met die betuiging, zou spoedig blgken. 



Digitized by VjOOQ IC 



VIJFDE HOOFDSTUK. 



Gereformeerden in nood. Naar de raderstad. 

Nicolaus Petri Houweningius , of gelijk men hem te 
Heusden eenvoudigweg noemde : „Claes Pietersz." ^), was 
omstreeks het voorjaar van 1615 gestorven*), tot leed- 
wezen zijner gemeente en van zgn ambtgenoot Grevius. 
Immers deze had , vooral sedert het vluchtig bezoek door 
Wtenbogaert , Taurinus ^) en Adriaan van den Borre aan 
de frontierstad gebracht*), in hem een ijverigen mede- 
stander gevonden bij het verbreiden der Remonstrantsehe 
beginselen '). 



1) Oud-arch. Heusden ^ E. 55, foL 57. 

a) Oud-arch, Heusden^ E. 58, fol. 12 verso. 

») Jacobus Taurinus was toentertijd predikant te Uti*6cht (1605 — 1618). 
Zie over hem de verhandeling van dr. H. C. Rogge in: Acquoy en Rogge, 
Arch. V. Nederl. kerkgesch., dl. lU, blz. 105—264. 

*) Dat bezoek vond plaats op den iQ^^^ Juni 1613; zie Oud-arch, Heus- 
den, £. 213, bijlage tot fol. 33 verso der gemeenterekening. Vgl. C. Bar- 
laeus, Discours, blz. 20: »Hy (t. w. Wtenbogaert) wordt gheseyt met den 
eerweerdigen man Adriaen van den Borre , na 's Heitogenbosch ghereyst te 
zijn, aldaer met de Jesuijten ghegeten, ende seker bondtghenootschap met 
hun aenghegaen te hebben'*. Volgens dr. Rogge, Wtenb,, dl. II, blz. 268, 
was de Haagsche hofprediker «gebruik makende van de vrijheid, die de 
Staten gedurende den wapenstilstand gunden, naar Den Bosch geweest, 
om gelden van verkochte landerijen zijner schoonmoeder te innen". 

^ Aan Heusdens kerkeraad betuigde later Grevius, dat van Houweningen 
»een jaer voor syn doot mede de remonstrantie geteeckent hadde", Briev, 
en pap, kl, Gorinchem, «Nicolaus Houweningen was mede nu aen 't 



Digitized by VjOOQ IC 



GEKEFOBMEBBDEN IN NOOD* NAAR DB VADEBSTAD. 175 

Niet lang na van Houweningens ongesteldheid — die , 
bronnen in Januari, terstond «genouchsaem dootlick" werd 
geoordeeld ^) — was Grevius ,verscheydenmalen ugtge- 
regst", om zgne Arminiaansche geestverwanten op te zoe- 
ken en met hen te raadpl^en over het vervullen der 
aanstaande vacature. Toen nu «op de b^p:ae£fenisse Ni- 
Golai^^ diens bejaarde, van middelen geheel en al ont- 
bloote vader*) de ringpredikanten , welke haar bewoon- 
den ,over maeltyt" dringend verzocht, ten voordeele 
der nagelaten, allen nog minderjarige kinderen'), «de 
plaetae van Heusden'' eene poos *) ,te helpen bedienen", 
bleek ieder onmiddellijk bereid aan z|jn wensch te vol- 
doen. Dit belette echter niet, dat Grevius in deze »op 
eggen autoritegt" te werk ging. 



glijm, ende daertoe row van leyen", luidt het bij Nic Voet, in zijne reeds 
vmmelde aanteekeningen. Zie Kist en Moll, Kerkhist, arch.^ dl. I, blz. 310. 

O Deductie y fol. 5. 

^ Oudrarch. Heuêden, E. 214, fol. 99 yerso. Vgl. E. 59, fol. 67 verso. 

*) Het oudste, Ambrodus, was toen »een tbie^jarigh joncksken", bij 
wien zich reeds vertoonden «clare teekenen van een voortreffélycken ende 
tot die studio ganscb bequame verstant". Grevius deed hem, na van Hou- 
weningens dood, bij Samuel de Prince »ter schole liggen*', en vroeg tevens 
in een request aan Heusdens magistraat voor den knaap eerst geldelijke 
ondersteuning, later het stadsalumniaat te Leiden. Ook door Voetius wer- 
den, in vervolg van t^d, Ambrosius' belangen als bursaal zorgvuldig en 
trouw behartigd. Zie Oud-arch. Heuaden, E. 215, fol. 65 en £. 217, foL 
30 verso. 

*) In de meermalen hier genoemde Deductie, die met de Briev. en pap. 
kl. Gorincheni eene der hoofdbronnen voor ons verhaal uitmaakt, wordt 
fol. 5 gesproken van »een jaer". Hollands staten evenwel hadden onlangs 
geordonneerd »alle de classen in desen quartiere te worden aengeschreven , 
datse elcks in hunnen ressorte geene plaetsen van kercken-dienst langer 
souden mogen laten vaceren als ten uytersten ses maenden, ende de 
handthouden, dat binnen de selve tyd de vacante plaetsen bekleet wier- 
den met goede opregte Grodt vresende, en vreedtsame persoonen, alsoo men 
niet en verstonde voortaen de weddens aen de weduwen of kinderen van 
den overledenen anders als voor den tydt voorsz., ende vorder of anders 
niet te betalen". Re9ol. Holl, 6 Febr. 1612. Vgl. Band. cl. GarCy 30 
April 1612. 



Digitized by VjOOQ IC 



176 VIJFDE HOOFDSTUK. 

Zonder zich aan de gemaakte afspraak te storen, of 
het verlangen van den daarbij betrokken kerkeraad te 
eerbiedigen, liet hij, uit zijne ringbroeders, alleenlijk 
Samuel de Prince j,staende tot Baerdwyck ende Armi- 
niaens gesind" enkele vacatuurbeurten waarnemen. Voor 
de andere zocht hij hulp bij de Bommelsche classis. Dien- 
tengevolge traden Henricus Leo ^) en Qerard Duyf huizen ^), 
twee besliste Remonstranten, meermalen „in zijn absen- 
tie als ooc in zijn tegenwoordicheyt" te Heusden op. Door 
zulk eene handelwijze verbitterde Grevius niet weinig 
den grootendeels streng-Gereformeerden kerkeraad, en 
legde hij tevens „de fundamenten van scheuringe tusschen 
hem ende de predicanten ten platten lande", tot wie „voor- 
nementlicken" David du Piere , evenals ook Snoeck , van 
der Rosieren , Adriani en Voetius behoorden *). 

Ofschoon de Greeff geen ambtgenoot te Heusden naast 
zich begeerde dan een, „die in de vijff articulen ten 
minsten met hem soude conniveren ende modereren", 
vreesde hij toch, big de toenmalige gezindheid des ker- 
keraads , „zijn voornemen niet te cunnen uitvoeren", en 
achtte het dus zaak „gedurende haren dienst" van de 
door hem gekoesterde plannen zoo weinig mogelflk te 
laten blijken ^). Om al aanstonds de gedachten af te lei- 
den op dit punt, „liet Grevius hem verluijden" — nu 
eens in het consistorie , dan weer ten huize van sommige 
gemeenteleden — „dat hy een out, bedaecht man wel 



1) Zie hierboven, blz. 126, aant. 5. 

2) Gerardus Adrianus Duyfhuizen was, sedert 1611, predikant te Well 
en Ammerzoden. 

s) Abrahamus Adriani stond te Eethen, dat toen nog was gecombineerd 
met de dorpen Drongeleu , Heesbeen en Meeuwen. Zie voorts hierboven , bl2. 
132, aant. 1. 

^) Die wijze van doen bij de Greefif herinnert nog eenigermate aan zijne 
vroegere houding. Vgl. hierboven, blz. 130 en 131. 



Digitized by VjOOQ IC 



OEREFORMEBBDÏN IN NOOD. NAAR DE VADERSTAD. 177 

geeme tot een coUegam wilde hebben ende sodanige best 
diende beroupen te werden". Onder de hand zocht hij echter 
Antonius Leo , toen nog proponent en in den bloei zijner 
jaren, voor het vervullen der Heusdensche vacature te 
winnen, niettegenstaande hij dezen «eenen ongeleerden 
ende hoveerdigen geck hadde gescholden", ten tijde, dat 
bedoelde Antonius , ^^twistich" met zgn broeder , Henricus 
Leo ^), zich eene korte poos heftig had gekeerd tegen de 
Arminiaansche &.ctie. 

Vooral de GreeflFs «hardelic ende bitterlic doorstrgcken" 
van ieder , die »ijet tegen de nieuwe opinien Vorstii ende 
Arminii wilde seggen", vervreemdde hem van zijne ge- 
meente*) en van het meerendeel der ringbroeders. Nog 
kwam daarbij de groote nalatigheid, met welke hij, op 
het oogenblik door geen jongeren collega gesteund, te 
Heusden zijne bediening waarnam '). Telkens , zooals het 



») Vgl. hiernaast, blz. 476. 

^ Meer dan eens ontbood Grevius, op eigen gezag, leden der gemeente 
»om ter cause vande leere in den kerckenraet te verschijnen'*. Tot hen 
behoorden o.a. A.nthonie Yersluys en Frans Goossens, die echter »niet en 
compareerden*'. Wel kwam daar Dirk Goossens »lest afigegaen diacon, 
weijnich tijts voor Paesschen a®. 1645". De Greeff bestrafte Dirk »opentlic", 
wijl deze »t' zijnen huijse hadde de Waerschouwinge van Vrieslant*', ge- 
richt tegen »Conradi Vorstii bouck Yande nature Godts", zeggende, dat 
het hem niet vrijstond «sodanige boucken te hebben ofle te lesen". Hierop 
na antwoordde diaken Goossens den predikant: »dat t'selve uijtgegeven 
was bij de ed. heeren staeten van Yrieslant, ende derhalven geoorloil veas 
van hem sulcks gelesen te worden, alsoo oock hij belast wierde, alle 
geesten te beproeven". Deductie ^ fol. 7. Vgl. in 'Briev. en pap, kl, Gorin- 
chem de depositie, op 6 Juni 4648 afgelegd door Dirk Goossens, Willem 
Toelinck en Johan Beelaerts. 

*) Zoo heeft Grevius, »tegen danck ende advijs" van Heusdens kerkeraad, 
»in den somer des jaers 4645 een van de twee weeck predicatien vooreen 
wijle tijts afgeschaft, gelijck sulcks ten overvloet kan gedoceert werden 
oijt de memorie cedulen der diaconen". Briev, en pap, kl. Gorinchem^ 
depositie op 29 Mei 4648 van Willem Verhoutert, Willem Tuelinck Ge- 
rardsen en Lambert Jarensen. Vgl. Voet. Polit. eccles,^ i, III, p. 254: »dum 
solus Remonstranticus concionator istic (n. Heusdae) cathedram obtineret, 
eaque non raro vacaret, ipso peregre profecto, aliquando propria sua 



Digitized by VjOOQ IC 



178 VIJFDB HOOFDSTUK. 

heette, wegens ambtel^ke aangelegenheden uit de stad, 
bleef Grevius soms dagen achtereen weg , „sonder dat de 
kerckenraedt van zijne reijse ijet wiste" ^), en dan moest 
3,de weeckpredicatie , die hij niet versorcht hadde, stille 
staen". Dit was onder anderen ook geschied, tijdens „de 
weecke na Paesschen'), anno 1615". Gebruik makende 
van de Greeffs afwezigheid, stelde men, in die dagen, 
onder persoonlijke leiding van enkele oud-ouderlingen, 
binnen de frontierstad een request op , hetwelk , door de 
leden der gemeente — ^weynige uytgenomen" — getee- 
kend en „gecommuniceert met het meerdeel der tegen- 
woordige ende gewesene wethouderen" ^), aan den onlangs 
nieuw-verkozen kerkeraad *) zou worden overhandigd , met 
verzoek „dat hij doch in het beroupen van eenen tweeden 
predicant mede wilde letten op den persene Gisberti 
Voetii, zijnde borger ende alumnus der stede Heusden, 
vermits men meijnde dat de dienst van voorsegde Voetii 
vruchtbaer ende stichtelick soude zijn". 

Toen nu Grevius „des Saterdachs avonts, ontrent het 
poortsluflten", zich nog altijd liet wachten , meenden „die 
vande kerckenraedt", bij missive*) een der ringbroeders, 

autoritate (contra constitutiones ecclesiasticas) aliquos in cathedra locaret, 
quod ad dona concionandi ineptos, aut quod ad doctrinam heterodoxos, 
aut quod ad 7itam et honestam conYersationem dissolutos". 

1) Slechts bij uitzondering berichtte Grevius aan Heusdens consistorie 
zijne afwezigheid. Zie bijlage LXXUI. 

^) Paaschzondag viel dat jaar op 18 April. 

3) »Vande welcke sommige t* zelve geteeckent hebben ende sommige t* 
zelve geapprobeert, belovende de hant daer aen te houden dat de inhout 
der requeste geëfiectueert mochte werden, eenige ooc hebben haer indiffe- 
rent gehouden, sonder eijgentlic hierinne haer te willen bemoeijen". 
Deductie, fol. 8. 

^) De nieuwe kerkeraad placht alstoen in Heusden bevestigd te worden 
op «Dominica laetare"; d. i. op den vierden Zondag tijdens de groote 
vasten, drie weken vóór Paschen. 

^ Genoemde brief was in aller naam onderteekend door Anthonie van 
Gemert, Willem Tuelinck en Lambert Jarensen. 



Digitized by VjOOQ IC 



GBREFORMEERDEN IN NOOD. NAAR DB VADEBSTAD. 179 

en wel Vlgmens prediker, te moeten ontbieden, ,op- 
dat den dienst des Sondaechs, wesende beloken Paes- 
schen, niet en soude vaceren*\ Ingevolge deze aanvraag 
om hnlp, deed Voetius «sijne eggen plaetse ledich staen", 
en b^af hij zich 25 April naar Heusden, waarbinnen 
de Greeff ^s morgens vroeg, te halfzeven, juist v^as te- 
ruggekeerd , om er »de voormiddachse predicatie" te hou- 
den over »het Sondaechs evangelium uijt Joh. 20". Ge- 
komen aan de woorden^): » Vrede sy u lieden", in vers 
21 , nam Grevius , »die niet had willen verstaen dat Voe- 
tius soude prediken", daaruit onvoorziens i,occasie, om 
hevich ende bitterlijck tegen de gemeynte uijt te vaeren" *). 
Terstond na afloop der godsdienstoefening, kwamen in 
de consistorie getreden jonker Willem van Cuyck '), »rent- 
meester van des Graefiélijckhegts domeijnen" *), Dirk Goos- 
sens van der Horden, ^stadssmith", Willem Wteneng, 
«apothecaris ') ende hooftman vande colveniers schutters" 
met mr. Anthonie Versluys, j,chirurgyn", ten einde den 



*) Het aanhalen 7an schriftuurplaataen geschiedt hier voorloopig nog nit 
den zoogenoemden bijbd van »Denx Aes", den Gereformeerden kerkbijbel 
dier dagen, door Voetius reeds meegebracht in het Staten-collegie (vgl. 
hierboven, blz. 38), en gedrukt »tot Leyden, bij Jan Paedts Jacobsz. ende 
Jan Bouwensz., anno 1589*'. Zie over die bijbeluitga ve B. ter Haar en W. 
Mol], Geschiedenis der Christelijke kerk in Nederland ^ in tafereelen, 
Amst., 1860, dl. II, en aldaar van dr. A. Kuypers opstel: blz. 08, 99. 

*) Niettemin schrijft diezelfde Grevius later (1620), in een brief aan 
Bernardns Brantius: »Ooncionee meas non seditionis, non tumultus, non 
contemptus summarum potestatum, non insolentiae, non proterviae occa- 
siones aut flabeUa et incitamenta esse volui". Proest, ac erud. viror, epist., 
p. 629. 

*) Hij was een zoon van Jan van Cuyck »heere van Heyst", en diende 
eertijds met Voetius' vader bij de compagnie van Heusdens gouverneur, 
Floris van Brederode. Zie hierboven , blz. 21 , alsook Bijdr. en med.^ dl. 
Xn, blz. 319. Naderhand pachtte Willem van Cuyck de accijnzen te Wijk 
en Aalbui-g: Oudnirch, Heusden^ E. 57, fol. 6. 

«) Resol Holl, 10 Aug. 1605. 

*) Resol HolL, 30 Nov. 1594. 



Digitized by VjOOQ IC 



180 VIJFDE HOOFDSTUK. 

kerkeraad het request aan te bieden, de vorige week in 
orde gebracht. Nauwelgks had Grevius dat verzoekschrift 
doorloopen, of hij begon ,de gene, die het geteeckent 
hadden, te schelden voor perturbateurs ende meuyt- 
maeckers, die van de magistraet tot Heusden ende de 
heeren Staten behoorden gestraflFt te worden, culperende 
ooc grotelix , dat de requeste aende ouderlingen ende diaco- 
nen ingestelt was ende zgnen naem daer uytgelaten , daer 
hij het hooft was vanden kerckenraedt" ^). Toch gaf hij , 
op aanhouden der broeders, en »na dat veele debatten 
van wedersyden gevallen waren", zijne toestemming, om 
Voetius de namiddagbeurt te doen waarnemen — »welcke 
predicatie hij selffs in persene heeft aengehoort, als ooc 
de heere van Kessel" *). 

Laatstgenoemde, sinds eenigen t^d door een schrgven 
van Wtenbogaert voor de Greefls keuze gewonnen, en 
meenende «dat het in dese conjuncture seer dienstieh 
was, dat Antonius Leo*) soude beroepen werden, als de 
welcke beter met Grevio soude accorderen als Voetius" *), 



^) Wat die laatste bijzonderheid betreft, yolg ik het verhaal, Toorko- 
mende in de ons bekende Deductie y fol. 8. Eenigszins anders wordt het 
gebeurde teruggegeven door eene depositie van bovengenoemde commissie, 
6 Juni 1618 afgelegd en bewaard bij de Briev, en pap, kl, Gorinchem, 
aldus luidende: »Verclaren mede doen uijt den monde Grevii gehoort te 
hebben, tot verscheyden reijsen, dat hij het hooft was van de kerck, ende 
dat derhalven sijnen naem moste uijtgedruckt sijn in de requeste. Waerop 
Wtteneng antwoorde, Christus is het hooft van de kerck, ghij sijt maer 
dienaer der gemeijnte". 

^ De Homes, heer van Kessel, vroeger in garnizoen te Geertruidenberg, 
was van 1613 tot 1623 militie-gouverneur te Heusden. Oud-arch, Hens- 
den, E. 55, fol. 42 verso. Zie ook Brandt, a.to., dl. IV, blz. 1102. 

*) Antonius Leo kwam in 1618 als proponent te Haaften. Een jaar later 
beroepen en bevestigd te Schoonhoven, woonde hij o. a. in 1623, als afge- 
vaardigde der Goudsche classis, de provinciale synode te Brielle bij, waar 
hij ook Voetius aantrof. Leo stierf te Schoonhoven in 1638. 

^) In een tweede zijner eigenhandig geschreven «notities'*, gevoegd bij 
de Briev, en pap, kl, Gorincfiem, en hier vermeld als Gisb, Voet. 



Digitized by VjOOQ IC 



GEBEFOBMBBRDEN IN NOOD. NAAB DB YADEBSTAD. 181 

ontbood nog dien 25»*«^ April Dirk Goossens bg zich op 
het kasteel y ten einde hem daarvan „te persuaderen^\ 
Toen de Homes ^) in zijn pogen niet slaagde , beproefde 
14i> «wegnige dagen" later — doch met geen gunstiger 
gevolg — hetzelfde bij Wteneng. Ook bracht Zgne Ge- 
nade persoonlgk een bezoek aan de magistraat op het 
stadhuis , alwaar hij „swaerlicken de gemeijnte ende bor- 
gerije heeft beschuldicht over de teeckeninge der requeste, 
seggende dat hare autoriteyt daer mede vertreden werde 
ende hg gestelt was om die te maintineren" ; eene aan- 
klacht, door den militie-gouverneur herhaald t^enover 
de heeren van Driel , de Beveren *) en Basius , welken 
Hollands staten „doen ter tgt" naar de frontierstad had- 
den gecommitteerd — onder toegevo^de verzekering, 
dat de overgave aan den kerkeraad van het bewuste ver- 
zoekschrift, in Voetius' belang , was »een criminele saecke, 
die behoorde gestraft te werden"; met welke uitspraak 
hunne Edel Mogenden, „even partydich", instemden, 
,selffe eer sy de requeste gesien ofte gelesen hadden, 
alleenlick haer prejudicie funderende op het rapport des 
heeren van Kessel" *). 



Aant. N^. Il, deelt hij mede, dat Antonios Leo zoowel door de Dordtsche 
predikanten Becius , Dibbets en Lydius als door Wtenbogaert den gouverneur 
was aanberolen, voor het vervullen der Heusdensche vacature. Uit dien 
hoofde — verhaalt Voetius — »hadde sijne Ed. verscheijden van de ma- 
gistraeten bij sich ontboden, ende geseijt, dese man die soudo ons hier 
dienen, die wert van beijde partijen gerecommandeert dese is moderaet , etc.*'. 

O Zie hierboven, blz. 156, aant. 5. 

^ Willem de Beveren, i*entmeester-generaal van Zuid-Holland en burge- 
meester van Dordrecht, bleef, ook toen Maurits aldaar in 1618 de Wet 
•verzette", aan het hoofd des bestuurs. Voorts was hij gedurende vieren- 
twintig jaren lid van de Statenvergadering. Zie Van der Aa, Biogr. tuoor- 
denb.^ in voce. 

*) Aan den heer van Kessel, die bedoeld request achtte «een saecke 
van quaede consequentie", antwoordde Voetius: »dat het sulcken crimen 
niet en was, dat het niet verboden was ijet met requeste te versoecken, 



Digitized by VjOOQ IC 



182 VIJFDB HOOFDSTUK. 

In nog veel dreigender, onstuimiger taal gaf Grevius 
aan zijne verbolgenheid lucht op de classis Dinsdag, 27 
April 1616, te Gorcum gehouden^), waar hij ,soo groten 
misgenougen over dit doen der gemeijnte toonde , dat hg 
niet alleenlick Voetium seer hevich scholt", maar ook ver- 
scheidene andere predikanten, »die hem over zijne pro- 
ceduren vermaenden , hem biddende te willen na stilheyt 
trachten , met onbehoorlicke ende onverdiende hardicheyt 
bejegende"*). Zelfs liet hij hier, zoo binnen als buiten 
de vergaderzaal, meer dan eens de betuiging hooren: 
j,dat daer groote tumult ofte oproer tot Heusden was; 
datter noch bloet om soude vergoten werden *) ende bloe- 
dige hemden gedragen; dat mijn heer den gouverneur hem 
soude moeten voorsien met meerder gamisoen, wilde hg 
de stat tegen de muijtineerders versekeren" •). 

Ten einde nu, zoo goed en zoo dra mogelijk, uit dien 
toestand vol spanning te geraken , slo^ Heusdens kerke- 



besonder van een gemeijnte aen de ouderlingen ende diaconen, die haere 
medebroederen sijn. Dat het dan (gelijck de Spaignart sustineerde) oock 
een crimen moste sijn dat sijn Ed. heer yaeder neffens d'andere edden 
ende heeren hier te lande requeste hadden gegeven aan madame de Parma, 
dat de seWe daeiïnne dan oock qualijck mosten gedaen hebben. Hierop 
exdpieerde sijne Ed. al lachende, jae maer hoe sijn sij oock daer over 
gevaren. Waerop Voetius vrij wat eemstich repliceerde: mijn heer, non 
quaeritur de facto sed de jure, haer is cracht ende gewelt geschiet'". 
Gisb. Voet. Aant, N**. H. 

^) Op die vergadering zal Grevius, volgens eene verklaring, afgelegd en 
ondeileekend door Josephus van der Rosieren , o. a. »in effect alsoo gbe- 
sproken hebben: dat hij niet en wilde, dat hem ijemant, nochte classis, 
nochte kerckenraet, souden bemoeijen met de saken ende beroepinghe van 
Heusden , maer dat hijt alleen soude wtvoeren". Briev, en pap. kl. Gorinchem. 

«) Zie hierachter, bijlage LXXIV. 

') Dat had o. a. Voetius , naar hij later attesteerde , de Greefi* hooren 
zeggen tegen Petrus Leewius gelijk ook tegen hem zelven, te Gorcum »in 
de geestcamer, daer auctie was van Nic. Houweningü boecken". Briev, en 
pap, kl. Gorinchem, 

*) Vgl. bijlage LXXV. 



Digitized by VjOOQ IC 



OEREFORMSSRDSN IN NOOD. NAAR DB VADERSTAD. 183 

raad, in zijne „naeste"' samenkomst, aan de Greeff een 
soort van compromis voor, waarbij deze »om vredes 
wille sonde desisteren van dien dienaer den welcken hy 
proponeerde" , terwijl de gemeente, vertegenwoordigd 
door ouderlingen en diakenen , zich harerzijds bereid ver- 
klaarde af te zien „van de beroepinge Yoetii waertoe 
sy anders gesint was". Ofechoon aanvankelgk niet onge- 
negen die schikking goed te keuren , kwam nochtans Gre- 
vius later op zijn voornemen terug, den kerkeraad tot 
antwoord gevende: i,dat hy sulcks soo niet en conde 
doen, dat hy sick eerst moste beraden met dijene, die 
hem ende syne kinderen konden grootmaecken — Wt- 
tenbogaert , Grevinckhoven ende meer andere" O* 

Intusschen waren de zes maanden, die „een plaetse", 
naar resolutie der Staten, „van kercken-dienst" mocht 
vaceeren ten behoeve der weduwe*) of kinderen eens 
overleden predikants , voor Heusden „rugm geexpireert" *). 
Toen bovendien de Greeflf, „in Septembri" daaraanvol- 
gend, ziek werd, en hg zijne ambtsbezigheden onmoge- 



*) Blijkbaar handelde Grevius hier in lijnrechte tegenspraak met het 
getuigenis, tegenover de Vrij's bewering »dat de Remonstranten inden 
beginne haer op de macht haerer patronen verlieten" afgelegd door nie- 
mand minder dan Wtenbogaert, aldus luidende: »Oock en hebben de 
Remonstranten noyt patronen ghehadt, op welcker macht sy haer 
verlieten, als alleen op Godt. Tis lichtveerdighe onbeschaemt- 
heyt met soo openbare loghenen om te gaen". Zie diens Vrye aenujysing 
van de onwaerheyden ^ trau-looae verdrayinghen, calumnien^ ende andere 
grove misslagheny bevonden in de ghenaemde Historie van Frederick de 
Vry^ hurghemeester der siadt Amstelredam ^ aengaende de kerckelijcke 
beroerten van Hollandt Ghedruckt (z. n. v. pi. en v. dr.) in 'tjaer ons 
Heeren d62i , blz. 68, 69. 

*) Den 20«t«i^ Dec d6i5, ruim een half jaar na van Houweningens dood, 
trad zijne weduwe »Anna Glaesdochter van Marsselen" opnieuw in het 
huwelijk met »Henderick van Hamburgh, capitein over den vendell Neder- 
lantscbe voetknechten", binnen de frontierstad in garnizoen liggende. Oucf- 
arch, Heusden, J. L i en E. 58, fol. d4. 

*) Vgl. hierboven, blz. 175, aant. 4. 



Digitized by VjOOQ IC 



184 VIJPDB HOOFDSTUK. 

lijk kon waarnemen, zagen de leden des kerkeraads zich 
genoodzaakt zelf voor het bespreken der beurten zorg te 
dragen *). Onder de predikanten , die — »met Grevii voor- 
weten" — in de frontierstad optraden , was ook Come- 
lis Hanecop , toen nog ^staende tot Sprang" *). Met zulk 
een onverdeeld genoegen hoorden hem de leden van het 
consistorie , van de vroedschap en van de gemeente , dat 
„de tegenwoordige ende oude kerckenraedt", voorgelicht 
„AooT raet ende advijs der meeste broederen in het quar- 
tier van Heusden", geen oogenblik aarzelden, genoemden 
Comelis den 22»t««' September 1615 te beroepen. Slechts 
de Greeflf, wien men «genegentheijt ende voornemen in 
desen", beleefd en tijdig genoeg had doen weten, om 
„met eendracht" te kunnen „procederen", weigerde uit- 
drukkelijk aan Hanecop zijne stem te geven. 

Door dien tegenstand echter niet ontmoedigd, b^af 
zich de kerkeraad. Zaterdag, 25 September, naar de 
vergadering der vroedschap '), ten einde, volgens artikel 
vijf der Haagsche kerkorde van 1586 , het beroep — een 
paar dagen te voren uitgebracht — „aen te gheven den 
magistraet vander plaetse". Maar op het stadhuis ver- 
scheen eveneens de heer van Kessel, „voordragende, dat 



*) Zie bijlage LXXX. 

*) Zie hierboyen, blz. 456, aant. i. 

^ Wijl de «Resolutiën van den magistraat ten aanzien van den kerke- 
raad en kerkelijke zaken; il^^ eeuw" (zie Oud-arch, Heusden^ B. 6) niets 
bevatten omtrent de hierboven te vermelden gebeurtenissen, valt het voor 
eene zooveel-mogelijk-juiste teekening daarvan des te hooger te schatten, 
dat in de verzameling Briev. en pap, kl. Gorinchem ook zijn opgenomen 
tal van »Exti'acten vuytet resolutieboeck der stede Heusden" — welk reso- 
lutieboekzelf sedert is verloren geraakt — beginnende met de vroedschaps- 
notulen van Zondag, 10 Januari 1615 en eindigend met die, gehouden op 
Zaterdag, 23 December 1617. Van het voornaamste, in elke raadszitting 
behandeld, tevens betrekking hebbende op de kerkelijke aangelegenheden 
te Heusden, maakte Voetius, op- een folio-vel, bovendien nog eene soort 
van index. 



Digitized by VjOOQ IC 



GEBRFORMEERDBN IK NOOD. NAAR DE VADERSTAD. 185 

men omnie alle gevoechs wille, mette electie vanden pre- 
dicant Hanecop noch seeckeren tyt soude supersederen , 
dewylen Johannes Grevius, dienaer vande woorde Christi 
alhier , hem niet ofte qualicken metten kerckenraedt conde 
resolveren". Ook streed het , zooals Zijne Genade betuigde, 
,t^ens de eere ende reputatie vande litmaten van deser 
stede ende kercke, byaldien de naebueriger plaetsen, 
d' misverstant gewaer wordende, daer mede souden syn 
ofte worden gemoeyt". 

Nadat hierop door de beide ouderlingen, tevens leden 
?an ,de wet" , Willem Gerardsen Tuelinck en Jan Frans- 
sen van den Broeck O, met allen ernst was betoogd ge- 
worden ^datmen een vol halff jaer ende meer de saecke 
hadde gedilayeert ende tot voldoeninge vande gemeente 
de selve langer vufltstel niet en conde lijden", beriep zich 
Heusdens gouverneur, geheel onverwacht, »op den last 
die hij hadde vande edel mogende heeren Staten , die h^ 
dee versocht sijnde, eerstdaechs soude openen". Natuurlijk 
werd nu door de magistraat aanstonds ^reces" genomen *). 

Middelerwijl was Samuel de Prince, in het belang en 
op aansporing van Grevius *), klaarblgkelijk ook met me- 



^) Gredarende het jaar 1615 was Tuelinck een der drie burgemeesters en 
yan den Broeck een der zeren schepenen in de vroedschap. Van Ouden- 
hoiren, Beschr. v, Heusd,^ blz. 165. Zie over Tuelinck, die almede stond 
bij de compagnie van Floris van Brederode, en indertijd »dikwils scheepen, 
kerkmeester ende ouderling tot Heusden is geweest", B\jdr, en med.^ dl. 
Xn, blz. 319. 

^ Ter vergadering waren afwezig: de voorzitter van het college sche- 
penen, Willem Buys van Weeringen en het jongst gekozen lid. Wouter 
Hamel. 

^ »Den 3. Aprilis 1617 naer gehoudene classe binnen Gorinchem over 
maeltyt heeft Grevius hem niet ontsien onder andere propoosten rondelyck 
te seggen, tot verscheyden malen, ten aenhooren van meer dan negen 
broederen wt den classe, die suk onder hare handen getuycht hebben, 
dat hy selve gesolliciteert hadde om die missive der gecommitteerde raden 
van Staten by de welcke hy in Septembr. 1615 belast was het predick- 



Digitized by VjOOQ IC 



186 VIJFDB HOOFDSTUK, 

deweten van de Homes, naar VGravenhage gereisd, 
»om aldaer seeckere acte te procureren, ende te sollici- 
teren, waarbij indirecte dit wettelyck beroup Hanecopii 
(waert^en sg niet conden inbrengen) soude mogen in het 
verwer gestelt werden, ende d' approbatie der magistra- 
ten gestuijt'\ Zondag, 26 September 1615, na den mid- 
dag, binnen de frontierstad teruggekeerd, had Princios 
„med^ebracht seeckere missive der Gecommitteerde Ba- 
den op Grevii sollicitatie , achter de hant ghefabriceert" O- 
Ov^eenkomstig den inhoud van genoemd schrijven be- 
richtte de heer van Eessel, daags daarop, der vergaderde 
vroedschap, hoe hunne Edel Mogenden hadden i^goet 
gevonden", dat Grevius j,voor alsnoch den stoel ende 
predicampt te Heusden alleen soude bewaren en be- 
dienen tot naerder ordonnantie". Tevens ^exhibeerde" 
Zijne Genade, bij die gel^enheid, „verscheyden ex- 
tracten, getrocken vutten resolutien der heeren Staten 
over het beroup der kerckelflcke dienaeren", en gaf hg 
als zijn gevoelen aan de magistraat te verstaan , ^^dat de 
beroepinge volgens soodanige ordre*) moste beleyt wer- 



ampt alleen te bedienen". Deductie^ fol. 61. Vgl. daarmede in Briev, en 
pap, kl, Gorinchem de depositie op 4 April 1617 gedaan en geteekend 
door Samuel Platevoet, Petrus Nieuwerodius , Joannes Blom, Amoldus Sin- 
derenus, Abraham Adriani, Edzardus Fred. Auricanus, Josephus van der 
Rosieren, Rutger Evertsen Glock, Julius Ëisonius, predikanten, respectieve- 
lijk te Grevecoeur, Zijderveld, Meerkerk, Kedicbem, Eethen, Ameide, 
Hedikhuizen, Heikop en Leksmond. 

1) Volgens Deductie y fol. 12, vertegenwoordigde Princius, ruim eene 
week later, de Greeff — »die van wegen syne swacheyt aldaer niet en 
en was gecoomen" — ter classisvergadering binnen Gorcum. »Last hebbende 
(soo hy seyde) van Grevio heeft de Prince eenich rapport, doch geheel 
verkeert ende der waerheyt contrarie gedaen, nopende de gelegentheyt 
ende stant der kercke tot Heusden; gelyck de classe geinformeert werde 
door de broederen des quartiers van Heusden, die de saecke genoech be- 
kent was". Vgl. Hand. cl. Gore, 5 Oct. 1615, en hierachter, b^lageLXXVI. 

^ De Hornes doelde hier op de Haagsche kerkorde van 1591, in 



Digitized by VjOOQ IC 



GEREFORMSEBDEN IN NOOD. NAAlB DE VADERSTAD. 187 

den^' o l eene meening , beslist en krachtig weersproken 
door ^sommige der wethouderen^^ die antwoordden , dat 
bedoelde resolutiën ^haer no^t waren bekent geweest, 
ende noijt toegesonden'' ^); weshalve „sq totnochtoe na 
deselve haer niet en hadden connen regaleren^\ 

Beiden y kerkeraad en vroedschap , begrepen evenwel, 
dat het belang der Heusdensche gemeente dringend vor- 
derde, zich, hoe eer hoe beter, te verstaan met Grevius, 
die ,door dese missive ende authoriteyt der HH. Staten" 
een uitnemend excuus had verkr^en, , wanneer hem te 
laste geleyt werde, dat hij belettede de beroupinge des 
tweeden predicants". Op het stadhuis ontboden en ge- 
vraagd ^waeromme hg met den kerckenraet niet en hadde 
connen accorderen", hield Grevius tegenover de vroed- 
schap ^diversche propoosten"; tevens doende „een ver- 



stelling met die van 1586, welke totnogtoe te Heusden was gevolgd. Over 
die kerkorde van 1591 , zie Voet. PoliL eccles,^ t. U, p. 558, 559. 

^ Met het oog op de houding door Heusdens gouverneur aangenomen, 
schrijft Trigland, Kerck. gesch,, blz. 808 &: »Dus was dien heere al voor 
de heeren Staten gereet, ende gelijck ab inde voorbaet, om de kercken 
y^xï hare oude gewoonlijcke , ende met den woorde Godts accorderende 
ordre te depossederen, ende nae die nieuwe politijcke ordre te doen 
Êtetsoenneren: want eerst in Decembri daer aan volgende wiert byde 
heeren Staten resolutie ghenomen, om die voorsegde extracten alomme 
uyt te senden". 

^ Bedoelde resolutiën (vgl. hierboven, blz. 165, aant. 3) werden, om- 
streeks Nieuwjaar 1616, uit Den Haag naar Heusden verzonden. Ter 
vroedschapsvergadering van 10 Juni 1616, bijgewoond door de gecommit- 
teerde raden, mr. Adriaan Gooi en Wouter van Neercassel, zou, blijkens 
een extract in Briev. en pap, kl. Gorinchem^ goed gevonden zijn vomme 
alle disordre vuyt de kercke te weeren, scheunnge ende oneenicheyt voor 
te commen, de resolutie vande ed. mog. heeren staten van Hollandt ende 
Westvrieslant op de kerckelycke saecken ende differenten inde religie 
genomen, mitsgaders de kerckelycke ordonnantie vanden jare 1591 op het 
beroep vande kerckendienaren , stellen van ouderlingen ende diaconen ende 
assistentie vande kerckelycke vergaderinge by haere ed. mog. Heeren 
overgesonden, ende byde magistraet deser stede dier tyde aengenomen, te 
achtervolgen , ende int werck te stellen". Zie ook bijlage LXXVU. 



Digitized by VjOOQ IC 



188 VIJFDE HOOFDSTUK. 

claringe ende belydenisse synes geloofe ^), daemae hij hem 
altyts gericht ende gedirigeert hadde". Nadat hierop „de 
saecke was in communicatie geleecht", besloot Heusdens 
regeering, door het zenden naar Sprang van twee gede- 
puteerden uit haar midden: de wethouders Huibert Wil- 
lemsen Loockermans en Eustace Vereycken — bij wie 
zich , als afgevaardigden des kerkeraads , Tuelinck en van 
den Broeck aansloten*) — „te besichtigen ofimen de 
voorsegde twee kercken dienaeren, Grevius ende Hane- 
copius, byden anderen soude kunnen voegen, omme te 
saemen te dienen" *). 

Ten gevolge dezer voorloopige bespreking met Hanecop, 
welke volkomen naar wensch uitviel, alsook op raad der 
heeren Basius en de Beveren, die „in eenige commissie 
van wegen de graeflfelyckheyts saecken^* •) juist weer te 



1) EJene dergelijke geloofsbelijdenis, door de Greeff afgelegd en door van 
der Roderen opgeteekend , komt o. a. voor in de Briev» en pap. kl, Gorin- 
chem. Zie bijlage LXXVIIL 

*) «Declaratie van gewesene costen bij HuijV. Willemsen Loockermans 
ende Vereycken als gekommitteerde vande stadt, ende y^llem Teulinck 
met Jan Franssen vanden Brouck gekommitteerde vanden kei*ckenraedt, 
ter saecke vant beroepen van d. Hanecop predikant tot Sprang, om tott 
eenen tweeden predicant alhier te mogen dienen in plaetse van d. Nic. 
Houv^ening saligher**; v^elke kosten, ten bedrage van 29 gld. 12 st. door 
van den Broeck, vals deselve hebbende gedebourseert", 26 Oct. i6d5 uit 
handen van burgemeester Bruynincx ontvangen veerden. Oud-arch. Hew- 
den^ E. 214, bijlage tot fol. 40 verso der gemeenterekening. 

s) Zie het «Extract** uit de Heusdensche raadsnotulen van 27 Sept 
1615, bewaard bij de Briev. en pap, kl, Gorinchem, 

^) Ongetvnjfeld had op die «graeffelyckheyts saecken" min of meer 
betrekking: de steekpenning, door Heusdens magisti^aat «vereert aenden 
heere reeckenmeester doctor Johan Basius", in den vorm van «een vaetgen 
eelen vnjn, metten impost, ende ongelder daer bij'*, ter viraarde van 120 
gld., «ten tijde de stadt mette reeckencamer te spreken hadde, vande 
vergrootinge vande erven, aende hutten inde borchplaetse'*. Oud-areh, 
Heusden, E. 59, fol. 41. 

Dat «doctor Basius*' niet onbepaald te vertrouwen viel , schijnt te mogen 
worden afgeleid, ook uit het opgeteekende in Deductie^ fol. 15. Nadat 
hier toch melding is gemaakt eener samenkomst, 13 Oct. 1615 gehouden 



Digitized by VjOOQ IC 



GEBBFOBMEEBDEN IN NOOD. NAAR DE VADERSTAD. 189 

Heusden waren, had op Maandag, den 18^®° daaraanvol- 
gend, te Bezooien^), ten huize van den »scholtis", het 
mondeling onderhoud plaats tusschen de Greeff en Ha- 
necop, in t^enwoordigheid der vier, bovenvermelde ge- 
committeerden. Terwijl hier Grevius , gansch ^buyten last 
ende ordre", als voorwaarde tot broederlijke samenwer- 
king, op hoogen toon, den eisch stelde: dat Hanecop 
moest jpinvrtlligen ofte teeckenen de vyfarticulen,dwelck 
dese hem met goede redenen beleefdelyck afsloech", ver- 
klaarde van zgn kant ^de pastor tot Sprang^^ zich gaarne 
bereid, om — wanneer hij „de sake met eenige broeders 
sonde hebben gecommuniceert" *) — zijn besluit over een 
gemeenschappelijk arbeiden met Grevius ten spoedigste 
aan de magistraat der frontierstad te doen toekomen. 
En reeds 19 October 1615 ontvingen de consistoriale af- 
gevaardigden, ter oorkonde voor hunne vroedschap, van 
Hanecop eigenhandig „eene acte van vrede" '), die , 



door Hensdens magistraat en kerkeraad met de beeren Basius en de Be- 
yeren, wordt daaraan het volgende toegevoegd: «Dese voorn, besoignen 
hadde de reecken meester Basius na sijn sin geheel anders als die gepasseert 
waeren, beworpen ende ingestelt, ende arbeijde achter de bant by eenige 
wt de magistraet, dat de selve soo mochten geformeert ende aengenoomen 
werden. Doch hebben sulx afgeslagen ende gewilt, dat daer niet in veran- 
dert soude worden , maer soo als het gepasseert was , ende airede ingestelt , 
soade blijven". 

^ Sprang was vroeger met Bezooien gecombineerd. Vgl. hierboven, 
blz. 156, aant. d. 

3) »Dat Guill. vanden Berge, weirt in St. Joris binnen deser stede, be- 
kenden ontfongen te hebben deur handen vanden borgermeester der stede 
van Heusden vanden jaere d6i5 Greraert Bruynincx de som me van vier 
guld. 18 sts. over de verteirde montcosten gedroncken gelagen tsynen 
hnysse gedaen by den ministre Hanecop, ende eenige vanden kerckenraet 
als Teuling, Vereyck ende andere. Bedanckende hem goede betalinge. 
Toirconde schepenen signature opten 22 Getob. 1615*'. Oud-arch, Heusden^ 
E. 214, bijlage tot fol. 42 verso der gemeenterekening. 

*) In de Briev. en pap. kl. Gorinchem wordt gesproken over »seker 
consept van moderatie, beraemt ten overstaen van den ed. heere Willem 
van Beveren, twelcke men verstont der heeren Staten intentie te sullen 

18 



Digitized by VjOOQ IC 



190 VIJFDE HOOFDSTUK. 

gelgk hij daarin met nadrak betuigde ^sijne conscientie 
onbeswaert liet"; voorts ^eernstelijck versoeckende , dat 
dese onderteeckeninge niet en soude gedugdet worden, 
ais of hy den dienst van de kercke van Heusden naejoege , 
want hy dien aengaende noch niet geresolveert en was". 
Hoewel op zulk een loop der zaak geen oogenblik ver- 
dacht , zorgden echter de Greeflfs partijgenoot^n ^) — in 
strijd met hetgeen, volgens advies des heeren de Be- 
veren , vooraf bepaald was — dat de wethouders Loocker- 
mans en Vereycken »noyt rapport en deden van hare 
besoignen tot Besoyeh" aan Gecommitteerde Raden ■) ; ter- 
wgl Greviuszelf onverhinderd voortging „den kercken- 
dienst alleen te betreden". Geen wonder, zoo Hanecop 
straks volle vrijheid vond zich, bij gegeven keus, van 
Sprang te verplaatsen naar Breda ^). 

genoech doen, ende nae gehoudene communicatie van d. Hanecop met 
hanteyckeninge ingewillicht den d9 Octobris*'. 

ï) Tot hen moeten inzonderheid gerekend worden, behalve Heusdens gou- 
verneur — »op wien Grevius meest syn ooge hadde, door wiens luet ende 
hulpe hy meest gecourageert ende opgehouden werde, gelyc hy ooc tsedert 
de doot Nicolai Houweningii in alle voorvallende saecken tot den gemdten 
heere van Kessel geduyrich synen toevlucht was nemende" — de schout 
Gomelis Gerritsen van den Elshout, de burgemeester Gerard Bruynincx, de 
schepenen Govert Gijsbertsen de Momber, Huibert Willemsen Loockermans, 
Eustace Vereycken en Wouter Hamel, alsook de rector Paulus Arcerius. 

s) «Heeft d. Grevius mede verclaert in den classi van die conferentk 
tusschen hem ende Cornelius Hanecopius, beroepen dienaer tot Heusden, 
dese conferentie streckende tot een ondersoekinge ofte dese twee dienaeren 
malcanderen so verdraghen ende dulden souden connen, dat de gemeynte 
tot Heusden door haere üeder oorsaeke niet end* soude in scheuringhe 
commen, derhal^en dese conferentie gedaen zijnde men souden den ed. 
heeren Staten daervan pertinentlycken rapport doen : welcken rapport seyde 
d. Grevius noch niet end* was gedaen ende wat doorsake sij verclaerde 
hy niet te weten. Die gecommiteerde om dese conferende aen te hooren 
zyn gheweest twee wt den magistraet ende twee wt den kerckenraedt tot 
Heusden". Hand, cl. Gore, d8 April 1616. 

') Met het oog op die derde standplaats, zong later Vondel: 
»En hy krayde vroegh en sp& 
Op den tooren van Breda". 
Zie in het «klassiek letterkundig pantheon" J. van Vondel, HekeldichUn, 



Digitized by VjOOQ IC 



OEBEPORMEERDEN IN KOOD. NAAE DB YADSBSTAB. 191 

Aldus bleek Heasd^is gemeente in de laatste maanden 
van kwaad tot erger gd^omen. Niet slechts , dat zg ^van 
Voetii dienst om vredes wille had moeten berooft wer- 
den" Oj maar ook »vond sy haer tenemael gefnistreert 
van het beroup Hanecopii". Daarenboven sprak de Greeflf 
steeds openlgker en stoutmoediger, zoo op den kansel 
als elders , zijne Arminiaansche beginselen uit ^ ; hetgeen 
ten gevolge had j^dat veele buyten *) ter kercke gingen'\ 
Beeds was er, in afw^king van het sinds jaren geëer- 
biedigd gebruik, dien zomer geen avondmaal gehouden, 
en toen nu Grevius ,van meyninge was het op Kersdach 
vut te reycken", keerden zich hiertegen beiden: ouder- 
lingen en diakenen , omdat lig ^met syne broederen inden 
dasse ende quartier van Heusden , noch met de gemeynte 
versoent was". De Greeflf evenwel stoorde zich aan geen 
advies of resolutie des kerkeraads^) en antwoordde bit- 
ter: „hy soude nachtmael houden al sonde hy Valleen 
houden*'. Ook scheen het hem nauwelgks te hinderen, 
dat hoe langer hoe meer lidmaten ^sich van syne pre- 
dicatien absenteerden'), ende de gemeynte te Heusden 



bk. 35; met Brant's en andere aanteekeningen en een naschrift ter 
inleiding Tan dr. J. van Vloten, Zutphen, W. J. Thieme 8c Cie (zonder 
jaartal). 

>) Juist in desen tijd ongeveer, valt de reeds vermelde ernstige ziekte 
van Voetios. Zie hierboven, blz. 165, aant. 2. 

s) Zie bijlage LXXIX. 

^ T.w. naar Sprang, Vlijmen en Hedikhuizen. 

^ Zie bij Trigland, Kerck, gesch,^ blz. 81 2a, vermeld: »de acte van be- 
strafQnge, protestatie, ende weygeringe van ten avontmale te komen, 
Grevio by eenige vanden kercken-raet voorgehouden*'. Vgl. Deductie^ fol. 60. 

*) Voor dat »8ich absenteeren" bestonden wellicht nog andere redenen , 
dan die onmiddellijk samenhingen met de Greeffii Arminiaansche beginselen. 
Zoo verklaaitle b. v. Hendrik Berendtsen , bakker te Heusden , vdat Joh. 
Grevios voor Kerstijt a^. 1616 tot sijnen huijse was gecomen ende hem 
versoeht hadde om ter taefel des Heeren te comen, ende onder andere ge- 
vraecht waerom hq niet ter kercken quam, ende dat hij nu in een geheel 



Digitized by VjOOQ IC 



192 VIJFDE HOOFDSTUK. 

in groote vermoeslinge geraeckte" '). Wanneer maar 
„syn" *) magistraat hem steunde , en de heeren Staten 
voortgingen met betalen , was het Qrevius, naar hij zeide, 
vrij onverschillig „of daer veel ofte weynich te kercke 
quamen" *). 

Gelijk te denken valt , gaf zulk eene „verachtinge ende 
groote onhebbelycheyt", die elke poging ter verzoening, 
hoe dikwgls ook beproefd*), noodwendig schipbreuk deed 



jaer in sijne predicatie niet en was geweest*', waarop hij aan de Greeff had 
geantwoord: »dat de saecken Grodt betert in de kercke y&n Heusden soo 
stonden, dat hij ten gehoor ende ten avontmaele niet en conde comen'*. 
Bij die irerklaring echter voegde Berendtsen ook nog dit: »Attestere ick 
Toorder, dat de selve Grevius zedert de doot van den predicant Claes Pieters- 
sen, als hij mij quam seggen dat ick het broot om in het avontmael te 
gebruijcken soude backen, ende met eenen voor hem eenen deuvecaeter 
somtijts van 18 st. somtij ts meerder ende oock minder soude backen ende 
hem die te sijnen huijse senden om aldaer te consumeren , dickwils aanhou- 
dende ende mij versoeckende (somwijlen drie mael op eenen dach) om den 
prijs der voors. deuvecaeters mede te schrijven ende te brengen als in een 
somme, recht of het al te saemen in de kercke waere gebruijckt; ende ick 
sulcks weijgerende, de voors. Grevius selfe eens de declaratie van het broot 
gelevert te Paesschen a^ 1615 heeft geschreven ende onderteeckent in een 
somme vervatende t*gene in de kercke ende te sijnen huijse was gelevert , 
gelijck sulcks blijcken sal uijt de declaratie daer van onder den heere kerck- 
meester Bruijnincks berustende. Actum desen 7 Junij 1618, (was get'.) 
Hendrick Bernts". Briev, en pap. kl. Gorinchem, 

1) Tijdens die «vermoeslinge**, werd Vlijmens predikant herhaaldelijk 
uitgenoodigd in Heusden beurten te komen vervullen. Zie hierachter, 
bijlage LXXX. 

^ D. w. z. de Remonstrantsch gezinde leden van Heusdens vroedschap. Vgl. 
hierboven, blz. 190, aant. 1. 

s) Ook wanneer Grevius in den ring eene vacatuurbeurt moest vervullen, 
gebeurde het — zooals te Hedikhuizen — »datter sommige uijt de kercke 
gingen, niet begeerende sijne predicatie aen te hooren**. 

^) De Gorcumsche classis o. a. trachtte het vei*schil tusschen Grevius en 
zijn kerkeraad uit den weg te ruimen door de afvaardiging naar Heusden 
van Leewius, Vogelsanck en van Sonnevelt. Ofschoon genoemde commissie «over 
dese besoigne doende was den 12, 13 en 14 October**, weshalve vier dagen 
later aan «Sara, weduwe van salighe Hans Bever, weirdinne Int landt 
van beloften*', op last der magisti*aat betaald werd »de somme van hon- 
dert seventhien gld. 12 sts. over de verteirde costen, gedroncken wynen 
ende bieren by den gecommitteerde predicanten , met eenige vuyten wet- 



Digitized by VjOOQ IC 



GEREFORMEERDEN IK NOOD. NAAR DE VADERSTAD. 193 

l^den, aan verschillende lidmaten van Heusdens ge- 
meente — ^ontrent tot tnegentich in getale" — gereede 
oorzaak, den 10^«° Februari 1617 „seeckere acte te be- 
teyekenen" ^), krachtens welke ^wt het midden van haer 
eenige gecommitteert wierden, om, in haer name, by 
alle gelegentheyt aen hare wettelycke overheden te re- 
monstreren , ende te suppliceren , dat sy by de oude ware 
gereformeerde religie neflEéns andere goede religions ver- 
wanten mochten gemainteneert worden, ende tot dien 
eynde met behoorlycke ordre eenen tweden dienaer in 
de vacerende plaetse geroepen werde van den welcken 
sy verseeckert mochten syn dat hy gebleven ware, ende 
alsnoch geresolveert ware te blyven by de voorsegde re- 
ligie". Toch ontmoette dit verzoek, door Jacob Jacobsz. 



bouderen, present dbeere gouverneur, zijn genade van Kessel, omme te 
asBopieren het misverstandt ende oneenicheyt geresen tusschen den predi- 
cant Grevius ende den kerckenraet" — zoo bleek later bare moeite te ver- 
geefe genomen. Zie Hand, cl. Garc.^ 19 Sept. 1646 en Oud-arch. Heusden, 
E. 214, bijlage tot foi. 44 verso der gemeenterekening. Vgi. daarmee van 
de Deductie y fol. 45 en het «Extract" uit de vergadering der Heusdensche 
vroedschap op 12 Oct. 1616, bewaard in de Briev, en pap, kl. Gorinchem, 
^ Heusdens gouverneur, de heer van Resse], »verclaerde te hebben ver- 
staen, datmen in de stadt tot vele borgers huysen omme gedragen, ende 
aldaer geteyckent badde seeckere billet nopende tstuck vande religie, tgene 
by veele geteeckent mochte syn, die niet ofte nauwelicx en wisten wat zy 
teeckenden, wesende eene saecke van quade consequentie, tenderende tot 
onruste ende scheuringe vande goede gemeente, die op het leven, leere 
ende conversatie vanden minister Grevius niet en hadden nochte en wisten 
te spreken, tgene in dese deyne plaetse niet en behoorde te geschieden, 
veele minder getolereert te worden". Extract uit de Heusdensche raads- 
notulen van 19 Febr. 1617, in Briev, en pap, kl. Gorinchem. Reeds den 
27*«» Febr. daarop »wiert van Gloppenburch geobtineert by syn Excellentie 
missive aen den heere van Ressel, in de welcke syn Exc. in faveur vande 
gemeynte die de acte van protestatie 10 Febr. beteyckent hadden, den 
heere van Kessel recommandeerde dat syn Ed. behulpich soude syn omme 
sodanich een predicant te becoomen, als de gemeynte in haer protest ver- 
socbte, daermede de oude Religionsverwanten niet min mochten gecon- 
tenteert syn, als de andere met haren Remonstrantschen predicant. Dese 
mistdve met eenen expressen door Gloppenburch ghedepescheert synde, is 



Digitized by VjOOQ IC 



194 VUPDE HOOPD8TT7K. 

Croes *) en Comelis Groen *) het consistorie voorgedragen , 
wederom hardnekkigen tegenstand bij Grevins^ die alleen 
maar bereid was tot de keuze van een toekomstigen col- 
lega mede te werken, zoo deze »de resolutie vande hee- 
ren Staten ^) soude ingewillicht hebben"; terwgl het be- 
roepzelf geschieden moest «volgens de ordre*), beraemt 
in den jare 1691" — twee eischen, waaraan de Greeff 



hem hier van recepisse wederom in den Hage onder de hant van.P. Gasem- 
broot geworden van date den 5 Martii*'. Deductie^ fol. 56. 

O Ten huize van dien Croes, smid, ijkmeester en ziekentrooster, was 
Voetius indertijd uitbesteed geworden. Vgl. bijlage VHI. 

*) Met den procureur Groen zal, naar Essenius in zijne Orat /un., p. 17, 
bericht, Voetius* schoonmoeder Maria van Diest, geboren van Liemt, her- 
trouwd wezen. Vgl. bijlage LXX. 

') ResoL HolLj 1 Jan. 1614, waarbij Hollands edel mogenden 9pro- 
visionelijck hebben gheordonneert, in wat limiten in de ghecontroverteerde 
poincten de kercken-dienaei*» in hare praedicatien tot opbouwinghe der 
christelijcke gemeente, ende weeringe van verdere misverstanden ende on- 
eenigheden hen behooren te draghen**. Zie ResoL HolL^ 1 — 22 Dec. 1615. 

^) Art. 1 der Haagsche kerkorde , betrekking hebbende »op de verkiesinghe 
vande kercken-dienaren binnen de steden", luidt aldus: »Eerst soo wanneer 
inde steden eenighen dienaer des woordts Grodts sal ontbreecken, 'suUea de 
bnrghemeesteren , regeei'ders, ende vroetschappen der selver steden commit- 
teren vier persoenen , die sy daer toe alder-bequaemste sullen verstaan. Ende 
sullen de burghemeesteren , regeerders, ende vroetschappen voorschreven den 
dienaren des woordts Godts, ende ouderlinghen der kercken inde selve ste- 
den bevelen, mede uyt den haren vier persoenen te committeren, die 
ghesamentlijck naer voorgaende ghebeden ende ondersoeck dies aengaende 
by hen lieden te doen, procederen sullen tot verkiesinghe van alsulcken 
persoon, ofte persoenen als hen goetduncken sal, tot den voorseyden 
dienst van noode, nut, ende bequaem te zijn: Ende deselve hare verkie- 
singe alsdan voordragen het coUegie vande voornoemde burghemeesteren, 
regeerders, ende vroetschappen. Ende indien de gedaen verkiesinghe den sel- 
ven aengenaem is, sal den verkoosen pei^soon inder maniere navolgende 
geexamineert werden, ende soo verre hy bevonden wort bequaem, ende 
ghenoegheaem van Godt begaeft te zijn , sal hy den ghemeente inde kerd^e 
voorgbehouden worden. Maer soo verre de voorschreven burghemeesteren, 
regeerders, ende vroetschappen verdai-en de voorseyde verkiesinghe ben- 
lieden niet te behaghen: sullen de voorseyde ghedeputeerden ende inde 
maniere als voren tot nieuwe verkiesinghe van eenighe andere procederen". 
Vgl. Voet., Polit. eceles., t U, p. 558, 563. 



Digitized by VjOOQ IC 



OfiREFORMEERDEN IN NOOD. NAAR DE VADERSTAD. 195 

zeer goed wist, dat door Heusdens kerkeraad onmogel^k 
kon worden toeg^eyen. 

Ongeacht het verzet den broederen nog buitendien ge- 
boden door den heer van Eessel te zamen met eenige 
leden der vroedschap O, en niett^enstaande örevius* be- 
tuiging: „dat, soomen scheuringe maken wilde ^ hij oock 
scheuren soude dat het een aert hadde^\ wisten echter 
ouderlingen en diakenen ^ handelend als in ,» vollen kercken- 
raet" ^), den predikant van Ameide '), Edzardus Frederici 
Anrieanus \ naar de bepalingen ^) der Haagsehe kerkorde 
van 1686, bij schriftelijke en eenparig onderteekende acte, 
Yoorloopig te doen beroepen*). Dientengevolge zou deze 



O o. a. schout van den Elshout en borgemeeeter de Momber. Deductie, 
fol. 54. Zie ook het geëxtraheerde Aiit de Heusdensche raadszittingen, 
gehouden van 12 tot 22 Febr. 1647, in Briev. en pap. kl. Gorinchem, 

*) De Greeff evenwel werd daarin gemist, want reeds toen men 'sWoen- 
dags, 8 Maart 1616, na de godsdienstoefening »meijnde te besoigneren in 
bet verkiesen van een tweede predieant, de selve Grevius nae vele ujt- 
vlochten ten leste ge8e3rt heeft, dat hij daer toe niet coste sick verlegen, 
alsoo hij uijt moste reijsen nae Worcuro ofte Crorcuro ten elf neren ; ende 
als hem aen worden geseijt datmen nae den middach soude anderwerf 
vergaderen, ende suicks de gecommitteerden der eei*8. magistraet aen laeten 
seggen, antwoorde, de heeren mogen het maecken soo sij willen**. Briev. 
en pap, kl. Gorinchem, 

*) Ameide behoorde «onder de heerlijckheyt vanden heere van Brederode, 
ende onder den classe van Gorinchem". Zie Trigland, Kerck. gesch., 
blz. 811a. 

*) Zie over hem Hand. cl. Gore, 17 Nov. en 7 Dec. 1609. 

*) Volgens art. 5 moest het beroep der »dienaers die nu aireede inde 
dienst des Woorts zijnde tot een ander ghemeynte beroepen werden" ge- 
sdueden, zoowel in de steden als ten platte lande »by den kercken-raet 
ende dienaren, ende het oordeel ofte advqs vande classe, ofte ym roers van 
twee ofte drie naeet-gheseten dienaren der selver , soo het selve ghesehieden 
can'*; terwijl art. 4 bepaalde, dat hiermede nog diende gepaard te gaande 
approbatie, ende goet-kenninghe der overhe3rt vande plaetse respective- 
lick (de welcke sy sullen aenghegheven worden , om te vernemen of sy 
hares levens ofte borgherlijcken wandels halven eenige wettelijcke oorsaecke 
heeft te wederspreken) ende der gantscher ghemeynte**. 

*) Eene copie der beroepingsacte, gedateerd 10 Maart 1617 en ondertee- 
kend door de ouderlingen A. van Gemert, Walewijn Jansen, Willem Ge- 



Digitized by VjOOQ IC 



196 VUFDE HOOFDSTUK. 

door den schepen Willem Gerritsen Verhoutert, gecom- 
mitteerde der magistraat, en door Tuelinck, afgevaar- 
digde van het consistorie, den 12<J« Maart 1617 »in syn 
plaetse" worden gehoord *). Hoewel beiden in Auricanus' 
gaven »goet contentement" hadden en dienovereenkom- 
stig ook rapport uitbrachten ^aan hunne wederzijdsche 
lastgevers , »soo is tot groeten leetwesen vanden kercken- 
raet tusschen gecoomen het schryvens d. Itzardi, waer- 
mede hy verclaerde geensins te connen verstaen tot het 
accepteren vande beroupinge , benevens andere redenen *), 
wt oorsaecke hy van syne gemeynte niet en soude con- 
nen ontslagen werden". 

Schier ten einde raad bg hun vruchteloos pogen ^), 
vromen Heusdens gereformeerden met allen nadruk den 
28»tc«» April 1617 aan het consistorie, dat, zoolang de 



rardsen Tuelinck en J. ysm den Broeck alsook door de diakenen Lambert 
Jarensz., Jan Lenertsen van Boxtel en J. Beelaerts, is nog voorhanden bij 
de «Extracten" uit het resolutieboek van Heusden, in de Briev. en pap, 
kl. Gorinchem. 

*) Zie Oud-arch. Heusden, E. 216, waarin zich bevindt een «Extract 
vuyttet memoriael van wijlen Willem Geraertsen Verhoutaert, nopende 
desselfs vacatie, reijs- ende teircosten bij hem voor de stadt gedaen"; o. a. 
ook »vergeselschapt" met Willem Tuelinck, «door last vande heeren ma- 
gi8traten, naar Ameijden om te hooren den predicant aldaer genaemt 
Itsardus*'. 

^) Eene dier redenen zal wel geweest zijn «de diversiteyt vande opinien 
ende voysen", bij de Heusdensche vroedschap, omtrent zijne komst. Op het 
verzoek van jonker Spierinck, dat de magistraat zich zou willen confor- 
meeren met den inhoud der beroepingsacte, hem door den kerkeraad ter 
hand gesteld , was dan ook «egeene sekere resolutie gevolcht'*, naar vermeld 
staat in het «Extract" der raadsnotulen van 11 Maart 1617, bewaard bij 
de Briev. en pap, kl, Gorinchem, Zie verder bijlage LXXXI, alsmede 
Resol, HolL, 17 Maart en 2 Mei 1617, omtrent de opdracht door Hollands 
staten overgezonden aan de geconmiitteerde raden, mr. Adriaan Kool en 
Wouter van Neercassel. 

•) «Vacaverat cathedra biennio, invita ecclesia, invito synedrio, semper 
per concionatons Remonstrantici ejusque magni auxiliatoris turbationem im- 
pedito in quibuscunque intentis et coeptis vocationibus, et ad vocationes 
praeparationibus". Voet., Polit eccles,^ t. III, p. 251. 



Digitized by VjOOQ IC 



GEBEFORMEKRDEN IN NOOD. NAaB DB VADERSTAD. 197 

tweede predikantsplaats niet was vervuld „door een man 
die van gesonde leere ware, volgens de eerste aengeno- 
men reformatie begrepen in de Nederlantsche confessie 
ende Heydelbergschen catechismo, alsoock van goeden 
leven ende vreetsamigen ommegang — soodanich een 
kerckendienaer provisionelyck by leninge inde tweede ge- 
beurte mochte predicken, tot voorcominge van meerder 
verstroijnge^'. Werd daartegen door Qrevius aanstonds 
,als vooren geopiniastreert soo verre dat hy seyde niet 
te willen noch te connen lyden dat soolange hy gesont 
bleve eenen soodanigen predicant als versocht wiert op 
synen predickstoel sonde coomen" — de overige kerke- 
raadsleden betuigden evenwel ^promtelyck haer toege- 
n^entheyt om alles te doen tot contentement der ge- 
meynte". Onder de broeders uit den ring van Heusden, 
werden nu Josephus van der Rosieren en Voetius aan- 
gezocht*), om, Donderdags, of, zoo noodig, Dinsdags — 
als wanneer er bij zomertgd*) toch geene godsdienst- 
oefening gehouden werd — »in de publijcke kercke aparte 
predicatien te beginnen" ^). Daarvan opende Voetius de 



*) Voetius bevond zich juist bij zijn voormaligen studiemakker van der 
Roneren, te Hedikhuizen, toen ouderling Walewijn Jansen en schepen 
Willem Verhoutert dien virensch der Heusdensche gemeente tot beide ring- 
broeders brachten. Briev. en pap. kl. Gorinchem. 

*) In de week werd er des zomers te Heusden alleen op Woensdag en 
Vrijdag gepreekt. Vgl. bijlage LXXV en LXXIII. Zie ook hierboven, blz.i77, 
aaot. 3. 

*) Behalve de Deductie heb ik, voor hetgeen in den tekst volgt, ook 
kunnen raadplegen tweeërlei dagverhaal — het eene meer, het andere 
minder uitgebreid — door Voetius in klad ontworpen en bewaard bij de 
Briev. en pap, kl. Gorinchem. Het dagverhaal, dat hij neerschreef op een 
half folio- vel, komt hier later steeds voor als: Gish. Voet. AanU N**. Hl 
en het dagverhaal, dat hij stelde op tien quarto-bladzijden , als: Gish, 
Voet. Aant. N**. IV. Ook wordt bij de Briev. en pap. kl. Gorinchem nog 
gevonden een half folio-blad , door Voetius beschreven , en waarop blijkbaar 
vermeld staan de punten, die tot het ontwerpen der »Aanteekeningen", 
N^ ffl en N^ IV, gediend hebben. 



Digitized by VjOOQ IC 



198 VIJFDE HOOFDSTUK. 

reeks op 4 Mei 1617, met eene toespraak over Filipp. 1, 
VS. 29: ^Want u lieden is ghegeven in de sake Christi, 
niet alleenlick in hem te gelooven , maer oock voor hem 
te mden". 

Nauw was dit vernomen »bij de heere van Eessel ende 
eenige Bemonstrantsche uyt de magistraef, of Heusdens 
militie-gouverneur beijverde zich den drost, jonker Spie- 
rinck van Well O, »hardelycken daer over te berispen'^ 
om voorts het gebeurde ten spoedigste »aen te brengen 
in den Haege" bg hunne Edel Mogenden ■). Slechts weinig 
dagen later «communiceerde" Henricus Rosaeus, predikant 
aldaar, op verzoek en uit naam van zijn party genoot 
Voetius*), ,de motiven, t'bel^t, ende circumstantien 



1) Spierinck, wiens »goetheijt ende eenyoudicheijt", naar Voetius verze- 
kert, »tot noch toe in prejudicie van de goede saecke geabuseert was vaa 
den heere van Kessel**, begon, omstreeks dezen tijd, misschien wel ten 
gevolge van een onderhoud met prins Maurits, »syne gunste, vrientschap, 
ende huipe** den Calvinistisch gezinden broeders aan te bieden. Ook had hij 
reeds vdoen niet op Paesschen met Grevio gecommuniceert** ; weshalve Zijne 
Genade den drost t^emoet voerde: »dat hij niet en hadde gedacht, dat 
hij hem soo soude afgevallen hebben" ; terwijl Heusdens rector , Arcerius — 
een partijgenoot van de Greeff — jonker Spierinck «seer verachtede; hem 
vergelyckende by een verckenspeese ofte dierghelycke , dien men reckt ende 
treckt, seggende voorder: het is met hem, hier hebbe ick u, daer ver- 
liese ick u, etc." Gish, Voet. Aant. N**. UI; Briev. en pap, kl. Gorinchem, 
Vgl. Voet., Polit ecclea., t m, p. 259. 

*) 9S00 haest de eerste predicatie gedaen was, is dit aengebracht ende 
gediffameert, alsof met disordre ende specie van muijterije, tegen danck 
van de magistraet sulcks geschiet waere". Deductie^ fol. 62, 63. Ook de 
schepenen Hamel en Loockermans , daai*toe uit Heusdens vroedschap gede- 
legeerd, verzochten aan de Staten »datter ordre soude mogen gestelt wor- 
den op de kerckelycke saecken". Zie voorts bijlage LXXXII. 

>) Volgens een kerkeraadsboek , loopende over de jaren 1617 tot 1621 — 
in den, door Johs. van Hemert Fz. opgemaakten en bij L. Veerman, te 
Heusden , uitgegeven Inventaris van het archief der Hervormde kerk vetn 
Heusden, vermeld onder afd. U, B, a, n**. 39 — was daarin vroeger 
ook te vinden geweest: vVoetii brief aen d. Roseum geschreven, didnce- 
rende hoe Voetius de eerste predicatie bij leeninge tot Heusden dede". Zie 
over Rosaeus, o. a., ResoL Holl.^ 1 — 22 Dec. 1615; dr. Rogge, Wtenbogaerty 
dl. n, blz. 290—318 en 348—386 passim; Brandt, a. w., dl. II, blz. 325—342. 



Digitized by VjOOQ IC 



OERBFORMEERDEN IK KOOD. NAAB DE VADERSTAD. 199 

yan dese begonnen extraordinarische predicatien^ om 
t'selve schryvens met Sijn Excellentie ende de steden , 
die de goede saecke waeren toegedaen , te communiceren, 
op dat alsoo alle valsche rapporten of gepraevenieert ofte 
gesteuijt mochten werden". Zich hierop ten volle verla- 
tende ^)f zetten beide ringbroeders hun aangevangen werk 
te Heusden rostig voort *). Als echter Josephus , Donder- 
dag, 18 Mei, in het bg wezen van zgn Vlijmenschen 
ambtgenoot, des morgens gepredikt had naar aanleiding 
van Lucas 10, vs. 23 en 24, namen twee leden uit het 
consistorie, de ouderling Willem Tuelinck en de diaken 
Lambert Jarensz., die gelegenheid waar om aan Yoetius 
mede te deelen ') : «hoe het de finaele meijninge des kerc- 



O Te *s-Gravenbag6 riep Voetios toentertijd ook den bijstand in van den 
advocaat mr. Gillis de Glargee, den lateren pensionaris van Haarlem. Gish. 
Voet. Aant N*». m. Zie over hem: ResoL HolL, 25 April 1617, 23 Nov. 
1619, 31 Jan. 1620; dr. Rogge, Wtenbogaert, dl. II, blz. 477, dl. m, 
blf. 7, 206, 303 en Brandt, a.w., dl. III, blz. 920, dl. IV, blz. 239, 
243, 295, 884. 

*) Zoo predikte Yoetius, Dinsdag, den 16^*^ Mei »wesende nae Pinck- 
steren, eenen vacanten dacb**, over vs. 14 en 15 uit den derden brief van 
Johannes. Gisb. Voet. Aant N**. IV. 

•) Van vrat verder in den tekst volgt, levert ook Voetinszelf een om- 
standig bericht in zijne Polit, eccles., t. III, p. 251 — 257, aanvangende 
met de woorden: «Nunc audi quomodo istic (n. Heusdae) in cathedra 
k)eatns fuerim". Hij geeft van zijn vroeger wedervaren hier zoo breed ver- 
slag, met het oog op zekere beschuldigingen tegen dat beroep naar Heus- 
den ingebracht. De eene aanklacht ging uit van Voetius* voormaligen 
medebursaal en studiemakker, Bemardns Dvringlo, die in het pamflet 
Grouwel der verwoestinghe stctende in de heyligke plaetse: dat is^ claer 
ende warachtich verhael vande voornaamste mis- handeling hen , onbilUJcke 
proeedtteren ende nulliteyten des nationalen synodi^ ghehouden binnen 
Dordrecht, inde jaren 1618 en 1619, Enghuysen, 1622, dl. I, blz. 104, 
bad verklaard: »datmen predicanten buyten weten vande overheydt ende 
daase op den stod hadde ghebracht , als tot Heusden; de Remonstranten 
met gbeweldt daer uyt stootende ende weerende**. Vgl.. daarmede, blz. 80: 
9tot Heusden hadde men eenen Voetius op stoel ghebracht met gheweldt 
sonder voorgaende wettelijck consent vande magistraet". Van Huig de 
Groot kwam de andere beschuldiging, viraar hij in zijn Apologeticus eorum 
qui Hollandiae Westfrisiaeque et vieinis quibusdam nationibus ex legibtts 



Digitized by VjOOQ IC 



200 VIJFDE HOOFDSTUK. 

kenraets was met dese aparte predicatien tot beroep te 
comen op syn persoon". 

Dat bericht, juist te dien tijde en onder die omstan- 
digheden tot hem gebracht, plaatste Heusdens gewezen 
alumnus voor eene uiterst moeielijke beslissing. Wat toch 
was het geval ï Ruim eene maand geleden '), had Voe- 
tius binnen Vlijmens pastorie ontvangen twee ouderliia- 
gen ^) der Rotterdamsche „dolerende gemegnte'' ^), die , 
zoowel bij hem als bij zijn kerkeraad, „ernstelyck aen- 
hielden", dat hij voor korte poos haar wilde „bedienen''. 
Gedurende zgn drieweeksch verbluf aldaar, bleek Voetius 
hen zoo „stichtelyck in hunne versamelinghe onderwe- 
sen'' en zij zulk „een sonderlinghe welgevallen daer aen 



firaefuerunt ante mutationem quae evenit anno 1618. Scriptus ah Hu^ 
gone Grotio j, c, antehac fisci Hollandiciy Zelandici, Westfrisici advocato^ 
ac post adsessore oppidi Rotierodamensis ^ et inter curatores reipublicc^ 
Hollandicae ac Westfrisuuie delegato. Cum refutatione eorum quae ad- 
versus ipsum, aique alios acta ac judicata sunt^ Pansiis, 1622, p. 168, 
den Contraremonstranten voor de voeten wierp: »dum pastores novos non 
rite atque ordine in cathedra locant. ut Husdae". Vgl. Voet., Polit. eccles,^ 
t. III, p. 250, 264. 

O T. w. den 28»t<^n Maart 1617. Vgl. Gisb, Voet. Aant. N*. III. 

3} Dominions Bouwens en Peter Hendriksz. Wthoeck. Briev. en pap, kL 
Gorinchem, 

*) De doleerende »gemeynte** te Rotterdam dagteekent uit bet najaar 
van 1611, en was het gevolg der afzetting van Corn. Gheselius. Vgl. 
hierboven, blz. 163, aant. 6. — «Belanghende dat de Contra-Remonstranten 
aen hare zijde den beclaghelijcken name van dolerende ende 
vervolghde kercken ghebruycken, dat is waer; roaer en hebben dat 
niemandt anders als hare eyghen-sinnicheydt ende onghesegghelijckheydt te 
wijten. Want nademael de Remonstranten willigh en over-bodigh sijn in 
alle Christel ijcke liefde ende eenicheydt met haer te leven , soo en behoeven 
zy gheen bysondere scheur-kercken op te werpen , ende daer in te kruypen.'* 
Alzoo verzekert Jac. Taurinus, schrijver der anoniem uitgekomen Weegk- 
schaely om in alle hillickheydt recht te over-weghen de oratie vanden 
eedlen^ hoochgeleerden , wljsen^ voorsienighen heere^ mijn heere Dudley 
Carletonj amhassadu^r van den doorluchtig hsien coningh van Groot 
Brittanniên: onlanghs ghedaen inde vergaderinghe der edele hoogh- 
moghende heeren Staten Generael: ghemaeckt tot grondig he aenwijsinghe 
vanden waren Oorspronck etc. der huydendaechsche oneenichey den inde 



Digitized by VjOOQ IC 



GSREFOBMEEBDBN IN NOOD. NAAR DE VADERSTAD. 201 

gheschept" te hebben 0> dat men «alles disponeerde tot 
eene beroepinge", die ,met den eersten" volgen zou; la- 
tende hem voorloopig eene acte teekenen, waarbg hij 
zich verbond «daerentusschen" geene andere plaats te 
aanvaarden. En thans b^eerde dringend de gemeente zij- 
ner vaderstad, ,,dat hij, aensiende haren noot, in dese 
gelegenthegt haer niet soude verlaten". 

Rekende Voetius zich verplicht den Heusdenschen broe- 
deren i,te communiceren", dat hunne »openinge" hier te 
laat kwam, wgl hij „aireede genoechsaem beroepen was 
door die van Rotterdam", zoo verzekerden aanstonds bei- 
den , tot tranen toe bewogen , hoe „de goede gemeynte", 
in haar streven herhaaldelijk teleurgesteld, op hem haar 
laatste en eenige hoop had gevestigd ^). Door dat zeggen 
zijner vromere medeburgers ten zeerste getroffen *), als- 
ook te rade gaande „mette intercessie ende het advys 
d. Josephi vander Rosieren, verclaerde Voetius hem ge- 
willich om de saecke bg der hant te nemen"*), onder 



kercke ende politie: ende verdedinghe der ghener die daer in onschul- 
dich sijn^ 1617, blz. 25. Redelijkerwijze zou kunnen worden gevraagd, of 
b.Y. »de procedueren Grevii**, te Heusden, Taurinus hier in het gelijk 
steUen? Zie ook Resol. Holl, 17 Febr. 1617. 

») Vgl. dr. W. Geeeink, a.to., blz. 203 en 217, 

^ »Aliqui ex sjnedrio Heusdano me conveniebant et innuentee ultimam 
spem sibi repositam fuisse in mei vocatione quaro in animo habebant, et 
melius successuram confiderent quam alias aliorum antehac tentatas'\ Voet., 
Polü, eccles., t. m, p. 251. Vgl. Güb. Voet, Aant N<>. IV. 

*) »Petebant et obtestabantur non sine lachrymis, communi orthodoxiae 
et snae ecclesiae et patriae meae ne hac in parte deessem; addebant posse 
me, ubi ipsi bactenus in tuto collocati essent, post annum inde a Rotero- 
damensibus vocari, eamque vocationem sequi, in quam me toto animo 
propendere videbant, quod communi orthodoxias causae et ecclesiae Rotero- 
damensis aedificationi hoc rerum statu id maxime profuturum judicabatur". 
Voet, Polii. eccles,, t. III, p. 252. 

*) «Vocatus ad ministerium ecclesiasticum in patria mea a. 1617. caput 
meum periculo turpis ejectionis aut relegationis libenter objeci, ad juvandam 
eccleeiam patiiam a &ctione Remonstrantica annis aliquot pressam. Gogita- 



Digitized by VjOOQ IC 



202 VIJFDE HOOFDSTUK. 

voorwaarde nochtans — «gelyck sij over haar namen^^ — 
dat Rotterdams doleerenden „konden te vreden gestelt 
werden" *). 

Nog denzelfden avond ontmoette Voetius binnen de 
frontierstad Petrus Wassenburch, predikant te Poortu- 
gaal, die, vei^zeld door de ouderlingen Duyn en Wt- 
hoeck en belast tevens met het overbrengen aan Yl^mens 
kerkeraad van een ^voorschryven" Zgner Excellentie*), 
het beroep naar Rotterdam hem „vertoonde, door ge- 
meynte ende classe gedaen" *). Terwijl de drie Rotter- 
damsche gedeputeerden zich des anderen daags *) met be- 



bam mihi divinitus dici, Hoc age". Voet., Polü, eccles,, t. I, pars II , 
p. 813. Vgl. Essenius, Orat fun,, p. 22. 

>) Gisb. Voet. AanU N**. IV. Op 17 Juli 1617 roept de doleerende 
gemeente van Rotterdam de hulp in der Grorcumsche classis, ten einde 
Petrus Nienroy, predikant te Zijderveld, »yoor driemaende te leen te 
hebben**. 

*) Zulk een eigenhandig «voorschryven** werd toen meermalen door 
Maurits verstrekt; b. v. aan »de dolei*ende kercke*' te BrieUe, die het, 19 
Oct. 1617, inleverde bij de protesteerende classis van Schieland, ten einde 
Petrus Wassenburch voor zich in leening »te becoomen'*, tijdens de ge- 
dwongen afwezigheid van Willem Grijnsen »haeren predicant*'. Ook werd 
Hondrik Willemsz. Hoeck, »sijnde een Duitsche klerk, die voorhenen 
schoolmeester tot Asperen geweest hadde", 9 Sept. 1618 »door den prince 
van Orangien gerecommandeert tot den vaceerenden kerckendienst**, aan 
het consistorie van Eethen en Meeuwen. — Maurits' «voorschrijven", bet 
beroep van Voetius naar Rotterdam betrefifende, is overgedrukt in Eigen 
Haard ^ Haarlem, 1883, blz. 556. Zie ook roet betrekking tot de houding 
door Zijne Excellentie aangenomen tegenover de godsdienstgeschillen dier 
dagen, Eesol HoU., 28 Jan. en 2 Maart 1617. 

*) »Gum ita mecum acta essent post horam unam atque alteram appule- 
runt Heusdam vespertino tempore, rever. Wassenburgius tune condonator 
in classe Roterodamensi seu Schielandica, postea Amisl^rtensis et Dordra- 
cenus, cum deputads senioribus ecclesiae Roterodamensis , praeter literas 
vocationis literas systaticas et intercessorias celsiss. prindpis Mauritii 
HoUandiae praefecü ad synedrium Vlymense ad suae vocationis receptionem 
et meam dimissionem". Voet., Polit, eccles.^ t. Hl, p. 252. Zie ook bijlage 
LXXXIII. De daar gevolgde dagteekening is, naar ik vermoed, die van den 
ouden stijl, zoodat 3 April overeenkomt met 13 April en 8 Mei met i8 
Mei 1617. 

«) Namelijk : Vrijdag, 19 Mei 1617 , volgens Giah. Voel. AanL N«. IV. Toen hij 



Digitized by VjOOQ IC 



GEREFORMEERDEN IK NOOD. KAAR DE VADERSTAD. 203 

kwamen spoed naar Vlgmen begaven, om Voetius' ,di- 
missie te impetreren" van den kerkeraad aldaar en in- 
middels ook diens huisvrouw , Deliana , gunstig voor hunne 
belaDgen te stemmen^), vergaderde binnen Beusden het 
toenmalige consistorie , „geassisteert met alle die gene die 
oyt in bedieninge geweest waeren", uitgenomen den oud- 
diaken Huibert Willemsz. Loockermans , »die in de stadt 
niet en was" *). Als naaste gevolg van deze «collegiale" 
samenkomst , vertrokken 's middags jonker Adriaan van 
der üerwede , wethouder , en Sebastiaan Beelaerts , diaken, 
om — overbrengende den door allen onderteekenden be- 
roepsbrief') — bij Vlijmens kerkeraad eveneens „ie sol- 
liciteren , dat den predikant Voetius ontslagen werde van 
synen dienste aldaer"*). 



later, hoogleeraar te Utrecht, in de PolU, eccles., t. UI, p. 252, met 
betrekkiBg tot Rotterdams gedelegeerden, schreef: »qui die Saturni ad 
Vljmensem ecclesiam profecti sunt", speelde allicht zijn geheugen aan 
Voetius parten. 

^ »Sed nihil ad negotii hi]^us promotionem efificere potuerant, nisi quod 
Qxorem meam domi meae salutarent, eique factum Tocationis hujus expo- 
nerent, atque honesta beneficia offldo huic annexa in me, et in uxorem, 
si Tidua fieret, conferenda". Polit. eccles., t. EI, p. 252. 

*) Ook Grevius werd op die samenkomst gemist. Het wettig karakter 
van genoemde vergadering tracht Voetius aan te toonen: Polit eccles,^ 
t U, p. 557. 

^ Volgens Gish. Voet. Aant. N*^. IV waren onderteekenaars van boven- 
genoemden beroepsbrief: Walewijn Jansen, J. Oroes, W. Tuelinck, A. van 
Gemert, J. Fr. van den Broeck, Dingman Adriaansen, Adr. Janisen Tan 
Cnyck, Paulug Keyser, Dirk Anthonissen Wyntrack, mr. Anthonie Ver- 
si uys, Lambei*t Jarensz., Jan Lenertsen van Boxtel, Simon Aertsen en 
Willem Verhoutert. Van dezen heeft echter Adriaan Jansen van Guyck »de 
tweede dach daer aen door inductie des heeren van Kessel met een schrif- 
t^jcke acte wederroepen sijne teyckeninge gedaen onder het beroep 
Voetü". Die bijzonderheid behoort in mindering te komen bij het getuige- 
nis: vDlorum paribus suffragiis ego electus et vocatus fui". Voet., PoUt, 
eccles.^ t. in, p. 253. — Reeds toen Voetius in aanmerking kwam voor de 
predikantsplaats te Vlijmen, bleek van Guyck minder goed jegens hem 
gezind. Vgi. bijlage LXUL 

*) iDen i9«» Mey 1617 met Bastiaen Belaers tot Vlymen geweest, 



Digitized by VjOOQ IC 



204 VIJFDE HOOFDSTUK. 

Reeds tegen Zondag hierop, 21 Mei 1617, had jonker 
Spierinck van Well, in zijne qualiteit van drost, verga- 
dering der vroedschap belegd , ten einde het werk , door 
Heusdens consistorie den Vrijdag te voren verricht , goed 
te keuren. Toen hij echter zag, dat »de Remonstrant- 
sche uyt de magistraet, alhoewel in stadt synde", niet 
verschenen waren ^), en bedoelde regeeringspersonen , ook 
na eene tweede oproeping „door den camerwaerder Jan 
Claessen van Wyck", zich bij vernieuwing lieten wachten % 



omme te solliciteren dat den predicant Voetius ontslagen werden van 
synen dienste aldaer, alsdoen verteert ende by myn betaelt int by weeeen 
vanden schouth (Gillis Jansen van Herle), Lambert (Jansen) Heesbeen, den 
secretaris Rob (Robrecht) Adriaensen, Godert Ymensen ende andere te 
saemen met voeren 3 guld. 13 sts. l oort". Aldus de rekening der voor- 
schotten, opgemaakt «bij Adriaen vander Merwede ter saecke vande 
vorderinge der kercke". Zie Oud-arch, Heusden^ E. 213, bijlage tot fol 35. 

1) ]>Ex senatoribus a praefecto militari persuasis an compulsis, alii in 
oppido quidem se continebant, sed non domi suae, alii extra oppidum sub 
horam conventus exspatiatum iverant: ne satrapa eos denuo per apparito- 
rem citare posset; sed conventum et approbationera in aliud tempus difPerre 
cogeretur. Sed non venit tune in mentem praefecto militari, huic duro 
nodo durum cuneum esse paratum , et huic ataxiae contra muneris ipsorum 
requisitum, ordinem in fundamentalibus specialis sui regiminis statutis 
praesto esse*'. Voet., PoliL eccles.y t. III, p. 253. Waar Voetius hier gewag 
maakt van »ataxia (Belgice disordre)", door zijne Arminiaansche tegen- 
standei's bedreven, daar had hij zich wel mogen herinneren, hoe er, toen- 
tertijd, op dat punt »Iliacos intra muros et extra** niet weinig gezondigd 
werd. Zie, o. a., wat betreft de »ataxia** van Heusdens drost, jonker Spie- 
rinck , in hoogst eigen persoon , bijlage LXXXII. 

*) Tér raadsvergadering van 21 Mei 1617 waren dus niet tegen v«roordig 
de drie burgemeesters Govert Gijsbertsen de Momber, Adriaan Jansen van 
Guyck en Ghiistoffel Fransen van den Broeck, de president-schepen Grerard 
Bruynincx en de schepenen Huibert Willemsen Loockermans, Eustace Ver^ 
eycken en Wouter Hamel. Ook was daar schout Gornelis Gerritsen van den 
Elshout evenmin aanwezig als de militie-gouverneur , zijne genade de heer van 
Ressel. — Opmerking verdient hier de navolgende quitantie, loopende ook 
over dien 21 "ten Mei 1617 en nog voorhanden in Oud-arch, Heusden^ E. 59, 
fol. 41 verso: vAen Guilliam vanden Berch weirt in St. Joris, betaelt de 
somme van ses guld. acht sts. over de vei^eiringe t' sijnen huijse gedaen bijde 
magistraten , present den heere gouverneur ende minister Grevius. In saecken 
de stadt concernerende**. 



Digitized by VjOOQ IC 



GEBRFORM EERDEN IN NOOD. NAAR BS VADERSTAD. 205 

deed Spierinck, , volgens de hantvesten der stede ^), die 
Yan d^oude magistraet^* ten raadhuize ontbieden; „de 
welcke gecompareert sijnde hebben gesamentlijck met de 
tegenveoordige — Drossaert, Antonis van Gemert, Mer- 
wen, TerhoutCTt, geapprobeert het beroep gedaen op 
Voetium". 

Joist was die maatr^el getroflfen '), als aan Hensdens 
drost werd j^behandicht een brief van den heeren Ge- 
committeerde Baden^\ en hem gelast, om — nademaal 
er binnen de frontierstad «eenige praedicanten op de 
stoel waren gebracht", die »op ongewoonelgcke dagen, 
bnjten kennisse ende voorweten van de magistraten", 
godsdienstoefening hadden gebonden — te zorgen, „dat 
sulcks niet meerder en gebeure". Tegelijkertijd bekwam 
ook de heer van Kessel eene aanschrijving „dat hy wilde 
letten op de onderlinghe raste, ende sonderlinge dat die 
authoriteyt pnbl^cq mochte zyn gehandthaeft en afghe- 
weert alle oppressien ende datelgckheden jegens de selve , 
gelgck na de ordre van het landt syn schnldighe plicht 
en debvoir verstaen wert te wesen" •). Wgl nochtans ge- 
noegzaam bleek, dat de inhoud van beide missiven te- 
rugsloeg op de mededeelingen , kort geleden door Zijne 



O Bovenbedoelde hantvest loidt aldus: »De burgermeesters, schepeneD ende 
drossart formeeren 'teerste lidt van de breede regeeringe. Die oyt schépe* 
nen of burgermeesters geweest zijn, met de gequalificeerste van de stadt, 
maken het tweede lidt van de breede regeeringe, ende zijn oude raden 
van de stadt, doch dat lidt en vergadert niet als gheconvoceert van het 
eerste lidt, ende dat in saecken de stadt grootelijcks betreffende". Van 
Oodenhoven, Beschr. v, Heusd.j blz. 62. Keurde Grevius' paHij het ten 
zeerste af, dat Spierinck op deze wijze handelde, zoo verdedigt Voetius het 
gedrag van den drossaard in zijne Polit, eccles,, t. III, p. 253, 265—270. 
Zie ook hierachter, bijlage LXXXVL 

^ Het beroep van Heusdens kerkeraad en de approbatie van Hensdens 
magistraat »syn beyde Voetio gepresenteert des Sondaechs ten een ueren". 
Brieo, en pap, kl. Gorinchem, 

>) Resol. HolL, 20 Mei 1617. 

U 



Digitized by VjOOQ IC 



206 VTJPDE HOOFDSTUK. 

Genade aan de Staten verstrekt , aarzelde jonker Spierinck 
niet de zaak der gereformeerden en die van Voetius on- 
verminderd te blijven steunen^). Was hij het inzonder- 
heid geweest, door wiens bemoeiing Rotterdams dolee- 
rende gemeente, totnogtoe, „van die van Vlymen geen 
dimissie had konnen obtineren", voor den door haar be- 
geerden predikant — zoo trachtte nu Heusdens consisto- 
rie Wassenburch en zijne medegedeputeerden over te ha- 
len, „om op Voetium ten aensien van haere beroepinge 
eerst gedaen, niet te willen pretenderen"; in welken 
geest door den kerkeraad der frontierstad tevens aan 
dien van Rotterdam werd geschreven *). 

Den volgenden morgen. Maandag, 22 Mei, reisden 
vroegtijdig uit Heusden af de ouderlingen Tuelinck en 
Jan Franssen van den Broeck, in commissie naar Gor- 
cum , ten einde daar b^ de classis aan te dringen op eene 
spoedige approbatie der gedane keuze. Nadat ter ver- 
gadering „de schriftelijcke beroepinghe was ghelesen , ende 
rijpelijcken inde vreese des Heeren nae conscientie over- 
woghen'), is bg den meesten broederen de selve voor 
ghoet ende wettelicken ghekent ende gheapprobeert , al- 
soo de selve bg den jeghenwoordighen ende ouden kercken- 
raedt was ghedaen, ende b^ den heere drossaert ende 
magistraten was gheapprobeert*), ende op den persoon 



1) Vgl. hierboven, blz. 198, aant. 1. 

3) »Den brief des kerckenraete tot Heusden, aen de kerckenraet van 
Rotterdam berust onder P. Nyenroij (Petrus van Nieuwenroode) tot Rotter- 
dam"; zoo staat er aangeteekend in bet reeds vermelde kerkeraadsboek , 
Arch. Hen), kerk Heusd., afd. II, B, a, n^ 39. 

') Aan die »overweginghe'* nam natuurlijk Voetius geen deel. Ofschoon 
«present zijnde inde vergaderinghe", was hij, virelstaanshalve , van te voren 
»wt aller name van d. praeside vermaent een weynigh te virillen vertrecken, 
t* welck by oock terstont ende ghewilligh heeft ghedaen". Hand. cL Garc.^ 
22 Mei 1617, stilo novo, te Gorinchem; pr. Leewius , scriba van der Rosieren. 

*) Gelijk te verwachten viel, stemden de Remonstrantsch gezinde broe- 



Digitized by VjOOQ IC 



GEREFORMEERDEN IN NOOD. NAAR DE VADERSTAD. 207 

d. Voetii , als zijnde bekent een man eerlijck van leven , 
welgheleert ende suij ver inde leere , niet en was te seggen". 
Alleenlijk werd nog besloten, »om alle ghevoeghelgck- 
hejdt, datter drye wt de verghaderinghe souden worden 
ghecommitteert ^), om op morghen te ghaen tot Heusden, 
omme te sien ofte die persoenen inden magistraet zgnde, 
die niet en hadden ondertegckent , daer toe mochten wor- 
den ghepersuadeert , mitds dat de voorsegde beroepinghe 
vanden classe evenwel blyft gheapprobeert" *). 

Te nauwemood waren de door Heusdens kerkeraad ge- 
deputeerde ouderlingen uit de vergaderzaal wegg^aan — 
nochtans niet, zonder den broederen dank te hebben ge- 
zegd voor de bekomen resolutie, van welke hun op 
aanvraag acte werd verleend *), »tot contentement van 
haere gheme^nte" — of Joannes Qrevius kwam , »laet 
nae den middach", in de classis en begon daar terstond 
«nae sigü gewoont , heftich uijt te vaeren" *). Ook ont- 
ving Voetius, „ontrent den avont, tot öorcum in de 



ders, leden der Gorcumsche classis, tegen dat goedkeuren. Tot hen kunnen 
toen behoord hebben: Gomelius Drongelensis , Samuel de Prince, Henricus 
Spudaeus, Hermannus Nachenius en Comelius Geisteranus, respectievelijk 
predikanten te Veen , Baard wijk , Arkel , Spijk en Blokland. Zie ook Deductie, 
fol. 97. 

O T. w. Leewius, Vogelsanck en van Sonnevelt. Vgl. hierboven, blz. i92, 
aant. 4. 

^ Hand. cl Gore, 22 Mei 1617. 

«) Zie bijlage LXXXIV. 

*) »Hic actis ante meridiem, comparuit demum in classe concionator 
Hensdanus Remonstrantismo addictus, ordinarium istius classis membrum; 
cui roganti quid actum esset de vocatione Heusdana, respondebat praeses 
classis et scriba ex actis praelegebat, eam classicaliter approbatam. Quo 
andito, ut erat impotentis aniroi, mirum in modum stomachari et obtrec- 
tationes effundere coepit. Classis, assueta ejusmodi verbalibus procellis 
toties ab illa arce ad actiones suas turbandas immissis, hortata est eum ne 
contenderet contra approbationem legitime factam; et ut ordini locum 
daret, eique se subjiceret". Voet., Polit, eccles., t. ÏÏI, p. 253. Vgl. daar- 
mede p. 260 en hierachter, bijlage LXXm. 



Digitized by VjOOQ IC 



208 VIJPDE HOOFDSTUK. 

kercke", eene missive ')> strekkende tot begeleiding der 
resolutie, met welke „de Remonstrantsche uijt de magi- 
straet", eerst „op het casteel bij den heere van Kessel" 
en later op het stadhuis sad,mgekomen , Vl^mens „kercken- 
dienaer" verwittigden, hoe ze, naar aanleiding van den 
brief, gisteren door Gecommitteerde Baden aan Zijne Ge- 
nade gezonden, besloten hadden hem „het beroep op te 
schryven" *). 

Overeenkomstig den hun toevertrouwden last, begaven 
zich de drie gedeputeerde leden der Gorcumsche classis: 
Leewius, Vogelsanck en van Sonnevelt, Dinsdag, den 23»*«» 
Mei 1617 , naar Heusden. Aan de Wijksche poort opgewacht 
door een „dienaer des heeren van Kessel, ende versocht 
boven bij den selven te comen", werden zij op het 
kasteel „tot over vier neren" door Z^ne Genade bezig 
gehouden, die „gesocht heeft hen met prejudicie in te 
nemen ; seggende , datmen Voetii beroep soude te niet doen 
ende andere soude voorstellen uijt de welcke dan yemant 
mochte beroepen werden". Daar nochtans aan de gede- 
puteerden uitsluitend was opgedragen „te spreken den 
jeghenwoordighen ende ouden kerckenraedt , (zoowel) als 
d. Joannem Grevium , mitsgaders den ed. heere drossaert 
met den jeghenwoordighen ende ouden magistraet, om 
tot inwillinghe vant voorsegde beroep op den persoon 



1) »Dat Salomon Verduvel gerechtsbode slaats van Heusden bekeod^i 
ontfangen te hebben vuyt handen vanden borgemeester Goveil Gysbertsen 
de Momber, de somme van dartich stuyvers, ter cause van t* dragen ende 
bestellen van sekere missive, byde magistraet geschreven aen Gysbert Voetius 
predicant viresende dier tyt tot Gomichem. Bedanckende hem daer yan 
goede betalinge. Actum den SQ*'®'» May 1617. Toirconden schepenen der 
voors. stede van Heusden signatuere, (was get*.) A.. van Gemert, Huibei-t 
Willemssen Lookermans''. Oud-arch» Heusden^ £. 215, bijlage tot fol. 36 
verso der gemeenterekening. 

^) Zie het «Extract" uit de Heusdensche raadsnotulen van 22 Mei 1617, 
voorhanden in J3rtev. en pap, kl, GoHnchem. 



Digitized by VjOOQ IC 



GEBEFORMBEBDEN IN NOOD. NAAB DE VADERSTAD. 209 

Voetii haer allen te beweghen, soot moghelgck waere; 
sonder eenighe ander middelen ofte ijet anders te doen 
in dese sake" *) — zoo gelukte het den heer van Kessel 
niet de classicale afgevaardigden voor zijne bedoelingen 
te winnen. 

Later op den dag, bg „Ouilliam vanden Bercb, weirt 
in St. Joris", samengekomen met Josephus en du Piere , 
Verhoutert en Tuelinck *), i,hebben sij haer gheaddresseert 
niet alleen aen dominum örevium, maer oock aenden 
ed. drossaert der stede Heusden, versoeckende aen sijne 
E. dat hem gheliefde vergaderinghe vande eers. magistraet 
te leggen, alsoo sg nomine classis de selve wat hadden 
voor te draghen betreffende het beroep d. Voetii, ende 
met naemen dat haere last medebrachte, om met die 
magistraten te handelen, de welcke sg verstanden weij- 
gerich te wesen om het voorsegde beroep te approberen, 
ende toe te stemmen, ende dat tot voorcominge van al- 
lerhande onrust ende oneenicheyt" '). 

Door jonker Spierinck werd hun echter ten antwoord 
g^even: j,dat van die magistraten de welcke in het be- 
roep diflBculteerden sommighe naeden Haghe waeren ver- 
trocken *), ende dat hy hemselven wel verseekert hieldt , 



O Hand. cl Gore, 22 Mei 1617. 

^ «Aen Guilliam vanden Berch weirt in St. Joris, betaelt de somme van 
twintich gnld. thien sts., over de verteirde costen, gedroncken wijnen, 
ende bieren, gedaen bij de ministèren van Gorcum, Woudrichem, Vianen, 
Hedickbuijsen , ende vuijtten Broeck (Babylonienbroek) , vergeselscbapt bij 
Verhoutaert ende Teulinck, opten 23 Maij 1617. Bij quitantie". Oud-arch, 
Heusden y E. 59, fol. 41 verso. 

*) Hand. cl. Gorc.y 29 Mei 1617. 

*) Namelijk schout van den Elshout, burgemeester de Momber en scbe- 
pen Hnibert Willemsen Loockermans, ten einde aan hunne Edel Mogenden 
»te remonstreren", wat binnen Heusden had plaats gegrepen, »ende ver- 
ders te versoecken, dat alle ongeregeltheden ende onbehoorlijcke procedu- 
ren mochten voorcommen, ende in goede ordre wederom gebracht worden, 
800 ende als sulcx de gemelte heeren Staten tot maintienement haerder 



Digitized by VjOOQ IC 



210 VUFDE HOOFDSTUK. 

datte praesenten op syn citatie over die materie niet en 
souden begheeren te verschijnen". Daarom stelden zich 
de gedeputeerden, die bemerkten, hoe zij ^niets vrucht- 
baerlycken conden wtvoeren, maer patientie moesten ne- 
men", voorloopig tevreden met zoowel den drost als en- 
kele leden van Heusdens vroedschap „ie vermaenen, dat 
stuck totte meeste stichtinghe ende vrede te dirigeren" ^). 
Evenals Voetius bleven ook de drie afgevaardigde clas- 
sisbroederen overnachten binnen de frontierstad , alwaar 
zfl, Woensdag, 24 Mei 1617, bericht ontvingen, hoe Vlij- 
mens kerkeraad eindelijk *), vóór zes uren in den morgen »), 
daar was aangekomen, om hunnen predikant „sijn af- 
scheijt ende dimissie schriftelyck te beteeckenen" *). Hierop 
besloten aanstonds ouderlingen en diakenen van Heusden , 
dat Voetius nog dienzelfden Woensdag — ,een dach. 



hooch mog. auctoriteyt , ende particulier] ijck derselver vande magistraet 
deser stadt souden vynden te behooren". Zie het »Extract" der Heusdensche 
raadsnotulen van 23 Mei 1617 in Briev. en pap. kl, Garinchem, Bij die 
vergadering waren niet tegenwoordig geweest de drost, jonker van der 
Merwede, Verhoutert, van Gemert en Hamel. 

1) Hand. cl. Gore, 29 Mei 1617. 

^) Reeds Maandag, 22 Mei, waren Godschalk van Guyck en Johan Dedel, 
advocaat — doch te vergeefs — naar Vlijmen getogen »om Voetii dimissie 
te impetreren". Gisb. Voet Aant. N^. IV. 

*) »Obtenta 22. Maji approbatione classicali, delegati synedrii Heusdani 
die Martis 23. Msgi a synedrio ecclesiae Vlymensi dimissionem postularunt; 
quae scripta ipsis et mihi Heusdae tune commoranti tradita fuit 24. Maji 
mane ante horam sextam matutinam". Voet., Polit eccles.y t. UI, p. 254. 
Vgl. daarmede het aangeteekende in Arch. Herv. kerk Heusd., afd. U, 
B, a, n^ 39: » Voetii demissie van Vlijmen, oock bij de wethouderen be- 
teeckent, berust onder Merten Ruijckhaver". 

*) Men was te Vlijmen niet gelukkig met Voetius' beroepen plaatsver- 
vanger Daniël de Berch, «dewelcke, na dat syn beroep in de dasse inge- 
bracht, aengenoomen ende gheapprobeert, en nu al syn examen gepasseert 
was, in den Heere op den derden dach na syn examen is coomen te ont- 
dapen'\ Hem verving toen Johannes Slatius, die aldaar van 1617 — 1622 
werkzaam was. Kerkl. arch. Vlijmen, 17a, fol. 5. Vgl. Hand. cl. Gore, 14 
Aug., 25 Sept. en 9 Oct. 1617. 



Digitized by VjOOQ IC 



6EBEF0BMEERDEN IN NOOD. NAAR DE VADERSTAD. 211 

datmen ordinarisch gewoon is sermoen te doen" *) — 
bg de gemeente »als tweede predicant" zijne intree 
zou houden. Vooraf evenwel werd aan zekere commissie , 
gevormd door »een uyt de magistraet ende twee uyt den 
kerckenraet", namens drost en consistorie opgedragen, 
genoemd plan mede te deelen aan Grevius, die, verlan- 
gend naar steun en bescherming uitziende , als vroeger zijne 
toevlucht had genomen »tot den gouverneur op het casteel". 
De heer van Kessel ontbood nu ,de gedeputeerden des 
classis", om dezen i,met hooge woorden ende dreygemen- 
ten" te betuigen „dat hij Voetius met gewelt van den 
stoel sonde haelen, seggende dat hg castelegn was*); 
dat h^ oock onlancks last hadde ontfangen van de hee- 
ren Staeten"; — bij welke verklaring Zijne Genade „met 
sulcken ontstelden gelaet hem heeft verthoont, dat de 
gedeputeerden voor groote swaricheijt vreesden". 

Intusschen was Voetius, gelgken maatregel duchtende, 
reeds te zeven uren, „als de clock een weynich wert ge- 
roert", tempelwaarts gegaan^). Nadat hij, het kerkhof 



') VgL hierbovwi, blz. 197, aant. 2. Met dien 24«ten Mei 1617 ging 
ook Voetius' tractement in, als » tweede dienaer*' te Heasden, o^er welke 
gelden hij echter eerst 24 Maart 1618 de vrije beschikking kreeg. Wellicht 
met het oog op die omstandigheid schreef Voetius in zijne Polit eccles.^ 
t I. pars n, p. 813: »Mihi semper idem animus fuit circa stipendia, qui 
Oalyino aliisque reformationis nostrae luminibus: idque per Dei gratiam 
constanter in ecclesia et schola non tantum doctrinae traditione, sed ipso 
opere ostendi". Vgl. hierboven, blz. 201 , aant. 4; maar zie ook bij- 
lage LXXXV. 

^ Buiten twijfel heeft het der tegenpartij maar weinig moeite gekost, 
die bewering te niet te doen. Immers kwam , evenals aan Spierinck , reeds 
vroeger aan Nicolaas Blanckaert de titel van vcasteleyn-drossert** toe, of- 
schoon deze »buyten het kasteel in zijn eygen huys bleef wonen**. Zie van 
Oudenhoven, Beschr. v, Heusd., blz. 61. Vgl. ook Eesol, HolLy 19 Febr. 
1626 en hierachter, bijlage XCIII. 

*) Dus een uur vóór den aanvang der godsdienstoefening. »Ëodem die 
hora octava concio habenda mihi a synedno imposita erat**. Voet., Polit. 
eccles,, t. m, p. 254. 



Digitized by VjOOQ IC 



212 VUFDE HOOFDSTUK. 

overgestoken, de hoofddeur genaderd was, trad onver- 
wacht op hem toe de secretaris des heeren van Kessel, 
Casembroot, door den gouverneur uitgezonden om hem 
„te deverteren", en alzoo Grevius gelegenheid te geven 
„den predickstoel te preoccuperen". Toen Voetius het ver- 
zoek, of hg ten spoedigste bij den commandant wilde 
komen, met eene weigering had beantwoord, poogden 
nog, op aandringen van Zijne Genade, de gedeputeerden 
der Gorcumsche classis — hoewel te vergeefs — hem over 
te halen „van t' voorgenomen predicken te desisteren"; 
waarop zg, teleurgesteld, „haer terstont uijt de stadt 
hebben vertrocken" ^). 

Terwijl Heusdens gemeente „in grooten getale" naar de 
Catharijne kerk opging, trad, omstreeks acht uren, voor- 
middctgs, ook de heer van Eessel dat gebouw binnen, 
„by hem hebbende synen lieutenant Schoonhoven *), ende 
andere van syne suijte". Den ouderling Walewgn Jansen % 



O Gish. Voet. Aant N*'. IV. Vgl. Polit eccles., t. m, p. 254, waar het 
bovenvermelde veel uitvoeriger geschilderd en tevens sterker gekleurd 
wordt. Zelfs laat Voetius, o. 2., t. IlI, p. 257, Heusdens gouverneur 
dreigen itae ultlma ratione regum adhibita, hoc est, armatis sclope- 
tariis (Belgice musquetiers) in templum introductis, nos compulsurum et 
exturbaturum. Quo factum , ut tres veterani concionatores a dasse deputati , 
ad conciliandos et sedandos animos senatorum quorundam, qui hactenus 
instinctu et impulsu ill. praefecti militaris, extra consensum et approbatio- 
nem vocaüonis meae se continuerant ; constemati minacibus ill. virifulgetris 
ex dvitate excesserint; ne sdl. terribilis lanienae et efhisionis sanguinis 
spectaculo interesse cogeretur". 

>) Wat in den tekst hier volgt, is ontleend o. a. ook aan eene mededee- 
ling, getiteld: Verhael van 't gene in de kercke tot Heusden 
gepasseert is den 24 Maji 1617, te vinden Deductie^ fbl. 65, en 
»t* oorconden by eyge handen onderteeckent ten dage ende jare als vooren" 
door »Waelwyn Jansz., Lambert Jarensz., C. Groen, Josephus vanden 
Rosieren minister tot Hedichuysen ende Herpt , David du Piere predikant in 
Babilonien Brouck ende op den Hil, Gisbertus Voetius'*. Vgl. Voet., Polit. 
eccles., t. m, p. 260. 

') »Walewijn Jansz., burger binnen Heusden, pachter van de ghemeene 
middelen over Onsenoort ende Baertwijck". Reaol. Holl, 2 Dec 1600. Op 



Digitized by VjOOQ IC 



OEEBFORMSSBDBN IN NOOD. NAAR DE VADERSTAD. 213 

die met twee der broederen „int gestoelte" had plaats ge- 
nomen , vro^ Zijne Genade onmiddellijk naar den kerke- 
raad. Beleefd werd hem te kennen gegeven , dat het con- 
sistorie — »een wtgenoomen" — na het derde gelui wel 
Yoltallig zou wezen. Niet tevreden met die verklaring, 
voegde hij op barseben toon den ander toe: „ick belaste 
u.(w) L(iefde) niet te laten prediken; ofte ist u. 1. mey- 
ninge alsoo possessie te nemen?" Zonder een oogenblik 
te aarzelen , hervatte Walewgn : j,ja heere , dat is de mey- 
ninge"; waarna de gouverneur hem ten derden male aan- 
sprak f zich beroepende op zijn plicht „omme alle disordré 
soo binnen als buijten der stat wech te neemen" ^); doch 
nu ook klonk de verzekering: „daer en is geen disordré, 
dan die mijn heer hier maeckt". 

Aldus vrij scherp terecht gewezen, zag Zijne Genade 
van de kerkeraadsbank *) op naar den kansel *), door Voe- 
tius intusschen beklommen, en riep, „met een stoxken 
hem wenckende : „domine Voeti , ick belaste u. 1. wt den 
name der ed. heeren Staten van den stoel af te coomen 
ende niet te prediken". Toen deze echter zeide: „Heere, 
gelieflf mg daer acte af te geven" antwoordde de gou- 
vemeur: „Ick salt u thoonen" om voorts — „van daer ge- 
gaen ter plaetse daer den heere drossaert, met eenige 



het kohier der irerponding over 1618 is Walewijn aangeslagen voor 27 gld. 
8 8t^ en behoorde hij dus almede tot de gegoedste ingezetenen der 
frontierstad. Oud-arch. Heusd.j G. 1. 

I) Vgl. hierboven, blz. 205, aant. 3. 

*) In die kerkeraadsbank hadden daarenboven plaats genomen Josephus 
en dn Piere, »sua praesentia primam meam condonem cohonestaturi", 
ichnjft Voetius in zijne Polit eccles,, t. III , p. 255. 

*) »U]e [n. dominus praefectus militaris] cum satellitio suo ingressus, et 
torvo vnltu me in cathedra stantem intuitus, elevato et extenso versus me 
badllo, qao progrediens uti solebat, mandabat nomine et mandato ilL 
d^d. ordinum Hollandiae , ut descenderem et desisterem a concione habenda*'. 
Voet, Polit. eccles.y t. ffl, p. 255. 



Digitized by VjOOQ IC 



214 VIJrDE HOOFDSTUK. 

uijten magistraet ende andere notable persoonen als oock 
capiteijn ende oflBcieren waren geseten" — met luider 
stem den drost, die welwillend hem te gemoet ging, af 
te vragen: »Heer drossaert, hebt ghy consent gegeven 
dat Voetius soude prediken?" Zoowel Spierinck als 
schepen van der Merwede O, mede tegenwoordig , bepleit- 
ten hierop hun goed recht om te handelen, gelgk zg 
gedaan hadden; ieder voor zich staande houdende, dat 
„het beroep Voetii" volkomen wettig mocht genoemd 
worden; na welke woordenwisseling de heer van Kessel 
misnoegd huiswaarts keerde. 

Tegelijk met zyn vertrek hief de gemeente, wijl het 
derde gelui had opgehouden , den gebruikelijken voorzang 
aan: bij deze gelegenheid psalm 129. Onder Voetius' 
gebed , dat daarna plaats vond , kwam haastig in de kerk 
teruggeloópen „den lieutenant Schoonhoven geaccom- 
pagneert met den jongsten sergiant vande compagnie". 
Niet zoodra bleek het bidden „gedaen", of „de deure des 
predickstoels optreckende" stelde Schoonhoven') aan Voe- 
tius „een toegevouwen pampier" ter hand, met dewoor- 



*) vEundem consensum et ordinationem suam, aliorumque senatorum, 
qui tune nondum aderant, declarabat nobiliss. praeses scabinorum: cui 
propterea minabatur extenta versus eum vindice dexti^ cum bacillo, quem 
dextra tenebat, et capite concusso, et voce tragica, intonans Merwen, 
M er wen (hoc nobilis illius gentilitium nomen erat)". Voet., Polit eccles.^ 
t. m, p. 255. Hoe goed, tot in de minste bijzonderheden, de latere 
Utrechtsche hoogleeraar het gebeurde op 24 Mei 1617 zich schijnt te her- 
inneren , toch blijkt Voetius eenigermate in de war te zijn geweest omtrent 
van der Merwede's waardigheid als vroedschapslid. Niet hij, maar Gerard 
Bruynincx was toenteilijd »praeses scabinorum". Jonker Adriaan werd 
zulks eerst met iheyligen Drije Coningendach a^. 1618". 

2) Den 12d«a Maart 1617 had plaats gevonden de eerste huwelijksafkon- 
diging van «Philips van Schoonhoven, lieutenant van den welgeboren heere 
van Kessell en Emmerentia La grue, j. dr. van Heusden". Oudnirch. 
Heusden^ J. I, 1. Terstond na deze twee opgeteekende namen, begint, 
den llden Juli 1617, Voetius* hand in het voornoemde registerde huwelijken 
en huwelijksafkondigingen in te schrijven. 



Digitized by VjOOQ IC 



OEREFOBMEERDEK IN NOOD. NAAR DE VADERSTAD. 215 

den: j,Daer is de acte^), leestse openbaerlyck op"; maar 
deze voerde kalDi den luitenant te gemoet: „lek stae 
onder myn wettelycke overheyt, soo die my dat com- 
manderen, ick salt doen; — anders ick ben hier gecoo- 
men om twoort Qodts te prediken". Toen nu „de ed. 
heere drossaert ende ettelycke uytden magistraet ende 
kerckenraet" om het zeerst verlangden , dat met de gods- 
dienstoefening zou worden voortgegaan , gaf Voetius vol- 
doende aan hun begeeren terstond als tekstwoorden op: 
Matth. 11, VS. 28: „Coemt tot my, alle die vermoeyt 
ende beladen zjjt, ende ick sal u verquicken". 

Naar aanleiding daarvan begon Vlijmens prediker zgne 
intreêrede te houden binnen Heusden , en bracht hij zon- 
der stoornis haar ook ten einde — „blyvende de ge- 
meynte eendrachtelyck in stilheyt ende Qodes vrese by 
malcanderen". 



O Resol. HolL, 20 Mei 1617. 



Digitized by VjOOQ IC 



ZESDE HOOFDSTUK. 



Een kerkelgk conflict. Deportement ran Oreyius. 

Waren blijkbaar de gereformeerden te Heusden van 
oordeel geweest «datter anders geen salve was in Gilead , 
om hen van scheuringhe ende verstroyinghe bequame- 
lijck te redden", dan door aan Vlijmens ^kerckendienaer" de 
reeds geruimen tijd onvervuld gebleven tweede predi- 
kantsplaats aan te bieden, zoo had ook deze gemeend, 
dat hij zijne Calvinistische geestverwanten aldaar ,niet 
en koste voorby gaen met den priester ende levijt", in 
afwachting „of mogelijck een ander met so harden ende 
periculoosen sake" zich zou willen belasten. Veeleer zette 
de vroegere alumnus zyner vaderstad volvaardig ^eyghen 
profijt ende ghemack" op het spel , om die hem na aan 
het hart liggende gemeente ;,uyt den brandt te trecken 
daermen haer in gheworpen hadde"; zich geenszins ont- 
veinzende, hoe er j,weynigh apparentie" bestond, „van 
de sake te boven te sullen komen, nae de gestalte 
doen was van de meeste stemmen der hooghe ende sub- 
alterne overheden". Zelfs bleken partijen „seer hart ende 
machtigh te wesen , en procedeerden sy soo als hare in- 
tentien dat mede brachten" *). 

>) Zie Gisb. Voetius, Afscheydt-predicatie , uyt Philipp. 4. vers, 21 ghe- 
doen in de gemeynte tot Heusden, den 20. Augusti 1634. Den tweeden 
druck, Nae de nieuwe oversettingh verbetert, Amst., 1655, blz. 76 — 78. 

Digitized by VjOOQ IC 



EEN KEKKELIJK CONFLICT. DEPORTBMENT VAN GREVIÜS. 217 

Of had niet Heusdens magistraat , nog vóór de nieuwe 
.kerckendienaer" door Vlijmen was gedemitteerd en op- 
getreden binnen de frontierplaats , drie *) harer leden naar 
's-6ravenhage gezonden '), ter » remonstrantie" bg hunne 
Edel Mogenden? Daarheen ging ook drossaard Spierinck, 
onmiddellijk na afloop der door Voetius gehouden intreê- 
predikatie, „vergeselschapt sijnde" met dezen en twee 
gedeputeerden, Willem Qerardsen Tuelinck uit het con- 
sistorie en jonker Adriaan van der Merwede uit de vroed- 
schap; terwijl iets later op den dag nog Sebastiaan Bee- 
laerts, oud-burgemeester, zich b^ hen voegde, ten einde 
,het wettelyck beroep Voetii met t' gene daerop gevolcht 
was voor de vergaderinge der heeren Staeten te verant- 
woorden" *). 

Intusschen had tot hetzelfde doel, en tevens j,om bij 
Sijn Excellentie ende de goede steden den wech te pre- 
pareren", Johannes Cloppenburch *), op last van Spierinck , 



>) Vgl. hierboven, blz. 209, aant. 4, Volgens Gisb. Voet Aant, N®. IV 
waren toen naar den Haag vertrokken »vier uijt de magistraet te weten, 
de schouth Elshout, de borgemeester Momber, de commis Hamel, ende 
Haybert Willems Loqoermans , de welcke haer tegen t* voors. beroep ende 
de gemeynte van Heusden souden opposeren'*. Gedroeg Hamel zich hier als 
lid van bedoelde commissie (wat echter niet klopt met de declaratie «over 
haerlayder vacatien, reijs- ende teircosten*', Oud-arch, Heusden, E. 59, 
fol. 35), dan ging hij naar 's-Gravenhage zonder daartoe door de vroed- 
schap te zijn afjgevaardigd , evenals zulks het geval was met de Greeff, 
omtrent wien Voetius opteekent: »heefb oock de heere van Kessel beetelt 
dat Grevius met sijn peert metter haest nae Woudrichem gereden, ende 
van daer voorts nae den Haege verreijst is". 

*) »Appulerant istic aliqui ex senatonbus Heusdanis, qui malo et infelici 
oonsilio se subduxerant conventui, in quo vocatio mea approbata eraf*. 
Voet, Polit. eccles., t. III, p. 259. Vgl. hierboven, blz. 204, aant. 1. 

») Güb. Voet. Aant N*. IV. Staat er Polit eccles,, t. UI, p. 258, te 
lezen «consultum duxerunt, ut d. satrapa cum tiibus alüs senatoribus, et 
Voetio condenatore, atque uno seniore Hagam festinaret*', zoo vergist zich 
blijkbaar de schrijver. Met Heusdens drost werden maar twee leden der 
vroedschap gecommitteerd. 

^ Te dien tijde was Cloppenburch te Aalburg als predikant nog niet 



Digitized by VjOOQ IC 



218 ZESDE HOOFDSTUK. 

reeds Dinsdags te voren ^metter haest" öorcum verlaten , 
zich begevende naar Den Haag ^). Te nauwernood was 
hier Heusdens drossaard ^neffens d'andere gedeputeerden" 
Donderdag, 25 Mei 1617, »tegen den avont", aangeko- 
men , of elk hunner ging «hem op t' Hof •) eens vertre- 
den", waarna jonker Spierinck van Well door een der 
kamerbewaarders „subytelyck" bij Hollands staten werd 
ontboden^); doch zonder dat het zijn medeafgevaardig- 
den vergund bleek hun woordvoerder te volgen , ofschoon 
deze, de vergaderzaal binnengeleid, daar straks toegela- 
ten zag de drie bovenvermelde Arminiaansche commis- 



bevestigd. Dat geschiedde eerst 14 Juni 1617 door Petrus Leewius. Vgl. 
hierboven, blz. 157, aant. 2. 

«) Gisb. Voet Aant N®. IV Het Oud-arch. Hemden, E. 56, bevat, opfol. 
34 verso, de navolgende notitie: «Alsoomen domine Voetius, beroepene 
predicant, vdlde beletten ende verhinderen opten predickstoel dat hy niet 
en soude prediken, is daer over goet gevonden naar sGravenhage te co- 
mitteeren den heere drossart Spirinck, Sebastijaen Belaers, Tuiing Geerits- 
sen, den rendant (t. w. jonker Adr. van der Merwede), domine Voetie 
ende domine CJoppenborch , ende sijn dese costen bij mij (v. d. Merwede) 
alle verschooten, volgens de declaratie bedragende ter somme van ses ende 
sestich guld. Xm sts." Naar blijkt uit Oud-arch, Heusden, E. 56 bijlage 
tot fol. 34 verso, bedroegen die verschotten eigenlijk slechts 65 gld. 13 sts. 
4 penn. ft 

*) T.w. het Binnenhof. Vgl. Voet. PoliU eccles,, t, m, p. 259 »nobilis- 
simus d. satrapa, cum suis condeputatis , in interiori aulae area ambnlans'*. 

*) Naar Voetius, Polit eccles., t. IH, p. 258, bericht, was hieraan voor- 
afgegaan eene audiëntie bij Maurits »ad (quem) admissi, et porrecta ac 
juncta singulis dextra clementer excepti sumus". Ik meen echter, dat dit 
bezoek eerst den volgenden dag zal hebben plaats gegrepen. Overigens 
namen, in die dagen, de Contraremonstranten allicht tot den Prins hunne 
toevlucht, gelijk de Remonstranten steun zochten en vonden bij Oldenbar- 
nevelt. »Ck>stemen daer toe comen, dan creechmen fiat, ende corte expeditie. 
Maer die sulcke recommandatie niet mede bracht, hadde een lanck naeloopen, 
ende dickwils noch een blaeuwe scheen". Provisionele opening he van ver^ 
scheyden saecken, ghestell in de Remonstrantie van den heer advocaet van 
Hollandt ende West-Vrieslandl. Tot naerder onderrechtinghe , so van hare 
Ed, Mog. als van alle ghetrouwe patriotten ende liefhebberen des vader- 
landts, Waerinne oock, de nulliteyt van de ghenaemde ontdeckinghe van 
de valsche Spaensche ende Jesuytische pract^jcquen cortelijck wort aenghe- 
wesen. (z. n. v. pi. en v. dr.), anno 1618, blz. 43. 



Digitized by VjOOQ IC 



BEN KERKELIJK CONFLICT. DEPORTEMENT VAN GREVIÜS. 219 

sideden ^). Op de vraag, al aanstonds door „d'advocaet 
Barnevelt" namens hunne Edel Mogenden Spierinck ge- 
daan: „of hij Voetium op den stoel hadde gestelt, ofte 
hem belast voort te gaen in het prediken ?" antwoordde 
deze j,resolutelyck jae ende persisteerde daer bij"; met 
welke onbev^mpelde betuiging de Staten zich voorloopig 
vergeno^den, den drost tot nader ^demitterende" *). 

Reeds 26 Mei , »voor den middach" ^), verschenen we- 
derom beide partijen *) op het Binnenhof. Jonker Rudolph 
Spierinck, toen voorzien j,van alle stucken", noodig om 
de remonstrantie der Heusdensche gereformeerden aan 
hunne Edel Mogenden in het gewenschte licht te plaat- 
sen, leverde dat verweerschrift «mette documenten daer- 
toe dienende" over aan de staten van Holland en West- 
Friesland. Hi^op werd het door Oldenbamevelt van het 
b^in tot het einde voorgelezen en ;,aldaer de saecke int 
lange gedebateert". Bij deze gelegenheid voerde Rotter- 
dams beroemde pensionaris , Huig de Groot — als lid van 
Gecommitteerde Raden toegang hebbende tot de statenver- 
gadering — den drossaard en diens medegedeputeerden te 
genjiiet : »gy hebt malkanderen een voordeel afgesien" *). 



O Namelijk van den Elshout, de Momber en Loockermans. 

*) Gisb. Voet, Aant N^ IV. Vgl. Polü, eccles., t. III, p. 259. Eene 
andere voorstelling dier saak levert het rapport, later door de drie Armi- 
niaansche afgevaardigden hun committenten aangeboden. Daarin loidt het o. a. 
'leggende den drossaert op missaken toe ende beriep hem teicken op syn mede 
broeders die met hem v^aeren gecommen". Briev. en pap, kl. Gorinchem, 

*) Zóó volgens Gisb. Voet Aant N*^. IV. In zijne Polit eccles,^ t. IH, 
p. 259 , schrijft Voetius evenwel: »Die uno atque altero post*'. 

*) Bedoelde »twee" partijen worden, ResoL HoU.y 26 Mei 1617, aldus 
omschreven: sSyn gecompareert die van de zyde van den drossaert, ende 
van de oude magistraet der stede van Heusden ter eenre, ende den schout 
Ëlsbout met eenige van de regerende tnagistraet ter andere zyde*'. Maar, 
daaruit blijkt niet duidelijk genoeg, dat jonker Adriaan van der Merwede 
— wat toch het geval was — behoorde tot den toenmaligen schepen-stoel. 

*) Voet., Polit eccles., t. III, p. 260. 



Digitized by VjOOQ IC 



220 ZESDE HOOFDSTUK. 

Tevens deed hij den remonstreerenden Calvinisten op- 
merken, hoe door hun overhaastig drgven in het 
geheel niet was voldaan geworden aan den eisch der 
Haagsche kerkorde, zoo van 1586 als van 1591, welke 
inhield, dat vóór zyne bevestiging ^^den naeme des die- 
naers den tijt van veerthien daghen inder kercken soude 
vercondight worden" ^). Als men hem echter verzekerde, 
dat die openbare bekendmaking te Heusden, sinds de 
vroegste dagen der reformatie, bij de intrede van geen 
enkel nieuw-beroepen predikant had plaats gevonden, liet 
Qrotius zijne opgeworpen ^exceptie" varen en scheen h^ 
in de toedracht der zaak te willen berusten '). 

Zoodra door de Staten »op alles behoorlyck was ghe- 
let" oordeelden zij »aen beyde zyden misbruyck in de proce- 
duyren te wesen" ^). Daarom werd , na deliberatie , be- 



*) Zie Kercketi'Ordeninghen ^ blz. 65, 87. Voetius laat in zijne Polit 
eccles., t. UI, p. 260, de Groot gewag maken van «tres vocati ministri 
comm ecclesia proclamationes*\ 

2) Niet slechts waren er geene proclamatiën geschied, maar er had 
evenmin eene bevestiging plaats gevonden. Dat een canonist als Voetius 
vrede had met zulk een overtreden der kerkelijke veroi*deningen , ja die 
handelwijze zelfs durfde verdedigen met een beroep op het oud gebruik 
(Polit eccles,^ t. UI, p. 264), moge zijne verklaring vinden in het gedrag 
van Grevius en den drang van Heusdens gemeente — de ira?/* van Vlij- 
mens prediker wettigen, kunnen die omstandigheden hier niet. Voor het 
oogenblik zich neerleggende bij het geval , bezat Grotius nochtans volkomen 
recht, later afkeurend te wijzen «op eene invoering van nieuwe predi- 
kanten buiten ordi*e gelijk tot Heusden", ook al hadden daar de Calvinisten, 
in hunne tweede remonstrantie naar VGravenhage vei^onden, aan Hol- 
lands staten betuigd: »Ende is dienvolgende Voetius behoorlycken in synen 
dienst getreden"; eene betuiging, die ook Trigland in zijne Kerck, geach. 
schijnt te deelen , althans nergens geefl de Leidsche hoogleeraar-historiograaf 
van het tegenovergestelde blijk. Sam. Maresius daarentegen overdrijft 
weer, als hij in zijn schotschrift, Lingua abortiva etc., Gron., 1646, p. 50, 
gewag maakt «de translatione et transitu (Voetii) a cura ecclesiae Vlymensis 
ad curam ecclesiae Heusdanae absque ullius vel dassb, vel synodi autoritate 
praevia", p. 21, geplaatst vóór t. I der Dispp. select Vgl. G. Brandt, a.to., 
dl. n, blz. 469 en Deductie, fol. 105. 

') Vgi. hierboven, blz. 204, aant. 1. 



Digitized by VjOOQ IC 



ESN KERKELIJK CONFLICT. DfiPORTEMENT VAN OREVIÜS. 221 

sloten ^dat twee uyt den coUegie van de Gecommitteerde 
Raden hen na Heusden souden vervoegen", om er beide 
partijen, Remonstranten en Contra-remonstranten, „te 
vermanen tot vrede, eenigheydt, ende onderlinge corres- 
pondentie''. Bovendien moest het vroeger gebeurde ^worden 
gehouden als niet gedaen , ende ghesteldt in het vergeten". 
Ook kreeg genoemde commissie in last , de regeering der 
frontierstad »te bewegen, datse met den kercken-raedt 
gemeen op de persoon van Voetius souden maecken be- 
roep"^). Had dit eenmaal »na de ordre" plaats gegre- 
pen, dan moest verder Vlijmens prediker, »by formevan 
approbatie" *), in zijn ambt te Heusden bevestigd wor- 
den; terwijl vroedschap en consistorie zich «voor het toe- 
komende met den anderen jegens gelijck geval souden 
verdragen , het zy om te volgen de kercken ordre van den 
jare 1591 , in conformité van de resolutie van de heeren 
Staten , of anders na het oude gebruyck '), soose best 
souden kunnen overeenkomen"*). 

Niettegenstaande Voetius met de »uyt magistraet ende 
kerckenraet" gedeputeerde Calvinisten, Zondag, 28 Mei 
1617, uit 's-Öravenhage was teruggekeerd*), vonden zijne 

O De eigenlijke resolutie, door den ginffier A. Duyck op last der Staten 
aan Heusdens magistraat gezonden, heeft dan ook — eenigermate afwij- 
kende van het genotuleerde, Resol. Holl,, 26 Mei 1617 — deze toevoe- 
ging: «Voorders dat de procedueren in den heroepe Voetii worden gehou- 
den als onwettelyck ende onbehoorlycken gedaen , ende sulcks te wesen null 
ende van onweerden*'. Zie Deductie ^ fol. 77. Vgl. daarmede fol. 79. 

^ Overeenkomstig art. 4 der Haagsche kerkorde van 1586. 

«) Zie hierboven, blz. 168. 

<) De Staten gedroegen zich met dat besluit volkomen correct, de hand 
houdende aan hunne i^esolutie, genomen ter dagvaart van 12 Juli tot 10 
Augustus 1612. Vgl. hierboven, blz. 168, aant. 2. 

f) Wat hier verhaald wordt, is ten deele geput uit aanteekeningen , onder 
den titel »Corte roemorien van t gene gepasseert is nae dat wij d* eerste reyse 
in den Haege waeren geweest*', door Voetius geschreven en bewaard weer bij 
de Briev. en pap, kl, Gorinchem. Van dat opstel, ruim acht bladzijden in 
quarto , wordt nu voortaan melding gemaakt als van : Gish. Voet, Aant, N^. V. 

15 

Digitized by VjOOQ IC 



222 ZESDE HOOFDSTUK. 

geestverwanten binnen Heusden het toch ongeraden 3,dat 
hy wederom soude prediken", vóór commissarissen, die 
^^met den eersten" konden aankomen, hunne zending al- 
daar volbracht hadden. Twee dagen later verschenen — 
^goets tyts voor middach" — de gedelegeerden van 
Hollands staten: Maarten Ruyckhaver en Gerrit Jacob 
Witsen ^) j^ter raetcamere der stede Huesden", waar zg 
vergaderd vonden de toenmalige vroedschap ^) met som- 
mige „oude magistraten", die in 1615 en 1616 leden der 
Wet waren geweest'), benevens den ouderling Tuelinck 
en den diaken Jarensen , door het consistorie afgevaardigd. 
Nadat men van weerszijden een tgdlang heftig maar 
vruchteloos had geredetwist over de vraag, of in vroe- 
ger jaren de kerkelgke ordonnantie van 1591 te Heus- 
den al dan niet „absolutelyck was toegestaen" *), werd , 
bij gemeen overleg, goedgevonden tot 's achtermiddags 
reces te nemen , om alsdan „parthyen naerder ende elcx 
apaert te hooren". Maar ook toen bleef »dese zoo gewich- 
tige saecke" — waarvan volgens Ruyckhaver grooten- 
deels afhing het welvaren 3,der goeder ingeseten , liggende 



1) »Adveneraiit Heusdam 30. Mcgi delegati ab ill. Hollandiae ordinibus 
Ruychhaver consul Harlemensis et Witsen consul Amstelodamensis , qui cum 
senatu agebant ut communi cum synedrio consensu ratum haberent meum 
in illa ecclesia ministerium". Voet, Polit, eccles., t. III, p. 261. 

*) In 1617 vraren leden der vroedschap de zeven «schepenen" Gerard 
Bruyninx, voorzitter; Anthony van Gemert, jonkhr. Adriaan van der 
Merwede, Huybert Willemse Lokermans, Willem Gerards Verhoutort, 
Eustace Vereyk, Wouter Hamel, benevens het drietal «borgemesteren" 
Godert Gysbertse de Momber, Adriaan Jansen van Cuyk en Christoffel 
van den Broek. Zie van Oudenhoven, Beschr, v, Heusd.y blz. 165. 

3) Tot de »oude magistraten", aldaar tegenwoordig, behoorden de ex- 
schepenen Jan Franssen van den Broeck, Simon Aertsen, Willem Tan 
Cuyck, Dirk Anthonissen Wyntrack, alsook de gewezen burgemeesters 
Dingman Adriaansen en Sebastiaan Beelaerts. Deductie, fol. 81. 

*) Deductie, fol. 80—84. Vgl. Gisb. Voet, Aant. N*». V en hierboven, 
blz. 187, aant. 2. 



Digitized by VjOOQ IC 



KEN KSBKELUK OONFLIOT. DEPORTEMENT VAN OREVIÜS. 223 

op de frontire naest den vyandt , t bestant van den oor- 
loge by nae omme kommen synde" — in staat van wij- 
zen verkeeren. Uit dien hoofde besloten Gecommitteerden 
ook de overige leden des kerkeraads »opt stadthuys" te 
ontbieden^), ten einde hnn, «binnen gestaen synde", af 
te vragen: „oSer egeene middel tusschen henluyden ende 
Grevius kerckendienaer soude mogen gevonden worden, 
omme voortjsaen met maelkanderen in vrede te leven, 
ende te converseren", — eene vi'aag, door Tuelinck be- 
antwoord met de verklaring: „jae, seer wel; maer dat 
Grevius henluyden niet en hadde willen kennen , soo hy 
voor als noch niet en dede"; waartegen deze op zijne 
beurt aanvoerde »dat ter contrarie den kerckenraet hem 
niet en hadde willen kennen, hebbende verscheydene 
saecken zonder hem te moeyen beslicht" *). Als ten laat- 
ste aan beide predikanten, Grevius en Voetius zelven, 
was gevraagd ; »ofte sy maelkanderen inne de religionspoin- 
ten, düBferentiael, wilden accommoderen , ende daer van op 
den stoel egheene verhael doen, ofte soo den text van 
de predicatie iets vereysten , daer van te mentioneren , dat 
selve soberlyck, matelyck, ende tot meeste stichtinge 
van de hoorderen geschieden mochte", betuigde Grevius 
,met den persoon van Voetii hem te sullen contenteren", 
onder voorwaarde evenweJ , dat deze ,hem verklaerde in 
syne gevoelen over de vyff pointen , controversiael , als 
een christen leeraer, ende sich erbode inde communica- 
tie der heyliger sacramenten , als voor andere vrindelycke 



^) Van de acht kerkeraadsleden kwamen , buiten Adr. Jansen van Cuyck , 
Anth. van Gemert, Jan Fr. van den Broeck, Tuelinck en Jarensz., die 
reeds aanwezig waren , nog op : de ouderling Walewijn Jansen en de diaken 
Johan Beelaerts. De andere ontbrekende diaken, Jan Lenardsen van Boxtel, 
Weef weg. Deductie, fol. 84. 

*) Deductie, fol. 84. 



Digitized by VjOOQ IC 



224 Z£SD£ HOOFDSTUK. 

manieren van omgange, te leven, te gaen ende te staen". 
Van zyn kant verzekerde Voetius, dat hij de Greeflf »be- 
kende voor een gereformeert predicant, doch dwalende 
inde pointen voornoemt, ende tegens de gereformeerde 
leere remonstrerende , ende particulierlyck staende in 
questie met syne gemeynte , omme eenige proceduren" ^). 
Daarop ging voorloopig de vergadering uiteen „ende heeft 
een yegelyck inmiddels syne bedencken gehouden , om tot 
eenen gelucksaligen vuytkompste te mogen geraecken" •). 
Wanneer den volgenden dag, 31 Mei 1617, de gede- 
legeerden der Staten — „naer gehouden communicatie" — 
het wenschelijk oordeelden, nogmaals »de voorsegde mi- 
nisters binnen te doen staen" en te trachten, zoo mo- 
gelijk, de zaak »tot goet succes te brengen", opende 
Ruyckhaver de gecombineerde zitting, met aan Qrevius 
„synen vuytersten sin ende meyninge" te vragen, die nu 
beloofde „in alle vrindelyckhey t , oprechtelyck ende ge- 
trouwelycke, zoo met d. Voetius als met de broederen des 
kerckenraets te sullen leven, indien sy beyde sich wil- 
lich ende gereet toonden, de resolutie der Ed. Mog. 
anno 1614 tot vrede gemaeckt^), synceerlyck te teeke- 
nen , omme na de zelve sich in alles te comporteren" *). 
Nauwelijks had de Qreeff die verklaring afgel^d, ofWit- 
sen merkte op , hoe „hy niet en conde toestaen , dat (oock 
al wilden sylieden) die voorsegde ordonnantie by haer 



1) »AJiter enim ex vero de illo judicare ac pronunciare per conscientiam 
non poteram; uti hoc postea et bUc et alibi explicui et defendi. Si enim 
sententiam reformatorum de salviflca Dei gratia, praedestinante , regene- 
rante, convertentef conservante, est vera et scripturaria (uti ego in con- 
sdentia persuasus sum), sequitur oppositam sententiam a me judicari poese 
et debere, esse errorem; et om nes qui talem sententiam tanquam veram 
tenent ac defenduat in eo errare". Voet., Polit, eccles,^ t. UI, p. 262. 

2) Deductie, fol. 86. 

») Vgl. hierboven, blz. 170—172. 
*) Deductie, fol. 87. 



Digitized by VjOOQ IC 



EEN KEEKELIJK CX)NPLICT. DEPORTEMENT VAN GREVIUS. 225 

soude werden onderteekent , alsoo daerover nog wierde ge- 
disputeert by de Staeten inden Haege". Ten bewijze liet hij 
den hun verstrekten lastbrief opnieuw voorlezen , ^daerby 
vozende dattmen den predicant Voetio niet en behoorde 
hooger te belasten dan volgens haer commissie". Onmid- 
dellijk nam nu Voetius de gelegenheid waar, om zelf 
j,te exhiberen sekere acte by hem ondertekent", in welke 
Mj betuigde „hem volcommentelyck te willen confor- 
meeren, ende gedragen nae tgene hy verstaen hadde 
den last te syn vande ed. mog. heeren Staten, ende 
oock soo verre met d. Grevio eenicheyt te houden, als 
by hem ten aenhooren der Gecommitteerden verklaert, 
ende by den secretaris *) deser stede vuyt synen monde 
was opgescreven" *). 

Toen hierna Grevius voortging met «persisteren ende 
hert drong de ordonnantie van 1614 aen te neemen", 
scheen Amsterdams burgemeester een weinig zijn geduld 
te verliezen ') ; althans hg voerde op scherpen toon de 
GreeflF te gemoet : »ick hoore well , ghy hebt in ter Gouw 
geweest by Vorstio *), ende inden Haege hebt ghy dit wt 
den boogaert*) gepluckt". Niettemin werd, zoo door 



O De secretariR, mr. Lambert van Haeren — »geen8in8 vande gerefor- 
meerde religie roaer papist synde** — zal misschien va/i deze vprocedueren" 
zeer weinig begrepen hebben. In een harer verweerschriften aan de 
Staten geeft dan ook Voetius' partij met ronde woorden te kennen, dat 
sommige leden der Heusdensche vroedschap zich niet ontzagen »te mis- 
bruycken de onervarentheyt in dusdanige saecken vanden heere secretaris 
der seiver stede, die dick ontwyfelyck uijt gelijcke onbedachtheyt , t'heur- 
der dictamen iet int register schreef, sonder weten van d* andere magis- 
traeten ; t' welck noclitans niet en behoorde te geschieden , insonderheyt 
niet in soo swaerwichtigen saecke als dese*'. Deductie , fol. 105. 

^ Deductie, fol. 87. 

*) licht mogelijk voelde Witsen zich daartoe geprikkeld door de Gi'eefis 
verklaring, met zijne gewone onstuimigheid omtrent Voetius afgelegd: 
»hy is een valsch leeraer". Voet., Polit. eccles., t. III, p. 262. 

♦) Vgl. hierboven, blz. 127, aant. 2 en blz. 162. 

') Die naam leende zich als vanzelf tot velerlei woordspelingen. Zoo 



Digitized by VjOOQ IC 



226 ZESDE HOOFDSTUK. 

Ruyckhaver als Witsen, ingevolge hunne bespreking 
met beide partgen , en ondanks het nadrukkelijk protest 
van «eenige uijt de magistraet ende kerckenraet" — die 
opmerkten, dat HH. gecommitteerden ^^daer toe van de 
Staten gantsch geenen last hadden, bl^ckende bg haere 
commissie" — in tegenwoordigheid van Zijne Genade 
don gouverneur, aan Voetius bevolen »niet te prediken 
ofte verder in de saecke ijet te doen, ofte andersins, 
dat de heere van Kessel soude ordre daer op stellen". 
Aan zijne moeder vergunden zij evenwel »met s^nen 
huijsraet ende met een deel van sijn boecken" te blgven 
„m de huijsinge , die de rector Paulus Arcerius ^) plach 
te bewaren" ^) ; naar wiens toen juist leeg staande wo- 
ning de weduwe Voet , op den eigen dag der intrede haars 
zoons te Heusden , door Godschalk van Guyck ^) met groote 
haast uit Vlijmen was overgebracht*). Ook gaven com- 
missarissen aan Zijne Genade in last, behoorlijk zorg te 
dragen, dat men Voetius j,daer ujjt niet en soude stoo- 



sprak de gewezen notaris, Jan Rijnbouts Danckaerts, doelende op den 
Haagschen hofprediker, over veen boogaard vol vruchten van de Arminiaan- 
sche leer". Zio dr. Rogge, Wtenhogaert, dl. II, blz. 475. 

1) Dr. Paulus Arcerius, den Remonstrantschen beginselen toegedaan, 
was — » verdreven sijnde van Sneeck" — op voorspraak zijner vrienden 
Hoogerbeets, Wtenbogaert en Grevius, die hem aanbevalen bij den heer 
van Kessel, te Heusden tot rector benoemd, als opvolger van Abrahamus 
Genius. Met 1 Mei 1615 betrok hij daar «zijn residensi int suster huys, 
ofte het bagijuen closter", en hield er tevens school. Reeds tegen Paschen 
van het jaar 1617 werd hij door de vroedschap vomme de dachten vande 
gemeijne borgorije gedaen, gefondeert sijnde op het wenich ende qualyck 
gadeslaen vande schole", uit zijn ambt ontzet. Oud-arch, Heusden^ E. 57, 
fol. 30 verso; E. 214, fol. 67, 79 en 84 verso; E. 215, bijlage tot fol. 28. 
Zie ook Deductie^ fol. 25 en vgl. hierboven, blz. 190, aant 1. 

«) Güb. VoeL Aant. N^. IV. 

') Aan Godschalk was, in vereeniging met Adriaan Jansen van Cuyck, 
sinds jaren toevertrouwd »het opsicht op den doel vande handtboge". Oud- 
arch, Heusden^ E. 55, fol. 39. 

*•) Voetius' huisvrouw, Deliana, bleef voorloopig in de Vlijmensche pastorie. 
Zie Oud-arch. Heusden y E. 215, bijlage tot foL 38. 



Digitized by VjOOQ IC 



SSN KERKELIJK CONFLICT. DEPORTEMENT VAN QREVIUS. 227 

ten, gelijck het seggen was dat d^opposanten van sgn 
beroep sulcks voorgenomen hadden te doen" ^). Geen van 
hen beiden kon echter beletten, dat de Bemonstrantsch 
gezinde leden der vroedschap , ^coUegialiter met maelkan- 
deren vergadert", hardnekkig tegen die getroflfen maat- 
r^elen bleven protesteeren*). 

Zoo ontstond voor Heusdens Calvinisten de dringende 
noodzakelijkheid, om enkele geestverwanten, uit consis- 
torie en raadzaal, opnieuw met Voetius naar 's-öraven- 
hage af te vaardigen "). Anders dan den vorigen keer , zagen 
nu die gedeputeerden zich tot een betrekkelijk lang en 
doelloos wachten gedwongen. Immers verliepen er voor 
hen ^tien oft elf daegen sonder tot audiëntie te konnen 
komen". Maar toen ook vonden zij gelegenheid „haere 
tweede remonstrantie" ter Staten-vergadering in te die- 
nen *). Nadat hier mondelijk was uitgebracht het rapport 
der Gecommitteerde Raden, die vertoefd hadden binnen 
de frontierstad »en gesien het verbael, by de selve van 
hare besoigne gehouden", werd ,by de meeste stemmen" 
besloten , dat Voetius' beroep , als geschied op onwettige 
wijze en met de kerkelijke verordeningen in strijd, zou 
beschouwd worden i,voor te niet gedaen". Doch ^aenghe- 
sien de ruste van de stede van Heusden daer aen scheen 
te wesen gelegen", vond men goed, dat Vlijmens predi- 
kant — ,de welcke hoope gaf van met Grevius , die van 
den kerckenraedt , magistraten, ende anderen te sullen 



«) Gisb. Voet. Aant N^. V. 

*) Dat protesteeren blijkt o. a. ook uit het verhandelde »inde raetcamer 
der stede van Heusden den 2d« Juny 1617, present den schout, Bruynincx, 
H. Loockermans, Vereycke, Hamel, Momboir, A. van Cuyck*'. Zie hier- 
achter, bijlage LXXXVI. 

*) Afgevaardigd werden, als magistraten Willem Verhoutert en Se- 
bastiaan Beelaerts, als kerkeraadsleden Tuelinck en Walewijn Jansen. 

^) Die »tweede" remonstrantie staat vermeld Deductie^ fol. 103 — 107. 



Digitized by VjOOQ IC 



228 ZESDE HOOFPSTUK. 

kiinnen leven in verdraeghsaemheydt % het onderlingh 
ghebruyck der sacramenten, vrede ende eenigheydt" — 
gedurende »een tydt van maenden by provisie als by 
leeninghe tot Heusden soude worden gebruyckt tot den 
kerckendienst" *). Bleek het wederzijds naar wensch te 
gaan, dan konden hunne Edel Mogenden vervolgens ge- 
lasten »nieu beroep op hem te maken, en hem te doen 
bevestigen". Vóór alles mocht het evenwel zaak heeten, 
beiden, Grevius en Voetiüs, binnen 's-Gravenhage te ont- 
bieden, opdat „de selve aldaer souden worden vermaent 
broederlijcken ende christelijcken met den anderen te 
willen omgaen" '). 

Intusschen was laatstgenoemde — beducht, evenals 
zijne medegedeputeerden , ,ydat de advocaet Bamevelt hem 
soude arresteren gelyck hij Willem Crijnsen, predicant 
van den Briel, gedaen hadde"*) — reeds met eenigen 



O Allicht grondden de Staten die hoop op het getuigenis, waaimeè 
Heusdens calvinisten hun verweerschrift besloten: »te meer geconsidereert 
de voors. Voetius verclaert hem gaern te willen dragen nae de bevelen 
ende last Gravio ende hem bij de voors. heeren Ruyckhaver ende Witsen 
voorgehouden. Ende dat de voors. doleanten, seer weynich in getaele, in- 
sonderheyt ten regarde van de groote menichte der remonstranten (d. w. z. 
der Gereformeerden, die hierbij hunne «tweede remonstrantie*' inleverden), 
hebben ende behouden den voors. Grevium van de gesintheyt soomense 
noemt der Remonstranten, die hen leeren ende bedienen mach". Zoo hield 
Voetius dan niet hardnekkig vast aan het: «Israël moet alleen woonen"; 
overigens de leus aller Calvinisten, volgens den Remonstrantsch gedndeu 
schrijver van het pamflet, getiteld Een trouwhertighe vermaning he ^ aen 
alle vrome lidtmaten der gemeente Jesu Christin die in Hollandt^ midts- 
g aders andere plaelsen teghenwoordich stichten ende caenhalsen onder de 
herde vervolginge^ om de waerheydt ^ die na de godtsalicheyt is (z. n. v. 
pi. en V. dr.), 1620, blz. 19. 

«) Resol, Holl, 14 Juni 1617. 

») Resol. HolL, 15 Juni 1617. 

*) Gisb. Voet. Aant. N*. V. Zie over Willem Crijnsen het door H. de 
Jager meegedeelde bij Acquoy en Rogge, Arch. v. Nederl. kerkgesch.^ dl. 
III, blz. 337 — 399. Hier echter blijkt, dat Crijnsens persoonlijke vrijheid, 
tijdens zijn verblijf te 's-Gravenhage van 18 Febr. tot 8 Juli 1617, weinig 



Digitized by VjOOQ IC 



ESN KERKELIJK OONFLiCT. DEPOBTEMSNT VAN GaEVIüS. 229 

spoed uit Den Haag vertrokken, het voor zijn persoon 
veiliger en voor zijne zaak verkieselijker rekenend, de 
beslissing der Staten in de frontierstad dan op het Bin- 
nenhof aftewachten. Ofschoon alleen teruggereisd , kwam 
hij toch Zaterdag, 17 Juni 1617, gelgktijdig met ,de ge- 
deputeerden van de magistraet ende gemeynte te huijs*\ 
Toen nu, 's anderen daags, Grevius weer voor de ge- 
meente was opgetreden en hem ^nae de predicatie" door 
de broederen werd medegedeeld, »dat Voetius sijne ge- 
beurte soude hervatten", heeft hij ^sulcks niet willen ac- 
cepteren", ja zich in geenen deele ontzien — «tegen dob- 
bele resolutie der heeren Staeten" — met dezen en met 
het consistorie alle kerkelgke gemeenschap af te breken , 
«s^gende , neffens Yoetium , als onwettelyck ingedrongen 
sgnde, niet te willen predicken". Van den 18^«° Juni tot 
den 28»*«» Juli weigerde dan ook de Greeff binnen Heus- 
den dienst te doen, hoewel door den kerkeraad „als het 
sijn beurte was", steeds daartoe verzocht en ontboden ^). 
Ten laatste, geheel uit zichzelf »in Voetii predicatie ge- 
comen", gaf hij , bij het naar huis gaan , den ouderling 
Anthonie van Qemert te kennen «wederom te sullen pre- 
diken ende dat Sondach , 30 Julij *), voor den middach". 

of geen geyaar beeft geloopen. Op de vraag toch , door hem aan Oldenbar- 
nevelt gedaan »of hij in den Hage was geconAneert?'* kreeg hij van den 
Advocaat ten antwoord »neen, dat hij gaen mocht werwaerts hij wiide, 
sonder alleen in den Briel, ten ware met consent van de magistraet al- 
daer"; a.to., blz. 392. Vgl. daarmede Voet., Polit. eccles., t. III , p. 260 , 26i . 

O Wel preekte Grevius voor de bezetting op het kasteel te Nederheroert , 
in Gelderland, dat met Heusdens gemeente viras gecombineerd, en doopte 
hij daar te dien tijde een kind van zijn vriend , den rector dr. Arcerius. Vgi. 
hierboven, blz. 226, aant. i. Later vervulde ook Voetius te Hemert zijne 
ambtsplichten. Zie Bispp. select^ t. IV, p. 283: «insuper in castello He- 
mertbano ecdesiastice cum ecclesia Heusdana combinato, una cum collegis 
hebdomadatim coram praesidiarüs ab anno 1621. usque ad annum 1634. con- 
cionatum (me fatoor)". 

^ In Gish, Voet Aant. N®. V staat, zeker bij vergissing, »Sondach, den 
28 Julij voor den middach". 

Digitized by VjOOQ IC 



230 ZE3D£ HOOFDSTUK* 

Als nu van Qemert hem onder het oog bracht, hoe hij 
„Voetio sulcks behoorde te communiceren'^ verkoos Gre- 
yius dien wenk geenszins ter harte te nemen, maar liet 
door koster Willem Gerritsen van Driel zijn voomenjen den 
ambtsbroeder boodschappen. Deze — naar hg aan Gecom- 
mitteerde Raden herhaaldelgk had verklaard *) — tot sa- 
menwerking niet ongenegen , begaf zich op den bepaalden 
dag onder de Greeffs gehoor, en ontving bij die gel^en- 
heid van zijn collega het persoonlijk verzoek, »dat hij 
neffens hem ende in de gebeurten tot Hemert soude gaen 
prediken": een verzoek, terstond met de meeste bereid- 
willigheid door Voetius opgevolgd *). 

Toch viel het weldra Heusdens jongsten ^kerckendie- 
naer" hoe langer hoe moeielijker «goede, vaste eenicheyt" 
te bewaren met zijn ouderen ambtgenoot *). Wist hg al 
«door moderatie" te voorkomen, dat «de aflfeonderinge 
d. Grevii eenige merckelycken aenhang tot scheuringe 
maeckte", en waren het in de gemeente slechts «seer 
weijnige ongeruste persoonen, die, haer niet te vreden 



O Vgl. hierboven, blz. 228, aant. 1. Zie ook blz. 229, aant. i. 

2) Kort na die oogenschijnlijke verzoening, trachtte de Greeff door aan- 
koop eigenaar te worden van zijne pastorie. vDas. Jobannes Grevius — zoo 
luidt het, Oud-arch: Heusden, E. 59, fol. 14 verso — heef^ vande ma- 
gistraten deser stede gecofb zeecker huijsinge ende erff, staende omtrent 
de Cloosterkerck , daer den voors. Grevius tegen woordich in Is woonende, 
broeder volgens de coopcedulle, ende conditien, daer van gemaeckt, in date 
den i8«i^ Augusti 1617, voor de somme van negenhondert gulden, te be- 
taelen in vier termijnen". De laatste termijn dier koopsom yrerd voldaan 
10 Sept. 1631, en wel door de Greeffs weduwe, Josina van Ravensteyn. 
Vgl. Oud-arch. Heuaden, E. 217, bijlage tot fol. 45; E. 220, bijlage tot 
fol. 13. 

<) Wat nu volgt in den tekst, is voor het grootste gedeelte ontleend aan het 
verweerschrift, dat Heusdens kerkeraad door bemiddeling van Joh. Clop- 
penburch den Staten deed toekomen, tegenover de remonstrantie hun in 
Mei 1618 door Grevius aangeboden, en welk verweerschrift is opgenomen 
in de bekende Deductie ^ fol. 141 — 148. Ook bleef een copie daarvan be- 
waard in Arch, Herv. kerk Heusden, afd. II, B, a, n**. 39. 



Digitized by VjOOQ IC 



BEN KSKKELUK CONFLICT. DBPOBTKMENT VAN GBEVIUS. 231 

houdende, haer wt sijn predicatien absenteerden", zoo 
kon dit echter niet verhinderen , dat örevius de met Voe- 
tios getroffen schikking voortdurend in de waagschaal 
stelde; nu eens »door desen te precipiteren om onbereyt 
de predicatie (welcke anders nagelaten soude geweest syn) 
aen te vangen'*; dan weer, door „in syne eygene ge- 
beurte*' te doen optreden «niet alleen onaengename pre- 
dicanten, maer oock soodanige, die by den classe noyt 
voor gereformeerden en waren erkent; gelyck sulx met 
namen is geschiet den 15 Octobris inden persoon heer 
Tameri '), welcke Tamerus gansch onstichtich de leere 
der perseverantie lasterde als een oude ketterie der Va- 
lentianen, ende tegensprack de verseeckerheyt der za- 
licheyt; bedienende mede den doop, ende sonder gesang 
zgne predicatie besluijtende". Vanw^e „de groote op- 
spraeck ende ergemisse" daardoor ontstaan, doleerde 
Heusdens kerkeraad — verlangende «dat sulx voordaen 
mochte geweeret werden" — veertien dagen later, schrif- 
telijk bg de classis te Gorinchem ^). Hier kreeg haar prae- 
ses, Luderus Vogelsanck, van de broederen in last „do- 
minum Grevium scherpelyck te vermaenen van zgn on- 
ordentlyck doen" ') ; terwgl Voetius , die , om hetgeen 



O Henricus Tamenis was, reeds op achttienjarigen leeftijd, een bekwaam 
leerling ytm Melanchton, te Wittenberg. Teruggekeerd naar de Yereenigde 
Gewesten, diende hij vtot Woerden, Wtrecht ende elders in de lutersche 
vergaderingen'*. Zonder ooit lidmaat te zijn geweest «der gereformeerde 
kercke*', nam hij — »tegens ordre en danck des classis van Gorinchem*', 
maar «gesteldt ende toegelaten byde ed. mog. heeren Staten" — het pre- 
dikambt waar in de gecombineerde gemeenten Doeveren, Genderen en 
Gansoijen. Zie Kist en Moll, Kerkhwi, arch.^ dl. I, blz. 303. Ygl. daar- 
mede Deductie^ fol. 3 en hierachter, bijlage LXXXVU. 

«) Hand. cl Gore, 30 Oct. 1617. 

*) De ^remonstrantie", die Cloppenburch — »daertoe gedeputeert" door 
jonker Spierinck en den Heusdenschen kerkeraad — aan Hollands staten 
overieverde, verklaart »d. Grevius gecensureert synde inde classe, heeft 
den classe geene andere satisfactie gegeven als dese, met formele woorden 



Digitized by VjOOQ IC 



232 ZESDB HOOFDSTUK. 

toen had plaats gegrepen, bij den ambtgenoot niet meer 
ter kerk gekomen was, op dezelfde vergadering ^presen- 
teerde met Grevio in handelinge te treden van weder in 
zijne predicatie te gaen, als hij hem eerst met zgne 
kerckenraet ende gemeijnte behoorlyck soude hebben ge- 
reconcilieert". 

Maar juist dat laatste was en bleef het groote struikel- 
blok. Toen, tegen het eind van 1617 »den tyt naderde, 
dat ter stede Heusden, gelyck oock elders, solemp- 
nelick plach gehouden te werden de bedieninge van het 
heylig avontmael", achtte de kerkeraad het oogenblik 
gekomen voor eene vernieuwde poging »omme de diflfe- 
renten ende verschillen geassopieert te mogen worden, 
ende alsoo den wech te prepareren tot een christelycken 
nachtmael" O- Ende dit te eerder , wijl met hetzelfde 
doel vier gecommitteerden uit de magistraat*) zich 
vervoegd hadden tot het consistorie *) , aan wie was be- 
tuigd geworden door den kerkeraad, dat men trachten 
wilde I, alles tot eenicheyt te brengen; datmen oock ny et 
en soude particulariseren , maer reciproce d'een den an- 
deren ongeveynsdelyck syne foulten, die daer mochten 
ter wedersyden geresen zyn rondelyck vergeven ende 
vergeten". Grevius evenwel, ongezind zich ter kerke- 
raadsvergadering „ie laeten vijnden", deed door den 
diaken, uit het consistorie naar hem afgevaardigd, den 
broederen ^aenseggen, dat hy niet met haer wilde spre- 



seggende: »Ick stae onder geen kerckenraet; ick ben predicant 
a part." Vgl. hier dr. Rogge, Wtenhogaert, dl. II, blz. 373. 

*) Bij de voorstelling hierboven van .dien avond maalsstrijd gegeven , kon 
ik ook vergelijken het genotuleerde omtrent de Heusdensche raadsverga- 
dering op 20 Dec. 1617, bewaard onder de Briev, en pap, kl, Gmnnchem, 

^) Te weten: schout van den Elshout, president-schepen Bruynincx, 
jonker Adriaan van der Merwede en burgemeester de Momber. 

5) Op den 9den December 1617. 



Digitized by VjOOQ IC 



EEN KERKELIJK CONFLICT. DEPOBTEMENT VAN GBEVIUS. 233 

ken dan geassisteert synde met twee wtte magistraet 
ofte vier anderen persoenen als gelooflfWeerdige getuygen". 
Nogmaals, en nu zoo dringend mogelijk ^gebeden, dat 
hy ten minsten eens soude hoeren wat hem voorgedra- 
gen sonde worden ende dat hy sich daer coste op be- 
raeden", bleef de GreeflF »by syne weygeringe volherden , 
s^ende, dat hy haer voor synen kerckenraet niet en 
kende". 

Nadat zoowel ouderlingen als diakenen de door Gre- 
vius gevolgde handelwgs , »met dewelcke allé^ hope van 
verstaninge genoechsaem was aflfgesneden" ^) , ter kennis 
hadden gebracht der »vier persoenen wt de eers. magi- 
straet, die haer daer mede gecontenteert hielden", droe- 
gen zij aan Voetius op ^alsoo Grevius in gebreke bleeff 
van versoeninge, niettemin alle preparatien acten voor 
de bedieninge des avontmaels int werck te stellen". 
Overeenkomstig den hem g^even last ^vercondichde" 
deze, 10 December 1617, in de voormiddaggodsdienst- 
oefening ,yhet avontmael tegen den aenstaenden tyt, 
sonder precysen dach te noemen; beneflfens verclaringe, 
soo daer yemant was, die hem in eenige dingen mochte 
beswaert vijnden, by hem te commen, omme onderricht 
te worden". De tweede ^communicatie" geschiedde den 
volgenden Zondag- voormiddag door Grevius; doch buiten 
weten des kerkeraads, en met «expresse" vermelding 
,datmen naer ouder gewoonte het heylige nachtmael 
sonde vuytdeelen óp Kersdach". In strgd hiermede las 
wederom Voetiüs b^ den namiddagdienst voor, dat ge- 
noemde plechtigheid , volgens besluit van het consistorie , 



1) En zulks geochiedde nog wel tijdens het eerste eeuwfeest der Refor- 
matie! Vgl. hier dr. Rogge, Wtenbogaert ^ dl. II, blz. 344 — 346, en Brandt, 
a. to., dl. n, blz. 692. 



Digitized by VjOOQ IC 



234 ZESDE HOOFDSTUK. 

ZOU worden gevierd »op Kersavont *), dwelck de magi- 
straten verdochte te wesen een groote ongehoorde nieu- 
wicheyt". 

Om die reden aarzelden dan ook sommige leden der 
vroedschap geen oogenblik, Voetius*) „ende die vanden 
kerckenraedt" ter verantwoording voor zich te ontbie- 
den; nochtans «tegens het advys van myn heer drossert 
ende andere wethouderen in regeringe synde, dewelcke 
meynden dat de saecke in de kercke ende niet op het 
raethuus beslicht ende broederlyck sonder dwingende 
macht behoorde affgehandelt te werden". Als nu aan 
de twee uit Heusdens consistorie daartoe gecommitteerde 
en, 19 December 1617, ten stadhuize verschenen kerke- 
raadsleden^) door bedoelde regeeringspersonen gevraagd 
werd i,waeromme dat op den Sondach, ende niet op 
den dach der geboorte Christi, gelyck placht te geschie- 
den, het avontmael sonde geadministreert werden?", ver- 
klaarden dezen kortweg »dat hierinne de Christelycke 
vryheyt was gebruyckt, alsoo men niet en hadde eenige 
Joodsche ofte Paepsche verbintenisse van dagen ende 
maenden" *). Met die betuiging , naar het scheen , genoe- 



ï) Onder «Kersavont" is hier de dag vóór Kerstmis te verstaan. 

2) In een later raadsbesluit , daarop betrekking hebbende , vrerd van Voe- 
tius gezegd: »die alhier maer bij leeninge is getolereert". Zie Arch, Hen. 
kerk Heugden, afd. ü, B, a, n^ 39. 

>) Met name de ouderlingen Jan Fr. van den Broeck en Willem Tuelinck. 
Laatstgenoemde was juist onlangs (28 November) hertrouwd met »AgneU 
Adriaensdr. weduwe". Oud-arch, Heusden^ J. I, i. 

*) Zie Gal. 4:10. Had de Haagsche kerkorde van i586, in art. 56, be- 
paald, dat »het avontmael des Heeren ten twee maenden eens, soo veel 
het moghelijck was, soude ghehouden werden: ende stichtelijck soude zijn, 
daer het de gheleghentheyt der kercken lijden conde , dat op den Paes-dagh, 
Pincxter-dagh ende Christ-dagh het selve soude geschieden" — eene bepa- 
ling, door art. 63 der Dordsche kerkorde van 1618 en 1619 bekrachtigd — 
zoo schreef later Voetius dienaangaande in zijne Polit, eccles.^ t. UI, p. 223: 
ïPosteriu^ tantum consulitur , aut conceditur , aut ecdeeiis expendendum ac 



Digitized by VjOOQ IC 



EEN KERKELIJK CONPLICTT. DEPORTEMENT VAN GREVIÜS. 235 

gen nemende, antwoordden hun »die vande magistraet", 
hoe er plan bestond, spoedig weer bijeen te komen, en 
dan ydaer toe te arbeyden, dat Grevius versoent synde, 
men gesamendlyck het avontmael genieten mochte". 

Ofschoon de broederen des kerkeraads zulk eene ver- 
zoening met Grevius, volstrekt niet verwachtten, meen- 
den zij toch Heusdens regeering „gewillichlyck" de hand 
te moeten bieden. Uit dien hoofde werd door hen aan 
de Greeff verzekerd, »dat sy niet van hem en begeerden 
iet tgene tot quetsinge van syne conscientie diende, 
maer alleene, dat hy affstant soude doen van syne 
voorige exorbitante proceduyren, daer door hy gear- 
beyt hadde tot exclusie van die leere, die hy in synen 
dienst tot Heusden tredende solempnelick inden classe 
hadde aengenomen". Ook verlangden ouderlingen en dia- 
kenen, dat hij — „by sich houdende (totdat in synodo 
nationali anders soude syn gedisponeert) t gevoelen twelck 
hy naderhant buyten hope der gemeente, niet sonder 
verstroyinge derselver hadde op den predickstoel ge- 
bracht" — voortaan met hen en zijn collega Voetius 
eendrachtelgk zou samenwerken. 

Daar echter de Greeff terstond „pretentieerde , dat syne 
conscientie hem niet en knaechden , ende dat hy , sonder 
yemants int minste geoffenseert te hebben, in alles wel 
geprocedeert hadde", gaf hem de kerkeraad, „achtne- 
mende op syne haestige humeuren", den noodigen tijd 
om zich te bedenken. En later, toen een deel der vroed- 
schap over de hangende geschillen van nieuws wilde be- 
raadslagen , verzochten de broeders , ten einde »met meer- 



deliberandum relinquitur". Vgl. N. C. Kist, Be Christelijke kerk op aarde ^ 
volgens het bijhelsch onderwijs en de geschiedenis, Eene door Teyler's god- 
geleerd genootschap bekroonde prijsverhandeling , tweede vermeerderde uit' 
gave, Loden, 1835, dl. I, blz. 332, en dl. U, blz. 130—432. 



Digitized by VjOOQ IC 



236 ZESDE HOOFDSTUK. 

der zedicheyt wt Grevio syne meyninge te verstaen , dat 
hy deselve schriftelyck stellen wilde; twelck hy gedaen 
heeft" ')• Door het consistorie werd hierop „reciproce'' 
aan Grevius overhandigd »de substantie vant gene voor- 
seyt was, by hun allen onderteekent" *). Maar niet zoo- 
dra had Johannes Grevius den aanhef van het eerste ar- 
tikel, sprekende »over affstant ende schultbekenninge", 
daarin gelezen, of, vol verontwaardiging, riep hij uit: 
^ick sal het myn leven niet doen!" Geen wonder dus, 
dat de Greeflfe repliek op genoemd schrgven, 21 Decem- 
ber 1617 den afgevaardigden uit het consistorie toege- 
zonden^), aanstonds ten gevolge had een ^schriftelycke 
wederantwoort des kerckenraets" *). 



») Zie hierachter, bijlage LXX XVIII. 

s) Zie hierachter, bijlage LXXXIX. 

«) Zie hierachter, bijlage XC. 

*) Zie hierachter, bijlage XCI. »Gi*evii conditien — zoo schrijft Trigland, 
Kerck, gesch., biz. 816^, 817» — waren vanden selven aert als Barnevelts 
voorslaghen ende zijner commissarissen, wanneer die handelden tusschen de Re- 
monstrantsche perturbateurs van de kercken , ende den orthodoxen leeraren , 
ofte de gecommitteerde van die kercken de weicke van de Remonstranten ge- 
troubleert waren. *t Was altijt te seggen , datmen aen beyde z ij den 
vergeven ende vergeten sonde al watter gepasseert was, ende 
voortaen met malkander in goede vrede ende eenicheyt le- 
ven, d*een den anderen in broederlijcke liefde ende vriende- 
lij ckheyt bejeghenen etc. Niet anders dan of het maer pailiculiera of- 
fensien waren gheweest, voort spruytende uyt particuliere affecten ende 
ongestelde genegen thed en , de weicke alleen ter neder gheset zijnde, alles 
wel soude zijn, latende ondertusschen de poincten difiTerentiael tusschen bey- 
den staen, in voeghen dat yeder daer van gevoelen mochte, soo als hy 
konde , of als hem best docht, 't Welck voorwaer een groot misverstaat is. 
In particuliere saecken weten wy dat het soo kan gaen , als de weicke een 
yeder in zijn eygen macht ende arbitragie heeft; jae daer moet het roe- 
nichmael so gaen. Maer hier heeft het eene andere ghelegentheyt , alsoo het 
hier Godes eere aengaet, der menschen salicheyt, de stichtinge ende d'op- 
bouwinge van Christi ghemeynte. Daerom die in sulcke saecken misdaen 
heeft, die behoort wel deghelijck zijn schuit te bekennen, Gode de eere te 
gheven, van zijn quaet af te staen, zijn faute te repareren, ende de ge- 
meynte daer mede te stichten. Wil hy dat niet doen, hy vergroot zijn 
quaet, quetst Godes majesteyt te meer, gheeft swaerder arghemisse, ver- 



Digitized by VjOOQ IC 



SEN Kerkelijk conflict, deportbment van oreviüs. 237 

Middelerwijl waren te Heusden vergaderd geweest „in 
absentie vanden heere drossaert ende andere onpartidige 
wethouderen, eenige uyt de magisti'aet", die »ten belie- 
ven van d. Grevio" hadden goedgevonden , om zoowel den 
CUvinistisch gezinden kerkeraad »te vermanen ende te 
versoecken" als den predikant »bij leeninge", Voetius ^), 
ambtshalve „te belasten ende te bevelen , dat de vnijtdeij- 
linge vanden nachtmaele Christi anders niet en sonde ge- 
daen werden, als naer d'oude ordre ende gebraijcke". Of- 
schoon reeds den 21'**" December ten stadhuize voorgesteld , 
werd bedoelde resolutie door het zevental *) raadsleden, »in 
dese saecke gebesoigneert hebbende", voorloopig nog »bin- 
nen gehouden ende gedissimuleert" '). Eerst Zaterdag , 23 
December 1617, nadat het consistorie zijn wederantw oord 
aan Grevius gezonden had , deden ook „de voorsegde wet- 
houderen het protest voorgaende beraempt aen den kercken- 
raede ende Voetio deur de camerbewaerder toeschicken" «). 

Nauwelijks had Voetius , bij afwezigheid van de Greeff 
»praeses synedrii", de ontvangen acte vluchtig doorloo- 
pen , of hij haastte zich ^de selve den andere van de ma- 
gistraet te communiceren*); ad vijs gevende, datmen 



weckt meerder scheuringhe, ende sal te zijner tijt te swaerder oordeel van- 
den Heere hebben te verwachten. Wy wenschen dat een jeder dat wel be- 
trachte, om 800 een beroerte inde kercken niet te verwecken , ende soodanigen 
argemisse niet te gheven, als vande Arminiaensche remonstranten, ende 
spedalijck van desen Grevio, is geschiet'*. 

O Zie hierboven, blz. 234, aant. 2. 

>) Namelijk: schepenen Bruynincx, van Gemert, Loockermans, Vereycken, 
Hamel, alsook burgemeesters de Momber en Adr. Jansen van Cuyck. Arch. 
Herv, kerk Heusden, afd. H, B, a, n®. 39. 

*) Zie hieronder^ aant. 5. 

*) Dit geschiedde door Jan Klaassen van Wyck »daechs voor de uijtdee- 
linge des nachtmaels ontrent twelf ueren des middachs". Deductie, fol. 170. 

•) «Hebben voorschreven kerckenraet ende d. Voetius t'zelffde protest, 
aenden heere drossaert ende andere tegenwoordige wethouderen terstont 
daer aen verthoont ende gevraecht off haere roeyninge ende wille oock zulckx 

16 



Digitized by VjOOQ IC 



238 ZESDE HOOPDSTült. 

even wel met de bedeelinge des nachtmaels moest 
voortgaen , ende soodanigen protesten ende dreggementen 
niet ontsien , dew^le soo wesentlycken deel van exerci- 
tie der religie niet en conde achtergelaten werden, noch 
de gantsche gemeijnte, die haer nu bereyt hadde, daer 
van gefrustreert" ^). Niettemin achtte drossaard Spierinck 
het geraden — »des achternoens tenselven dage" — te 
doen samenkomen „de jegenwoordige ende vorige ma- 
gistraet". Terwijl men op fleusdens stadhuis nog ijverig 
«besoigneerde" over het nieuw-gerezen bezwaar, en de 
gecommitteerde kerkeraadsleden Tuelinck en van den 
Broeck zich gereed maakten »omme mette oude wet- 
houderen ter zyde vande raetcamere vergadert te spreec- 
ken", begon juist „de clocke tot de boétpredicatie *) inder 
kercken geluyt te worden". Dientengevolge zag jonker 
Spierinck zich genoopt , haastig het advies te vragen van 
de heeren der vroedschap; waarna »met de meeste stem* 
men wert goetgevonden ende verclaert, datmen by de 
ordre der kerckenraet blyven soude, alzo door cortiieyt 
des tyts onmogelyck was eenighe naerdere communicatie 
te legghen"'). 

Overeenkomstig dat besluit *) hield nu Voetius op Zon- 
dag, 24 December 1617, des voormiddags „de bedieninge 



ware, die ten hoocbsten verwondert, als aende welcke, door den anderen 
zeeven heeren voorschreven niet eens van het voors. protest eenighe mentie 
ghemaeckt en was : hoe wel de magistraten noch den 22«»» ende 23«» des iroors. 
maents, tot vereeniginge van den kerckenraet met d. Grevio versameJt wa- 
ren gheweest". Arch. Herv. kerk Heusden^ afd. U, B, a, n®. 39. 

O Deductie, fol. 170. 

*) Dat is de godsdienstoefening, waarin men zich voorbemdde tot het te 
vieren avondmaal, door Voetius »proeipi*edicatie" geheeten. 

») Arch, Herv. kerk Heusden, afd. H, B, a, n®. 39. 

*) Bovengenoemde resolutie droeg de onderteekening van jonker Spiermck 
van Well, Aertsen, Verhoutert, Seb. Beelaerts, J. F. van den Broeck, jonker van 
der Merwede , Willem van Guyck, Jarensen, Tuelindc en Dingman Adriaansen. 



Digitized by VjOOQ IC 



£KN UUtKSLIJK OONPLIGT. PEPOBTlMKNT VAN GREVIUS. 239 

van het heylig avontmael". Buiten verwachting ge- 
schiedde die plechtigheid «met groote stichtinge, sonder 
de minste alteratie der gemeynte". Ofschoon Qrevius niet 
mede aanzat — veeleer had hij tgdens de jongst- verloo- 
pen dagen zich de grootste moeite gegeven, om ook an- 
dere lidmaten daarvan aftehouden ^) »so by auctoriteyt 
als door inductie" ') — administreerde nochtans zgn ambt- 
genoot ,by leeninge" de nachtmaalstafel voor tweehon- 
derdvijfentwintig «communicanten'' : een aanzienlek getal 
en «meerder dan oyt zedert de Reformatie tot Heusden 
bekent syn geweest" *). 

De zeven Bemonstrantsch gezinde raadsleden ^)y die dat 
alles hadden zien plaats gqjpen in lijnrechten strgdmet 
hun uitdrukkelijk bevel , namen , Donderdag, 28 Decem- 
ber, opnieuw vergaderd, het besluit Loockermans en 
Hamel , gelijk voorheen , af te vaardigen naar Den Haag ^) ; 
alwaar beiden, niet enkel schriftelijk maar ook monde- 
ling, zouden te verstaan geven, dat het der magistraat 

^ Grevius handelde zoodoende geheel en al in strijd met wat hij, nog 
kort geleden — 20 Dec. 1617 — den Heusdenachen kerkeraad had aange- 
boden te doen. Zie art. 3 van bijlage LXXXVÜI. 

>) Dat laatste was o. a. het geval bij mevr. de wed. Maxiroiliaan de Hor- 
nes tot Lokeren, geb. Agnes van Milendonck. Zie hierachter, bijlage XCII. 

>) Deductie, foi. 143. Ten blijke hoe zonderling Grevius ook nu weer han- 
delde, kan deze depositie dienen, geteekend door Tuelinck en Jan Beelaerts: 
vVerclaeren ende attesteren wij ondergeschreven, dat voorieden kerstjt1617, 
Joh. Grevius beijde de voormiddaechsche predicatien heeft gedaen op beijde 
kersdaegen , ende alhoewel wij hem sochten te induceren , dat hij de tweede 
kersdach Voetium voor den middach soude laeten prediken, alsoo het sijne 
rechte gebeurte was; daar toe niet en heeft willen veistaen, maer geant- 
woort, komt dien voormiddach Voetio wel te pas, hij komt mij oock wel 
te pas". 

«) Zie hierboven, blz. 237, aant. 2. 

^ Van hunne aankomst te VGravenhage gaf Cloppenburch , die volijve- 
rig de belangen voorstond der Heusdensche calvinisten, jonker van der 
Merwede zoo spoedig mogelijk bericht in een merkwaardigen brief, die, 
trots het daaronder geplaatste »lecta comburenda", als bijlage XGIII hier- 
achter staat a^edrukt. 



Digitized by VjOOQ IC 



240 ZESDE HOOFDSTUK. 

nog niet gelukt was »omme te commen tot reconciliatie 
vande diflferenten tusschen Grevium ende Voetium, mits- 
gaders die vanden kerckenraide binnen ' Heusden". Ook 
moesten zij den Staten meêdeelen, hoe men bevond j,de 
saecke van dage te dage te exaspereren, ende tot seer 
quaden eynde te tenderen". Niettemin hield de vroed- 
schap zich overtuigd, dat hunne EdelMogenden ^hierinne 
op het alderspoedichsten souden gelieven te versien, tot 
de meeste ruste ende welvaren soo vande auctoriteyt 
publycq als tot maintienement vande magistraet" *)• 

Slechts weinige dagen mocht het jaar 1618 oud hee- 
ten, toen er binnen de frontierstad gebeurde, wat die 
twee: «auctoriteyt publycq" en » maintienement vande 
magistraet", in hoog-ernstig gevaar bracht. Volgens vast- 
staand gebruik werd »op ten heyligen derthièn dagh" — 
dat is, op Driekoningen*) — te Heusden »het gerechte 
verset". De zeven schepenen, die moesten aftreden, ko- 
zen alsdan tot hunne plaatsvervangers zeven «gequalifi- 
ceerde borgers" ; waarna „het oudt herkomen" voorschreef, 
dat van de laatsten door den drost twee »geschrabt'\ 
en van de eersten twee door hem „gecontinueert" wer- 
den 0. Toen nu Spierinck zich den 6^"" Januari 1618 op 
het stadhuis bevond, om »in conformité vande privile- 
giën ende handtvesten" een nieuwen schepen-stoel te 



') Briev, en pap. hl. Gorinchem. 

') Oudtijds werd Driekoningen »Dertiendag** geheeten, omdat hij de 13^» 
dag is na Kerstmis; 25 December tot 6 Januari. 

«) Van Oudenhoven, Beschr. v. Heusd.^ blz. 62, 294. Zie ook Den der^ 
den vraegh-al oen de heeren pensionarissen van Leyden en Rotterdam^ 
om van hun beanlwoorl ie werden; ende hier uyt te amplieren de tn- 
structie aen haere borgemeesteren respective, op ^tstuck van de waertgel- 
ders, vraag 1, 4, 6 en 18. Van dat Contra* remonstrantsche pamflet, waar- 
aan schepen Tuelinck niet ten eenenmale vreemd schijnt geweest te zijn, 
bevindt zich een exemplaar op de universiteitsbibliotheek te Amsterdam. 
Vgl. dr. Rogge, Beschr, cataL, st. m, blz. 9. 



Digitized by VjOOQ IC 



KEN KERKELIJK CX)NPLICT. DEPORTEMRNT VAN GREVIÜS. 241 

formeeren, poogde hem de heer van Kessel «synen vryen 
keur" te henemen — ^uytdoende de naemen der gener, 
die by den drossaert waeren gecontinueert, ende andere 
daer vooren inschry vende , oock aenhoudende die den dros- 
^iiert uyt vaechde" *)• Daarenboven verzocht Zijne Genade , 
door schout van den Elshout, den gecommitteerden Cor- 
nelis Frans Wittens^) en mr. Hugo de Groot, eerst se- 
dert kort binnen Heusden gearriveerd '), big zich op de 
raadzaal te komen. Hier hebben die afgevaardigden der 
Staten ^met goede oogen (soomen seyt) aengesien het on- 
gelyck dat den drossaert geschiede int veranderen vande 
namen by hem tot schepenen gecontinueert". Wel ver 
van jonker Spierinck „in syn officie te mainteneeren ofte 
assisteren", lieten zij »den superintendent van tguarni- 
soen" ongestoord „bewerden om de verkiesinge t'eene- 
mael naer synen wille te volbrengen". Daartegen echter 
kwamen in beslist verzet „die van den outraet ende veele 
andere gequalificeerde borgeren , t' corpus der stadt re- 
presenterende", tot wie de beide schepenen, door den 
drost aangehouden, hunne toevlucht genomen hadden. 
Dreigden al Wittens en de Groot, dat ,,soo men niet 
en conde accorderen, sy luyden selfe magistraten souden 



O De heer van Kessel grondde zijn recht tot dit alles, op het «caste- 
leynschap", dat hij zeide te bezitten. Zie echter hierboven, blz. 211 , aant. 2, 
en hierachter, bijlage XCUI. 

«) Wittens was toen «outborgeraeester van Dordrecht". Deductie, fol.183. 

*) Hun was door de Staten belast »omme de misverstanden in saecken 
▼an de religie ende onder de kercken-dienaren Grevius en Voetius te ac- 
commoderen, eenigheyt en vrede onder de selve te planten; oock vooma- 
mentlijck te letten dat de verkiesinge van de magistraet wel en behoorlijck 
mochte worden gedaen". Resol Holl, 2 Jan. 1618. Tn zijn Apologeticus, 
p. 176, schrijft Hugo Grotius: »Sic et Husdae concursu facto electie magi- 
rtratuum, quae facta erat ah oppidi praefecto ut arcis custode et a quae- 
atore (secundum morem per annos quadraginta servatum) rescissa est et 
qaaesitori nova extorta electie ad arbitrium seditiosae turbae". 



Digitized by VjOOQ IC 



242 ZESDE HOOFDSTUK. 

verkiesen" ^), toch behield Spierinck, met «de electie by 
hem gedaen", de overhand*), „en syn de heeren com- 
missarisen ende commandeur ondertusschen van den 
stadthuyse vertrocken". 

Gelijktgdig met hen ging uit de raadkamer ook w^ 
j,scholtis" van den Elshout, die anders door zijne be- 
trekking gehouden was »den schepenen volgende de cos- 
tuyme den eedt te staven'' *) ; zoodat Heusdens drost zich 
genoodzaakt zag — ,,dewyle de stadt niet en kondewe- 
sen sonder magistraet" — dit werk zelf te verrichten , 
na eerst »by een gesworen notaris inde vierschale den 
eedt te hebben doen voorlesen" *). Vervolgens koos -het 
zevental schepenen „drie borgemeesters", die op dezelfde 
wijze in hun ambt bevestigd werden „tot groote blyschap 



>) Wat dit punt betrefl, luidde hunne instructie: »ende op dat uyt de 
aenstaende electie gheen swaiigheyt of onlust en ry^en, sullen de Gedepu- 
teerden indien de voet van electie andersints by bewiliinge niet en kan 
worden ghevonden, bewai*en het recht van de Graeffelijckheyt, ende in 
plaets van den commandeur ende drossaert, ende sonder praejuditie van 
haer gesustineerde doen *tgeen by alie-beyde officieren van de selve stede 
voor desen plach te geschieden; daer op voor al lettende dat sulcks ge- 
schiede tot het meeste conten temen t**. Resol. Holl., 3 Jan. 1618. 

>) Door Heusdens drost virerden voor het jaar 1618 »gecontinueerd" de 
schepenen Verhoutert en jonker van der Merwede. Zie Den vierden vroeg h-<il 
pour tailler des besoignes oen den derden vraegh-al die aoo heus den 
standt van een frontier-plaetse overwegetj ghedruckt (z. n. v. pi. en v. dr.) 
int jaer 1618, vraag 6, 7 en 9. Dit vlugschrift, gevloeid uit de pen van 
een Remonstrant, is voorhanden op de Amsterdamsche universiteitsbiblio- 
theek. Vgl. dr. Rogge, Beschr, cataL, st. III, blz. 10. 

») Vgl. van Oudenhoven, Beschr, v. Heusd., bU. 294—296. 

*) Nog geen half jaar later — toen op het Binnenhof de wind uit een 
anderen hoek begon te waaien — resolveerden Hollands staten »dat de 
schout van Heusden, die hem tot noch toe onthouden hadde met de je^ 
ghenwoordighe magistraet recht te sitten, aengheschre ven soude worden , on- 
vermindert de jegenwoordige dispute met de magistraet, hem op *traed-huj8 
by de selve te vinden, recht ende justitie te helpen administreren, ende 
sijn pei'soon niet te onthouden van 't gene tot sijn ampt ende dependentien 
van dien is specterende". ReeoL HolLy 23 Juni 1618. Vgl. daarmee die van 
16 Januari 1618. 



Digitized by VjOOQ IC 



SSN KERKELIJK CONFLICT. DEPORTEl^^T VAN GRKVIÜ8. 243 

ende genougen der ganscher outraedt ende gemeynte" *). 
Toch achtte men het niet ondienstig, een nauwkeurig 
verslag van het gebeurde, in den vorm eener remon- 
strantie ^)y Hollands staten voor te dragen , opdat hunne 
Edel Mogenden «vande waere gelegentheyt der saken 
Yolcomentlyck mochten worden onderricht, tegens al- 
sulcke contrarie rapporten als desen aengaende aireede 
gedaen waren ofte noch souden mogen worden gedaen". 
Hadden door dit verzetten der Wet, en bfl het straks 
daarop gevolgde wisselen van ouderlingen en diakenen '), 
de geestverwanten van Voetius boven de Greeflfs partjj- 
genooten te Heusden eene belangrgke meerderheid voor 
zich verworven*), zoo traden Vrijdag, 25 Mei 1618, na 



<) Dit nam echter niet weg, dat ixiese wettelijcke magistraten daer nae 
oock Yele reprochen hebben moeten lijden, soo van den heere van Kessel, 
die in volle chrychsraet seijde datter geen magistraet in de stadt en was, 
dat hij haer voor geen magistraten en kende; als van de commissarissen 
der heeren Staten, die comende op de verpachtinge van de gemeene mid- 
delen, sonder ende buijten alle commissie, de magistraten comende op de 
verpachtinge nae costuijme, openbaerlyck op het stadthuijs voor haere bur- 
gerije hebben gereprocheert". Deductie, fol. 487. 

Ilaar spoedig zouden èn Zijne Genade èn HH. Commissarissen het mis- 
noegen daarover ondervinden van hunne Edel Mogenden. Werd aan de 
laatsten te kennen gegeven, dat ze »wel met meerder circumspectie" te 
Heosden behoorden gehandeld te hebben, «alsoo d* electie hier niet en was 
gedes-advoneert**, — op den «superintendent van den guarnisoene'* binnen 
de frontierstad , »die klaeghde over verscheyden wederwaerdigheden hem be- 
jegent**, sloegen de Staten volstrekt geen acht. Zelfs zonder zijn bezwaar- 
schrift te lezen «is verstaen daer in niet te worden getreden van desen tijd , 
maer geeeyt, dat hy wel mochte vertrecken". ResoL Holl, iO April en 
26 Juni 1618. 

s) Zie bierachter, bijlage XCIV. 

*) Vgl. hierboven, blz. 178, aant. 4. 

*) Telde in 1617 de Heusdensche vroedschap zeven Remonstrantsch en 
drie Contra-remonstrantsch gezinden, in 1618 bleek die verhouding juist om- 
gekeerd ; terwijl toen het consistorie bestond enkel uit volslagen Calvinisten ; 
tw. de ouderlingen Walewijn Jansen, Willem Verhoutert, Jan Fi-anssen 
van den Broeck, Jacob Jacobsen Croes, en de diakenen Lambert Jarensen, 
Dirk Goofisens, Marcus Rinharts, Pontus la Grue. 



Digitized by VjOOQ IC 



244' ;;esde hoofdstuk. 

afloop der godsdienstoefeniog , Willem Wteneng, Hen- 
drik Jansen de Witt en Jan Comelissen '), als gedepu- 
teerd door ongeveer zestig Calvinistisch gezinde lidmaten , 
de consistoriekamer binnen, »om te versoecken, dat de 
gemeijnte aengaende de oprechte leere ende ordre mochte 
gebracht werden tot dien goeden standt , in de v^elcke sg 
v^as voor het opcomen der Arminiaensche factie ende de 
comste Johann Grevii alhier*). Ende dat hier toe dit 
eenige middel (onder correctie) mochte aengewent wer- 
den, dat Grevius ofte geinduceert werde om door open- 
baere schultbekenning te repareren tgene van hem nu 
eenige jareo tegen de voorschreven leere ende ordre mis- 
bruijckt is ; ende voorts van nieus te geloven hem te sul- 
len gedragen conform de expresse conditien sijner aenne- 
minge alhier , ofte bij gebrecke van dien als aengenomen 
predicant deser gemeente voorts aen niet meer gehouden 
ende getolereert werde" '). 

Hoewel de kerkeraad aan genoemde commissie onmid- 
dellijk toezegging deed, dat hij „de saken by der hant 
soude nemen", weigerde niettemin de Öreeflf, als voor- 
heen , om „sonder getuygen" *) met de broederen „in 



1) Laatstgenoemde heet, Beductie^ fol. 197, naar zijn ambacht, Jan Cor- 
nelissen Lijndrayer. Aan het hoofd der oorspronkelijke remonstrantie, bij 
den kerkeraad ingediend, komt ook nog als commissielid voor, de Heüs- 
densche brouwer Grompert Gerritsen. Mogelijk werd hij door bijzondere om- 
standigheden verhinderd, mede ter consistoriekamer aanwezig te zijn. 

2) Een der ijverigste geestverwanten van Voetius was o. a. de beroemde 
Olivier van Noort, toentertijd, als »pi*aefectu8 cohortis peditum", te Hens- 
den in garnizoen; — ï>ibique difficillimis temporibus egregie fidem suam 
erga orthodoxam i*eligionem, ecclesiam, et patriam contra grassantem tune 
et tantum non dominantem factionem Remonstranticam ostendit**. Voet, 
Bihl. stud, iheoL^ p. 414, 415. Vgl. echter van der Aa, Biogr. woordenh.^ 
dl. Xni, blz. 293. 

«) Arch. Herv. kerk Heusden, afd. II, B, a, n®. 39. Vgl. Deductie , fol. 497. 

*) Als zoodanig sloeg Grevius den leden van het consistorie voor: »Adriaen 

Jansz. van Cuyck, tegenwoordich schepen, ende Dirck Anteunissen van 



Digitized by VjOOQ IC 



EBN KERKELIJK CONFLICT. DKPORTBMBNT VAN GREVIÜS. 245 

sprake te coomen". Bovendien sloeg hij iedere wederzgd- 
sche verklaring, schriftelgk te geven, hardnekkig af, zoo- 
dat dan ook het consistorie op 28 Mei ;,smorgens ten 
acht ugren'* bjjeengekomen , goedvond — ;,dewyle Öre- 
vius hem tot gene behoorlycke reconciliatie ende satis- 
&ctie en wilde laten bewegen" — het oor te leenen aan 
den ernstigen drang van verreweg de meeste leden der 
gemeente, en hem „als predicant niet langer te houden 
ende te tolereren; maer een acte te stellen van ontsla- 
ginge synes dienstes" ^). Bedoelde acte, den 30"**" Mei 
1618 door Jacob Jacobsén Croes als ouderling en Lam- 
bert Jarensen als diaken ^^aen de eers. magistraet gepre- 
senteert, ende met de selve in communicatie geleyt", 
werd hierop terstond door de vroedschap bekrachtigd. 
Slechts stelde zij als voorwaarde , dat Grevius behoorlgk af- 
schrift zou ontvangen „van de selve acte, mitsgaders vande 
verificatien totte beschuldinge indeselve acte vermeit", 
ten einde zich te kunnen verdedigen „voorden classe ofte 
andersintz ter plaetse hem soude goetduncken" : een 
maatregel, die echter niet belette, dat drossaard Spie- 
rinck, te gelgk met eene copie van bovengenoemd stuk, 
,by notaris geauthentiseert sijnde", op Vrgdag 1 Juni 
in den vromen morgen , door den deurwaarder Jan Klaas- 



Wyntracq, tegenwoordich borgemeester, dewelcke hy seyde daer in de 
kercke gereet te staen, om met hem binnen te coomen'*. Br. ouderlingen 
en diakenen antwoordden echter aan de GreefT, »dat sy met die heei*en, 
die hy noemde, voor desen tyt niet te spreecken ofte te handelen hadden**. 
Deductie, foL 497, 198. 

>) Het origineel, door de kerkeraadsleden, Voetius uitgenomen, onder- 
teekend, berust in 'iArch, Herv, kerk Heusden, afd. II, B, a, n<». 39. 
Moge al ten volle van toepassing heeten wat Trigland, Kerck, gesch,^ blz. 
8i7&, opmerkt: »wy souden die acte hier wel by voegen, dan s*is rede- 
lijck langh, ende vermits alle die quade proceduyren Grevii in dit histo- 
risch verhael punctuelijck zijn genarreei*t, soo dunckt het ons oock niet 
noodigh te wesen** — men zie echter bijlage XCV. 



Digitized by VjOOQ IC 



246 ZK6DB HOOFDSTUK. 

sen van Wyck aan de Greeflf en, wijl deze afwezig was, 
aan diens huisvrouw heeft doen toekomen „een schrifte- 
lyck interdict", waarbij Grevius werd gelast „hem vol- 
gens de resolutie des kerkenraets niet meer te vervor- 
deren door hem oft yemant anders eenige kerkelicke 
diensten op de ordinaris predick dagen in de publike 
kerke te doen , oft andersins dat tegens hem soude worden 
geprocedert nae behooren" ^). 

Denzelfden dag nog kwam, na geëindigde godsdienst- 
oefening, de kerkeraad samen onder voorzitterschap van 
Voetius, door wien nu aan de vergaderde broeders werd 
bericht, „dat d. Cloppenburch , dewelcke te vooren ge- 
heel onwillich was qm alhier het beroup aen te nemen, 
ten naesten by daer toe geinduceert was; ende dat der- 
hal vei;i met den eersten noodich was , tot vorderinge vande 
goede saecke het beroup te doen". Dienovereenkomstig 
koos onverwflld Heusdens consistorie „tot ordinarischen 
tweeden dienaer" den predikant van Aalburg •), „welckes 
stichtelycken wandel, midsgaders geleertheyt, oprech- 
ticheyt, ende pryselycken yver in het hanthaven der 



>) Arch. Herv. kerk Neusden, afd. II, B, a, n^ 39. 

*) Hoewel slechts met leedwezen daartoe overgaande, besloten toch ker- 
keraad, gemeenteleden en wethouders van Aalburg, wegens »den noot ende 
tegenwoordige gelegentheyt der gemeijntte tot Ueusden", haar hun predi- 
kant, Johannes Cloppenburch, af te staan, «behoudens dese conditie, dat 
hy niet eer en soude sijne plaetse verlaten, voor deselve met den dienst 
Abrahami Adriani versorcht soude wesen. Is daer nae ten overvloet gekondi- 
tioneert, dat indijen de beroepinge Abrah. Adriani niet en soude connen 
bevordert werden, Cloppenburch als predicant van Aelburch in zijnen dienst 
sal blijven verbonden ende verobligeert". Arch, Herv, kerk Neusden, aM.Uj 
B, a, n*. 39. Vgl. hiermede deze declaratie, door jonker van der Mer- 
wede ingeleverd bij de Heusdensche vroedschap: »Den 1«>» Juny 1618 tot 
Aelburch geweest met Voetio, Cloppenburch, Walewyn Janssen ten hujse 
vanden schouth, orame te hebben acte van ontslaninge van Cloppenburch, 
ende alsdoen mette naebueren verteert endeby my betaelt 2 gld. 8 sts." 
Oud-arch. Neusden, E. 213, bijlage tot fol. 35. 



Digitized by VjOOQ IC 



SEN KERKELIJK OONFLIGT. DEPOBTEMSNT VAN GBBVIUS. 247 

waerheyt den broederen niet alleen door het getuyge- 
nisse van anderen , maer oock door eygen ervarentheyt, 
nu overlange 0> genoechsaem bekent waeren" *). 

Inmiddels was de Oreefif 28 Mei 1618 — den dag van 
zjjn ,deportement" door Heosdens consistorie — naar 
Den Haag gereisd en had hij aan de staten van Holland 
en West-Friesland overgeleverd „seecker remonstrantie •), 
om te ontwijcken de censure deskerckenraets; endealsoo 
alles door usnrpatie van hare Ed, Mog. authoriteyt te preve- 
nieren"*); terwijl ook zjjne vrienden en medestanders') 
niet ophielden , binnen de frontierstad „rontomme te loo- 
pen ende door vreemde manieren van inductie alderhande 
inwoonderen, sy waren dan Gereformeerde, halve Paep- 
schen, Libertynsche, die naulyx oyt in het gehoor te 
Yooren gesien waren, te solliciteren tot onderteeckeninge 
van seeckere acte, waermede verclaert worde, dat sy 
by Grevii leere ende leven gecontenteert waren, ende 
den selven in synen dienst gaeme souden gecontinueert 
sien". Daarna werd door den heer van Kessel aan zijne 
excellentie prins Maurits copie dier acte verzonden*). 

Als gunstige uitkomst op genoemd pogen, vaardigden 



«) Vgl. bijlage XCin. 

») Arch. Herü. kerk Hemden, afd. II, B, a, n^ 39. 

*) Arch, Herv. kerk Heusden, afd. II, B, a, n*. 39. 

^ »Pauci in Belgio noetro nominari poterunt, qui monitionibus , et cor- 
reptiooibus aut censuins ob doctrinam aut mores subjecti, easve metuentes, 
palam aut clam ad magistratum, aut ad aliquem aut aliquos ex magistratu 
non confugerint, ibique praesidium conti*a autoritatem, tbrcifa», censuram 
eodeaiasticam non quaesiverint. Remonstrantes nostmtes a. 46iO aperte pe- 
tebant per iU. Hollandiae ordines protegi contra censuras ecciesiasticas etc.'*. 
Voet., Polit, eccles., t. I, pars II, p. 536. Vgl. daarmede t. II, p. 55, 234. 

•) Trigland, Kerck. gesch.^ blz. 8i8a, gewaagt van »syne favonten". 
Deductie, fol. 203 worden met name vermeld: Adr. Jansen van Cujck, 
Verejcken , Huibert Willemsen Loockermans , Frank Willemsen Loockermans 
en Adriaan Lambertsen van der Plas. 

•) Deductie, fol. 203. 



Digitized by VjOOQ IC 



248 ZESDE HOOFDSTUK. 

Hollands staten naar Heusden af de gecommitteerde ra- 
den Dirk jEicobsen Schoonhoven en Johan Dierhout; welke 
heeren, Zaterdag 2 Juni, 's avonds laat ^noch in de 
herberge ontbooden hebben de wethouderen ende die van 
den kerckenraef', ten einde beiden bestuurslichamen mede 
te deelen, hoe hunne Edel Mogenden aan Grevius had- 
den toegestaan „provisie van maintenu, ende dat de 
meyninge diens volgens was, hem op morgen, wesende 
den Pinxterdach, wederomme te stellen in syne gebeurte 
van prediken". Tevens vroegen zg den leden der magi- 
straat en dien van het consistorie, hun zoodra mogelijk 
te willen zeggen: »of sy gesint waren haer daer mede 
te conformeren dan niet?" 

Nauwelijks waren de afgevaardigden van den kerke- 
raad op reces uiteengegaan , of Heusdens vroedschap 
verzocht HH. gedeputeerden „openinge te doen haerder 
commissie". Ofschoon zich eerst „weygerich aenstellende", 
werd niettemin door dezen „nae verder instantie stux- 
gewyse voorgelesen seecker apostille by hare Ed. Mog. 
Grevio op de marge van syn requeste verleent". Maar als 
een der raadsleden , »die daer assisteerde , ende syne ooge 
hadde op de lectuyre", bemerkte „dat noch seecker clau- 
sule overich was, die verswegen wiert", drong heel de 
vroedschap straks aan op volledige inlichting. Schoor- 
voetend en half-onwillig verklaarden eindelijk gedepu- 
teerden, hoe ;,de selve apostille voorts inhielt, dat by 
aldien hen in hare commissie eenigen tegenstant mochte 
geschieden, dat sy alsdan gebruycken souden de assis- 
tentie van den heere superintendent over den guamisoe- 
ne" 0« Niet weinig daardoor verrast ^), besloot het con- 



>) Vgl. ResoL Holl, \ Juni 1618. 

^) Daarbij kwam vdat eenen dach ofte twee herwaerts eenige geswooren 
vianden der religie binnen Heusden gesien ende gehoort waren niet dan 



Digitized by VjOOQ IC 



EEN UBRKBLUK CONFLICT. DBPORTEMENT VAN OBEVIUS. 249 

sistorie nog dienzelfden 2^^^ Juni — ^ontrent negen uijren 
des avonts" — aan de heeren Schoonhoven en Dierhout 
te melden ^), »dat sy ten respecte van hare Ed. Mog. sou- 
den sien en lyden, dat Johannes Grevius, gewesen pre- 
dicant alhier, soude in de beurte van den tweeden pre- 
dicant prediken, ter tyt toe dat Commissarissen voors. 
ter eerster coomste in hare Ed. Mog. vergaderinge rap- 
port gedaen souden hebben. Doch onder expresse pro- 
testatie, dat sij hiermede niet en verstonden, dat het 
deportement Grevii, ende t beroep op eenen anderen ai- 
rede voordesen gedaen in syne plaetse, ende den be- 
roepen predicant ter hant gestelt, hierdoor souden ge- 
prejudicieert wesen". 

Bijgevolg hield de Greeff met Pinksteren — 3 en 4 Juni 
1618 — ^de voormiddaechsche predicatie". In beide gods- 
dienstoefeningen ^assisteerden" HH. gedeputeerden, die 
mede tegenwoordig waren ^), toen Voetius , door het af- 
staan zijner namiddagbeurt op den eersten Pinksterdag, 
aan Johannes Cloppenburch gelegenheid gaf, als Heus- 
dens nieuw-beroepen tweede predikant op te treden *), 

^yginge ende moort blasende; gelyck daernae de heere van Kessel selve 
adviseerde aen Sjn Excellentie, dat hy de alteratie der gemoederen op syne 
wedercoomste te poste wt den Hage gevonden hadde: jusques k i'effusion du 
sang, tot bloetstortinge toe'*. Deductie ^ fol. 202. 

>) Bij monde van den ouderling Jan Fr. van den Broeck en den diaken 
Lambert Jarensz. Deductie, fol. 202. 

^ De Gredeputeerden toch hadden — tbijde dat sy nu hare commissie 
volvoert hadden, ende dat alles sonder onrust soude afloopen" — aireede 
zich laten verluiden: »dat sy niet van meyninge waren partyschap te be- 
thoonen". Deductie, fol. 202, 203. 

3) Nog verder dan toen Voetius te Heusden zijne intrede deed, werd nu 
door Cloppenburch en diens partijgenooten a%eweken van de kerkorde. Im- 
mers was er ditmaal sprake: noch van eene goedkeuring der classis, noch 
van eene veertiendaagsche voorstelling aan de gemeente. Evenmin werd 
hier nageleefd de uitdrukkelijke voorwaarde, welke Aalburg had bedongen 
bij het dimitteeren van Cloppenburch. Zie hierboven, blz. 246, aant. 2, 
Fgl. ook blz. 457, aant. 2. 



Digitized by VjOOQ IC 



250 ZB8DS HOOFDSTUK. 

»tot groote blyschap der gemeynte, die swaerlycken ge- 
dreycht was door verscheydene factueuse persoonen, soo 
militaire in dienst synde van den heere van Kessel, als bor- 
geren, jae wethouderen selfs van Grevii factie". En Pink- 
stermaandag nog , begaf zich Cloppenburch *), ^door ver- 
souck ende goetvinden" van het consistorie, naar Den Ebutg, 
^omrne aldaer Syn Excellentie ende de steden de saecke 
toegedaen te informeren van t' gepasseerde alhier *), ende 
advys te nemen om behoorlycken de saecke voorts te be- 
leyden ende te maneren t^en tgene de partyen nu mo- 
veerden". Want, terwgl de twee gedeputeerden, ,,hare 
commissie (soomen meynde) volvoert hebbende", zich 
bleven ophouden binnen de frontierstad, maakte Qrevius, 
5 Juni, na zgne predikatie'), van den kansel bekend, 
„dat, alsoo hy van den kerckenraet verlaten was, het 
nootsaeckelyck soude syn eenen anderen aparten kerc- 
kenraet te verkiesen" ; waartoe hy der gemeente , om uit 
te kiezen, aanvankelijk voordroeg zes ouderlingen en 
even zooveel diakenen *). 

Daags daarna trad de Qreeff, „buyten syne ge- 
woonte" *), bg vernieuwing te Heusden op , en begoïi hg , 



O Een paar dagen later, 7 Juni 1618, voegde de kerkeraad uit zijn mid- 
den aan Cloppenburch nog toe Jacob Jacobsen Croes en Jan Franssen van 
den Broeck. Zie hierachter, bijlage XCVI. 

s) Wat de Remonstranten bij de Staten zochten , dat wachtten , op hunne 
beurt, de Contra-remonstranten van den Prins. Vgl. hierboven, blz. 247, aant. 3. 

') Dinsdags na Pinksteren werd er anders te Heusden, nooit gepreekt. Vg:L 
hierboven, blz. 199, aant. 2. 

*) Te weten: Huibert Willemsen Loockermans, Dirk Anthonissen van 
Wyntrack , Adriaan Jansen van Cuyck, Wouter Hamel , Willem van Braeckel , 
Gerard van Eyck tot ouderlingen en Paulus Gerritsen Reyser, Jan Lenard- 
sen van Boxtel, Comelis Matthijssen, Herman Foppensen, Anthonis van 
Cuyck, Jochem Jansen tot diakenen. Van die bekendmaking door Qrevius kon , 
blijkens notarieele depositie, Marcus Rinhaits ab dienstdoende diaken getuigen. 
Arch. Herv. kerk Heusden^ afd. U, B, a, n®. 39. 

*) In Deductie y fol. 204, staat hierbij tusschen haakjes vermeld: «alaoohy 



Digitized by VjOOQ IC 



KSN KBBKSLUK CONFLICT. DBPOBTAllBNT tkH GREVIUS. 251 

zeer vro^ in de kerk gekomen, „met die van syne factie 
aldaer te procederen tot electie van vier ouderlingen ende 
diaconen'', ten einde hen, wanneer de preek was a%e- 
loopen, onmiddellijk te kannen bevestigen*). Geen van 
Voetius' geestverwanten woonde bedoelde plechtigheid bij. 
Ook de diaken, «die het syne beorte alsdoen was de ael- 
moesse te collecteren"^), verliet, „met voorgaende advys 
van de broederen", zoodra hij de giften der gemeente in- 
gezameld had, het kerkgebouw, „sonder het eynde der 
predicatie, ende de volgende confirmatie van Grevii kerc- 
kenraet te verwachten, om met syne presentie niet te 
schynen toe te staen, ofte te assisteren soodanige on- 
wettelycke bevestiginge". Denzelfden middag reeds, werd 
door de a^evaardigden van magistraat en consistorie te- 
gen zulk eene „dis ordre", zoo krachtig mogelijk , „gedo- 
leert ende geprotesteert" by de heeren Schoonhoven en 
Dierhout, die, naar zij later verzekerden, „Grevium hier- 
over hebben aengesproocken ende ten hoochsten bestraft; 
oock mede versocht ende begeert, dat hy soude desiste- 
ren, ende de saecke laten in dien staet, in dewelcke sy 
was te vooren, sonder soodanigen kerckeraet te hebben 
ende te gebraycken, alsoo dit formele scheuringe was". 
Toen de GreeflF hun echter antwoordde: „dat het nu te 
laet was; dat hy niet en conde wesen sonder kercken- 
raet , alsoo de andere kerckenraet hem niet meer en diende, 
maer tenemael hadde verlaten" — legden Commissarissen 
zich in alle kalmte bij die betuiging neer ; deden ten minste 
niets, om hem „met hare ende der heeren Staten autho- 



noyt en plach de naeste -weeckpredicatie , volgende na Pincxteren, Paesscben, 
ofte Keradach te doen**. Vgl. hierboven, blz. 177, aant. 3. 

O Bij de tot onderling voorgedragenen vielen af van Braeckel en van 
Eyck; nit het sestal diakenen werden niet gekozen van Cuyck en Jansen. 

*) Namelijk: Dirk Goossens. Arch, Herv. kerk Heusden^ afd. H, B, a, 
n<». 39. 



Digitized by VjOOQ IC 



252 ZE8DK HOOFDSTUK. 

riteyt te urgeren, ende daer toe assistentie des superin- 
tendents te compelleren" *). 

Gteheel andei^ handelde jonker Spierinck. Deze liet door 
den »camerwaerder" van Wyck den ^gepretendeerden" 
kerkeraad, welken Grevius „contrarie alle kerckelijcke 
ordonnantie" bevestigd had, gerechtelijk aanzeggen , „dat 
sylu^den hen niet en souden vervoerderen in hun opge- 
worpen ambt te treden, ende de wettelijcke beroepen 
kerckenraede , in officio sgnde, te verhinderen", daar hij 
anders als Heusdens drost, bij overtreding zgner insinua- 
tie , „in tijden ende wglen tegen hen luijden int generael 
ofte particulier soude procederen , sulcx als men tegen op- 
roermaeckers ende verstoorders der gemeijne ruste be- 
hoort te doen" *). 

Ongeacht die ernstige bedreiging, handhaafde Grevius 
de nieuwe broeders. Immers, als Dirk Goossens en Mar- 
cus Rinharts, kort geleden wettig gekozen en bevestigde 
diakenen. Zondag, 10 Juni 1618, zich hadden begeven 
„ter nae middaechsche predicatie, omme naer ouder ge- 
woonte te ontfongen ende te colligeren de aelmoessen vande 
gemeijnte", zagen zij aanstonds , hoe „de nijeuwe opgewor- 
pene kerckenraden hunne ordinarise plaetse hadden inge- 
nomen". Zelfe schroomden „eenige vande selve diaconen" 
niet, hen „verders daervut te dringen"; terwijl Grevius — 



>) Zie hierboven, blz. 248, aant. 1. In bun rapport aan de Staten ver- 
zekerden Schoonhoven en Dierbout, dat zij Grevius van die handeling niet 
hadden kunnen «diverteren". ResoL Holl, 14 Juni 1618. Vgl. mr. Naber, 
a.w,^ blz. 60: «Zoo stond i*as leeraar tegen leeraar, kerkeraad tegen con- 
sistorie, gemeente tegen gemeente, kerk tegenover kerk'*. 

>) Bovenvermelde «insinuatie" was gedateerd 10 Juni 1618, en vrerd 
door Jan Rlaassen van Wyck den leden van Grevius' kerkeraad, zoowd 
dien eigen Zondag «naer middach, naede predicatie, dewyle hy voorde pre- 
dicatie niemant thuijs en vant", als op Vrijdag, 15 Juni, gedaan; maar toen 
«onderde predicatie", wat een hoogst onstichtelijk tooneel opleverde. Arch, 
Herv, kerk Hetisden, afd. II, B, a, n**. 39. Zie ook bijlage XCVH. 



Digitized by VjOOQ IC 



KEN KERKELIJK CONFLICT. 0ËFOBTEMENT VaN GBEVIUS. 25B 

,naer het gebet ende voor de predicatie" — de gemeente 
,met eene lange bysondere vermaninge" beslist afried, 
aan hen, diakenen in gewonen dienst, hare giften uit te 
reiken. Zoodra dos Goossens en Rinharts „van meijninge 
waeren hun officie te fungeren", heeft hun de bui- 
tengewone kerkeraad „daerinne belet gedaen ende feijte- 
lycken geresisteert". Paulus Gerritsen Keyser, die handig 
van een der „armenbuydels" zich meester maakte, en Jan 
Lenardsen van Boxtel, die maar eenvoudigweg zgn hoed 
nam, collecteerden, als de Greefife diakenen, «beyde in 
haeste met groote hevicheyt". Dirk Goossens nochtans, 
»den anderen armenbuydel behoude^ hebbende", verrichtte 
mede zijne taak door het inzamelen van eenige aalmoe- 
zen, j,welcke aelmoessen de voorsegde opgeworpene dia- 
conen , nae de predicatie , naer hen genomen hebben" — 
zéér tegen wil en dank der rechtens in dienst zijnde arm- 
verzorgers ^). 

Maar, nu ook bleek de maat van Grevius' „onstich- 
telycke procedueren" ten boorde toe vol te wezen, of- 
schoon hg niet ophield „van den predickstoel synen ge- 
pretendeerden kerckenraet tot courage te vermaenen, 
alsoo tgene gedaen was, wettelyck was gedaen, ende 
coomende van hoger hant, dewelcke het wel souden 
mainteneren" •). Onmiddellijk na het gebeurde met Goos- 
sens en Binharts vaardigde Heusdens consistorie zgn 



>) Arch, Herv. kerk Heusden, afd. II, B, a, n^. 39. Nagenoeg hetzelfde 
had plaats onder Grevias* prediking óp 15 Juni 1618. 

^ Deze betuiging werd o. a. ook aangehoord door de afgevaardigden van 
Gorcums classiB, de predikanten Abr. Adriani en Jan Willemsen van Loe- 
nen, die daarvan, »ter rechtelijcker instantie van den heere drossaerdt", 
eeoe Torklaring aflegden »onder hunne hanf' den i^^^ Juni 1618. Het- 
selfile geschiedde »door Comelis Groen, procureur binnen der stede van 
Heasden, ende Claes Janszoon de Wit**. Arch. Herv, kerk Heusden^ afd. n, 
B, a, n*. 39. 

17 



Digitized by VjOOQ IC 



254 2E8DB fiOOPDSTüK. 

oudsten , wettig aangestelden diaken , Lambert Jarensen , 
af naar de classicale vergadering, die, 11 Juni 1618, 
in Vianen stond gehouden te worden , ten einde aan haar 
over te leveren ^seecker acte met de welcke Johannes Gre- 
vius van sijnen dienst was gedeporteert" O J ^^ tevens 
haar behoorlijk in te lichten, zoo omtrent den nieuwen 
kerkeraad, door de Greeff »op Dgnsdaechs nae Pinxteren 
geproclameert", als omtrent »het beroep met approbatie 
der eers. magistraten gedaen op Cloppenburch" *). 

Na vrij langdurige beraadslaging ^) vond men eindelgk 
ter classis goed , dat de predikanten Adriani en van Loe- 
nen *) zouden worden afgevaardigd „omme haer met den 
eersten te vervougen tot Heusden, ende aldaer de per- 
soonen, die Grevius tot eenen gepretendeerden kercken- 
raed voorgestelt ende bevesticht hadde, aen te spreeken, 
ende eemstelyck te vermaenen daer van te desisteren, 
sonder sick op eenigerleij wijse in qualiteyte als voren 
van ijemant te laeten gebruijcken". Wat de GreeflF zel- 
ven betrof — die intusschen ter vergadering gekomen ^), 



*) Bij bedoelde acte was gevoegd de »schriftelycke approbatie der eers. ma- 
gistraet tot Huesden'^ verleend op het deporternent van Grevius door den 
kerkeraad. Arch. Herv. kerk Heusden^ afd. II, B, a, n®. 39. 

2) Met het oog èn op Grevius* ontslag èn op Cloppenburchs beroep, kon 
andera de classis van Gorcum herhalen, wat zij indertijd Rodenburch had 
voorgehouden: dat die zaak 9wel beter nae kerckelijcke ordeninge hadde 
behoort beleijt te wesen*'. Vgl. hierboven, blz. 29. 

') Hand, cl. Gore, li — 13 Juni 1618. De notulen, toenmaals gehouden 
ter classis van Gorcum, zijn, voor zoover betreft de kerkelijke quaestie 
binnen de frontiei*stad , ook »extractsgewijze" opgenomen in Arch. Herv. 
kerk Heusdeh, afd. II, B, a, n^. 39 en in de reeds meermalen aangehaalde 
Dedtictie. 

^) Zie hiervoor,' blz. 253, aant. 2. 

*) Zoodra Grevius »in de classe" was verschenen, begon hij — »eer hy 
quaro tot apologie" — vier vragen te stellen, welke hij haar vei*zocht »ter 
gelegener tyt" te beantwoorden. Voor een deel golden die vragen vergrij- 
pen tegen de kerkelijke bepalingen, door zijne wederpartijdera begaan. Zie 
hierachter, bijlage XCVllI. 



Digitized by VjOOQ IC 



EEN KERKELIJK CONFLICT. DEPORTEMENT VAN GREV1Ü8. 255 

en ^weggerich sijne saecke in den classe te laeten ver- 
handelen", daaruit straks weer vertrokken was — zoo 
werd door de broederen besloten, dat hun praeses Vo- 
gelsanck , met Leoninus 0> bg de staten van Holland en 
West-Friesland „schriftelijck ende mondelijck nopende 
het deportement Grevii ende opwerpen van eenen ande- 
deren kerckenraet souden remonstreren" *). 

Maar niet enkel de Gorcumsche classis, ook Heusdens 
consistorie zond, 18 Juni 1618, naar Den Haag, als 
nieuw-gedeputeerden ^) , den ouderling Walewijn Jansen 
en den diaken Lambert Jarensen ^), aan wie daar ter plaatse 
door hunne Edel Mogenden ,, werden in handen gestelt 
de stucken van Grevius en de synen, om de selvetesien, 
ende daer op te segghen datse goedt souden vinden"*); 
blijvende nochtans de Greeflf »als kercken-dienaer tot Heus- 
den gecontinueert, gelgck hy was voor date van 't depor- 
tement hem gedaen , tot anders soude zgn gedisponeert" •). 

Nog geene maand was sedert verloopen, als op de 



^) Coraelius Leoninus, of de Leeuw was predikant te Asperen van 1614 
tot 1620. 

*) »Gelijck mede verschenen zijn de kercken-dienaers van Vyanen ende 
Asperen, Gedeputeerden van de classe van Gornichem, die by monde ende 
in geschrifte versochten, de saecke Grevii, als zijnde kerckelijck, by de 
classe te mogen verhandelt worden, seggende op alles soo wel te sullen 
letten alst behooren sal, ende niet eyndelijcks te doen, of haer goedtvin- 
den hier aen te brengen, ende redenen daer van te geven tot genoegen 
deser vergadennge , maer geantwoord dat men op alles hier sal letten, 
ende sy daer na niet behoufden te wachten, maer hen wel mogen vervoe-^ 
gen na haer kercken; dat men 't gene goetgevonden sal worden, haer sal 
naezeynden, en doen addresseren tot Gomichem*'. Resol. f/o//., 15 Juni 1618. 

*) Vgl. hierboven, biz. 250, aant. 1. 

*) Arch, Herv. kerk Hemden, afd. Il, B, a, n^ 39. Hun »vertoogh" 
werd door de Staten aan Grevius, dien zij tegen 19 Juni naar Den Haag 
badden opontboden, ter hand gesteld, ten einde »by monde of geschrifte 
daer jegens te seggen'*. Zie Resol. HolL, 16 en 19 Juni 1618. 

*) Zoowel de Greeffs » remonstrantie" als de aanmerkingen daarop gemaakt 
door VoeUus staan afgediiikt in bijlage XGIX. Vgl. hierboven, blz. 247, aant. 3. 

•) Zie Resol. Holl, 23 Juni 1618. 



Digitized by VjOOQ IC 



256 ZESDE HOOFDSTUK. 

classis te Woudrichem, 16 en 17 Juli, twee gecommit- 
teerden uit denzelfden kerkeraad, Jan Franssen van den 
Broeck en Dirk Goossens, de belangen der Heusdensche 
gemeente wederom dringend kwamen aanbevelen. Hun 
verzoek werd door de broederen beantwoord met de re- 
solutie »dat — alsoo Grevius sich de classe hadde on- 
trocken ') ende syne sake gebracht aende ed. mog. hee- 
ren Staten, welcker meyninge hier over aenden classem 
noch niet en was geschreven ^) — de classe , voor desen 
tijt patientie nemende ende niet verders connende doen 
in dese sake, de selve liet staen in haere tegenwoor- 
dige terminis, so ten aensien van het deportement Grevii 
als het beroep Cloppenburgii". Evenwel bestond er 
bij de vergadering geen bezwaar, dat Heusdens gemeente 
van laatstgenoemden „daerentusschen den dienst soude 
gebruijcken" '). 

Had de Greeff, niettegenstaande h^ door den kerke- 
raad der frontierstad uit zijne betrekking was ontslagen, 
Zondag, 26 Augustus, aldaar toch het avondmaal be- 
diend *) — bij welke gelegenheid „met hem communi- 



1) Hoe Grevius zich aanstelde op de classicale vergadering te Woudricbein , 
zie bijlage O. 

«) Vgl. hierboven, blz. 255, aant. 2. 

3) Hand. cl. Gore, 16 en 17 Juli 1618. Kort hierna, 30 Juli, stierf Heus- 
dens drost, jonker Rudolph Spierinck van Well, die door jonker Adriaan 
van der Merwede werd opgevolgd. Zie ResoL Holl.^ 30 Juli en 19 Oct. 1618. 
Vgl. Oud-arch. Heusden, E. 217, bijlage tot fol. 21 der gemeenterekening. 

*) Bij de afkondiging, op 19 Aug. 1618, van het door Grevius te hou- 
den avondmaal, had de vsrettig-gekozen kerkeraad tevens ter kennisse der 
gemeente gebracht en haar voorgehouden «tgene schriflelyck daer toe ge- 
concipeert was alsoo: Geene ledematen, wtgesondert de welcke t selve ver- 
stant veellicht niet en hebben in de huydendaechsche gecontroverteerde poinc- 
ten, bereyt synde de selve te dragen, ende erkennen voor bi*oedei*en, soo 
lange sy haer in viantschap tegen de gereformeerde kercke ende leere niet 
en verloopen. Tot welcken eynde de gemeynte gewaerschout wert, haer niet 
te vervoegen ten avontmale roet die gene, die in dese kercke volgens bet 
oordeel des classis , onder de welcke dese kercke resorteert , formele scheuringe 



Digitized by VjOOQ IC 



EEN KERKELIJK CONFLICT. DEPORTBMENT VAN GREVIU8. 257 

ceerden eenenveertig mans persoenen, soo borgeren als 
soldaten" — den volgenden dag werd hiervan rapport 
gedaan in de classis te Gorcum , die daarop resolveerde 
,datmen Grevio soude aenschry ven , dat hy van nu aen 
gesuspendeert werde wt de classicale vergaderinge , tot 
dat van synodo particulari (waertoe syne saecke gebracht 
soude werden) de selve soude afgehandelt syn" ^). Dien- 
overeenkomstig citeerde hem dan ook den 26»*«» October, 
,by missive met eenen expressen boode", de provinciale 
synode van Delft , j,omme tegen den 29 dito in hare ver- 
gaderinge te compareren, ende rekenschap te geven van 
syne gehoudene proceduyren, die by de gedeputeerden 
des classis van Gorinchem aen den synodo waren gere- 
monstreert" *). 

Lid zgnde van bedoelde synode ^), verwittigde Voetius 
onmiddellijk Heusdens consistorie van het schrijven, aan 
zijn gewezen ambtgenoot door haar verzonden. Het ge- 
volg was, dat de kerkeraad der frontiers tad , «met cre- 
dentie'^ van zijnentwege, naar Delft afvaardigde Johan- 
nes Cloppenburch , benevens de ouderlingen van den Broeck 
en Tuelinck, «omme tegen den selven tyt met Grevio 
daer te verschynen". Zoodra beide partijen gehoord wa- 
ren, besloot, 1 November 1618, de provinciale synode — 
»op alles, te wedersyden by gebracht, gelet ende over- 



hebben aengerecbt'*. Die waarschuwing was, «in de weecke'* vóór de be- 
diening zelve, bij monde van Cloppenburch en Croes, bier en daar nog nader 
aangedrongen. Deductie y fol. 218. Vgl. hierboven, blz. 239, aant. 1 en 2, 
als ook blz. 252, aant. i. 

O Deduclie, fol. 219. Vgl. Hand, cL Gore, 27 Aug. 1618. 

*) Deductie, fol. 219. 

^ Met Gedeon van Sonnevelt en Edzardus Frederici was ook Voetius 
door de Gorcumsche classis daartoe gedeputeerd. Men vergaderde, bij die 
gelegenheid, in de groote zaal van het voormalige Sint Agathaklooster (ge- 
sticht omstreeks 1394), tegenwoordig de historische zaal in het Prinsenhof 
te Delft. Zie de Oprechte Haarlemsche courant van 20 April 1887. 



Digitized by VjOOQ IC 



258 ZESDE HOOFDSTUK. 

woogen hebbende in Godes heylige vreese, oock gheboort 
het advys vande E.E. heeren commissarissen" *) — goed 
te keuren en te bekmchtigen het deportement door Heus- 
dens kerkeraad en vroedschap uitgevaardigd ; j,verclarende, 
dat de voors. Qrevius sich van alle kercklicke diensten 
soude onthouden ter tijt toe, hij behoorlijcke satisfiapCtie 
soude hebben gedaen" *). En waar, bij de behandeling van 
dit conflict ter Delftsche synode „mede mentie was ge- 
maeckt van sekeren kerckenraht, die Qrevius ende de sijne 
hadden vercoren ende bevesticht", daar achtte voornoemde 
vergadering ^deselve verkiesinghe gantz onwettelick ende 
teghen alle ordere geschiet te wesen , ende dat dien vol- 
gende deselve personen voortaen souden desisteren vaja 
alle kercklicke bedieninghen" ^). 

Nadat eindelijk te Beusden, op Zondag, den i^^^ No- 
vember, beide synodale »acten" door Cloppenburch , in 
de Catharijne kerk, aan de verzamelde gemeente der 
Gereformeerden waren medegedeeld — „vanden selven 
predickstoel , dien Johannes Grevius na syn deporte- 
ment hadde geusurpeert" ; van welke plaats hij tevens 
»syne opgeworpene ouderlingen ende diaconen hadde 
geproclameert ende bevesticht" — richtte de kerkeraad 
der frontierstad een schrijven aan de classis van Gor- 



») Deductie, fol. 219. 

*) Evenwel verkreeg hij nog van de Staten deze gunstige beschikking: 
» Johannes Grevius, gheweesden kercken-dienaer tot Heusden, by de pro- 
vinciale synode tot Delff vanden selven synen dienst gedeporleert, is uyt. 
bysondere consideratien sijn ordinaris stipendium van kercken-dienaer vooi^sz. 
gecontinueert tot het scheyden van de synode nationael, ende den ontfan- 
ger Koolwijck geordonneert , hem daer na te regulei*en". ResoL Holl, 9 Nov. 
1618. Vgl. daarmede die van 18 Oct. 1617. 

^ Zie art. 49 en 50 der «Acta des Suydthollandtschen synodi gehouden 
binnen Delfift, begonnen den 8«n Oct. ende geeyndiget den 6"» Novenab. 
naest volgende a**. 1618''. Oud Synod. archief, III, 20, II. Vgl. dr. Reitsma 
en dr. van Veen , Acta der provinciale en particuliere synoden, Groningen, 
1892, dl. m, biz. 309 en 310. 



Digitized by VjOOQ IC 



£EN Kerkelijk conflict. BsroRTSMBKr yak greviüs. 259 

cum, „waer inne deselve versochten, dat het beroep, dat 
sy eertyts op d. Cloppenburgium gedaen hadden, by de 
broederen mochte ingewillicht worden". Zooals dan ook 
geschiedde^), eenstemmig, den 20«*«'» November 1618. 

Met Johannes Cloppenburch , den beproefden vriend en 
geestverwant uit Leidens staten-collegie *), ten nauwste 
vereenigd , werkte Voetius nu volijverig voort aan den op- 
bouw der hun toevertrouwde gemeente '), en zou hg later, 
te Heusden , op dankbaar-blijden toon eens. getuigen *) : 
,Ons behoort te beweghen die versche weldaet van als 
een tweede of vemieude reformatie (soo men 'tsoo noe- 
men mach) die ons neffens andere oock in dese plaetse 
gheschiet is. Wanneer door quaden raedt en misleydinghe 
dat verdrietelgck jae ende neen, dat hevigh twisten 
en t^henspreecken der ghenaemder Remonstranten 
alhier ter vensteren ingekomen was , ende daer door dese 
stadt ende ghemeynte in d'uytterste swarigheydt ende 
perijckel, ende by nae in een ongheneselücke scheurin- 
ghe ende combustie was ghesteldt: wanneer de goede 
saecke tot wanhopens toe verwerret ende verloopen was, 

>) Hand. cl. Gore, 20 Nov. 1618. Vgl. daarmede Arch. Herv. kerk Heus- 
den, afd. n, B, a, n**. 39. 
*) Zie hierboven, blz. 77, lli. 

*) Die gemeente kon nu, met den toenmaligen pruldichter, meer stekelig 
dan fraai, getuigen: 

» Heusden ben ick een HoUants stadt, 
In mijn wapen voer ick een radt. 
Dat dou ick aen mijn waghen sonder troeren. 
Om den Arminiaen ujt het lant te voeren'*. 
Zie Nieu reken-hoeck , op den Arminiaensen kerfstock , eertijU ghemaeckt 
tot spyt van de Gereformeerde christenen, met het advijs van alle steden 
ende schanssen die den prince Maurits ende de kerck des Christen ghe- 
loofs toegedaen zijn ende, getrouwicheyt ghesworen hebben, elck int par- 
ticulier ghestelt als volght. By een ghestelt door een boer uyt de veenen 
veel ghelrouwer voor H lant , als den balansemaecker met al zijn verstandt , 
Dordrecht (z. n.v. dr.), 4618, blz. 3. Vgl. daarmede bijlage Cl. 
^ Voet., Afscheydt-predicatie, blz. 32, 33. 



Digitized by VjOOQ IC 



260 Z«SDS HOOFDSTUK. 

800 heeft onsen Godt terstont nae mijn inkomste alhier 
uyt die duysternisse het light ghegeven, ende die ghe- 
trouwe ende troostelijcke leere van Godes allenthalven 
ghenadighe ghenade veel heerlijcker als te vooren doen 
schijnen. Hy heeft dat kostelijck pandt der leere, 't ghene 
naen dese sijne ghemeynte by nae ontnomen of verwis- 
selt hadde, aen haere herten by occasie van het tegen- 
spreecken klaerder vertoont, stercker verseeckert ende 
vaster ghestelt. Hier door zijn de verdeylde ende ver- 
stroyde ghemoederen wederom tot onderlinghen vrede, 
tot kerckelijcke eenigheyt in een en 't selve gheloove ge- 
bracht. Veler oogen die te vooren schemerden zijn ver- 
claert; veler verstanden, meest aller herten zijn gheopent, 
dat sy met andere kennisse, in een ander conscientie, 
in ander weerde, met ander hertelijckheydt en liefde, 
met andere omsichtigheydt ende op-merckinghe tot andere 
eynden ende beter ghebruyck de Gereformeerde religie 
omhelst ende bewaert hebben". 



Digitized by VjOOQ IC 



ZEVENDE HOOFDSTUK. 



Op ring^ classis en synoden. 

Van de vier onderscheiden ringen of „quartieren", 
waaruit toentertijd de Qorcumsche classis bestond, was 
er ook een ring genoemd naar Heusden ^). Tot zijne leden 
behoorden de predikanten der frontierstad , met die van 
twintig, ten deele gecombineerde en binnen haren naasten 
omtrek gelegen dorpen *). 

Aanvankelijk kwamen de broeders , eiken tweeden Dins- 
dag der maand, beurtelings ten huize van een hunner 
bij elkaar. Was er 's Woensdags daarop biddag, dan werd 
de vergadering om die reden eene week uitgestald. Later 
vond men evenwel goed „geen ring te leggen op voor- 
gestemden tijf' en had de samenkomst plaats, wanneer 
^eenige wettel^cke oorsake sulx was vereijssende" '). 

De werkzaamheden, die hier werden verricht, stonden 



•) De andere ringen waren die van Vianen, Arkel en (het land van) 
Aitena. Op den inventaris van het archief der Hervormde gemeente »Heu8den" 
staat, onder afd. I, C, n®. 76, als folio zonder band, vermeld het Ring- 
boek of acten der vergaderingen des rings van Heusden ^ aanvangende 
ien 12 Octoher 1612 (lees: 1620), eindigende den 4 April 1695. 

<) Zie hierachter, bijlage GIL 

*) Ringh. Heusd., 8 Sept. 1631. Ook werd bij die gelegenheid »voorge- 
worpen", en later op »een grooter vergaederinge" besloten : »datmen tot 
peval van de onvrije broeders d. Voetius , d. Slaetius ende d. Wyckentoorn , 
»p dat die mede op den ring souden kunnen verschijnen, altijt te Heusden 
oude te saemen comen." 

18 



Digitized by VjOOQ IC 



262 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

allen min of meer in verband met het kerkelflk gemeen- 
schapsleven. Immers omvatten ze : het houden van toe- 
zicht op een uitgebracht, soms op een nog uit te brengen 
beroep; het gereed maken van de Igst voor het bedienen 
der binnen Heusdens ring vaceerende predikantsplaatsen ; 
het instellen van een onderzoek naar het al of niet trouw 
behandelen der catechismus-afdeelingen in den Zondagmid- 
dagdienst, alsmede naar het waarnemen der ten behoeve 
van de combinaties vastgestelde preekbeurten O- Verder 
beraadslaagde men, zoo noodig, over den meest geschik- 
ten tijd voor het vergaderen der classis en over de gra- 
vamina, welke men aan haar oordeel dacht te onder- 
werpen; terwijl door de broeders ook, bij gelegenheid, het 
rapport werd aangehoord van de beide ringdeputaten , die 
in last hadden, zorgvuldig te letten ^op de swaricheden, 
welcke in haer quartiere soude mogen voorvallen". 

Gisbertus Voetius nam als predikant, eerst te Vlijmen 
en daarna te Heusden , wanneer maar de omstandigheden 
het toelieten, ernstig en ijverig aan dien arbeid deel en 
poogde bij de vervulling der opdrachten, hem met een 
of meer zijner collega's in het belang van den ring ge- 
daan ') , zich het geschonken vertrouwen steeds waardig 
te toonen. 

Nu en dan gebeurde het echter, dat hij op de maan- 
delijksche vergaderingen werd gemist '). Daartoe mag , 



1) Zoo had , naar jonker Rudolph Spierinck als drost aan de Staten be- 
richtte, Samuel de Piince «in jaeren ende dagen gheenen kerckendienst en 
gedaen inde cappelle vanden Klshout, gelyck hy by combinatie behoorde te 
doen". Briev. en pap. kL Gorinchem. 

*) Zie b.v. Ringb. Heusd., 27 Dec. 1623; i3 Febr. i624; 11 Aug. 1626; 
9 Oct. 1628; 22 Juli 1631; 23 Sept. 1632. 

') Volgens het Heusdensche ringboek bleek Voetius, van 12 Oct 1620 ai 
tot den 2<^ii Jan. 1634 incluis, vierentwintig keer afwezig bij de éénen- 
tachtig vergaderingen , welke er gedurende dat tijdsverloop gehouden werden. 



Digitized by VjOOQ IC 



OP BINO, CLASSIS BN SYNODEN. 263 

buiten wettige verhindering , allicht de min- vriendschap- 
pelijke verhouding, waarin hij tot sommige ringbroeders 
stond, aanleiding gegeven hebben. Telde Voetius onder 
hen hooggeschatte makkers uit den academietijd , als van 
der Rosieren , Cloppenburch en Seroyen , of wel besliste 
geestverwanten uit later dagen , als du Piere en Snoeck, 
Adriani^) en Loor*), Menningius') en Havius*) — tot 
Heusdens „quartier" behoorden evenzeer Samuel de Prince, 
Comelius Drongelensis en Abraham van de Velde: drie 
ambtsbroeders, met wier handel en wandel hij zich on- 
mogelijk kon vereenigen. 

Omtrent de Prince waren, reeds spoedig nadat deze 
Joannes Andelius te Baard w^k vervangen had *) , uit een 
vromer gedebaucheerd leven bijzonderheden aan het licht 
gekomen, die voldoenden grond opleverden om Princius 
voor de Gorcumsche classis in staat van beschuldiging te 
stellen •). Desniettemin bleef hij dwaselijk volharden bij 
zijn ^frivool ende onhandig" gedrag^), wat hem eene 



*) Zie Voetius* oordeel over Adriani en van der Rosieren in bijlage LXXX. 

^ Zijne gemeente, die van Hedikhuizeu en Uerpt, roemde Loorius als 
'eenen persoon geleert ende geoefTent inde spraken om de Papen den mont 
te stoppen". Hand. cl. Gore, 24 Juni 1619. 

*) Bij zijn peremptoir examen voor de classis, hem door Voetius afgeno- 
men, gaf Arnoldus Menningius aan de vergadering »sulcken contentement'*, 
dat de broederen »den Heere danckten over sijne bequaemheyt". Hand, cl. 
Gore,, 16 Nov. 1626. 

^ Matthias Havius was de eerste predikant der gemeente te Grevecoeur, 
en, naar de aanteekeningen van Nicolaas Voet inhielden: »een geleert, 
vroom ende yeverich man". Kist en Moli, Kerkhist. arch,, dl. I, biz. 310. 

•) Zie hierboven, blz. 141, aant. 1. 

•) Wegens »het oneerlyck attentaet Princii op de huysvrouwe vanden 
secretarie tot Halteren" was hij indertijd, als pi'oponent te floemerawaal 
beroepen zijnde , door de classis van Tolen »geremoveert". Briev, en pap, kl, 
Gorinchem. Vgl. Hand. cl. Gore, 30 Oct. 1617. 

^ Tot bewijs kan o. a. dienen, dat, volgens eene, door twee van Heusdens 
schepenen afgelegde, notarieele depositie, bewaard bij de Briev. en pap, kl. 
Gorinchem , Samuel de Prince , naar getuigenis van jonker Joris van Cuyck , 
heer van Herpt: »ter woonstede van den corporaei Bronckhorat hadde laten 



Digitized by VjOOQ IC 



264 BEVENDE HOOFDSTUK, 

drie maanden lange suspensie berokkende ^ , gevolgd door 
zijn deportement *). Hetzelfde lot haalde zich van Dron- 
gelen op den hals. Diens «excessen ende misbruycken", 
door de vergaderde broeders telkens weer i,voor eene 
reyse oversien ende vergheven", werden nochtans zoo 
ten eenen male onstichtelijk ') , dat de classis het vervul- 
len van zgn ambt hem niet langer kon toevertrouwen; 
maar eindigde met voor Drongelensis aan de edel mo- 
gende heeren Staten , in verschoonende taal : „ten opsichte 
van sijne loshoofdicheijt" , een jaarlijksch onderhoud te 
vragen*). En wat betrof Abraham van de Velde — die, 
nog eer hij in den dienst bevestigd was, zijn huwelijk 
al jjOnordentelycken" begonnen^) en zich voorts met zijne 



comen drie roemers met wijn, waer mede hij brochte ende seechde dat hij 
dronck den Vader, den Zoon endo den Heijligen Geest, ende dat hij Princede 
selve roemers oock uijtgedroncken hadde, maer dat bij hem , heere van Herpt , 
sulcx niet gedaen was; waer op Willem Teuling seechde, dat het droef- 
felyck was dat suicke leeraers de heijlige dnevuldicheyt soo lichtveerdelijcken 
misbruijckten". Vgl. Hand, cl, Gorc.^ 20 en 24 Nov. 1617; Voet., Dispp, 
select, t. IV, p. 508—515. 

«) Hand, cl. Gore. 23 en 24 April 1618. 

») Dr. Reitsma en dr. van Veen, a.w., dl. III, blz. 354, 355. WgLHand.cL 
Gore, 2 Sept. 1619. Zelfs zijn eigen partij had luttel met Princius op. Zoo 
«griefde het Wtenbogaert, dat Prince, die in 1621 uit de gevangenis 
te Amsterdam had weten te ontvluchten, drie jai*en daarna wegens dief- 
stal werd gegrepen'*. Op Loevestein gedetineerd, zocht hij er eveneens te 
ontsnappen, maar «verdronk in de gi*acht*'. Zie dr. Rogge, Wtenh.y d\. 
III , bl. 91 , en aant. 2 aldaar. 

s) Uit de interrogatoriën door Gorcums classis aan van Drongelen voorge- 
houden, alsmede uit zijne volstandige bekentenis ter vergadering afgelegd 
blijkt, dat hij herhaaldelijk zijne huisvrouw sloeg, die, op hare beurt, hun 
beider goed naar den lommerd bi*acht; ook, dat hij onderscheidene keeren 
in het openbaar gevochten had ; en wel »eenmael tegen drije huijsliedea", 
die hem als predikant «de quoten** moesten ter hand stellen. Hand. cl. Gorc.j 
24 Sept. 1618. 

*) Zijne laatste levensjaren besteedde Drongelensis in den schooldienst te 
Oudheusden. Zie Ringb, Heusd , 14 Maart 1623. Aan zijne vrouw, die 
vroeger te Heusden hetzelfde had vnilen doen, werd indertijd gelast «daer- 
van te supersederen'*. Hand. cl. Gore, 29 Juni 1620. 

») Hand, cl. Gore, 24 Juni 1619. 



Digitized by VjOOQ IC 



265 

huis^Touw aan verschillende grove fouten had schuldig 
gemaakt ^) — over hem werden de lidmaten van Veen 
niet moede zich te beklagen *) , gelijk ook Heusdens ring 
jaar in jaar uit aangewezen bleef, om de geestelgke be- 
langen zijner gemeente te behartigen en, zoo mogelijk, 
voor Veldiuszelf eene geschikte verplaatsing te zoeken. 

Kostte het dikwerf groote moeite de vriendschappelijk- 
vertrouwelflke stemming, aan ringsvergaderingen in den 
regel eigen, bij den omgang met zulke ambtsbroeders 
voldoende levendig te houden — daarover had men zich 
op Hle samenkomsten der classis weinig of niet te be- 
kommeren. Deze werden viermaal in het jaar ') , meestal 
te Gorinchem gehouden. De eerste, 's Maandags na be- 
loken Paschen , was bestemd tot het opgeven , of het met 
elkander opstellen van gravamina voor de aanstaande 
Zuid-Hollandsche synode. De tweede ging dier vergade- 
ring enkele dagen vooraf, ten einde alzoo de bez waar- 
punten te kunnen bespreken door de synodale classis 
overgezonden. Spoedig volgde, na afloop der provinciale 
synode, de derde classicale samenkomst, en de vierde 



^ Een lijvige bundel bewijsstukken, loopende van 14 Dec. 1626 tot 
4 Oct. 1634 en betrekking hebbende op Veldius' geruchtmakende zaak, is 
voorhanden in Arch, Herv. kerk Heusden ^ afd. I, C, n®. 80, d. Vgl. 
Hand. cl. Gore., 2 tot 5 Oct., 1634. 

^ Het eerste der tien vraagpunten, gesteld aan mr. Huijbert Deckers, 
voormalig onderwijzer te Wijk, nabij de gemeente Veen gelegen, en door 
dezen «affirmativelijck'* beantwoord, hield in, hoe ds. Rosarius, die gerui- 
men tijd bij van de Velde aan huis woonde, hem, Deckers, verncheidene 
malen had te kennen gegeven «als dat d. Velden uijt acht ofte thien pre- 
dicatien altijts de onderste uijthaelde, ende die also vervolgens predicktehet 
geheele jaer deur". Arch. Herv. kerk Hemden, afd. I, C, n**. 80, d. 
Daarop doelde misschien Voetius, Polit. eccles., t. III, p. 90: «similiter si 
inquiritur in quaerelas auditorum, de concionatore suo per 18. annos prae- 
ter propter aliunde suppeditatis ac de verbo ad verbum pronuntiatis septem 
aut octo concionibus toties quoties repetitis, munere praedicationis defuncto." 

>) Natuurlijk de buitengewone vergaderingen niet medegerekend. 



Digitized by VjOOQ IC 



266 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

had plaats den tweeden Maandag in October. Uit den 
aard der zaak waren er op de classis veel meer predi- 
kanten tegenwoordig dan op eene ringsvergadering , ter- 
wgl ook de onderwerpen, over welke men van gedachten 
wisselde , doorgaans een algemeen karakter droegen ^). 

Omstreeks den tijd dat Voetius tot lid der Gorcumsche 
classis werd aangenomen , begon zich in haar midden van 
lieverlee een degelijker, een wetenschappelijker streven 
dan vroeger te openbaren. De voedsterzonen van Leidens 
staten-cöUegie traden bij het vervullen der onderscheidene 
vacaturen steeds beslister op den voorgrond, om straks 
de beste standplaatsen in te nemen in het land van Heusden 
en Altena, in de ^quartieren'* van Vianen en Arkel*). 

Geen wonder, wanneer genoemde classisbroederen — 
10 September 1612 binnen Gorinchem vergaderd — naar 
aanleiding van een zeggen der Heusdensche ringpredi- 
kanten, dat de schoolmeester uit Drongelen „een ofte 
twee propositien voor haer gedaen hadde , ende dat deselve 
maer matelyck goedt waeren geweest", met allen nadruk 
opmerkten, hoe men „niet en behoorde soo lichtelyck 
te komen tot het proponeren van persoonen, welcke 
niet en hadden theologiae gestudeert". Daardoor toch 
werden vele jonge mannen „wt den kerckendienst ge- 
slooten", die hunne studiën op alleszins loflFelijke wijze 
en met den meest gewenschten uitslag hadden volbracht. 
Ja, het predikambt zelf liep gevaar door zulk eene ma- 
nier van doen geminacht te worden'). 



*) Voor nadere bijzonderheden zie de Wetten, statuten, ende or- 
donnantien des classis van Gorinchem, eenpaerlyck gestelt, 
beraemt, ende ghearresteert inder classicale vergaderinge 
gehouden tot Gorinchem den 14. Octobr. 1619, geplaatst achter 
het Ringb, Hexisd, Vgl. daarvan ook de handelingen op 8 Aug. 1623. 

2) Zie hierachter, bijlage CIII. 

•) Vgl. Hand, cl, Gorc,^ 30 Oct. 1617. Hoe omzichtig men later optrad, 



Digitized by VjOOQ IC 



267 

Gaven deze woorden ongetwijfeld het gevoelen ook van 
Yoetius terug, diens geest sprak evenzeer uit den afloop 
van zeker debat, 7 April 1614 op de classis gevoerd, over 
het laten drukken van allerlei godgeleerde werken, rijp 
en groen. Als slotsom hunner overwegingen stelden toen 
de vergaderden vast , dat men hier te lande veel te veel 
schreef; weshalve ,het beter waere te arbeijden dat 
eenige boecken gesupprimeert ende verduyselt werden, 
dan wederom nieuwe aen den dach te brengen" ^). Voorts 
diende erop gelet, hoe niet ieder tot zulk eene taak 
„snffisant" en bekwaam was; alsook, hoe zoodoende de 
wederpartij zich dikwerf den weg zag gebaand ^om haere 
chartebellen uyt te smyten" t^en die auteurs onder de 
predikanten, wier » materie en dispositie eeniger mate 
slecht ende ongeleert wierde bevonden". 

Had nu Petrus Neander, kerkedienaar te Giessen, bij 
deze gelegenheid een onbeduidend vlugschrift, door hem 
vervaardigd tegen de dwaalbegrippen van het Pausdom, 
der classis j,gepresenteert", hetwelk zij, op hare beurt, 
,ter visitatie" weer had toevertrouwd aan van der Ho- 
sieren en Voetius*), zoo besloten in hunne najaars- 
bijeenkomst de broederen, dat men, met het oog op 
wat in het voorjaar was vastgesteld, Neander dringend 
zou afraden, desnoods «publica classis autoritate" ver- 



zelfs tegenover proponenten, die reeds elders hun examen praeparato- 
riam badden afgelegd, blijkt uit betgeen Voetius mededeelt in zijne 
Polit, eccles., t. m, p. 90. 

^) vlek ende veele met my souden eer gbevoelen datter al te veel boec- 
ken tegben de Remonstranten ghescbreven zijn'*, luidt bet bij Voetius, in 
diens Proeve vande cracht der godtsalicheyt ^ Amst., 1628, blz. 30 6. Vgl. 
daarmede blz. 34 a. 

^ Zoo werd eveneens, volgens de Acta deput cl, Gorinch., 6 Dec. 1621, 
door dat kerkelijk lichaam »ter visie" gegeven aan Gisb. Voetius en Job. 
Seroyen een tractaat, hetwelk Joh. Spiljardus, predikant te Gorcum 9wt de 
Engelsche spracke in de Nederduitsche getransla teert hadde'*. 



Digitized by VjOOQ IC 



268 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

bieden , »sijn boeck bg hem gemaeckt" uit te geveD ^). 

Niet minder gestreng zag zich door dezelfde broede- 
ren een jaar later, hoewel in eene geheel andere aan- 
gelegenheid , Samuel Lansbergen , Arminiaanschgezind 
prediker te Rotterdam, behandeld. Voorzien van een 
geloofsbrief door twee zijner collega's, Albertus Ooster- 
wyck en Christophorus Hellerus ^), namens meerdere ker- 
kedienaren geteekend, was Lansbergen ter Qorcumsche 
classis, die 5 October 1615 stond gehouden te worden'), 
afgevaardigd — met bepaalden last, daar zoo krachtig 
mogelijk in de bres te springen voor de resolutie, begin 
Januari 1614 door Hollands staten genomen, naar dezen 
meenden tot bevordering der «broederlycke liefde ende 
eenicheijt" *). 

Voordat Rotterdams gedeputeerde evenwel op genoemde 
vergadering te Qorinchem verscheen, wist hij «seecker 
concept van moderatie" ^) — bij hetwelk men zich ver- 
bond „ter oorsaecke van de diflferenten" iedere scheuring 
tegen te gaan en de gemeenteleden te vermanen, dat 
zij eendrachtig der overheid gehoorzamen zouden — af- 
zonderlijk en in hejt geheim te bespreken , niet enkel met 
zijne Arminiaansche partijgenooten binnen de classis, 
maar ook met Contra-remonstranten als Sonneveldius •) 



ï) Hand. cl. Gore, 20 en 2i Oct. 1614. 

^) Oosterwyck was predikant te Delft, Hellerus te Rotterdam. Een copie 
dier credentie berust o. a. bij het classicaal archief van Dordrecht, dat be- 
waard wordt in de Augustijner kerk aldaar. 

') Zie ook de reeds meermalen aangehaalde Deductie, fol. 13; Voet., 
Polit eccles., t. III, p. 43. Vgl. dr. Rogge, Wtenh., dl. Ö, blz. 227 en 
Brandt, a. tü., dl. II, blz. 236. 

*) Vgl. hierboven, blz. 165, aant. 3 en blz. 169—173. 

^) In het classicaal archief van Dordrecht bevindt zich de copie van dat 
Rotterdamsch concept 9om eenige onderteeckeninge te becomen, tot appro- 
batie vande resolutie der ed. mog. heeren staten van Holland*'. 

«) Zie Briev. en pap. kl. Gorinchem. Vgl. Voet., Polit. eccles,, tom. h 
pars II, p. 575; Brandt, a.w., dl. III, blz. 810. 



Digitized by VjOOQfe 



OP RING, CLAS8IS EN STNODEN. 269 

en anderen, van wie men zulks volstrekt niet had 
verwacht; en die nu op de bijeenkomst van 5 October 
.heftelyck dreven , dat soodanigen formulier wierde aen- 
genoomen". 

Toch betoonde verreweg het grootste deel der broede- 
ren zich in het geheel niet geneigd „tot onderteykeninge 
van de voorgemelte resolutie". Sommigen hunner ver- 
klaarden dat besluit der hooge overheid nooit gezien of 
gelezen te hebben O- Anderen hadden het , zooals zij be- 
tuigden, nog niet genoegzaam onderzocht en overwogen. 
Ook waren er , die zeiden , het stuk der Staten op enkele 
punten niet goed te begrijpen , wgl zy oordeelden «eenige 
dingen daerin dubbelsinnigh te weesen, de welcke men 
verscheydelyc conde wtleggen". Weer anderen maakten 
bezwaar, in te stemmen met hetgeen hunne Edel Mogen- 
den hier leerden; dat namelijk God „tot de salicheyt 
geen menschen noodt, die hy ganschelyk beslooten heeft 
die niet te geeven". Om al welke redenen de vergadering 
te Gorcum aan Samuel Lansbergen deed verstaan, hoe 
hij onverrichter zake tot zijne lastgevers had terug te 
keeren. Zoo spoedig mogelijk *) teekende vervolgens Voe- 
tius „de particuliere debatten en repliquen", Rotterdams 
kerkedienaar ter classis voorgehouden , in geregelde orde 
op; welke „bedenckingen" — naar hij verzekerde: zon- 
der zijne voorkennis — straks met den druk werden 
gemeen gemaakt *). 



O Vgl. hierboven, biz. 487. 

^ 'Post finitam classem postridie summo mane". Voet., Polit. eccles.y 
t m, p. 757. 

*) »Quae coDsiderationes a concionatore Wo^óx^ (naar ik reden heb te ver- 
moeden : Johannes Cloppenburch) descriptae aliis quibusdam in Gorinchemensi 
et vicina classe ministris commiinicatae sunt, et hac ratione, me inscio, 
typis Amstelodami excusae''. Voet., Polit eccles.^ t. IH, p. 757. Dat ge- 
achrift was getiteld : Bedenckingen , vande waere moderate-broederen inden 
classe van Gorcum, die de waere vrede der gemeynte Christi betrachten , 



Digitized by VjOOQ IC 



270 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

Groot opzien wekte ongetwijfeld bij alle „goede" broe- 
deren, wat er 11 November 1619 gebeurde met de beide 
zonen van Gorinchems oudsten predikant, Jodocus Geis- 
teranus. Nadat diens jongere ambtgenoot, Petrus Theo- 
dori Leewius, tegen den winter van het jaar 1617 ge- 
storven was, verschenen op de eerstkomende classicale 
vergadering twee gedeputeerden uit den Gorcumschen 
kerkeraad, die haar vroegen de vacante plaats, zes 
maanden lang, ten bate der weduwe te willen ^^versor- 
gen met getrouwe dienaeren, gebleven bij de oude Ge- 
reformeerde religie". Ter voldoening aan dat verzoek, 
zouden binnenkort tweeentwintig predikanten uit de 
classis *) , volgens vastgestelden rooster , ieder hunne 
beurt te Gorinchem komen waarnemen. Bij deze rege- 
ling was echter één naam onvermeld gebleven: die van 
Comelius Geisteranus , predikant te Hoogblokland , wiens 
gemeente hem sterk verdacht hield mede te gaan met 
het nieuwe gevoelen der Remonstranten. 

Toen nu den anderen dag vader Jodocus zich beklaagde, 
dat men ziijn zoon had overgeslagen bij het in orde brengen 
der vacatuur-lijst, gaf hem de classis door haren voor- 
zitter Luderus Vogelsanck te kennen, hoe Cornelius, zou 
hij daarop nog geplaatst worden, zich vooraf met een 
goed geweten tegenover de broederen diende te verklaren 



d. Samtieli Lanshergio voorghedraghen op seecker voorstel van hem ghe" 
daen inden classe van Gorichem^ den 5. Octohris anno 1615. aengaende 
seecker concept van vrede ^ by eenighe particuliere Remonstranten ge- 
smedety die hem als haeren ghesant aldaer afgheveerdicht hadden. Int 
jaer ons Heeren, anno 1615 (z. n. v. pi. en v. dr.). Nog in hetzelfde jaar 
verscheen daarvan te Enkhuizen onder gewijzigden titel eene tv^eede, van 
drukfouten gezuiverde uitgave. Beide zijn voorhanden op de Amsterdamfiche 
universiteitsbibliotheek. Vgl. dr. Rogge, Beschr. catal., st. I, afd. 2, blz. 26. 
*) Zonderling genoeg behoorden tot hen ook Grevius en Arnoldus Geiste- 
ranus. Zie echter, wat den laatste betreft: Voet., Polit. eccles,^ t. III, 
p. 91, alsmede dr. C. D. Sax jr., Caroltts Niéllius, Amst., 1896, blz. 198. 



Digitized by VjOOQ IC 



OP RING, CLASSIS EN SYNODEN. 271 

omtrent de vijf Arminiaansche verschilpunten '); aan wel- 
ken eisch de predikant van Hoogblokland betuigde, on- 
middellijk te willen gehoorzamen. Na derhalve op staanden 
voet door den praeses over bedoelde „poincten" in het 
kort ondervraagd te zijn ^) , en plechtig te hebben beloofd , 
dat hij der Gorcumsche gemeente bij zijne prediking 
.contentement soude geven nopende sijne rechtsinnig- 
heijt", maakten zoowel de classisbroederen als de twee 
gedeputeerden uit bovengenoemden kerkeraad verder geen 
het minste bezwaar hem overeenkomstig zijne begeerte 
op gemelden rooster te brengen. 

Nog waren sedert dit onderzoek geen twee jaren ver- 
loopen, of, geheel onverwacht, weigerde Cornelius en 
ook Amoldus Geisteranus , de predikant van Schelluinen , 
om , volgens het besluit der Dordtsche synode, met hunne 
collega's de bekende formulieren te onderteekenen '). 



*) Eene soortgelijke «ondertastinghe" op het punt van Arminianisme had 
in de classis ook plaats met Hermannus Nachenius, predikant te Spijk. 
Hand. cl. Gorc.^ 13 Juni 4618. Vgl. daarmede die van 12 Nov. 1619. »Men 
vindt haest niemand t — schreef in zijn Discours, blz. 29, Gaspar Barlaeus — of 
hy wil een artijckelmaecker ende opsiender van een anders gheloove wesen". 

^) vEst et alius casus, quo concionator quis exarainiclassicali subjici potest, 
caro ex idoneis testibus cognoscitur heterodoxa aut periculosa et male sonantia 
aliqua illi excidisse; aut cum ipse se scripto aliquo publice edito prodidit, 
SDper quibus a classe aut ejus deputatis cum illo conferri debet. Quando 
dico examen theologicum hoc in casu repetendum esse, intelligo eclecticum 
in illis locis dogmatico-elencticis , quos propius tangunt heterodoxa pericu- 
losa, et male sonantia ab ipso dicta aut scripta'*. Voet., Polit. eccles., t. Hl, 
p. 90. Zie voorts hierachter, bijlage CIV. 

^) Hoe plotseling beide Geisterani tegenover Gorcums classis van leerstel- 
lige meening wisselden , blijkt o. a. uit het behandelde ter Goudsche provin- 
ciale synode van 1620. »Ende is — aldus luidt het daar in art. 53 der acten — 
bij de classe van Gorcom versocht, dat de sijnodus doch haer niet en wilde 
voor onliefT nemen, datse inden voorgaenden sijnodo Leidensi van dese 
twee personen (t. w. CJornelius en Arnoldus Geisteranus) geen gewach en 
hadden gemaeckt, gemerckt sij geen fundament en hadden om te dier tijt 
eenige wettige clachte, nopende d*onsuiverheit haerer gevoelens, in te 
brengen, ende deselvige Geisterani oock so bedecktelick ende geveinsdelijck 
hare personagie tot den eijnde toe hadden weten te speelen, dat veele geen 



Digitized by VjOOQ IC 



272 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

Uit dien hoofde werd oogenblikkelgk door de Gorcumsche 
classis bepaald, beide broeders óver eene maand van- 
nieuws in de vergadering te hooren; terwgl dan als 
voorzitter zou optreden Gisbertus Voetius, met alge- 
meene stemmen daartoe verkozen *). Niet lang duurde 
het, of bg die samenkomst^) trad ten duidelijkste aan 
het licht, hoe Jodocus' zonen volstrekt niet alles goed- 
keurden wat in de canons bleek opgenomen , en evenmin 
alles verwierpen wat door deze werd afgewezen. Veel 
van hetgeen te Dordt met betrekking tot de vijf arti- 
kelen „als principale waarheyt" was vastgesteld, streed, 
naar zij stoutweg verzekerden, «tegen hare conscientie 
ende scientie". 

Gevraagd door den praeses, sinds wanneer zg zulk 
eene overtuiging gekoesterd hadden , en of hun die denk- 
beelden reeds b^j de aanneming tot lid der classis waren 
eigen geweest, antwoordde, als oudste der twee, Come- 
lius Geisteranus ') : dat hij de leer der volstrekte verkie- 
zing en verwerping „doen al in't gros tegenstondt", en 
onzeker was omtrent „de crachtige werckinge der genade 
ende maniere der bekeeringe , soo de selve nu vande synode 
verclaart wierde". Ook twijfelde hij ten eenen male aan 
de perseverantie , de volharding der heiligen. En waar 



naedencken over hare personen conden hebben, datse de sijde der Remon- 
stranten toe gedaen waren, overmits deselve ongeveerlick een halve uhre 
te vooren als sij haer selven openbaerden Remonstrants gesint te wesen, 
hadden helpen een Remonstrantsen schoolmeester censureren, seggende, 
dat hij qualick hadde gedaen, dat hij sodanigen leere ende procedueren, 
als der Remonstranten sijn, hadde helpen voorstaen ende main tineren**. 
Acia syn. part. Z. /ƒ., Gouda, 1620, art. 53. De hierboven bedoelde school- 
meester was Heusdens conrector, Mattheus Petri Verhoeven. Zie Hand, cL 
Gore, 14 Oct. 1619. 

O Hand, cl Gore, 14 Oct. 1619. Vgl. Voet., PoliL eccles., t. ni,p.90, 91. 

^ Hand. cl. Gore, 11 en 12 Nov. 1619. 

') Met Gornelius Geisteranus had Voetius voorheen gewoond in Leidens 
staten-collegie. Zie hierachter, bijlage XLII. 



Digitized by VjOOQ IC 



OP RINO, CLASISIS EN SYNODEN. 273 

hem de voorzitter herinnerde, hoe hij op de classis van 
21 November 1617 openlijk betuigd had, met de Gere- 
formeerde kerk éénerlei gevoelen te deelen wat het 
Arminianisme betrof, daar verbaasde Cornelius de gansche 
vergadering door zulks beslist te ontkennen *). 

Eveneens sprak en handelde zijn jongere broeder. Of- 
schoon den n^Q^ Juli 1617 door Voetiuszelf — die hierin 
was bijgestaan door Vogelsanck en Havius — praeparatoir 
geëxamineerd % en volgens het rapport aan de vergadering: 
j,op de hedendaechse controverse quaestien suyverlyck 
bevonden", verklaarde nu Amoldus, dat hij eigenlijk, reeds 
toen hy tot lid der classis van Gorcum werd aangenomen, 
de Remonstrantsche meeningen gedeeld, die in zijne pre- 
dikatiSn ten minste nooit had wederlegd. En als zijn vader, 
te gelijk met andere collega's opmerkte, hoe men hem 
vroeger^), naar aanleiding van 2 Tim. 2, vs. 19, had 
hooren proponeeren juist in tegenovergestelden geest, 
zeide Schelluinens kerkedienaar kortaf: ^daer van geen 
memorie te hebben". 

Nadat Jodocus, die in bedoelde aangelegenheid met 
zijne zonen niet samenging*), doch daarover veeleer ten 
diepste verslagen en bedroefd was, de vergaderzaal voor 
eene wijle had verlaten, ten einde door zijne tegenwoor- 
digheid de broederen bij het uitspreken van hun per- 



Vgl. bijlage CIV. 

^ Ongeveer eene maand later legde Amoldus Geisteranus tegenover Voetius, 
als voorzitter der classicale vergadering, peremptoir examen af, met dit 
gevolg, dat vden praeses ende de geheele classe daer aen een goet genoegen 
gehadt heeft". Hand, cl. Gore, 14 Aug. 1617. Vgl. Voet., PoUL eccles,, 

t m, p. 91. 

«) Ter inleiding namelijk voor zijn examen peremptorium. Hand, cl. Gore, 
U Aug. 1617. 

*) Vgl. dr. Sax jr., a.w., blz. 198. Zelfs verzekert Brandt, a,w., dl. III, 
blz. 928, omtrent Jodocus, dat deze »met Gomarus en Festus de pi*edesti- 
natie dreef boven den val". 



Digitized by VjOOQ IC 



274 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

soonlflk gevoelen niet te hinderen , restte der Gorcumsche 
classis alleen meiar, onder voorzitterschap van Voetius, 
over beide Geisterani „haer sententie te strijcken". Het 
vonnis luidde, dat èn Cornelius èn Amoldus „onweerdigh 
vaaren langer eenige kerkelicke diensten te betreden, 
ende dadelick daar van ontsettet ende ontslagen behoorden 
te werden" ^). 

Trachtte Voetius op deze wijze, door een vastberaden, 
onverbiddelijk handhaven der rechtzinnige leer, zijne 
plichten in het classicaal moderamen naar eisch te 
vervullen^), hij zocht evenzeer door het nauwgezet ten 
uitvoer leggen — öf zelfstandig öf in vereeniging met 
anderen — der verschillende opdrachten, hem van tigd 
tot tjjd gedaan, zich verdienstelijk te maken jegens de 
vaderlandsche kerk en de dikwerf hulpbehoevende ge- 
meenten, binnen den kring zijner naaste omgeving. 

Zoo werd h^ , met het oog op artikel 34 der Goudsche 
provinciale synode van 1620, herhaaldelijk door de leden 
zijner classis geroepen om , samen met Cloppenbureh , „de 
notabelste dingen inden classe van Gorinchem ende inde 
kercken onder den selven resorteerende , ende met namen 
tot Heusden, voorgevallen" — ten behoeve der kerke- 
lijke historie, welke Johannes Latius, ouderling te Lei- 



>) Zie Arch. Herv, kerk Heusden, afd. I, C, n*^. 72; Acia. syn. part 
Z,H,, Gouda, 1620, waarachter gevonden wordt eene copie der vonnissen 
«uijtgesprocken bij de classe van Gorcom, teghen C!ornelium ende Arnoldum 
Geisteranum"; bij dr. Reitsma en dr. van Veen, a.w», dl. ni,blz. 471— 476. 
Vgl. Voet., Catechisatie over den catechismus der Remonstranten, Utrecht, 
1641, blz. 428, en diens Proeve vande ct^acht der godtsalicheyt , blz. 35; 
maar ook Brandt, a.w., dl. Hl, blz. 927—932. 

«) Van 7 April 1614 tot 24 April 1634 is Voetius elf malen praeses, vijf 
malen scriba en zeven malen assessor der classis van Gorcum geweest. 
Bovendien werd hij nog tweemaal tot visitator classis verkozen. Voor 't laatste 
zie: Acta syn, part. Z. if., Gouda, 1620, art. 111 en id., Delft, 1628, 
art. 64. 



Digitized by VjOOQ IC 



OP RING, CLASSIS EN SYNODEN. 275 

den , schrijven zon ^ — „bij een te stellen" ^). Een ander 
maal zond de classicale vergadering hein en Adriani als 
hare afgevaardigden naar Onsenoort, toen juist met 
Vlgmen gecombineerd *) ; doch waar elke gelegenheid 
voor het houden van godsdienstoefeningen ontbrak; ten 
einde bij den plaat^elijken ambachtsheer, die, Boomsch- 
katholiek, hier „s^n devoir niet en dede", op verbetering 
aan te dringen. Dan weer zag hij zich door de classis 
m persoon belast met het stellen van een request aan 
de staten van Holland en West-Friesland, waarbij die 
Edel Mogenden verzocht werden, de behulpzame hand 
te willen bieden om de gemeente Meeuwen , sedert jaren 
tot haar groot ongerief kerkelijk met Eethen verbonden, 
van een eigen herder en leeraar te voorzien *). Of wel , 
men vond het noodig, naardien er bij de classicale han- 



>) Acta syn. part. Z.H., Leiden, 1619, art. 83; Gouda, 1620, art. 34; 
Brielle, 1623, art. 11. Vgl. bijlage LXI. 

«) Hand. cl. Gore, 2 en 3 Nov. 1620. Vgl. daarmede die van 19 en 20 
April 1621. Het onjuiste verhaal van Essenius, Orat. fun., p. 26, 27 — 
door mij op goed vertrouwen indertijd overgenomen ; zie School-gezag en Eigen- 
onderzoek, blz. 17 — omtrent eene opdracht in 1622 Voetius gedaan door 
de particuliere synode van Gorinchem, die hem, onder toezegging der buiten- 
gewoon hooge som van zeshonderd gld. en de voortdurende hulp van twee 
schrijvers, alles te bekostigen door HH. Staten, zocht over te halen eene 
geschiedenis samen te stellen der Remonstrantsche geschillen, zal hoogst- 
waarschijnlijk wel beimsten op het hierboven in den tekst medegedeelde. 

*) Vgl. bijlage LXVIII. 

*) Hand. cl. Gore, 21 Juni 1627. Eerst ter ringsvergadering van 17 
April 1629 kon den broederen worden bericht, dat HH. Staten in voor- 
noemde scheiding hadden toegestemd. Op dringende aanbeveling van Voetius, 
werd nu te Meeuwen beroepen Johannes Mylius «dienaer dos Woorts om- 
trent Franckendael ende inspector van de naburige kercken, onlancks uyt 
den Palts geweecken'*; een eigen broer van Anna van der Myle, tweede 
vrouw van Balth. Lydius, ten wiens huize te Dordrecht logeerende, Heus- 
dens predikant dezen had ontmoet en leeren kennen. Ofschoon Mylius' be- 
roep bleek geschied te zijn «onordentlyck ende met het beswaer van ver- 
scheijden misslagen", vond de classis niettemin goed daarop hare approbatie 
te verleenen. Zie Hand. cl. Gore, 23 April 1629. Vgl. Kist en Moll, 
Kerkhist. arch., dl. I, blz. 312—315, en hierboven, blz. 106; 220, aant. 2. 



Digitized by VjOOQ IC 



276 ZEVKNDE HOOFDSTUK. 

delingen meermalen bespeurd werd „disordre ende onge- 
regeltheyt in verscheyde stucken", eene commissie te 
benoemen van vier predikanten, uit iederen ring één, 
die, na ingewonnen advies hunner respectieve mede- 
broeders, enkele ^stichtelycke leges souden beraemen"; 
en men koos voor dat werk, uit Heusdens ^quartier", 
den in vervolg van tijd even bekenden als beroemden 
canonist, Gisbertus Voetius *). 

Had Leidens particuliere synode in Augustus 1619 de 
Gorcumsche classis aangeschreven: nauwkeurig toe te 
zien op de gelden , welke Cornelius Drongelensis twee jaren 
lang van Hollands staten genieten zou^), zoo werden 
Voetius en Adriani door haar uitgekozen om dat voor- 
loopig stipendium als ^tutores Cornelii" gemeenschappelijk 
te besturen ^). En toen , weinige maanden later , de naast- 
gezeten ambtgenooten van Rutgerus Clock, predikant te 
Heikop, maar beroepen te Nieuwerkerk, dezen hoogst 
ongaarne uit hun midden zagen vertrekken, toen was 
het wederom Heusdens kerkedienaar, die , ofschoon vruch- 
teloos, met Jodocus Geisteranus en Dionysius Spranck- 
huysen naar den coUator Hans Wolphaert, heer van 
Brederode, werd gecommitteerd, ten einde voor Clock 
tractementsverhooging aan te vragen en zoodoende den 
beminden collega in Heikop te houden *). 

Het gebeurde in den nazomer van 1621 , dat Gorcums 
classis haren toenmaligen praeses, Gisbertus Voetius, met 



1) Hand. cl. Gore, 2 Sept. 1619. Vgl. hierboven, blz. 266, aant. 1. 

2) Jiesol. Holl, 30 Jan. 1619. Vgl. hierboven, blz. 264. 

») Hand. cl. Gore, 2 Sept. 1619. Vgl. die van 14 Oct. 1619. 

*) Hand. cl. Gore, 14 Oct. 1619. Vgl. daarmede ook die van 19 April 
1632, toen Voetius met zijn ambtgenoot Mylius, predikant te Meeuwen, 
naar den heer van Brederode werd gedeputeerd, bij gelegenheid van diens 
vreemdsoortige collatie — :»genoechsaem een beroep'* — gedaan in de vacature 
der gemeente Heikop. 



Digitized by VjOOQ IC 



OP EING, CLASSIS EN SYNODEN. 277 

Christianus h Porta deputeerde naar graaf Floris van 
Kuilenburg, die, ruim een jaar te voren, bij gelegen- 
heid eener ringsvergadering , gehouden ten huize van 
Billichius, predikant aldaar, zijnen particulieren secre- 
taris en den schout van Kuilenburg naar de pastorie 
had gezonden, om »mede te sitten in de vergaderinge 
der broederen ende om haerlieder propoosten aen te 
hooren". Dezen nochtans hadden Floris, bg monde zijner 
afgevaardigden , te verstaan gegeven , hoe „ie predicanten 
haer niet en sochten in te dringen in politycke verga- 
deringen", en dus verlangden bij hunne samenkomsten 
door de „politici" eveneens ongemoeid gelaten te worden. 
Door dit antwoord , naar zich denken liet , vry ontstemd , 
deed Zgne Genade kort daarop der classis van Gorinchem 
weten , dat hg hare eerstkomende vergadering persoonlijk 
wilde bijwonen; over welk plan men zich ten zeerste 
bezwaard gevoelde, als strgdig „met alle loflFelijcke usantien 
ende goede kerckenordere". Bleef Zijne Genade b^j haar 
voornemen volharden , zoo hadden Gorcums deputaten in 
last, den graaf te verzekeren: hoe men, eerder dan hem 
te ontvangen, vast besloten was de samenkomst op te 
breken en uit de stad te vertrekken. Na echter het dringend 
vertoog van Voetius en diens medeafgevaardigde te hebben 
aangehoord , zeide Floris , dat hij de zaak „in naerder be- 
denckinge" zou nemen, en — verscheen niet op de classis '). 

') Hand. cl. Gorc.^ 16 en 17 Aug. 1621. Volgens de Acta coeius fra- 
trum a tota classe delegatorum^ dd. 5 Nov. 1620, viel er blijkbaar met 
graaf Floris niet te spotten. Immers dreigde Zijne Genade de broederen, die 
door Gouda's particuliere synode tot hem waren afgevaardigd, dat, wanneer zij 
het waagden zich in zake bet beroep naar Kuilenburg van ds. Ravenswaay tegen 
zqne plannen te verzetten , en »so iemand hem per force tegen Sijne Genade 
sonde willen stellen, om te seggen dat hij dat tegen S. G. hadde uytge- 
honden ende doorgedrongen, dat S. G. dat geensins soude gedoogen, ende 
dat daar door soodanige ontstichtinge ende verwerringe soude ontstaan, 
dattet soude sijn te beclagen, ende dat hy noijt meer tot Cuylenborch ten 
avondmale gaan soude". 

19 

Digitized by VjOOQ IC 



278 2EVENDE HOOFDSTUK. 

Eene lastige quaestie deed zich, sedert half April 1630, 
ook voor te Heukelnm. Ze betrof het uitoefenen door den 
ambachtsheer van zijn patronaatrecht '), tijdens de predi- 
kantsvacature aldaar ^). Tot zelfs de hooge r^eering werd 
in dit vraagstuk gemoeid. Met het doel de bedreigde rechten 
der kerk nadrukkelijk te handhaven , ontving Voetius van 
zijne classisbroederen de opdracht „wt de vorige actis bij 
een te stellen allet gene enichsins ter saecke dienen 
mochte". Zoodra nu, in de buitengewone vergadering 
van 20 Januari 1631 , het cloor hem gemaakte ontwerp 
was voorgelezen en goedgekeurd , trokken hij en Henrieus 
Boterpot, predikant te Noordeloos, naar Den Haag, ge- 
wapend met eene menigte aanteekeningen , die hunne 
Edel Mogenden konden inlichten omtrent den aard en de 
strekking van het verschil, gerezen tusschen bedoelden 
coUator en de classis van Gorinchem. Hoewel later beide 
gecommitteerden na gedaan rapport, vanwege «hare 
goede besoijen ende devoyren", door de vergaderde broe- 
deren ten vriendelijkste bedankt werden '), heeft echter 
Voetius geenszins het einde bijgewoond van den hier ge- 
voerden strgd. Want eerst tegen het voorjaar van 1636 
legde baron Thomas van Thienen, als ambachtsheer, het 
hoofd in den schoot, toen hij, Theodorus Gisberti ,^op 



») Zie over het »ju8 patronatus" : Voet., Polit eccles., t. E , p. 580 — 659 , 
683—692. Vgl. daarmede: tom. I, pars I, p. 279, 280; Handelingen des 
nationalen synodi inden name onses heeren Jesu Christin door authoriteyt 
vande hoogh-mog: heeren staten generael der Vereenighde Nederlanden^ 
gehouden tot Dordrecht in de jaren 1618. en 1619. na dat de wtheemsche 
theologanten vertrocken waren ^ gemeynelijck genaemt Post-acta^ ofte 
Na-handelingen. Uyl de Latljnsche in de Nederlandtsche tale overgeset. 
VGravenhage, 1669, sessie 156 en 157; Acta syn, part. Z. H., Delft, 1618, 
art. 21 , en volgende particuliere synoden , passim ; Oud Synod. archief^ 
in, 84, n^ 13. 

a) Hand. cl. Gore, 18 JaU 1630. 

») Hand. cl. Gore., 28 April 1631. 



Digitized by VjOOQ IC 



OP BINO, CLASSIS EN 8TN0DKN. 279 

agn presentatie", te Heukelum j,wettelyck" deed beroepen 
door den kerkeraad O- 

Niet vreemd, dat Heusdens predikant, die de aange- 
legenheden^), hem en zijnen medegecommitteerden ter 
afdoening toevertrouwd , steeds met bijzonderen gver 
behartigde *) , zich van lieverlee door het meerendeel der 
broederen zag beschouwd als een man van gewicht. Had 
die waardeering in vele opzichten voor Voetius hare 
aantrekkelijke z^de, dit veranderde, zoodra ze als een 
wapen werd gekeerd tegen zijn persoon. 

Immers gebeurde het den 3den JuU I634. — toen hij 
de voorlaatste maal ter classicale samenkomst verschenen 
was, en men hem met twee zijner ambtgenooten , Sche- 
venhuysen en Lydius , nog „extraordinarie" had gedepu- 
teerd, om op de particuliere synode, die ruim veertien 
dagen daarna in Den Haag zou gehouden worden »cau- 
sam classis te propugneren ende tegens d. Yeldii onrecht- 



Hand, cL Gore, 31 Kaart 1636. 

^ Tot die aangelegenheden behooi*den nn en dan zaken van uiterst 
kieschen aard. Zoo werd Voetius op zekeren tijd gedeputeerd met Guilielmus 
Gorsmannus en de predikanten uit den ring van Altena naar Abrabamus 
Torrentinus, kerkedienaar te Uitwijk, om »a]daer volle kennisse ende in- 
formatie te nbemen so veel doenlick soude sijn", of bet gerucbt waarheid 
bevatte, inhoudende »dat voorsegde Ton*entinu8 vleeschelick soude hebben 
geconverseert met Metgen Hendricks, syn meid, die een tijt van twee 
jaren by hem hadde gewoont". Gelukkig voor Abraham, konden gedepu- 
teerden dat praatje straks als vuigen laster tegenspreken. Hand. cl. Gore,, 
27 Jan. 1625. Vgl. die van 7 April 1625. 

^ Eene enkele maal werden die ijver en nauwgezetheid in twijfel ge- 
trokken. Zoo zagen Voetius en Boterpot, naar Den Haag gedeputeerd om 
een eigen predikant voor Sleeuwijk aan te vragen, zich door sommige 
broederen beschuldigd »dat sij souden hebben sinisterlijck subreptitieus , 
niet tronwelijck ofle nae hare commissie gehandelt in het versoecken ende 
vercrijghen van die sake". Na een omstandig verhaal hunner bemoeiingen 
en het ter lezing aanbieden van hun request, HH. Staten overgeleverd, 
heeft echter de classis »goet contentement in hare actiën geschept, ende 
sijn hare EE. vande vergaederinghe van weghen hare besoignen ende ge- 
daene devoiren bedanckt". Hand, cl. Gore, 10 Juni 1631. 



Digitized by VjOOQ IC 



280 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

vaerdige doleantien te ageren" — dat diezelfde Abraham 
van de Velde, sedert lang geschorst in zijne betrekking 
als kerkedienaar te Veen *) , door de collega's ernstig ter 
verantwoording werd geroepen , wgl hg »bij seker occasie 
hem niet ontsien hadde d. Voetio openbaerlyck end als 
in syn aengesicht te verwijten, dat hij was den classis". 

Daarover nu betoonden de broederen zich bg uitstek 
ontevreden, vooral omdat Veldius, een jaar vroeger, op 
de Brielsche synode en elders, achter Voetius' rug met 
blijkbare geringschatting hem dien titel had nagehouden. 
Door het moderamen ondervraagd, moest van de Velde 
hier uitleggen, hoe hij die woorden had bedoeld, en of 
hg ze nog gestand deed. Na te hebben herinnerd, dat, 
in het aandringen op zijne suspensie en verplaatsing, 
Heusdens prediker zich steeds had gedragen als de classis 
zelf, zeide Veldius bij genoemde opvatting te blijven; 
ware het ook, dat hij daardoor vroeger meer bepaaldelgk 
zgn particulier gevoelen had willen te kennen geven. 

De vergadering, wel ver van met die betuiging ge- 
noegen te nemen, oordeelde van de Velde's verwijt »een 
notoire onwaerheijt ende groote injurie, streckende niet 
alleen tot oneere Voetii , maer oock des ganschen classis". 
Deze toch had, bij het onderzoeken zijner zaak, steeds 
volgens haar eigen meening en beste inzicht gehandeld. 
Zou dus de geschorste kerkedienaar uit Veen geen zwaar- 
dere censuur zich op den hals halen, dan diende hij 
zijne woorden aanstonds terug te nemen en der classis 
genoegdoening te geven. Waartoe Veldius zich ten laatste 
vinden liet, door openlijk te verklaren: »dat hg wel 
wilde sulx niet geseijt te hebben, ende in toecomenden 
tijt hem daemae soude reguleren" ^). 

') Zie hierboven, blz. 265. 

«) Hand, cl. Gore, 3 Juli 1634. 

Digitized by VjOOQ IC 



OP RING, CLASSIS EN SYNODEN. 281 

Zoo menigmaal y gedurende de jaren het naast vooraf- 
gaande aan de nationale synode van Dordt, de behoefte 
zich deed gevoelen bij de Calvinistisch gezinden om, 
door een onderling samenspreken en samenwerken, hun 
standpunt te handhaven t^enover de machtige, door 
het staatsgezag beschermde Arminiaansche partiy, was 
het ook Gisbertus Voetius, die zgne beste krachten 
daarvoor inspande. 

Hoewel hg, naar het schijnt, niet tegenwoordig is 
geweest op de Contra-remonstrantsche vergaderingen van 
17 tot 19 September 1615 en van 26 Juli tot 3 Augustus 
1616 binnen Amsterdam gehouden*), waar onderschei- 
den broederen uit de Vereenigde Provinciön op hunne 
eigene verantwoording samenkwamen, om met elkander 
maatregelen te beramen in het belang der Gereformeerde 
,kercken" — zoo ontving toch Voetius vandaar den 
last, nauwkeurig ondei'zoek te doen naar den toestand 
van Hollands doleerenden *). Tevens werd hem opgedra- 
gen met de predikanten, inzonderheid van Dordrecht ') 
en Gteertruidenberg *) , te overleggen , of het al dan niet 
geraden was, nog langer met de Remonstranten kerke- 
Igke gemeenschap te oefenen*). En toen er den 6den 
Maart 1617, ook in Amsterdam, eene der dusgenoemde 



') Nochtans vertoefde Voetius, in den loop van 1615, met eenige zijner 
vrienden in de buurt van Amsterdam, te Sloterdijk. Zie PoHL eccles,^ 
torn. I, pars U, p. 102. Vgl. over die «heimelijke synoden'* . zooals haar de 
Remonstranten noemden, dr. F. L. Rutgei-s, Het kerkverband der Neder- 
Icndsche gereformeerde kerken , gelijk dat gekend wordt uit de handelingen 
tfan den Amsterdamse hen kerkeraad in den aanvang der 17* eeuw. Rede^ 
gehouden bij het overdragen van het rectoraat der Vrije universiteit^ den 
20»'«» October 1882. Met aanteekeningen en aktenstukken ^ Arast., 1882, 
biz. 27, aant. 1; en ook dr. Rogge, Wtenb., dl. II, blz. 338—341. 

*) EsBenius, Orat. fun., p. 27. 

*) Namelijk: Balthasar Lydius en Johannes Dibbetzius. 

*) Te weten: Johannes Bisschop of Episcopius. 

*) Vgl. dr. Rutgere, Het kerkverband, blz. 47—50; 158—172. 



Digitized by VjOOQ IC 



282 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

„vergaderingen van correspondentie"') gehouden werd*), 
bewoog zich te midden der rechtzinnige kerkedienaren, 
daar uit Noord- en Zuid-Holland vereenigd^), almede 
Vlgmens predikant , die bij deze gelegenheid het verzoek 
ontving, om den 12<ien Maart Rotterdams doleerende 
gemeente te willen bedienen ,in de schuere" *). 

Maar eerst in volle kracht ontwikkelde zich Voetius' 
werkzaamheid op de verschillende synoden'), die des- 
t^ds weder mochten samenkomen, na de laatste tien 
jaar door de Staten voorloopig geschorst te zijn*). Had- 
den hunne Edel Mogenden in Augustus 1618 de classis 
van Dordrecht belast, overeenkomstig het oude gebruik 
eene particuliere Zuid-HoUandsche synode te beschrijven^. 



*) Zie dr. Rutgers , Het kerkverband , blz. 52 , aant. i ; de verhandeling 
van dr. J. Borsius , in Kist en Royaards, NederL archief ^ dl. m, blz. 195 — 264; 
Oud Synod. archief, III, 85, ü, n<*. 45 en n**. 46; Wtenbogaert, Fry- 
moedigh ondersoeck , blz. 88. Vgl. daarmee de opmerkingen , door dr. L. A. 
van Langeraad gemaakt in het Theologisch tijdschrift, Leiden, 1892, 
jaarg. 26, blz. 309—311. 

«) Gisb. Voet, Aant, N**. m. Zie voorts bijlage CV. 

>) :»Eju8modi conventus imprimis anno 1616. et 1617. primum Amstelo- 
dami, ubi tune maxime tutum erat, postea Hagae-comitis atque alibi in 
Hollandia habiti fuerunt: ad quos conveniebant delegati, partim classium 
quarundam, partim orthodozorum ministrorum in dassibus jam miztis*'. 
Voet., Polit. eccles., t. Hl, p. 181. 

*) Vgl. hierboven, blz. 200. Aan dr. van Langeraad dank ik de mede- 
deeling, dat Voetius met Jobannes Blom, predikant te Meerkerk, afge- 
vaardigd door Gorcums classis, evenzeer blijkt tegenwoordig te zijn geweest 
op eene vergadering van correspondentie, gehouden in Den Haag, 14 — 16 
Aug. 1618, }»ende reces genomen hebbende voor vyer dagen, wederomme 
hervat den 22 ende 23 desselvigen maents". Zie hierachter, bijlage CVI. 

*) Met het oog op sommiger afvaardiging ter synode, in die dagen, is 
niet onbelangrijk wat Voetius schreef: Polit. eccles,, t. III, p. 325, 326. 

•) Voet., Polit. eccles.y t. III, p. 236; Wtenbogaert, Vrye aentvysing, 
blz. 42 en Oud Synod. archief, III, 85, H, n^. 28. 

^ Resol. HolL, 30 en 31 Aug., 4 en 12 Sept. 1618. Vgl. daarmee de 
vMemorie" door Festus Hommius, Johannes Episc^pius en Henricus Amoldi 
»niet alleenlyck de goede steden, maer oock syn Princel. Ex.<!ie** ter hand 
gesteld, namens de vergadering van correspondentie, in Augustus 1618 
te 's-Gravenhage gehouden. Zie Class, arch. Dordr. 



Digitized by VjOOQ IC 



OP KISQj CLASSIS BN STNODEN. 283 

ZOO was daarenboven nog door hen verordend, dat die 
bijeenkomst uitsluitend zou moeten strekken tot ^pre- 
paratie" O der aanstaande nationale synode. 

Van 8 October tot 6 November nam Voetius te Delft 
Yolijverig deel ^) aan de beraadslagingen , met dat doel 
gehouden door vier en dertig predikanten ^) en vier 
ouderlingen, die te zamen de elf classen^) van Zuid- 
HoUand vert^enwoordigden *). Nadat hier allerlei voor- 
bereidingsmaatr^elen •) en besluiten^) in overwegend 
Contra-remonstrantschen geest genomen waren, zagen, 
t^en het einde der bijeenkomst , de predikanten Lydius *) 
uit Dordt, Amoldi uit Delft, Hommius uit Leiden en 
Voetius uit Heusden ®) , nevens de ouderlingen Muys van 
Holy en Latius , idch gecommitteerd *°) tot de lang ver- 



Hand, cl Gore, 17 Sept. 1618. Vgl. Acta syn. part. Z H., Delft, 
1618, art. 5. 

«) Vgl. hierboven, blz. 257, aant. 3. Zie ook Voet., Dispp, select., t. 10, 
p. 1108; Polit. eecles., tom. I, pars I, p. 613; t. ü, p. 558, 665; t. UI, 
p. 754, 755. 

*) Uit den kring zijner vroegere studiemakkers trof Voetius hier aan: 
van der Rosieren, toentertijd kerkedienaar te Woerden, die de synodale 
sluitingspredicatie hield; Antonius Plancius, staande te Oosterhout, en den 
predikant van Beusichem, Theodorus Boomius, wien, als onwettig gedepu- 
teerd en »geen stemme hebbende in dese vergaderinghe*', door de broederen 
gelast werd »op te staen'* en met zijn medeafgevaardigde, Albertus 
Hattenus, de eerste zitting de beste dezer kerkelijke bijeenkomst te ver- 
laten. Acta syn, part. Z. H., Delft, 1618, art. 1. 

*) Vgl. dr. Rogge, Wtenb., dl. I, blz. 102, aant. 3. 

*) Men vergaderde iederen werkdag, van 8 — 11 uren voormiddags, en 
van 2 — 5 's namiddags. 

«) Acta syn. part. Z. H., Delft, 1618, art. 12, 15, 16, 26, 28, 29, 44, 
46, 62. Over al die aangelegenheden moesten de gedeputeerden »gaende ad 
synodum nationalem", volgens de hun verstrekte opdracht handelen. 

^ Acta syn. part. Z. H., Delft, 1618, art. 7, 10, 20, 21, 27, 59, 63, 64. 

^ Voet., Polit. eccles., t. m, p. 250. 

•) Voet., Polit. eccles. tom. I, pars U, p. 117. 

^) Als maatregel van voorzorg voegde men aan hunne benoeming deze 
clausule toe : »denwelcken , indien iemandt derselver door sieckte offte andere 
praegnante oorsaeken soude moeten absenteren, gesubstitueort syn, Abra- 
bamos Muijsholius, Johannes Becius, ende Johannes Lamotius, respective 



Digitized by VjOOQ IC 



284 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

beide nationale synode, over welke reeds 17 October l.L, 
bij gelegenheid van den algemeenen vast- en bededag, 
in de „vereenighde provinciën , geassocieerde landen ende 
steden" vuriglijk de zegen was afgesmeekt van „Qtodt 
den Heere almachtigh", opdat „alle saecken daer in 
mochten verhandelt, ende afgehandelt worden in syne 
vrese, tot sjmer eere, ende conservatie vande ware 
christelflcke Gereformeerde religie" ^). 

Ruim negenentwintig jaren oud nam Heusdens pre- 
diker. Dinsdag 13 November 1618, nadat de hooge ver- 
gadering te Dordrecht des voormiddags met twee ver- 
schillende kerkelgke toespraken geopend was, zijne plaats in 
op de bovenzaal der stads Doelen, alwaar hg gedurende de 
honderdtachtig door hem bijgewoonde sessiön *) belang- 
stellend ^) nederzat »ter rechter sijde van de schoorsteen 



kerckendienaren tot Breda, Dordrecht ende inden Haghe". Acia syn, part 
Z. if., Delft, 1648, art. 70. Volgens art. 66 kregen de gecommitteerden 
eene instructie mede, vooraf goedgekeurd door de vergadering, uitgenomen 
hare Remonsti*antsche leden , welke protesteerden »dat die verschillende leer- 
poincten souden in sijnodo nationali werden afifgedaen bij decisie: verstaende 
sij dat men darin soude handelen naer accommodatie**. 

») ResoL HolL, 3 Oct. 1618. 

^) Van al hetgeen er op de nationale synode gebeurde, wei*d door Voetius 
zorgvuldig aanteekening gehouden, naar hij later berichtte in zijne Polit 
eccles,^ t. UI, p. 239; vgl. Dispp. select,, t. V, p. 605. Ten zeerste jam- 
mer voor onze kennis van wie weet hoe menige bijzonderheid, zijn die 
aanteekeningen , zooais het schijnt, spoorloos verdwenen! Volgens het mu- 
tueel testament door Voetius en zijne huisvrouw Deliana gemaakt — 
welk testament heden ten dage berust in het notarieel archief der 
arrondissements-rechtbank te Utrecht — werden »de notulen van de 
handelingen des Dordtschen synodi a**. 1618 — 1619, by den testateur ge- 
schreven in een papieren boeck in 4°.", gelegateerd »aen haer luyder zone 
Nicolaus Voet", die ze evenwel niet mocht «veralineeren". Na zijn afsterven 
moesten ze »succederen op syn outsten zone die de studiën en geleertheyt 
soude hanteren. Ende by gebreecke van eenen gestudeerden zone nae te 
laeten**, behoorden »de selve nae Nicolai afiflyvicheyt geerft te worden van 
haer luyder zone Pauls Voet ofte synen outsten zone gestudeert synde". 
Zie voorts bijlago CVII. 

3) Oude herinneringen aan die dagen en gebeurtenissen haalt Voetius 



Digitized by VjOOQ IC 



OP EING, CLASSIS EN STNODBN. 285 

der saele", tusschen den aanstaanden r^ent van het 
Leidsche staten-coUegie , Festus Hommius , en den baljuw 
van Zuid-Holland , Amoldus ^) Muys van Holy. 

Natuuriyk hield Voetius zich vooreerst eenigermate op 
den achtergrond; terwijl z^n nog niet ten volle gerijpte 
leeftijd*), gevoed bij z^n min-beduidend voorkomen, 
allicht aanleiding gaf, dat velen boven hem werden uit- 
gekozen voor het vervullen van de eene of andere bijzondere 
werkzaamheid ten behoeve der synode ^. Zoo bleef hij buiten 
de commissie, aan welke de taak was opgedragen „om 
de formulieren der cleyne catechismum te stellen" *) , en 
zag evenmin zich belast met het in orde brengen der 
.canones" over de bekende vijf artikelen *). Zeker wekt 



o.a. op in zijne IHspp. select^ t. III, p. 692 en t. V, p. 215; Polit, eccles., 
tom. 1, pars I, p. 126, 902; t. II, p. 647 en t. m, p. 250. 

^) Aernt Muys van Holy wordt hij genoemd in art. 70 der Acta syn, 
part Z,H., Delft, 1618. In de Acta ofte handeling hen des nationalen synodi 
inden name onses heeren Jesu Christi ghehouden door authoriteyt der hoogh 
mogh: heeren Staten Generael des Vereenichden Nederlandts tot Dordrecht 
anno 1618. ende 1619. Hier comen oock hy de volle oordeelen vande vijf 
artijckelen^ Dordrecht, 1621, blz. 10, staat hij te boek als: Arno ld us 
Muys van Holy »bailliu van Suydt-hollant ende ouderlinc der kercke van 
Dordrecht". Die Arend, of wel Amold Muys van Holy worde echter niet 
verward met Hugo Muys van Holy «ridder, schout der stadt Dordrecht, 
ende bailliu vande lande van Strien", politiek commissaris ter nationale 
synode. Zie Hand, nat. syn.^ blz. 8. 

*) Vgl. Gentman, Lyck-^edikatie , blz. 24. 

*) Als gewoon synode-lid ontving Voetius, op kosten van het land, vier 
golden presentiegeld daags. Zie Brandt, a,w.^ dl. Hl, blz. 660. 

*) Hand, nat, syn,^ blz. 52. Vgl. daarmede de Acta synodi nationalis^ 
in novnine domini nostri Jesu Christi, autoritate illustr, et praepoten- 
turn dd. ordinum generalium Foederati Belgii provinciarum , Dordrechti 
habitae anno 1618 et 1619. Accedunt plenissima, de quinque articulis, 
theologorum jtidicia, Lugd. Bat., 1620, p. 48: »Ad formulas minorum 
catecheeium concipiendas deputati sunt, Fr. Gomarus, Joh. Polyander, Ant. 
Thygius, Herm. Faukelius, Balth. Lydius, et Godefr. Udemannus". 

^ Hand, nat, syn., blz. 291. Vgl. Acta syn. nat,, p. 239: vatque ad 
hanc rem potioribus sufifragiis deputati sunt ex theologis exteris, rever. d. 
e^iscopus Landavensis, d. doctor Scultetus, d. Deodatus, et ex provincialibus, 
d. doctor Polyander, d. Walaeus, et d. Triglandius". 



Digitized by VjOOQ IC 



286 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

het eenige bevreemding, dat — toen men in de zesde 
zitting had besloten „een nieuwe ende perfectere over- 
settinghe des bybels" ^) uit te geven , en hiervoor den 
arbeid behoefde van zes Nederlandsche theologen, be- 
gaafd met «uytnemende wetenschap ende godsalicheyt" ^), 
aan wie daarenboven uit elke provincie twee „oversien- 
ders" zouden worden toegevoegd^) — Heusdens kerke- 
dienaar in de dertiende zitting, op 26 November*), 
voor geen der genoemde betrekkingen eene meerderheid 
van stemmen kon verkrijgen'), zelfs niet „naest by"*). 
Toch vond Voetius gaandeweg gelegenheid ter Dordt- 
sche synode zijn arbeid te doen uitkomen en waardeeren. 
Immers hij stelde het advies^, dat de gecommitteerden 
der laatstgehouden Zuid-Hollandsche kerkvergadering, in 
den voormiddag van 1 December, hier uitbrachten •) over 

O Hand, nat. syn.y blz. 22. Vgl. Acta syn, naU^ p. 21 : »Post solennes a 
praeside conceptas preces, de nova et accuratiore translatione Bibliorum ex 
linguis originalibus in belgicam instituenda coepit agi". 

*) Hand. nat syn.^ blz. 25. Vgl. Acta syn, naUy p. 24: »Perficiendohuic 
novae versionis operi , sex theologorum belgicorum operam , insigni et rerum 
theologicarum et linguarum peritia turn pietate praeditorum, adhiberi placuii". 

s) Hand, nat, syn.^ blz. 26. Vgl. Acta nat, syn,^ p. 25: »Placuit etiam, 
eligendos esse in hac synodo ex singulis belgicae provinciis recognitores 
binos; unum Veteris, alterum Novi Testamenti versionis*'. 

*) Hand, nat, syn,y blz. 28. Vgl. Acia syn. nat., p. 27. 

^) Misschien was het zekere gevoeligheid over dat «gepasseerd worden", 
die Voetius er naderhand toe bracht, zijn oordeel over de dusgenoemde 
Staten- vei'taling weinig of niet aan anderen kenbaar te maken. Voor zoo- 
ver ik mij ten minste herinner, gewaagt hij daai^van uitsluitend: Polit. 
eccles,, t. m, p. 276, en Bibl. atud, iheol, p. 510. 

8) Ter particuliere synode, gehouden te Delft in 1628, werd, volgens art. 3 
der handelingen, met de meeste stemmen besloten, dat, indien Henricus 
Amoldi, predikant te Enkhuizen, mocht komen te overlijden, Gisbertus 
Voetius hem »soude succederen tot een reviseur vereionis Novi Testamenti". 

"*) Hand. nat. syn., blz. 52. Vgl. Acta syn. nat., p. 48 : »Praelectae sunt de 
hac quaestione theologorum anglorum , helvetiorum , bremensium, s. theologiae 
professorum belgicorum , et synodi zuyt-hollandicae deputatorum sententiae'*. 

^) Bij bovengenoemd advies maakte Voetius dankbaar gebruik van hetgeen 
de Dordtsche predikant Joh. Becius omtrent een soortgelijke aangelegenheid 
reeds vroeger ontworpen had. Zie Polit, ecdes,, tom. I, pars II, p. 117 — 123. 

Digitized by VjOOQ IC 



OP RING, CLASSIS EN SYNODEN. 287 

,de Indische vrage", omtrent het toedienen van den 
doop aan jonge kinderen , uit heidensche ouders gebo- 
ren'). Verder ontwierp en schreef hij voor dezelfde 
deputaten het concept, waarin hun gevoelen werd neer- 
gelegd over ;,den derden ende vierden artijckel der 
Bemonstranten : vanden standt des menschen na den 
val"^); te gelijker tjjd aan de reeks bijbelteksten, daar- 
voor als bewijsplaatsen bijgebracht, naar eigen verzeke- 
ring op het slot twee getuigenissen toevoegende, beide 
van den kerkvader Augustinus ^). 

Of wel, hij vro^, enkele dagen vóór het vertrek der 
boitenlanders, op last en uit naam van Guilielmus Amesius, 
bg de synode gehoor*) voor dezen Engelschen puritein, 



VgL Kist en Royaards, Archief, dl. m, blz. 662; Acta syn. part Z. H., 
Rotterdam, 1621, art. 43 en Voet., Polit. eccles., torn. I, pars I, p. 664. 

') Dispp. select,, t. Il, p. 617, schrijft later Voetius: »Sed ego, ut olim 
cam potioribus suffragüs censui in synodo dordrac. anno 1619. sess. 19. 
ac et nunc censeo non esse [gentiÜum liberos in familias christianorum as- 
citof aut in potestatem eorum redactos] baptizandos"; welk gevoelen hij 
daar verdedigt tegenover andersdenkenden. Vgl. ook nog t. V, p. 613; 
Polit. eccles,, tom. I, pars I, p. 657—659. 

*) Band, nat syn., m, blz. 215—222. Vgl. Acta syn, nat, m, p.164— 
169 en p. 292 »Re1iqua judicii zuyt-holland. de tertio et quarto articulis 
pag. 169. omissa". 

*) Te weten, uit Augustinus* £)n5^ 107: »Ad fidem rectam etcatholicam 
pertinere scimus, gratiam Dei ad singulos actus dari**; en uit diens De 
natura et gratia, cap. 26: »Sicut oculus corporis etiam plenissime sanus 
nisi candore luds adjutus non potest ceraere: sic homo etiam perfectissime 
joftificatus, nisi aetema luce justitiae divinitus adjuvetur, recte non potest 
mere". Vgl. Voet., Dispp, select, t. V, p. 750, en Gentman, a.w., blz. 24. 
lotusschen was dat toevoegen van getuigenissen, ontleend aan bewijsplaatsen 
baiten de Schrift, in strijd met den eed, door iederen gedeputeerde, en 
dus ook door Heusdens prediker, ter 23*^ sessie a^elegd, om »in dese 
gantsche synodale handelinge, in de welcke een ondersoec, oordeel ende 
decisie , so wel vande vijf artijckelen , ende daer uyt rijsende swaricheden , 
als ooc van alle andere leer-stucken aengestelt soude worden'* uitsluitend te 
rade te gaan met »het eenige woort Gods". Zie Hand. nat, syn., blz. 80. 
Vgl. Acta nat syn., p. 64, 65; Voet., Proeve vande cracht der godtsalicheyt, 
blz. 33; Dispp. select, t. III, p. 1103. 

*) Hand. nat syn., blz. 329—331. Vgl. Acta nat syn., p. 283—286. 



Digitized by VjOOQ IC 



288 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

die, toenmaals zonder ambtelijke betrekking, door de 
Staten bleek aangezocht, om gedurende de zittingen der 
hooge vergadering binnen Dordrecht verblijf te houden 
en haren praeses Johannes Bogerman, mocht dit noodig 
zijn , goeden raad te geven *). Naar dan ook Voetius mee- 
deelde, zou Amesius de afgevaardigden ter synode inlichten 
aangaande eenige theses, vroeger door zijn landgenoot 
Parker, nog student te Leiden, opgesteld en uitgegeven; 
welke theses Amesius wenschte te verdedigen , in het be- 
lang van den Franeker hoogleeraar Maccovius ^), tegen de 
beschuldigingen van diens collega Sibrandus Lubbertus: 
eene ^particuliere sake uyt Vrieslant tot de synode over- 
ghesonden" en Donderdag, 25 April 1619, voor de eerste 
maal daar behandeld '). 

In samenwerking met het reeds genoemde vyftal zijner 
medegecommitteerden deed Heusdens predikant aan de 
nationale synode bovendien toekomen „een corte, waer- 
achtighe ende pertinent historische verhalinge" van het 
begin en den voortgang der kerkel^ke geschillen binnen 
de provincie Zuid-Holland, bestemd tot voorlichting in- 
zonderheid der vreemde theologen, te Dordrecht verga- 
derd *). En als evenzeer Bogerman het een en ander uit de 



>) Vgl. dr. H. Visscher, Guil. Ames., blz. 44, 48—50. 

^) Maccovius en Voetius ^aren beiden scholastieke theologen; de laatste 
bleek evenwel omzichtiger en minder kras of ruv? in zijne uitdrukkingen 
dan de eerste. Vgl. Voet., Dispp. select.^ t. V, p. 89. 

3) Zie over Maccovius' zaak de verhandeling van den Utrechtschen hoog- 
leeraar J, Heringa Ez., in Kist en Royaards, Archief, dl. 111, blz. ,503 — 
664. De beslechting geschiedde hier »per accommodationem** en niet »per 
decisionem" (vgl. hierboven, blz. 283, aant. 10), aangezien ook van dit ge- 
schil in het eind moest verklaard worden: >Et sic gi*avissima illa lis tune 
sopita ac sepulta fuit*' ; a. lo., blz. 561 . 

*) Hand. syn, nat., blz. 164 en 221. Vgl. Acta $yn. nat, p. 126: bMo- 
nitum deinde fuit, quia citati in exhibitis scriptis quam plurimas narra- 
tiones, criminationes , et excusationes interseruissent, de quarum fide synodo 
toti ac praesertim exteris theologis non constaret, annon operae esset pre- 



Digitized by VjOOQ IC 



OP RING, CLASSIS EN STNODBN. 289 

geschriften der Remonstranten had samengebracht, dat, 
naar hij meende, zoo goed en getrouw mogelijk de Armi- 
niaansche opvatting van de leer der predestinatie teruggaf, 
waren het Voetius en zijne medegecommitteerden, welke 
aan de synodale broeders, door daarvan proeven bij te 
brengen, het bewijs leverden, hoe zulks beter en nauw- 
keuriger had dienen te geschieden ^). Nog eindelgk gaven 
dezelfde deputaten, toen onder de bekende postacta ook 
de aanvrage voorkwam tot het veranderen van artikel 
22 der Nederlandsche geloofsbelijdenis *) , als hun gevoelen 
zéér beslist te verstaan, dat in deze wijziging volstrekt 
niet kon getreden worden , naardien zq een dergelijk ver- 
zoek even ontijdig rekenden als ongepast '). 

Uit het aangevoerde blijkt ten duidel^kste, hoe Gis- 
bertus Voetius, door de particuliere synode van Zuid- 
Holland naar Dordrechts ^oecumenisch concilie" *) afge- 
vaardigd, zich aldaar èn persoonlijk èn in vereeniging 
met anderen genoegzaam heeft weten te onderscheiden *), 



tiam, plenius de hiace rebus erudiri synodum: placuitque, ut singularum 
sjnodorum delegati, inprimis Geldriae, Australis & Borealis HoIIandiae, 
ditioDis Uitrajectinae & Transisulaniae , in quibus potissimum res istae cum 
RemoDstrantibus eesent gestae, brevem, fidelem, et accuratam de oi*tu et 
progressu harum controversiarum et contentionum, quae in singulis accide- 
nmt provinciis, narrationem historicara conscriberent , synodoque exhiberen t'\ 
Cf. IL, p. 174, sessio 50. Zie ook hierboven, blz. 275, aant. 2. 

1) Het bovenvermelde vond plaats in de tweeen vijftigste sessie, 10 Januari 
1619, voormiddags. Vgl. dr. Sax jr., a. w., blz. 82. 

*) Ter 172»^ en 173«*« seetde van de »Na-handelingen", gehouden 23 en 
24 Mei 1619, werd door de binnen Dordt overgebleven synode-leden de 
weoschelijkheid besproken en verworpen , om voor de uitdrukking der Neder- 
landsche geloo&belijdenis: en soo veel zijn allerheylighste wercken 
die hy voor ons gedaen heeft, den meer algemeenen term in de 
plaats te stellen: ghehoorsaemheyt Christi. 

«) Vgl. Voet., Polit eccles., t. lü , p. 52—57. 

*) Gentman , a. te;., bli. 24. 

*) Hadden de «uitheemsche theologanten*' van staatswege een gouden 
berinneringsmedaille meegekregen bij hun vertrek — als een der «inlandtsche 
kerkelijken'* ontving ook Voetius dienzelfden gedenkpenning in het zil- 



Digitized by VjOOQ IC 



290 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

om, gelgk later een zijner lofredenaars betuigde, in die 
vergadering te worden medegeteld ^) „onder het puik der 
geheiligde geleertheid van gantsch t' christenryck" '). 
De inlandsche leden der nationale synode, die een- 
drachtig hadden verklaard, wat henzelf betrof, bij het 
belflden van de nu voorgoed vastgestelde rechtzinnige leer 
getrouwelijk te willen volharden, haar ïjverig te zullen 
prediken en onvervalscht bewaren ^) — zg mochten tevens 
zich overtuigd houden, dat de staten der Yereenigde 
Provinciën voortaan bedoelde leer binnen de vaderlandsche 
kerk , door hun gezag als overheid , ongeschonden zouden 



ver. Op de voorzijde ervan was de vergaderde synode afgebeeld , met in het 
rond deze woorden: «Religio asserta**, terwijl de achterkant te zien gaf 
den tempelberg, fel bestormd uit de vier windstreken, doch overstraaid 
door Jahwe's heerlijkheid; waaromheen deze verzekering: ^^Erunt sicut mons 
Sion". Zie mr. Gerard van Loon, Beschryving der Nederlandsche historie- 
penningen^ enz., *sGravenhage, 1726, dl, II, blz. 105 en Th. M. Roest, 
Catalogue du cabinet numismatique de la fondation Teyler d Harlem^ 
p. 26. Vgl. daarmede Brandt, a.u;., dl. 10, blz. 614, 661, en Voet, 
Polit, eccles.y tom I, pars II, p. 484. 

<) Daar vele gedeputeerden op de Dordtsche synode gewoon waren hnn 
medeleden ten aandenken het invullen van een albumblad te vragen, wer- 
den er voor dit doel onderscheidene blaadjes ook door Voetius met de eene 
of andere spreuk gesierd. Zie zulk een bewaard gebleven albumblad hier- 
achter afgedrukt in bijlage CVIII. 

s) Gentman, a. u;., blz. 24. Nog jaren later trad Voetius steeds vastbe- 
raden in het krijt, tegenover iederen aanval op de Dordtsche vaderen ge- 
richt. Toen dan ook Bern. Dwinglo, als Arminiaan ter synode ingedaagd 
en veroordeeld, met scherpe pen een pamflet had geschreven, onder den 
titel: Grouwel der verwoeatinghe (vgl. hierboven, blz. 199, aant. 3), stond 
de Utrechtsche hoogleeraar Voetius zijn voormaligen Leidschen vriend en 
medebursaal kort, maar krachtig te woord , Polit. eccles,^ t. Hl, p. 239 — 250. 
Zie ook Voet., Dispp. select^ t. IV, p. 649; Catech. der Remon8tr,<i blz. 430 
en dr. Rogge, Wtenb., dl. 111, blz. 33. 

3) Door Heusdens magistraat werden aan beide hare predikanten , Voetias 
en Slatius, de »Acta synodalia*' vereerd, Oud-arch, Heusden , E. 217, bij- 
lage tot fol. 46 verso der gemeenterekening over het jaar 1622. Ook 
waren ze, in Nederduitsche vertaling, ongetwijfeld aanwezig ter consistorie- 
kamer binnen de irontierstad. Vgl. Voet., Polit eccles.^ t. III, p. 277, en 
Oud-^rch. Heusden, E. 216, bijlage tot fol. 47. 



Digitized by VjOOQ IC 



OP RING, CLASSIS EN 8TN0DSN. 291 

handhaven en bevestigen ^). Reeds terstond was daarvan 
het gevolg eene algeheele zuivering ^^ Maandag 6 Mei 
1619, begonnen in de Qroote kerk te Dordrecht, zoo met 
het veroordeelen der vgf Remonstrantsche artikelen ') 
als met het afkondigen der sententie, geveld over de 
dertien ingedaagde Arminiaansche leeraren , en nog dat- 
zelfde jaar voortgezet op de provinciale synode, welke 
gehouden werd te Leiden van 23 Juli tot 17 Augustus 
incluis. 

Ook naar deze vergadering had de Gorcumsche classis 
fleusdens prediker afgevaardigd^), die er verscheidene 



>) Hand. nat syn., blz. 346. Vgl. Acta nat, syn,^ p. 298: »Unanimiter 
qDoque declararunt provinciales , statutum sibi esse, in hujus doctrinae 
orthodoxae professione constanter perseirerare, eamque in hisce belgicis 
proTinciis pare docere, sedulo propugnare, atque incorruptam poiTO per 
benignitatem Dei conservare. Gul et pro amabili illo in doctrina tam exter- 
nomm quam provincialium consensu gratias egeiiint, rogaruntque illustres 
delegatos, ut ecdesiarum belgicarum nomine, apud illustriss. ac praepotentes 
dd. Ordines Crenerales, intercedere dignarentur, ut üsdem illustribus dominis 
placeret orthodoxam hanc doctrinam in belgicis ecclesüs sartam porro ac 
tactam autoritate sua tueri ac stabilire''. 

>) Merkwaardig is, in verband met die «zuivering", wat Voetius schreef 
op van Essens albumblad. Zie bijlage GVIII. Vgl. daarmee zijne Dispp. select^ 
t n, p. 812, 813. 

*) Bijkans veertien dagen te voren, en wel in de 138^ zitting, was de 
confessie zoo van Voetius* vroegeren studiemakker, Jobannes Geisteranus, als 
van diens broeder Petrus Geisteranus — de eerste predikant te Alkmaar, 
de laatste te Egmond — beiden door hunne classis gedeputeerd, ter Dordtsche 
synode opgelezen »ende met de hoochste verfoeyinghe van allen verworpen 
ende verstooten". Dat ook Heusdens kerkedienaar aan dit vonnis zijn zegel 
hechtte: «andere souden *t hoofdigheyd, vijsigheyd, ongevoegelijckheyd , 
onrekkelijckheyd genoemd hebben'', betuigde later Gentman, a. u^., blz. 191 , 
»en dat sou 't geweest hebben, als 't in sijn eygen sake geweest ware. Ifaer 
na was 't in de sake des Heren , in commissie hem toevertrouwt , daer konde 
by'niet in geven noch nemen. Daer in was hy seer vasthoudende, met 
Moses niet een klan toe-gevende aen de Egyptenaren". Toch moest nader- 
hand, bij de herinnering aan dat gewezen vonnis, een virgiliaansch »animus 
meminisse horret luctuque refugit" Voetius uit de pen. Zie Polit. ecclea., 
t n, p. 45, 46. Vgl. hierboven, blz. 109 en 110, aant. 2. 

♦) Hand. cl. Gore, 16 Juli 1619. Vgl. Voet., Polit. eccles., tom I, pars I, 
p. 49; t. II, p. 309; t. III, p. 250; Essenius, Orat. fun., p. 27. 



Digitized by VjOOQ IC 



292 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

van zgne vrienden en bekenden terugvond, uit vroe- 
geren of lateren tijd. Een deel hunner, zooals Lydius en 
Latius, Rosaeus^) en Hommius, Gosuinus Buytendyck*) 
en Petrus a Nyenroy was hier met hem neergezeten ter 
verdediging der Dordtsche canones; terwijl een ander 
deel, Remonstrantsch gezind, zich derwaarts van lieverlee 
zag opontboden om öfde voorgeschreven acte van stilstand 
te teekenen') öf, bg weigering, door heeren Staten te 
worden gebannen uit de Vereenigde Provinciën. Tot die 
groep Arminianen, naar Leiden geciteerd, behoorden, 
nevens zes van Voetius' voormalige studiemakkers in het 
Collegium theologicum*), ook sommige zijner door de 
kerkelgke censuur meer of min getroflfen classisbroederen , 
waaronder Joannes Grevius'). 

Niet tevreden deze en nog andere kerkedienaars uit 
hunne betrekking ontzet te hebben, gingen de afgevaardig- 
den ter Leidsche synode, in aansluiting bg daartoe reeds 
van te voren getroffen maatregelen, vervolgens over tot 



>) Vgl. hierboven, blz. 198, aant. 3. 

2) Buytendyck, met Voetius een der onderteekenaren van het in i604 
aan Bertius gerichte adres (zie hierachter, bijlage XLIII), werd naar Leiden 
afgevaardigd door de Brielsche classis en stond te Goedereede. Op de particuliere 
synode van Den Haag in 1624, was hij, als predikant der gemeente Delfl, 
wederom met Voetius samen. 

') Zéér ernstig werd in deze synode, en ook in sommige latere, gedebat- 
teerd over het weder opnemen van Remonstranten binnen de Geroformeerde 
kerkgemeenschap. Vgl. Voet., Polit. eccles,, t. III. p. 375, 376. 

^) Te weten: de la Faille, van Galen, Oostenharen, Sopingius, Swanius, 
en Velsius. Zie hierboven, blz. 129, aant. 1 en hierachter, bijlage XLIL 

^) Die clasdisbroeders waren: Spudaeus, Drongelensis, Tamerus en Prindus. 
Teekenden drie hunner de acte van stilstand, zulks werd echter beslist ge- 
weigerd door de Prince en Grevius. Merkwaardig ongetwijfeld blijft de brief, 
waarin de Greeff afwijst het voorstel hem gedaan door zijn zvmger Bernardus 
Brant, prediker te Wezel, om zich te vo^en bij de Contra-remonstrantsche 
partij. Beider schrijven is opgenomen in de Proest ac erud. viror, epist.^ 
p. 625, 626. Zie, voor de Greefik verdere lotgevallen — verbanning naar 
Waalwijk, gevangenschap te Amsterdam en zwerftocht in Duitschland — 
Glasius, a.m, dl. 1, blz. 559—561. Vgl. ook ResoL Holl, 10 Sept. 1619, 



Digitized by VjOOQ IC 



293 

het zuiveren of reformeeren der universiteit ^). Alsnu 
verschenen voor Voetius en zijne medegedeputeerden, om 
zich wegens hun afwgken van de Nederlandsche geloofs- 
belijdenis te verantwoorden: de gewezen regenten van 
het Staten-coUegie , Bertius *) en Vp^sius'), met Gaspar 



O Het gold hier niet alleen de godgeleerde faculteit, maar, door middel 
der buitengewone gemachtigden van Hollands staten, ook elke andere. 
Misschien zelfs hadden de synodale broederen, reeds een halfjaar vroeger, 
zijdelings invloed geoefend op het ontslag der curatoren jhr. van Mathenesse 
en jhr. van der Mijle. Als theologische professoren werden straks daarop te 
Leiden beroepen: Petrus Molinaeus, die nu ten tweeden male bedankte, en 
Antonius Walaeus; terwijl Festus Hommius tot regent, Daniel Sinapius tot 
snbregent werd benoemd van het Staten-collegie aldaar. Acta syn.part Z. ff.. 
Leiden, 1619, art. 3 en 4. Vgl. daarmede art. 82. Zie ook M. Siegenbeek, 
Geschiedenis der Leidsche hoogeschool^ van hare oprigting in den jare 
1575, toi hel jaar 1825. Met portretten, Leiden, 1829, dl. I, blz. 107, 108. 

*) Wel bleken de hekken verhangen, waar Voetius thans mede had te 
oordeelen over zijn voormaligen leermeester. Hoe zal het Heusdens kerke- 
dienaar wel te moede zijn geweest, toen hier Bertius, ten aanhoore der 
^olle vergadering, betuigde »dat hij niet veele dertele daeghen int* coUegie 
gehadt hadde , ende dat hem niet vrolickerer in sijn leven gebeurt was als de 
ontslaeghing van het regentschap**. Acta syn.part, Z. ff., Leiden, 1619, art. 73. 
Vgl. hierboven, blz. 90 — 96. Ten jare 1619 ook ontzet uit zijn ambt 
als professor in de zedenleer, ging Bertius naar Parijs en werd daar 
Roomsch-katholiek. Vgl. dr. Knuttel, o. w., dl. I, st. U, n<». 3920. Samuel 
Naeranus, Remonstrantsch predikant te Amersfoort, zelf te Dordt gevonnisd , 
schreef over dat treurig feit aan Gonr. Vorstius : «Bertius quam sibi inussit 
ignominiam, nobis aspersit maculam, non facile eradet et eluet'*. Praest. ac 
erud, viror. epist, p. 644; en Voetius doelde daarop, Dispp, select., t. III, 
p. 771 : »Ita ut apostasia sanctorum , quam Remonstrantes cum postea apo8tat& 
ad Papismum Petro Bertio bucciuarunt, sit merum coromentum, novo gratiae 
foederi et euangelio repugnans**. Vgl. Acta syn. part. Z. ff., Gouda, 1620, 
art. 26, 103; Rotterdam, 1621, art. 23. Van Bertius' vier zonen, die, even- 
eens Roomsch-katholiek geworden, allen tot den geestelijken stand hebben 
behoord, onderscheidden zich meer bijzonder: de jongste. Jan de Bert, prior 
in het Karmelietenklooster op Malta en de oudste. Abraham de Bert, 
missionaris der Karmelieten te London. Vgl. dr. R. Fruin, De wederopluiking, 
enz., in »de Gids*', 1894, dl. I, blz. 281. 

*) En Vossius had zich steeds zooveel moeite- gegeven, om althans 
den schijn van rechtzinnigheid te bewaren! Getuige zijn brief aan Hugo 
Grotius, waarin hij, na diens boekje »Der HH. Staten godts-diensticheyt'* 
(ae hierboven, blz. 169, aant, 3), geprezen te hebben, aan het slot 
schrijft: »Velim, vir amplissime, apud neminem de literis aut judicio meo 

20 



Digitized by VjOOQ IC 



294 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

Barlaeus^), nog kort geleden subregent dier instelling; 
terwijl de hoogleeraar Cunaeus, eveneens van Arminia- 
nisme beschuldigd , krachtens synodaal besluit werd aan- 
gemaand om, bg de eerste gelegenheid de beste, schrif- 
telgk «reparatie" te doen van de ergernis*), die hij, 
bovenal met zijne satiren , gegeven had '). 
Ook buiten de muren der Leidsche vergaderzaal*) zag 



facias mentionera. Minus enim, si suspectus esse coeperim, prodero bonae 
causae". Proest ac erud, viror. episL^ p. 371. Zie ook Voet., Dispp. selecU, 
t. II, p. 707, 718; PoUL eccles,, tom. I, pars I, p. 684; ResoU Holl, 
12 Aug. 1620. Acta syn, part. Z.H,, Leiden, 1619, art. 74; Vgl. Siegen- 
beek, a,w., dl. I, blz. 111, 112. 

') Zie hierboven, blz. 110. Barlaeus weigerde »de kercke satisfactie te 
doen", maar toekende de acte van hunne Edel Mogenden — »in het 
uijtgaen allen ende een ieder in de vergaederinge wenschende een gemoet, 
dat nae waerheit ende vrede trachtede". Acta syn, part. Z. ff., Leiden, 
1619, art. 72. Vgl. die van Rotterdam, 1621 , art. 22; Voet., Polit, eccles., 
t. III, p. 383. Siegenbeek, a.w?., dl. I, blz. 120. 

^ Bedoelde ergernis had Cunaeus vooral opgewekt door de uitgave zijner ' 
Sardi venales. Satyra Menippea in hujus seculi homines plerosque inepte 
eruditos. In fine seorsim addita est ex ejtcsdem interpretatione d. Juliani 
imperatoris satyra in principes romanos. Ex officina Plantiniana, 1612. Zie 
Auctie-catal., pars II, misc. in duodecimo, n^. 17. Omtrent dit hekelschrift 
berichtte hij 29 Dec. 1612 aan Gonr. Vorstius: vOmnes eruditorum familias 
atque ordines perambulavi : et quia theologi hodie maxima pai^ sunt ineptien- 
tium, sane continere me non potui, quin saepe illos, et non unoloco, in hanc 
satyrae nostrae scenam introducerem". Praest. ac erud. viror. epist. , p. 337. 
In de »Praefatio" zelve zijner »Sardi venales" schrijft Cunaeus, p. 18, 
aan Rumoldus Hogerbetius en Apollonius Scottus — »Supremae Curiae 
in Batavis senatores" — wien hij dat boekje opdroeg, het volgende: 
»Omnes eruditorum familias, et genera divei'sissima attigi; ac de ipsis 
quoque theologis, penes quos esse nunc regnum et summa scientiarum 
creditur, non pauca dixi, sed ea lenitate et modestia, quam et tu, divine 
Hogerbeti, a me exegisses, si consilium tibi exposuissem meum, et tu, 
Scotte maxime, jam certe non improbabis, qui antea illumordinero praeteriri 
a me potuisse existiraasti". Vgl. dr. Rogge, Wtenb., dl. II, blz. 394; Siegen- 
beek, a. lü., dl. I, blz. 121, 122 en de noot aldaar; Voet., Dispp, select., 
t. III, p. 685, 1273; t. IV, p. 246. 

3) Zie Cunaeus* oordeel over Voetius, in mijn SchooUgezag en Eigen- 
onderzoek , blz. 21 , aant. 4. 

«) Te oordeelen naar wat opgeteekend staat, Acta acad, L. B., cod. XTV, 
fol. 178, 179, werden die synodale samenkomsten hoogstwaarschijnlijk ge- 
houden in het toenmalige «auditorium juridicum" van Leidens academie. 



Digitized by VjOOQ IC 



OP RING 9 CLASSIS BN 8TN0DEN. 295 

zich Voetius in die dagen geroepen tegen de Remonstranten 
op te treden. De doleerende gemeente van Gouda, lan- 
gen tyd ten achteren gebleven met eene behoorlijke 
verzorging harer godsdienstige samenkomsten, had — 
nadat er uit de classis drie leden waren afgevaardigd 
«om haer aen te porren ende moet te gheven" — onder 
medewerking der Staten en van zijne excellentie den 
Prins, eindelijk gedaan gekregen, dat voor haren open- 
baren eeredienst de Gasthuiskerk zou worden ingeruimd ')• 
Toen men nu ten jare 1619, bij het deportement van 
Theodorus Herberts en diens Arminiaansch gezinden 
kerkeraad , hier een tweeden Contra-remonstrantschen 
predikant wenschte te beroepen: iemand, goed onder- 
lid in de theologie en in de talen; bij machte ;,den 
weederspreeckeren den mondt te stoppen , alsoo de stadt 
vander Goude altyt was geweest het rattenest ende den 
dreckwaghen van alle ketteryen" ^) — zag zich het con- 
sistorie onverhoopt gedwarsboomd door de plaatselijke 
overheid, die, in stryd met het uitgedrukt verlangen 
der Gereformeerde gemeenteleden, de predikantskeuze 
wilde doen geschieden volgens de kerkorde van 1591. 



') Vgl. Oud Synod, archief, ITE, 85, II, n**. 54, en Bi-andt, a.iü.,dl.II, 
blz. 883. Dat inruimen der Gasthuiskerk ten behoeve der Goroaristen 
geschiedde 2 Dec. 1618, toen Gouda's predikant, Eduardus Poppius, 
als geciteerde naar Dordt vertrok. Hij en zijn collega Thombergen, ook 
Arminiaansch gezind, veerden beiden afgezet en verbannen. Bartholomeus 
Nicolai, een Contra- remonstrant, trad later, met approbatie der magistraat , 
in Gouda als kerkedienaar op. Zie Acia ayn. part, Z. /f.. Leiden, 1619, 
art 76, en de »Acta classis ordinariae" van 8 April 1619, vermeld op den 
Inventaris van het archief van de classis van Gouda, blz. 40, n^. 37. 
Gedurende het tijdsverloop nk Thombergens ontzet en vóór Nicolaï's optreden , 
werd de dienst alvast in Contra-remonstrantschen geest te Gouda waar- 
genomen door vier ter nationale synode van Dordt gedeputeerde predikanten 
uit Zuid-Holland, onder wie zich ook Voetius bevond. Essenius, Orat. fun,, 
p. 29. Vgl. Acta syn, part. Z.H,, Leiden, 1619, art. 99. 

^ Hand. cl. Gouda, 16 Jan. 1619. 



Digitized by VjOOQ IC 



296 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

Daarom besloot Gouda's kerkeraad, op aandringen der 
te Leiden nog steeds vergaderde provinciale synode, het 
voorgenomen beroep wat uit te stellen en zich den 
eersten tgd te behelpen met „leeninghe". 

Als echter de gemeente van Delft bezwaar maakte, 
haren herder en leeraar Sonneveldius tot dat doel af te 
staan *) , zonden de Leidsche synodeleden uit hun mid- 
den twee gedeputeerden , Swalmius *) en Voetius ^) , naar 
de stad Gouda , ten einde er met consistorie en magistraat 
in vreedzaam overleg te treden. Nauwelijks hier geko- 
men bemerkten beiden al ras, dat de gemoederen juist 
niet kalm. gestemd waren. Zelfs ging het den volgenden 
Zondagmorgen onder de predikatie van Sonneveldius *) , 
wien Delft ten langen leste verlof gegeven had Gouda's 
gereformeerden te helpen, zeer rumoerig toe. Evenals 
zijn medeafgevaardigde was ook Voetius getuige, hoe 
men met steenen wierp op het voorportaal der kerk; 
hoe er messen werden geslepen, banken verzet, honden 
bij de staart genomen en »in het singen eijsselick tegen- 
geschreuwt" *). Daarbg liepen de drie gecommitteerden , 
toen zij na geëindigde godsdienstoefening buiten geko- 
men waren, groot gevaar door de woelige volksmenigte 



') Acta syn. part Z,H.^ Leiden, 1649, art. 54. 

^ Eleazar Swalmius was predikant te Schiedam. 

^ Voetius kwam hier dus om opnieuw dienst te doen. Zie hierboven, 
blz. 295, aant. i. 

*) Sonneveldt, opgetreden in de Groote kerk, terwijl Nicolaï preekte in 
de Gasthuiskerk , had bij die gelegenheid tot tekst gekozen: Matth. 9, 
VS. 37, 38. 

^^) Toen Sonneveldius in zijne predikatie zeide: »Laet ons Godt danken, 
die sijne kerke, welke soo lang verdrukt is geweest, weer heeft vrijge- 
maekt, en de waerheit op veele plaetsen, en ook hier, als een nieuw 
licht op den kandelaer gestelt", hieven sommige hekelaarsters — vrou- 
wen, die het vlas bereiden — zingende aan: »Het daeget uit den Oosten; 
het licht schijnt over all" Zie Brandt, a.w., dl. m, blz. 812, 843. 



Digitized by VjOOQ IC 



OP RING, CLASSIS EN SYNODEN. 297 

onder den voet te worden getreden ^). Ofschoon van 
plan, volgens den bun opgedragen last, 's namiddags 
wederom dienst te doen, lieten zij op aanraden der 
overheid dat voornemen echter varen. De synodale broe- 
deren trokken zich terug — om den eerstkomenden 
Zondag, 4 Augustus 1619, gesteund door brieven van 
zijne Prinselijke excellentie en heeren Gecommitteerden, 
het gestoorde werk binnen Gouda met gunstiger uitslag 
te hervatten '). 

Niet altoos gelukte het Heusdens prediker en zijnen 
mededeputaten het doel hunner zending, gelijk hier, te 
bereiken. Dit was onder andere het geval, toen de 
Haagsche synode van 1624 Voetius met Henricus Amoldi 
en Luderus Vogelsanck naar Hollands staten afvaar- 
digde in zake de kerkorde. Op hun verzoek, om, over- 
eenkomstig het besluit van voornoemde synode, provi- 
sioneel te mogen blijven bij de ordonnantie van 1586, 
tot die van 1618 en 1619, te Dordrecht gearresteerd, 
door HH. Staten, met of zonder daarin aangebrachte 
veranderingen, zou zyn goedgekeurd, liet het antwoord 
zich wachten ^) ; zoodat Voetius genoodzaakt bleek z|jn 
laatgevers te berichten, hoe men ter dagvaart hunne 
resolutie »noch approbeerde , noch improbeerde" *). 



') In Essenius, Orat, fun,^ die hierop doelt, staat p. 29: »ac die quodam 
gravissima quaeque nostro (n. Voetio) ab urbis (n. Goudae) sentina immine- 
bant, nisi consul Valck duobus stipatus lictoribus propre templi fores ad- 
fnisset et coeptum jam tumultum sedasset*'. 

*) Acta syn, part. Z.H.y Leiden, 4649, art. 52. Vgl. Voet., Polit eccles., 
t. II, p. 434; t. III, p. 437. Brandt, a. w., dl. III, blz. 844, schrijft: 
vSonneveldt en sijn medebroeders predikten toen in beide de kerken, die 
met soldaeten waeren beset**. 

^ Ofschoon door onderscheiden HoUandsche synoden bij herhaling daartoe 
aangezocht, stelden hunne Edel Mogenden eene beslissing hierin gedurig 
mt. Vgl. dr. H. G. Kleyn, a. w>., blz. 464. 

♦) Acta syn, part. Z. ff., Den Haag, 4624, art. 4. Vgl. daarmede die 
▼an Gouda, 4620, art. 42, 94; en die van Rotterdam, 4624 , art. 38. 



Digitized by VjOOQ IC 



298 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

Beter gevolg had daarentegen het bezoek, in opdracht 
derzelfde vergadering, door hem en zijne beide geest- 
verwanten , Arnoldi ^) en Buytendyck , te Leiden afge- 
legd bij Gerardus Johannes Vossius^). Naar aanleiding 
van diens geschrift over Pelagius ^) verzochten zij den 
hoogleeraar zich »tot contentement des sijnodi" nader 
te willen verklaren ^) — zoo voor den kerkeraad der 
Leidsche gemeente als voor de professoren der theolo- 
gische faculteit — omtrent eenige punten in het gemelde 
boek, tegen welke, volgens het oordeel der gezamenlijke 
broederen, maar al te gegronde bedenkingen waren in- 
gebracht. Zonder aarzelen beloofde Vossius, dat hij aan 
het door hen uitgesproken verlangen zoo spoedig moge- 
lijk zou gehoor geven; waarom dan ook de Haagsche 
vergadering hoogst tevreden betuigde: met Leidens pro- 
fessor in de rhetorica „ten vollen gereconcilieert te sijn" '). 



») Acta syn. part 2, iZ., Den Haag, 1624, art. 39. Essenius, OraU fun.y 
p. 27, laat ten onrechte, in plaats van Arnoldi, den Schiedamschen predi- 
kant Nathanael Marlandus met Buytendyck en Voetius naar Leiden ti'ekken. 
Vgl. Siegenbeek, a.w. dl. I, blz. 421. 

2) Vgl. hierboven, blz. 293. Die onderhandeling met Vossius hield ver- 
schillende provinciale synoden bezig, van 1619 af tot 1628 toe. In de 
acten van laatstgenoemde vergadering, te Delft gehouden, staat, a)*t. 10, 
vermeld: «BetrefFende de saecke d. Vossii, uijtgedruckt art. 11. (t. w. der 
vorige part. synode) hebben de gedeputeerde des sijnodi verclaert, dat d. 
Vossius belooft heeft dat hij bij alle gelegentheit sal bethoonen, dat hij 
staet int gevoelen vande gereformeerde kercke. Waerbij de sijnodus goet 
gevonden heeft dese saeke te laeten blijven". 

3) »G. J. Vossii historiae de controveraiis, quas Pelagius ejusque reliquiae 
raoverunt, libri septem. Lugd. Bat., 1618**. Vgl. dr. Rogge, Beschr, calaL^ 
st. I, afd. 1, blz. 278, en Voet., Dispp. select., t. U, p. 718. 

*) Het »cort project** dier nadere verklaring was, om hierin zeker te 
gaan, aireede voor Vossius »by forme van apologie** ontworpen en gesteld 
door de broederen Arnoldi, Marlandus, Nienrodius en Voetius. Acta syn. 
part. Z. H., Den Haag, 1624, art. 10. 

5) Acta syn. part, Z. f/., Den Haag, 1624, art. 39. Vossius was, met 
het einde van 1622, door HH. Curatoren der Leidsche universiteit benoemd 
tot gewoon hoogleeraar in de welsprekendheid on algemeene chronologie; 



Digitized by VjOOQ IC 



OP EING, CLASSIS EN SYNODEN. 299 

Niet minder naar wensch slaagde Voetius bij zijne 
commissie *) , eveneens op dien tgd ontvangen , met be- 
trekking tot de schriften en papieren der Dordtsche 
nationale synode. Immers was het de prijzenswaarde 
bereidwilligheid hunner Hoog Mogenden, welke hem en 
zijne mededeputaten , na daartoe gedaan verzoek , in 
staat stelde, bedoelde documenten behoorlijk te bergen 
en voor het vervolg tegen mogel^ke schade of verlies ^) 
te beveiligen '). Vermeerderd met nog enkele andere 
geschriften , werden alle synodale stukken „in seventhien 
voluminibus bij malcanderen gebonden" — weggesloten 
in eene kist , die te 's Gravenhage , onder de hoede der 
Staten Generaal , trouw bleef bewaard *). 

Vier jaren later, in 1628, door Gorcums classis afge- 
vaardigd naar de provinciale synode te Delft*), hoorde 
Voetius de broederen uit Gouda zich daar ten zeerste 
beklagen over de „stouticheit", met welke de Armi- 
niaansche partij het hoofd weer begon op te steken, 
niet alleen binnen de eigen stad, maar tevens in de 



ten jare 1625 werd hem, \m het vertrek yan Meursius, nog bovendien op- 
gedragen het onderwijzen der Grieksche taal. Siegenbeek, a, w.y dl. II, 
blz. 144. 

O Lid dier commissie was ook Petrus k Nyenroy «geassocieert meteenen 
gedeputeerden uijt elcken (nl. correspondeerenden) sijnodo hier teghenwoor- 
dich"; alzoo met een afgevaardigde der Geldersche, Noord-Hollandsche , 
Utrechtsche en Groninger-Ommelander synode. Acla syn. part. Z. ff., 
Den Haag, 4624, art. 21. 

^ Indertijd waren de »Postacta synodi nationalis'' geruimen tijd zoek. 

*) Acta syn, part, Z. /ƒ., Den Haag, 4624, ait. 44 en 43. 

♦) Acla syn, part. Z. H., Woerden, 1625, art. 48. Volgens art. 39 der 
Delftsche particuliere synode van 4628, zagen hare afgevaardigden zich belast 
>de gedeputeerde van d'andere provinciën te verschrijven , ende gesamentlick 
aen de hoogh. mog. heeren Staten Generael ernstlick te versoecken , datse nu 
wederom mochten inspectie nemen van de voorseijde schrifTten, om te 
vernemen offse niet vervuijlden, ende van t*gewormte beschadight waeren''. 

«) Hand, cl. Gore, 3 Juli 4628. Vgl. Voet., Polil. eccles., tom. I, pars I, 
P. 49; t. in, p. 375. 



Digitized by VjOOQ IC 



300 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

gansche provincie Zuid-Holland '). Ter vergadering be- 
sloot men een uitvoerig bezwaarschrift op te stellen en 
aan de Staten over te leveren. Een en ander geschiedde, 
mede door toedoen van Heusdens prediker^). Weldra 
kwamen nu commissarissen van het Hof zich op de 
Delftsche synode persoonlek vergewissen omtrent enkele 
bijzonderheden »in de voorschreven remonstrantie ge- 
mentioneert" ^). Als naaste gevolg van dat bezoek, werd 
Voetius ten tweeden male naar hunne Edel Mogenden 
gedeputeerd *) ; eene zending , ook door hem vervuld — 
ter wille dierzelfde aangelegenheid — in 1629, op last 
der Leidsche en in 1630, op last der Schoonhovensche 
synode *). 

Nog is hiermee de reeks van kerkelijke bemoeienis- 
sen, waarbij Heusdens predikant, meer of minder be- 
slist, zijn invloed gelden deed, niet volledig aange- 



') Acta syn. part. Z. H., Delft, 1628, art. 1. Vgl. Voet., Dispp. select., 
t. V, p. 403. 

*) Voetius' medegecommitteerden tot het opstellen der remonstrantie 
waren de synodale gedeputeerden voor dat jaar, Rosaeus en Nieut*odius, 
alsook Henricus Nolthenius, predikant te fiommenede, en Petrus Vliegerius, 
predikant te IJselstein; terwijl naar de Staten afgevaardigd werden: hijzelf 
en Nolthenius, met de ouderlingen de Vries uit Delft, en Huygensen uit 
Schoonhoven. Zie ook Essenius, Orat, fun., p, 27; Voet., Polit. eccles., t. I, 
pars II, p. 532; diens Auctie-caial. , pars II, theol. in quarto, n^. 132, 
^Verscheyde stucken der Remonstranten en Contra-remonstranten etc; in 
het jaer 1628. aen de heeren staten van Hollandt overgegeven. Met een 
voorreden tegen de conscientie dwanck'*; dr. Knuttel, a. i^., dl. I, st. II, 
n°. 3926 en n^. 3969. 

3) Acta syn. part. Z. ff., Delft, 1628, ai-t. 37, 40. 

♦) Met hem gingen, als afgevaardigden der Zuid-HoUandsche synode mede: 
Nolthenius en Rombouts de Vries. 

») Voet., Polit. eccles.y t. III, p. 232. Vgl. Polit. eccles.y tom. I, pars I, 
p. 49, 538; dr. Rogge, Wtenb., dl. III, blz. 181—184; Essenius, Orat. 
fun.y p. 28. Eveneens poogden Voetius en de zijnen toentertijd »de Amster- 
damsche zwarigheden" onder de aandacht te brengen der HH. Staten. 'Zie 
dr. Rogge, Wtenh. , dl. Dl, blz. 226; dr. Knuttel, a.w., dl. I, st. II, 
blz. 151—158; 170—173. 



Digitized by VjOOQ IC 



OP RINO, CLAS8IS EN SYNODEN. 301 

geven. Op de Brielsche synode, ten jare 1623, toen 
hijzelf het scribaat vervulde ') achtte Voetius zich mede 
gerechtigd zéér nadrukkelijk ie vorderen, dat de theo- 
logische professoren van Leidens hoogeschool *) zouden 
vermaand worden, aan ;,de goede intentie" der nationale 
synode te beantwoorden, door niet langer de ondertee- 
kening te weigeren der bekende rechtzinnigheidsformule, 
in den vorm , waarin deze , ook ten hunnen aanzien *) , 
binnen Dordt beraamd was: «vervattende beloflFte van 
subjectie aen den sijnodum provincialem" *). Immers 
behoefde geen van bedoelde professoren, volgens het 
oordeel der vergaderde broeders, die onderteekening na 
te laten uit vrees, dat zoodoende het kerkelijk gezag 
een niet gewenscht overwicht zou verkrijgen op de be- 
oefenaars der godgeleerde wetenschap en «praejudiceeren 
de vrgheijt ende authoriteijt allen Gereformeerden acade- 
miën van godtvruchtige princen ende magistraten vergunt". 
Als echter Leidens hooggeleerden te kennen gaven, hoe zij 
onmiddellijk stonden onder HH. Curatoren; terwgl ook 
de staten van Holland en West- Friesland hun verboden 
hadden zulk eene belofte af te leggen , meenden de toen- 
malige handhavers van het kerkelijk gezag — en der- 
halve ook Voetius — zich voorloopig niet langer met deze 
zaak te moeten inlaten; hare oplossing verschuivende 
,ten minsten tot den naesten nationalen sijnodum" *). 



O Voet., Dispp. select.^ t. III, p. 304. Vgl. Polit. eccles., torn. I, pars I, 
p. 49. 

*) Namelijk : "Ant. Walaeus, Ant. Thysius, Joh. Polyander a Kerkhoven en 
Andi'. Rivetus. Laatstgenoemde werd in 1632 «professor honoraiius" en in 
1634 door Jac. Triglandius opgevolgd. 

*) Aeta syn. pari. Z. if., Rotterdam, 1621, art. 61. 

*) Acta syn. part, Z, B,, Gorcum, 1622, art. 11. 

*) Acta syn, part. Z. H., Brielle, 1623, art. 9. Vgl. daarmede die van 
Den Haag, 1624, art. 9; die van Schoonhoven, 1630, art. 28; alsook 
Hand. cl. Gore, 18 Juli 1630; Siegenbeek, a.w., dl. I, blz. 124, 126. 



Digitized by VjOOQ IC 



302 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

Van zuiver-practischen aard bleek het werk in 1623 
door de Delftsche synode aan Voetius, samen met Hugo 
Beyerus, predikant te 's-Gravenhage , en anderen opge- 
dragen. Hun toch werd gevraagd maatregelen te willen 
beramen, waardoor sommige oefenaars of „exercenten" 
te Rotterdam — gewoon, na elke openbare samen- 
komst, in de bgzondere vergaderingen van het eigen 
jjCollegium", Paulus' brief aan de Romeinen te lezen — met 
»goede ordere" die lectuur konden voortzetten '). Ofschoon 
nu het reglement op genoemde »onderwgsinge", den broe- 
deren binnen Delft in handen gesteld en door hen goed- 
gekeurd, wegens »sekere missverstanden" over de inter- 
pretatie ontstaan, op de Leidsche synode van 1629 nog 
nader moest „verclaert ende geftmplieert" worden^), 
beleefde echter Voetius van deze opdracht meer genoe- 
gen dan van den hem verstrekten last om, ook weer 
te Rotterdam, het heftig en hooggaand verschil bij te 
leggen, daar ter stede gerezen, zoowel tusschen ma- 
gistraat en consistorie als tusschen de predikanten onder- 
ling. Toegerust zelts met „ordinare sijnodale macht" ^) , 
gelukte het noch aan hem noch aan zijne medeai^e- 
vaardigden hier hun doel te bereiken *) ; wat enkele jaren 



O Acta syn, part Z. ff., Delft, 1628, art. 31. Vgl. daarmede die van 
Leiden, 1629, art. 34 en Hand, cL Gouda, 3 Juli 1628. Zie ook Voet, 
Polit. eccles,, tom. I, pars I, p. 881, en dr. J. Hania Pzn., Wemerus 
Helmtchius, Utrecht, 1895, blz. 53. 

*) Zie hierachter, bijlage CIX. 

3) Zijne medeafgevaardigden bij die gelegenheid waren : dr. Joh. Polyander, 
Henr. Anioldi, Joh. Bocardus, Amoldus Swalmius en Reinerus Berckelius. 
Essenius, Orat. fun,, p. 28: »d. Polyandro praesidis, ac nostro (n. Voetio) 
scribae partes sustinente". 

*) Te Rotterdam stonden Petr. Nieuwenrode en Jac. Leeuwius met vier 
ouderlingen lijni*echt tegenover hunne ambtgenooten aldaar: Henricus Alu- 
tarius en Benjamin van Rijswijk. Het verschil tusschen magistraat en kerke- 
raad liep »over het stuck van de correspondentie in beroepinge"; eene 
gewone quaestie in die dagen. Zie Acta syn, part. Z,H,^ Leiden, 1629, 



Digitized by VjOOQ IC 



OP RING, CLASSIS EN SYNODEN. 303 

later evenmin het geval was, toen Heusdens predikant 
als buitengewoon afgevaardigde op de Haagsche synode 
van 1634 zocht te bewerken, dat voor Abraham van 
de Velde bij HH. Staten „een tytlijck onderhout" zou 
worden aangevraagd, ten einde met die schikking de 
gemeentenaren van Veen ') „de facto van d. Veldio te 
ontlasten" *). 



art. 39; die van Schoonhoven, 1630, art. iS; en, na afloop der commissie 
aan Voetius opgedragen, die van Schiedam, 1631, art. 31, 48, 51, 56, 
58, 60, 69, 70, 78; die van Gorcura, 1632, art. 1, 32, 35; die van 
Brielle, 1633, art. 29; die van Den Haag, 1634, art. 37. Vgl. daarmede 
dr. Rogge, Wtenb,, dl. III, biz. 237; Oud Synod. archief, m, 80, m, 
eo Auclie-<atal, , pars II , misc. in quarto , n^. 282 «Verklaringe van eenige 
notulen in May 1630. gestelt by de kerken-raed van Rotterdam, aengaende 
de acte van suspensie van vier predikanten en eenige ouderlingen aldaer. 
Nevens antwoort op 't selve door Rijsvvijck, en Alutarius'' ; dr. Knuttel , a. w., 
dl. I, st. II, blz. 176, 194, 195; Louis D. Petit, Bibliotheek van Neder- 
landsche pamfletten. Verzamelingen van de bibliotheek van Joannes Thysius 
en de bibliotheek der rijks-universiteit te Leiden, *8-Gravenhage , 1882, 
dL I, n*>. 1720. 

*) Voetius had familie wonen te Veen, namelijk Jan Campen, en kv?am 
waarschijnlijk zoodoende geheel en al op de hoogte der ongerechtigheden 
door Veldius bedreven. Zie Bijdr. en med., dl. XII, blz. 314. Vgl. hier- 
boven, blz. 264, 279 — 280. Ook pleit het voor de onpai*tijdigheid èn van 
Heusdens prediker èn der Gorcumsche classis, dat door geen van beiden 
hier in aanmerking v?erd genomen Veldius' kerkelijk-leerstellige overtuiging, 
die tot hun partijgenoot hem maakte. 

*) Acta syn. pari. Z. H., Den Haag, 1634, ai-t. 41. Vgl. daarmede die 
van Brielle, 1633, art. 40, 53 en die van Woerden, 1635, art. 26. Niet 
zonder dat door Gorcums classis een scherp protest werd ingediend (zie 
hierachter, bijlage CX), strekkende om de handelingen der Haagsche ge- 
committeerden, gewone en buitengewone, in »de saecke d. Abrahami Veldii" 
beslist af te keuren, besloten hare gedeputeerden, van wie nu Voetius langer 
geen deel uitmaakte, ter provinciale synode binnen Woerden, op de vraag: 
of zij in de gevallen uitspraak berustten en afzagen van hun protest, «nae 
langhe ende verdrietighe onderhandelinge'', eindelijk te antwoorden : »dat sij 
baer het oordehl des sijnodi off de gedaene uijtspraecke onderwierpen, dat 
sij voor haer particulier het protest lieten vallen ende dat sij goede devoiren 
souden doen, om den E. classem oock daertoe te beweghen". Sedert bleef 
van de Velde genieten »de beneficie van relevatie hem in sijnodo Brielana 
geaccordeert" en derhalve predikant te Veen. De Gorcumsche classis echter 
deed in hare acten van 18 Aug. 1636 aanteekenen: «Opt stuck van Veen 



Digitized by VjOOQ IC 



304 ZEVENDE HOOFDSTUK. 

Glansrijk, aan den anderen kant, mocht buiten twijfel 
de overwinning heeten voor Voetius weggelegd op de pro- 
vinciale synode te IJselstein, iu Hooimaand van het jaar 
1626. Door dezelfde Rotterdamsche gemeente, die vroeger 
meermalen het bewijs had geleverd, hoezeer ze zijne pas- 
torale werkzaamheid op prijs wist te stellen , waren sedert 
kort, bij monde vooral van hare kerkedienaren, allerlei 
geruchten uitgestrooid , strekkende , naar het scheen , om 
Heusdens predikant »tot sjrns persoons ende diensts achter- 
deel te dififameeren voor een Sabbataris" *). Om zgn goeden 
naam te vrijwaren en »tot voorstant syner onnoselheyt", 
had Voetius aanvankelijk in de Gorcumsche classis drie 
„interrogatoria" gesteld^), van plan het daarop verkregen 
antwoord, te gelijk met een schrijven zijner stedelijke 
overheid, te „exhibeeren" voor de binnen IJselstein ver- 
zamelde synodeleden '). 

Hier nu trad al spoedig aan het licht, dat de zaak «van 
bedenckinge soo breet niet en was", als men Voetius had 
verteld; terwgl het hem bovendien weinig moeite kostte 



en Velden is geresolveert (dewijle de classis van haer protest niet en can 
desisteren) t'selve stuck te laten staan , daar het staat; sonder de gedepu- 
teerde te geven eenigen last, darvan te spreken". 

1) «Ratio communis a posteriori desumitur ex doctrina et facto apostolorura 
atque apostolicae ecclesiae, quod diem illum (se. sabbathum) nee mandato nee 
exemplo suo observari voluit; sed contra abolevit : et loco ejus diem Dominicum 
sei*vare coepit. Aliae rationes, si quae adferuntur, non videntur esse i»aiJt^(pfinret. 
Est autem haec et antiqui et praesentis universi Cbristianismi sententïa. 
A quo qui discesserunt (ut Ebionaei, Cerinthiani, Nazaraei, ApoUinaristae), 
Judaizantes et Sabbatharii dicebantur". Voet., Bxspp, select^ tom. III, 
p. 1232. Vgl. ibidem^ p. 1242, en van de Post-acta^ sessie 164. 

2) Hand. cl. Gore, 22 en 23 Juni 1626.. Zie ook bijlage CXI. 

>) Acta syn. part. Z. H., IJselstein, 1626, art. 32. Vgl. Resol. HolL, 
23 Juni 1626 en Voet., Dispp, select, t. IV, p. 12—14, 760; t. UI, 
p. 1227—1281, vooral p. 1267—1272. Ook Spiljardus betuigde op boven- 
gemelde synode, dat hij «geresolveert was nopende de practycque des 
sabbaths, alle Jootsche superstitien , ende tegen Gods wooi*t strydende 
singulariteyten ende precijsheden tegen te gaen". 



Digitized by VjOOQ IC 



OP RINO, CLASSIS EN SYKODBN. 305 

uit de meegebrachte bewijsstukken aan te toonen , hoe hg 
omtrent de Zondagsviering nooit iets had geleerd, voorge- 
staan of verricht, strijdig met het algemeen gevoelen der 
kerk. Zoo kon dan zijne rechtzinnigheid volkomen onver- 
dacht blijven , en de scriba der vergadering in hare acten 
opteekenen het feit: ,dat d. Voetius ende de eerwaerde 
predicanten van Rotterdam met nialcanderen door hant- 
tastinge broederlyck over dit misverstandt versoent waren". 



Digitized by VjOOQ IC 



ACHTSTE HOOFDSTUK. 



Buiten en binnen Den Bosch. Strijd met Jansenins. 

Tot de huishoudelijke aangelegenheden, die destijds op 
classes en synoden ernstig ter sprake kwamen, behoorde 
almede het afvaardigen van ^gequalificeerde" predikanten 
naar de troepenmacht der Vereenigde Provinciën *). Men 
volgde hier het voorbeeld door de „uijtheemsche" natiën: 
Zwitsers en duitschers, engelschen en franschen gege- 
ven *) ; welk gehuurd krijgsvolk — nog steeds het belang- 
rijkste deel der Staatsche gelederen — voor elk regiment 
zijn eigen veldprediker had. 

In aansluiting bij deze goede gewoonte werd dan ook 
door de Gorcumsche classis geresolveerd , hun Eldel Mogen- 
den langs synodalen weg het noodige tractement te vragen , 
ten behoeve van „een ordinaris praedicant", wien zij ge- 
noemde betrekking voor vast wenschte toevertrouwd te 
zien, en die aldus des te beter kennis kon maken zoo 
met „de humeuren der soldaten" als met „de abu^sen 
onder hen in swang gaende"; terwijl bedoelde man- 
schappen tevens minder gevaar liepen „sonder onder- 
wijsinghe ende vertroostinge daer heenen te sterven" '). 



«) Hand, cL Gore, 30 Mei 1622; iécte «t/w. ;)aW. Z.H., Gore., 1622, art. 46. 
2) Vgl. Voet., Polit. eccles,, tom. III, p. 445. 

') Acta syn» part Z. H., Woerden, 1625, art. 42; Hand, cl. Gore, 
7 April 1625. 



Digitized by VjOOQ IC 



BUITEN EN BINNEN DEN BOSCH. STRIJD MET JANSENIÜS. 307 

Voorloopig evenwel zou men het oude gebruik blijven 
volgen en toezien , dat iedere classis van Zuid-Holland 
beurtelings ') één harer predikanten deputeerde, om, vrij- 
willig en buiten »besondere" vergoeding ^) , een jaar lang 
bij de troepen ,den kerckendienst" waar te nemen. 

Hoe nuttig, ja onmisbaar dergelijke maatregel hee- 
ten mocht, bleek inzonderheid, toen Prederik Hendrik, 
24 April 1629 »met sgnen train" uit Den Haag ver- 
trokken ') , weinige dagen later was aangekomen vóór 
's-Hertogenbosch; als kapitein-generaal der Unie het 
bevel voerende over meer dan veertig duizend krijgers, 
die, in zes legerkwartieren afgedeeld, straks gereed 
stonden daar j,den Meij-boom" te planten*); de onge- 



*) Acta syn. parL Z. K, Brielle, 1623, art. 24. Die »gebeurten" werden 
bepaald naar de rangorde door de verschillende classes ingenomen, en vermeld 
aan het begin der acten van elke provinciale synode-bijeenkomst; te weten: 
Dordrecht, Delft, Leiden, Gouda, Rotterdam, Gorcum, Brielle, Den Haag, 
Woerden, Buren en Breda. 

«) Acta syn, part. Z.H,, Delft, 1628, art. 26. 

*) Sené-hoher. Brandende-hosch uyt welckers voncken, d'over-groote victorie 
vande stercke stadt s* Hertog hen-hosch , door Gods sonderlinghe ghenade, 
op den 17. Septemhris, 1629 (tot onser aller vreughde) ontstaen is. Met 
een vriendelijcke onderwijsinge , ende nooding he aende selve burghers, tot 
de gemeenschap des waren gheloofs , met ons. Door Daniel Souterius, d. des 
godl. woorts, inde ghemeynte Christi, tot Haarlem, Haarl., 1630, blz. 18. 
Vgl. daarmede het in Latijnsche hexameters geschreven boek, over het eigen 
onderwerp, van denzelfden auteur: Hemek-heracha , vallis benedictionis. Sive 
Belgidos magnique illius et memorabilis belli; (quod anno Domini millesimo 
Kxcentesimo vigesimo nono, in Belgio a belgis confoederatis , cum mirabili 
mecessu, et manifesto summi favoris et benignitatis divinae indicio, gestum 
est) narratio eticharistica ; in sex libros digesta, et edila a Daniele Souterio, 
Harlemi, 1631, p. 11 — 14. Zie Auctie-catal., parsl, misc. inquarto, n**. 130. 

*) Naszüusche lauren-kranze , voor den hoog-geboren , ende doorluchtigen 
vorst Frederick'Heynricky van Naszou, prime van Oranjen, etc. gouverneur, 
kapiteyn, ende admirael generael der Vet^eenigde vrije Nederlanden, van 
wegen de veroveringe der groote mag tig e ende sterke stad 's Hertogen- 
hosch, mitsgaders de geluckige verloszinge der oud-beroemde stad Wesel. 
In Nederduytschen rijm gevlochten, ende bearbeyd door Satnitel Ampzing , 
bedienaar des Goddelijken woords in de gemeynte des Heren binnen Haerlem , 
Haarl., 1629, blz. 12. Vgl. J. van Vondel, Zegezang ter eere van Frederik 



Digitized by VjOOQ IC 



308 ACHTSTE HOOFDSTUK. 

repte » maagdenstad" ^), met aanwending van allerlei vaak 
zeer vernuftige middelen, te dwingen tot overgaaf. 

Binnen hare mureii gebood de gouverneur Antony 
Schets, baron van Grobbendonck; een man, schier ver- 
grijsd in den oorlog , dapper en beleidvol ^) ; niet vrij 
echter van misplaatste zuinigheid , die tot . inhaligheid 
soms oversloeg '). Hem stond met raad en daad ter zijde 
Michael Ophovius, geboren Bossenaar, uit de orde der 
predikheeren , bisschop van „kleyn Romen" *) , hetwelk 
toen de Prins liet omsingelen**). Ten einde de burgerg, 
herhaaldelijk geroepen tot een niet alledaagschen pionier- 
arbeid, welgemoed en „couragieus" t€ houden, verordende 
Ophovius binnen de wallen der stad , onder het luiden van 
de grootste klok der Sint Janskerk, nu en dan®), eene 



Hendrik, Bosch-dwinger, Wesel-winner, prince van Oranje, In de uitgave 
van dr. J. van Vloten, Schiedam, 1864, dl. I, blz. 271. 

') Vgl. dr. Rogge, Wtenb,, dl. Hl, blz. 208; alsook den Catalogus van 
de tentoonstelling ter herinnering aan den SOOjarigen geboortedag van 
Constantijn Huygens, VGravenliage , 1896, blz. 61, n^. 500. 

*) Mémoires de Frédéric Henri prince d'Orange. Qui contiennent ses 
expéditions militaires depuis 1621. jtisqud Vannée 1646, Amst., 1733, p. 63. 

') Ophovius, hoewel Grobbendonck persoonlijk genegen, betuigde echter 
«dat den gouverneur niet ghedaen hadde so hy schuldich was, maer hem 
selven met zijn kinders hadde ghesocht rijck ende groot te maken*'. Die 
karakterteekening. wordt bevestigd door het feit, dat Grobbendonck, toen 
zijne vrouw den 28»*«ïi Augustus — dus nog staande het beleg — »van 
eenen jongen soon'' bevallen was, niet schroomde 400 gld. aantenemen, 
hem als pillegifl geboden namens de «congratuleerende*', doch ook fel ge- 
teisterde stad. Zie de door dr. C. R. Hermans bezorgde Verzameling van 
oorkonden betrekkelijk het beleg van *s Hertogenbosch in den jare 1629. 
Uitgegeven door het provinciaal genootschap van Kunsten en Wetenschappen 
in Noordbrabant, Den Bosch, 1871—1873; st. I— II, blz. 84, aant, en 
blz. 56, 346. 

*) Bijnaam van *s-Hertogenbosch in die dagen. Zie Ampzing, a. tü., blz. 44. 
Vgl. hierboven, blz. 137. 

^) Souterius, a. w.y blz. 11. £ene duidelijke kaart der belegeringswerken 
rondom Den Bosch komt o. a. voor in D. Heinsius, Rerum ad Sylvam-duds 
atque aliH in Belgio aut a belgis anno 1629 gestarum historia, CéUm 
privilegio, Lugd. Bat., 1631, p. 26. 

•) Voetius schreef, Dispp. select, t. II, p.1026, stellig minder juist: »quotidie*'. 



Digitized by VjOOQ IC 



BUITEN EN BTNNEN DEN BOSCH. STRIJD MET JANSENIUS. 309 

algemeene processie rond »het gewanthuys" '); God vurig 
biddende om ontzet; waarbij dan werd vooruitgedragen 
het mirakelbeeld Oiizer Lieve Vrouwe van Den Bosch ^). 
Middelerwijl had op Dinsdag, 22 Mei 1629, door het 
kloek beleid Zijner Excellentie de aansluiting plaats der 
vele ^geinventeerde", nog nooit «ghepractiseerde" ver- 
schansingen, en opende, van een dier opgeworpen bat- 

Zie V. Oudenhoven, Süva-Ducis^ P-Ö7, 133; mr. v. Heurn, a. tü., dl. H, 
blz. 436 ; Verz. v, oork.^ st. I — II , blz. 11, 58 , 346 , en Vondels Zegezang^ 
in diens a,w., dl. I, blz. 274. Merkwaardig is het, onder den titel: Sylva- 
dacensium tempore obsidionis precatio, in druk uitgegeven gebed, 
opgesteld door bisschop Ophovius, naar de «preces, quas olim Ck)loniensis 
clerus adhibuerat dum urbi suae Grebhardus Truchsesius cum infesto exercitu 
Tiolenter immineret". Verz. v. oork., st. I— II, blz. 123, 188—190. Vgl. 
daarmede, als in tegenstelling, Jac. Plancius: «Een aendachtich ghebedt tot 
Godt, sanghs-wyse ghestelt om syn-genadige bystant in ons leger, en om 
een gewenschte victorye der stadt van 's Hertogen-bosch", Kampen, 1629. 
Zie L. D. Petit, BibL v, Nederl. pamfl., dl. I, n^. 1572. 

^ Voet., Dispp, select^ t. III, p. 423, bericht aangaande dat mirakelbeeld: 
tEandem fortunam S. Johannes, praesumtus patronus sylvaeducensis, a. 1629. 
proculdubio subüsset [er wordt hier namelijk gehandeld over het veranderen 
van beschermheilige], siquidem urbs ab obsidione per Mariam sylvaeducensem, 
confratemitate sua et cultu , et miraculis (quae jesuita Zylius libro complexus 
est) celebratam, liberata fuisset. Sed quia per ipsius imaginem tempore 
obsidionis toties circumgestatam , clavesque argenteas repraesentantes claves 
urbis, (metonymice scil. significantes custodiam urbis) dictae imagini appensas, 
et vota de sacello Mariae Liberatrici in memoriam beneficii erigendo, nulla 
liberaüo obtineri potuit, non magis quam ab antiquo patrono et divo 
totelari Johanne; decollavit et spes et consilium de novo principalis patroni 
imperinducendo patronatu: Diva enim haec post captam urbem adytis ex- 
cessit, imaginemque ejus domicella quaedam llium in exilium portans 
victosque penates cum luctu et lachrymis Bruxellas transtulit; ubi ab 
archiducissa Isabella (uti ferunt) obviam ei procedente religiose excepta 
est". Zie ook o. ^., t. II, p. 1026. Vgl. daarmede Verz. v. oork., st. I — II, 
blz. 84, 106, aant., 374—382, passim; J. C. A. Hezenmans, De St.Jam- 
kerk te *8 Hertogenbosch en hare geschiedenis, Den Bosch, 1866, blz. 335; 
0. Zylius, Verhaal van eenige hemelsche gunsten bekomen door de ver- 
tering van het beeld van O. L. V. van. Zoetigheid in de hoofdkerk van 
St. Jan evangelist te 's Hertogenbosch. Naar het latijn met een inleiding 
over de geschiedenis van het beeld, A. Af. D. G., *s Bosch (z. j.); zie den 
»0atalogu8 der boekerij van het provinciaal genootschap van Kunsten en 
Wetenschappen in Noord-Brabant", 's-Hertogenbosch , 1885, 2^^ gedeelte, 
blz. 416, n"". 849 en 849a. 

21 



Digitized by VjOOQ IC 



310 ACHTSTE HOOFDSTUK. 

terfjen , begin Juni , de achttienjarige Turenne *) het vuur 
tegen de fel bedreigde vest. Uit Oranje's kwartier voerden 
verschillende loopgraven naar de beide forten: Sint An- 
thonis en Isabella. Uit de legerplaats der graven Ernst 
Casiniir ^) en Willem van Nassau ') werd , bg laag water 
„geapprocheert" naar de Hinthamer- en de Ortenpoort; 
uit die van Johan Wolphaert van Brederode bestookte 
men met goed gevolg de Pettelerschans *). Aldus zag 
„kleyn Romen" zich welhaast het eene hoornwerk na 
het andere ontstreden en «kroop de Prins tot in 
de wal" '). 

Stond derhalve de kans op vermeestering van 's-Her- 
togenbosch blykbaar zeer gunstig — met zulk eene hoop 
voor oogen meenden de vaderlandsche Calvinisten bijtijds 
maatregelen te moeten nemen , om van bedoeld wapenfeit 
alle gewenschte vruchten te plukken. Op voorstel der 
Bredasche classis besloot de provinciale synode, in Juli 
1629 te Leiden vergaderd, bij hunne Edel Mogenden krachtig 
aan te dringen „dat in de stede van s' Hertogenbosch 
ende in de dorpen daeronder resorterende de Paepse 
affgoederije geen plaetse hielde , in gevalle het Gode soude 
moghen gelieven haer met de victorie van die stadt te 
begnadighen" ®). Daarenboven gaf dezelfde synode aan 
Gisbertus Voetius — straks ook benoemd tot afgevaardigde 



1) Henri de ia Tour d'Auvergae, vicomte de Turenne, diende van 1624 tot 
1630 achtereenvolgens onder zijne beide ooms, Maurits en Frederik Hendrik. 

2) Ernst Casimir was een broeder van graaf Willem Lodewijk. Na diens 
dood werd hij stadhouder van Friesland. 

*) Willem van Nassau , kleinzoon van Jan van Nassau , voerde als gouver- 
neur het bevel over de frontieratad Heusden. Vgl. Oud-arch, Heusden, 
E. 66, fol. 29, en verso. 

*) Verz. V. oork.^ st. III, blz. 21. Zie ook : CaiaLproü, gen, N.-Br.^ 2*» ged«., 
blz. 293, n^. 362. 

») Ampzing , a. lü., blz. 40. 

^) Zich als aansluitende bij dien wensch, zong toentertijd Jacobus Revius, 



Digitized by VjOOQ IC 



BUITEN EN BINNEN DEN B08CU. STRIJD MET JANSENIÜ8. 311 

naar het leger vanwege de Gorcumsche classis ^) — als 
haren gedeputeerde in last, zich te gelegener tijd naar 
's Prinsen troepen vóór Den Bosch te begeven en daar 
deze zaak met de meeste nauwgezetheid te bevorderen *). 
Dinsdag 9 7 Augustus 1629, reisde Voetius volgens 
gemelde opdracht naar het Staten-l^er af. Aangekomen 
onder hevige stortbuien , welke reeds dagen lang geduurd 
hadden'), vervo^de hij zich zonder uitstel tot graaf 
Willem van Nassau*), vrtens kwartier stond opgeslagen 
ten noordoosten van Den Bosch, in de nabgheid van 
Orten, eene plaats, onder het kanon van den vijand 
gelegen *). Bg hem en zigne soldaten deed hij voor- 
taan als veldprediker dienst*), te zamen met Petrus 

predikant te Deventer, in zijn »Gebedt voor de belegeringe van '» Hertogen-bos'*: 
Jaget eenmael wt den Bos 
Beyde wolief ende vos, 
Schickt daer uwe trouwe knapen, 
Weydet de verdoolde schapen 
Met u goddel ijcke leer. 
Wilt ons horen lieve Heer. 
Zie Revius, Over-yaselsche sangen en dichten, 2de druk, Leiden, 1634, 
biz. 268 (lees: 302). Vgl. dr. E. J. W. Posthumus Meyjes, Jacohus Revius, 
üjn leven en werken, Amst., 1895, blz. 259, 262. 
«) Hand. cl. Gore, 6 Aug. 1629. 

*) Acta syn. part Z.H., Leiden, 1629, art. 65. Verg. \oei., Dispp. select., 
i. IV, p. 283: «Practerea in exercitu Sylvamducis a. 1629. obsidente, vi 
missionis synodi zuyd-hollandicae et classis gorincheraensis , aliquamdiu 
sacro ministerio functum*'. 
•) Verz. V. oork,, st. UI, blz. 84. 

*) Voet., Polit. eccles., t. IH, p. 327, 328; Dispp. select., t. IV, p. 837; 
Easenius, Orat fun., p. 29. Ook ten jare 1632 deed Voetius »ultra sesqui- 
mensem" als veldprediker dienst bij de troepen van graaf Willem, gedurende 
diens »expeditionem Flandricam". Dispp. select., t. IV, p. 283. Zelfe be- 
toigde Essenius in zijne lijkrede, p. 30: »Taceo secutas ti'es alias missiones 
castrenses". 
•) Verz. V. oork., st. III, blz. 5. 

«) In Voetius' bibliotheek bevonden zich, blijkens den meergenoemden 
auctie-catalogus, ook krijgskundige werken. Als zoodanig komen daar voor: 
'Vegetius, De re militari, Romae, 1494; Frontinus, Strategematicon, Romae, 
1494; Aelianus, De instruendis adebus; Modestus, De vocibus rei militaris; 
Polybius, Castrametatio romanorum cum commentariis Stewechii, Plant., 



Digitized by VjOOQ IC 



312 ACHTSTE HOOFDSTUK. 

Strjjthaghen *), die de geestelijke aangelegenheden behar- 
tigde van het regiment duitschers, waarover eveneens 
graaf Willem bevel voerde. En zoo dikwijls zich nu de 
gelegenheid aanbood tot het volbrengen van den bijzonderen 
last, door Leidens synode hem toebetrouwd, maakte 
Voetius daarvan onmiddellijk gebruik, den Prins en Ge- 
committeerden Raden onder het oog brengende : hoe eene 
christelyke overheid, in den oorlog door haar gevoerd 
ter wille van religie en staat, veel minder diende te 
letten »op conquesten van landen ende steden", dan „op 
de uytbreydinge van des Heeren woordt , ende de voort- 
plantinghe van zijn kercke" *). 

Niet lang nog had Heusdens predikant dezen tijdelgken 
werkkring aanvaard, toen het treurige nieuws, dat de 
graaf van Montecuculi „lichtelyck" en zonder eenigen 
weerstand te ontmoeten Amersfoort veroverd had *), groote 
verslagenheid teweegbracht in het Ortensche legerkamp. 
Gelukkig volgde een paar dagen later de blijmare der 
verrassing van Wezel; eene gebeurtenis, allerwege in 
den lande met uitbundige vreugd begroet *), en waarbg 
ook de Staatsche troepen in geestdrift niet te kort 
schoten, hoewel zy juist veel te verduren hadden van 

1592" (Auctie-catal^ pars I, misc. in oct., n^. 42); — »J. Walraven, De eer- 
waerdige achtbaerheyt van een soldenier, in 't engels en nederduytsch" iAuctie- 
catal., pars II, raisc. in quarto, n^. 74); — >Simon Stevin, De sterctenbou- 
wiiig, Leyden, 4594" {Aactie-cataL, pars II, misc. in quarto, n®. 96); — 
»G. Melder, Korte en klare instructie der regulaire en inregulaire fortificatien 
met haere buyten werken, Utrecht, 4658". {Auctie-catal.^ pars II, misc in 
oct., no. 531) Vgl. Voet., Bihl stud. theoL, p. 400, 404. 

J) Vgl. Acta syn, pari. Z. H., Leiden, 4629, art. 77. Johannes Vogelsangh, 
predikant te Vianen, en derhalve een classisbroeder van Voetius, deed, volgens 
dezelfde acten, dienst bij de troepen, gekommandeerd door Johan Wolphaert 
van Brederode. Ook bevond zich nog in het leger d. Hornhovius. Zie Verz, 
V. oork., dl. IV, blz. 277. 

2) Zie hierachter, bijlage CXII. 

3) Verz. V, oork,, st. III, blz. 90. 

*) Zie dr. Knuttel , a. w., dl. I, st. H, n^. 3872—3878. 

Digitized by VjOOQ IC 



BUITEN EN BINNEN DEN BOSCH. 8TRUD MET JAN8ENIÜ8. 313 

,de subite ende bezwaerlicke zieckte haer onlangs over- 
comen" '). Te midden dier ^generale kranckheid", waar- 
door sommige compagnieën tot de helft gedimd werden, 
zoodat Frederik Hendrik meer dan eens bij de Staten- 
Generaal ernstig moest aandringen »op een goet supplement 
van volck", vond VoetiuS ruimschoots gelegenheid zijne 
herderlijke zorg en ijver ten toon te spreiden*). 

Een nieuw getroflfen maatregel verplichtte graaf Willems 
veldprediker om dagelgks, tegen schemertijd, wanneer 
de wacht- en verdedigingsposten betrokken werden , voor 
het front der gelederen het dusgenoemde „avondt-gebedt" 
te verrichten, bestaande uit eene korte toespraak, in- 
geleid door vurig smeeken tot God, en besloten met het 
aanroepen van 's Hemels z^en over wie zich opmaakten 
hun werk te doen , vol moeite en gevaar '). Bovendien 
leverde de onverwachte inname van Wezel aan Voetius 
ak vanzelf overvloedig stof voor eene buitengewone en 
zéér op prijs gestelde dankzegging*;, die — eerst door 



ï) Ferz. V, oork., st. III, biz. i02. 

*) Voet., Dispp. select^ t. IV, p. 283. Als Frederik Hendrik , na het beleg 
van Den Bosch, zijne troepen te Vught bijeeentrekt »uute quartieren van 
gr. Ernst, gr. Willem ende den heere van Brederode", blijkt hij vooraf reeds 
^cr daizend ©krancken" te hebben weggezonden. Verz. v. oork., st. III, 
blï. il 3. Naar Essenius meldt, Orat fun., p. 37, werd Voetiuszelf door 
ziekte overvallen »in castris ad Sylvam-ducis". 

*) Voet., Potit eccles.y t. m, p. 415. Vgl. daarmede torn. I, part. I, p. 490. 

*) Niet iedereen, en vooral niet de eerste de beste, was volgens Voetius 
geschikt voor legerpredikant. «Perperam nonnulli opinantur, qualescunque 
condonatores ad conciones inter arma coram militibus habendas sufficere. 
Sed illi non cogitant, esse inter milites, iroprimin inter praefectos militares, 
in doctrina et pietate Christiana eximios et perfectos. Accedit, quod non 
tantum conciones concionatori castrensi habendae ; sed et data occasione com- 
pellandi vin principes, iliustres, nobiles; et visitandi aegroti, vulnerati, 
moribaodi, ad capitale supplicium damnati; quibus opportune et prudenter 
instructiones in doctrina secundum pietatem (si rudes sint) adhortationes , 
correptiones, consolationes subministrari non possunt, nisi a viro rerum divi- 
narum et humanarum perito, prudente, in pietate firmato". Polit, eccles.^ 
t m, p. 416. Vgl. hiermede dr. C. Sepp, Predikanienleveti , blz. 91—93. 



Digitized by VjOOQ IC 



314 ACHTSTE HOOFDSTUK. 

hem in het leger gehouden — op verzoek der prinses 
van Oranje, Amalia, welke zich toenmaals te Crevecoeur 
bevond, voor Hare Doorluchtigheid in hoofdzaak her- 
haald werd 0. 

Twee maanden reeds had binnen Den Bosch het vuur 
der belegeraars groote schade berokkend aan tal van 
particuliere woningen , aan kerken ^), kloosters en open- 
bare gebouwen, terwijl schier alle buitenwerken der 
vesting den Staatschen in handen waren gevallen •). Hoe 
dapper en trouw de burgerg haar ongewone taak ook 
verrichtte, eindelijk begon zg toch den moed te verliezen. 
Tot overmaat van ramp verzekerde Grobbendonck aan 
enkele gecommitteerden *), die hem zulks op zijn geweten 
en onder eede kwamen afvragen: dat de voorraad bus- 
kruit nauw voldoende kon geacht worden om er nog 
tien dagen mede rond te komen ^). 

Toen dus Dinsdag, 11 September 1629, 's morgens 
vroeg, door het springen eener mijn aan de Vughtsche 
poort, daar ter plaatse eene groote bres was ontstaan 



1) Essenius, Orat. fun,^ p. 29. Met het oog allicht ook op bovenvermelde 
gebeurtenis schreef naderhand Paulus Voet., ter wederlegging van de be- 
schuldigingen door Maresius tegen zijn vader aangevoerd , in zijne Appendix 
apologetica^ p. 270: »Quid, si rever, meum parentem principi Mauritio 
gratissimum fuisse, depraedicarem , et ad colloquium familiare saepe admis- 
sum: nonnunquam bono ecclesiae, cum celsissimo Frederico Henrico sermones 
miscuisse : a celsissima principe Aemilia, Heusd& ad castra , Ultrajecto Buram, 
evocatum fuisse per ecclessiae ministros; quod parentis concionibus apprime 
delectaretur." 

') Zoo teekende o. a. een onbekend gebleven burger van Den Bosch in zijn 
jjournael oft dach-register" op 2 Juni 1629 aan: »De geusen hebben aen 
S. Jans kerck veel firaye buyten-wercken af-gheschoten". Verz, v, oork,^ st. I — II, 
blz. 68. 

») Verz, V, oork., st. I— II, blz. 61. 

^) Te weten: aan den bisschop, den abt, den deken, den president (der 
schepenen) Gestel, aan de schepenen G. Loefif en Robbert van Voome (schrijver 
der hier gevolgde oorkonde) en aan den pensionaris van 's-Hertog«ibosch. 
Verz, V, oork., st. 1 — II, blz. 59. 

») Verz. V. oork,, st. I— II, blz. 406. 



Digitized by VjOOQ IC 



BUITEN EN BINNEN DEN BOSCH. STRIJD MET JANSENlüS. 315 

en 's Prinsen troepen zich gereed maakten » voorder in- 
Tasie te doen", achtte bisschop Ophovius, na overleg zoo 
met de Bossche magistraat als met den bevelhebber 
Grobbendonck , het oogenblik tot onderhandelen gekomen, 
wanneer maar Oranje aan burgerij en geestelijkheid 
redelijke voorwaarden wilde toestaan: vrjje uitoefening 
van den Roomsch-katholieken godsdienst in alle kerken, 
kloosters en kapellen der stad, die, wat haar zelve be- 
trof, de oude rechten en privilegiën moest blijven ge- 
nieten *). Ofschoon het eerste door de gemachtigden van 
hunne Hoog Mogenden en van Zijne Excellentie onver- 
biddelijk werd afgeslagen, wisten echter beide partijen 
ten slotte een verdrag te treflfen, dat op het »Heym-huys" 
bg Vught, waar Frederik Hendrik resideerde, van weêrs- 
zgden geteekend werd*). 

Merkwaardig zeker mocht het schouwspel heeten, waar- 
van Voetius — nog steeds veldprediker bij graaf Willems 
troepen — op Maandag, 17 September 1629, een belang- 
stellend getuige was '). Onder den toevloed van duizenden 



') Vgl. mr. van Heurn, a. to., dl. II, biz. 439 — 441. Nauwelijks was men 
mt Den Bosch met parlementeeren begonnen, of graaf Willem van Nassau 
zond kapitein Hendrik de Leeuw naar Heusden, om namens hem als gou- 
verneur der frontierstad , aan de magistraat die heuchelijke tijding over te 
brengen. De Leeuw kweet zich naar behooren van dien last en ontving 
daarvoor ter vereering »een oicxooft wijns tot 36 gld. 14 st." Oud-arch, 
Heusden, E. 219, bijlage tot fol. 39 verso der gemeenterekening over 1629. 

*) De zevenentwintig artikelen van bovengenoemd vefdi-ag zijn opgenomen 
ca. in de Verz. v, oork,, st. I — II, blz. 283 — 293, en bij mr. van Heurn, 
a.iü., dl. rV, blz. 285 — 297. Die verovenng van 's-Hertogenbosch deed, naar 
te verwachten was, de vaderlandsche zangers jubelen. Als gelegenheidsvers 
blijkt niet onverdienstelijk Revius' »Triumpb-liedt'', een )»gesanck, soo wat 
na gebootst op de oden van Pindarus". Vgl. dr. Posthumus Meyjes, a. w;., 
blz. 263, 264. Zie voor verdere dichtproeven : dr. Knuttel , a. tü., dl. I, st. II, 
blz. 142—147, passim; 161, 162; CataL prov. gen. N.-Br., 2^» gede., 
blz. 406—415, passim; Petit, BibL v. NederL pamfl., dl. I, n*». 1578—1587, 
n^ 1620—1623. 

*) Dispp. select., t. III, p. 577, maakt Voetius melding van amuletten, 
toentertijd aangetroffen bij sommige soldaten in Spaanschen dienst. 



Digitized by VjOOQ IC 



316 



ACHTSTE HOOFDSTUK. 



nieuwsgierigen, uit de zeven provinciën saamgestroomd , 
wier menigte de Staatsche legerkwartieren met geen 
mogelijkheid bevatten konden ^), rukten twaalf com- 
pa^ieên, belast de orde te bewaren en toe te zien dat 
aan niemand eenig leed geschiedde, door de Janspoort 
Den Bosch binnen; en uit de veste toog daarop eene 
breede schaar van priesters en andere Roomsche geeste- 
lijken , meerendeels gezeten op wagens door Zijne Excel- 
lentie te hunner beschikking gesteld *), met zich voerende 
allerlei schatten en kleinoodiën, haastig uit de verschillende 
kerken en kloosters gelicht '). Hen volgden , eveneens in 
wagens, de zieken en gekwetsten van het garnizoen*); 
Grobbendoncks familie; drie bataljons voetvolk met vlie- 
gende vaandels en slaande trom; eindelijk, op een schimmel, 
de overwonnen commandant der stad. Niet zoodra was 
laatstgenoemde in de nabijheid gekomen van Frederik 
Hendrik, omstuwd door meer dan veertig hooggeplaa^tste 



1) »De herbergen binnen Gorinchera, Bommel, Hetóden, en andere plaat- 
sen waren opgepropt", zoo verhaalt mr. van Heum, a. lü., dl. II, blz. 444; 
aan welk bericht van Oudenhoven, Sylva-duds^ blz. 224, toevoegt: »datter 
inde stadt vanden Bossche veel geen broot voor geit conden krijghen, 
ende des nachts op de straten moesten blijven''. 

3) Eene geheel andere gezindheid dan die hier door Frederik Hendrik werd 
betoond spreekt uit den aanhef, tevens titel , van dit kreupeldicht : H Ge- 
klagh der geestelijckheyt ^ van de gheschoore-hollen ^ sal u werden verhaelt^ 
met al hoer droevigh lollen: van het Baala gebroet, Hwelk sy hébben 
gedaen , doens' uyt 15* hertogenbosch , onghetroost mosten gaen , Dordrecht 
L. D. Petit, Bibl v. Nederl. pamfl., dl. I, n^ 1576. 

*) »Mane — aldus schreef in zijn dagboek bisschop Ophovius — compa- 
ruerunt currus 1200: ego accepi quatuor et in duobus posui duas magnas 
cassas, in quibus posui clinodia ecclesiae S. Joannis majora, et S. Joannem 
argenteum etc. Item argentea nostra cum pedo et mitra pretiosa episcopatus, 
item sdiqua argentea ex altari s. s. Sacramenti, a d. L. Leemputio accepta , 
et statu£is David et Moysis aeneas in duobus curribus: comitatus est Hen- 
ricus frater et d. Dominicus Broechoven". Verz. v. oork.^ st. I — II, blz. 358. 
Vgl. Hezenmans , a. w., blz. 294. 

*) »Ils nous asseurerent qu'ils avoient perdu plus de mille deux cents 
hommes et autant de blessés , dont Ton en voyoit quantité". Mémoires^ p. 114. 



Digitized by VjOOQ IC 



BUITEN EN BINNEN DEN BOSCH. 8TEIJD MET JANSEN1U8. 317 

personen uit Duitschland, Frankrgk en Engeland — of 
de Prins roemde met luider stem diens houding tydens 
het beleg; waarop Qrobbendonck als in scherts antwoordde: 
,dat hy vemesteld was", en wegreed naar Diest '). 

Van het torenkruis der Sint Janskerk waaide nu spoedig, 
ten teeken der behaalde overwinning, eene groote Oranje- 
vlag lustig uit*); terwgl binnen dat heiligdom zelf, 
voorshands ten ruwste van sommige daarin nog achter- 
gebleven j,ornamenta ende poppe-dinghen" ') gezuiverd , 
Conradus Markinius*) op Woensdag, 19 September, de 
eerste toespraak — tevens eene feestrede *) — hield , over 



») Vgl. Mémoires, p. 113 — 115; mr. van Heurn, a. ti;., dl. II, blz. 443—446. 
Den il den Juni 1850 stelden de Leidsche studenten bij hunne maskerade 
foor: den intocht van Fi*ederik Hendrik binnen VHertogenbosch. Zie ook 
Verz. V, oork., st. IV, blz. 301, 302. 

*) Souterius, a. lü., blz. 288. Een oogenblik meenden nog de Remonstranten, 
dat het hun misschien gelukken zou, om. gesteund door den Prins, binnen 
de wallen van 's-Hertogenbosch mede de vrijheidsvaan te ontplooien. Zelfs 
was Grevinchoven »in dat goed vertrouwen" reeds tot Loevestein genaderd; 
doch zag zich weldra genoopt onverrichter zake terug te keeren en zijn leven 
der ballingschap voort te zetten. Vgl. dr. Rogge, Wtenb., dl. III, blz. 208, 
209 en dr. Sax jr., a. w., blz. 220—222. 

*) Den 4^*" Juli 1630 toekende Ophovius aan: «Adfuit in prandio praetor 
in Roy et mihi retulit, quod d. d. status Sylvaeducis illi dixerint, se nihil 
praetendere de s. Joanne et omamentis, quia concessum erat in traditione 
dTitatis, datse alle ornamenta ende poppe-dinghen souden mee 
draeghen". Verz. v. oork., st. I— II, blz. 386, 387. Vgl. met die uitdruk- 
king: »poppe-dinghen" de vraag, door »Constan ter" in zijne Heyiigf /ie da^/icn 
tot Tesselschade gericht: »Is de afgelockte ziel in 'tpoppe-goed verwart?" 
Zie het opstel over Gonstantijn Huygens van J°. de Vries in Eigen Haard ^ 
1896, blz. 570. 

*) Over Markinius handelen o. a. ook de Geschiedkundige aanteekeningen 
omtrent Frederik Hendrik , zijnen tijd en de voornaamste krijgshevelhébhers , 
staatsmannen enz., in betrekking tot het beleg van 's Hertogenbosch, gedurende 
het jaar 1 629. Uitgegeven door de commissie tot regeling der maskerade , 
Leiden, 1850, blz. 133—135, en dr. G. Sepp, Predikantenleven , bhs. 128. 

I) De grondtoon van Markinius' rede zal wel in overeenstemming geweest 
zijn met regelen als deze, uit het reeds vroeger vermelde kreupeldicht van 
Samud Ampzing (blz. 47): 

»0 God! wy danken dij voor dit genaden-teken. 
Dit gansche jaer aen ons so wonderlijk gebleken. 



Digitized by VjOOQ IC 



318 ACHTSTE HOOFDSTUK. 

Jesaja 45, vs. 1 tot 4; met psalm 98 als voor- en psalm 
24 als nazang *). 

Had men vroeger, tijdens de jaren 1566 en 1578, 
onderscheidene pogingen aangewend om 's-Hertogenbosch 
voor de Keformatie te winnen, doch zonder blgvend te 
kunnen slagen *) — thans , gesteund door de medewerking 
hunner Hoog Mogenden, werd die arbeid met grooter 
vertrouwen en, zooals later bleek, met betere uit- 
komst beproefd. Hoe zeer het den Staten-Generaal ernst 
was „alle afgoderyen ende superstitien" uit „Roma bel- 
gica" ^) te bannen , viel genoegzaam op te maken uit 
het tweede punt van bovenvermeld verdrag, hetwelk 
bepaalde „dat de ingesetenen hun souden dragen volgens 
de placcaten vanden lande , mits genietende de vryheydt 
van conscientie, ghelijck sulcx alomme wiert gedaen". 
Ook moesten alle „gheestelijcke ende religieuse mans- 
persoonen" binnen een tijdsverloop van twee maanden 
de stad verlaten hebben; waarbij het hun overigens 
geoorloofd was meubelen , beelden , schilderstukken „ende 
andere kerkelijcke ornamenten" mede te nemen *). 



Verlost dijn arme kerk van haere sw^ere plaeg, 
En grijpt den Antichrist al voorder by de kraeg!" 
Ook deze DAntichrist" is synoniem met Spanje en den paus. Vgl. dr. Sax jr., 
a. w.^ blz 2. 

') »Haeretici acceperunt possessionem ecclesiae et hora 9» concionati", luidde 
Ophovius' vei-zuchting, in zijn dagboek aangeteekend. Verz. v. oorA., st. I — ü, 
blz. 359. Zie mede Souterius, a.w., blz. 266—268, en Voet., Dispp. seleeU, 
t. IV, p. 841 . In nog twee »cleyne kercken" werd er op dienzelfden dag dankzeg- 
ging gehouden »over de groote genadige victorie vande veroveringe der stadt'*. 
Verz. V. oork., st. III, blz. 147. Naar ik vermoed, geschiedde dit in de Sint Pieter 
en in de Kruisbroed erskerk. Vgl. mr. van Heum, a. tü., dl. Il, blz. 453. 

«) Zie van Oudenhoven, Sylva-ducis, blz. 135—449, 153-159, en hier- 
boven, blz. 26. 

») Bijnaam van *s-Hertogenbosch. Vgl. hierboven, blz. 308, aant. 3. 

*) Van die vrijgevige bepaling maakten niet weinigen misbruik. Immers 
vinden wij in een schrijven aan hunne Hoog Mogenden, gedateerd 31 Oct. 
1629, deze mededeeling opgenomen: »De geestelycke alhier hebben selsaem 



Digitized by VjOOQ IC 



BUITEN EN BINNEN DEN BOSCH. STRIJD MET JANSENIU8. 319 

De plaats dier priesters en monniken zou, hoopte men, 
zoodra mogelijk vervuld worden door te 's-Hertogen- 
bosch gevestigde eigen herders en leeraars. Voorloopig 
reeds hadden vier broederen van elders, daartoe beschreven 
door de Staten, en afgevaardigd ieder door zgne gemeente *), 
zich bereid verklaard, binnen het vroegere „Nederlantsche 
Romen" met vereende krachten »een Gereformeerde kercke 
te fundeeren" ^). Allen waren het „wel-spreeckende mannen, 
ende machtich in de Schriften; onderwesen in den wegh 
des Heeren, ende vyerich van gheeste, om neerstelijck 
te leeren van Jesu Christo, ende het woordt Qodts be- 
acheydentlijck uyt te legghen"'); te weten: Bemardus 
Bushoff van Utrecht, Gisbertus Moringius van Bommel, 
Johannes Spiljardus van Gorinchem en Gisbertus Voetius 
van Heusden *). Te zamen met den vasten legerpredikant 
Markinius vergaderden zg , 9 October 1629 , voor de eerste 
maal als ^consistorie" der Bossche hervormden'), enbe- 



geprocedeert met hare goederen, die. selve voor sooveel de meubelen aen- 
gaet vercocht en verbracht tot doeken, orgels, croonen, yserwerck, loot, 
stoelen ende bancken encluys i/vaer sy gecost en gemocht hebben, selffs 
comen wy nu eyntelyck in ervaringe, dat de jesuyten ses ofte seven dagen 
▼oor 't parlementeren haer geheel clooster vercocht ende voor schepenen ge- 
transporteert hebben ende de penningen by wissel overgemaeckf'. Verz, v. 
oorLy st. m, blz. 121. 

O Zie bijlage CXm. 

') Zoo werd, gelijk zij het uitdrukten, »de goede ghemeynte binnen den 
Bosch voor desen tijdt hare cudde , volgens haren last van gheestelijcke ende 
politycke overste*'. Zij deden daar dienst, minder als »pastores" dan wel 
als »euangelistae". Voet., Polit, eccles,^ t. II, p. 366, 431. 

') Souterius, a,w.^ blz. 253. 

*) Voet., Polit. eccles., t. m, p. 327. Vgl. t. Il, p. 431—433. Voetius' 
naam en persoon was den Bossenaren niet onbekend; naar hijzelf schreef: 
>quod ecclesiae Vlymensis uno a Sylvaducis lapide distantis ministerio per 
sexennium functus essero, et ea occasione urbem illam ego et domestici 
mei frequentassent". Dispp. select, t. IV. p. 837. 

^) Zie de «Acta vande consistorie der gemeijnte Jesu Christi tot 's Her- 
togen-Bossche", loopende van 9 Oct. 1629 tot 23 April 1636, en voorhanden 
in het kerkelijk archief der Hervormde gemeente aldaar , onder n**. 20. 



Digitized by VjOOQ IC 



320 ACHTSTE HOOFDSTUK. 

raadslaagden bij die gelegenheid, hoe het best den uit- 
geschreven biddag te houden ^), welke — nadat hij door 
de goede zorg der Gecommitteerde Baden was afgekondigd 
zoo in de kerk als van het stadhuis ^) — daags daaraan i,met 
sonderlinge vrucht ende stichtinge" werd doorgebracht. 

Immers , niet slechts dat men den Heer der heirscharen 
dankte „over die voorname onverdiende weldaden, waar 
door Hij had gestugt de groote crijghsmaght , daar meede 
de vijand na alle apparentie door-geborsten soude hebben, 
tot in't binnenste van't hert vande Vereenighde Provin- 
ciën , met beroovinge van goed ende bloed der ingesetenen, 
mitsgaders vande vrgheijd, rechten ende privilegiën"; 
maar men smeekte ook God almachtig »dat Hij den in- 
gesetenen van 's Hertogen-bosch wilde geven de waare 
kennisse des heyligen euangelg, ende tot dien eijnde 
ugtsenden oprechte dienaaren, die den selven hare gaven 
in liefde, discretie, ende sachtmoedigheyd mochten meede- 
deelen" '). 

Ondertusschen begonnen Voetius en zijne ambtgenooten 
alvast verschillende maatregelen te nemen, die, naar 
men zich overtuigd hield, binnenkort zouden leiden tot 
een welgeordend gemeenteleven. Zoo besloten zg, om 
met elkander bij de Bossche magistraat en, indien noodig, 
bg Gecommitteerden te velde of bij Zijne Excellentie zelf 
aan te dringen, dat de parochiekerken *) van Sint Jacob, 



>) Resol HolL, 24 Sept. 1629. Vgl. dr. Rogge, Beschr, catal, st. m, 
blz. 17, en CataL prov. gen, N.-Br.^ suppl. I, blz. 115. 

*) De gecommitteerde raden Nic. van Bouchorst en P. de Roovre berichtten 
8 Oct. 1629 den Staten-Generaal uit 's-Hertogenbosch dit , zeer zeker, vreemde 
geval: »Wij hebben bevonden dat abusief hier geen brieven van de biddach 
syn gecoraen". Verz, v. oork.^ st. Hl, blz. 111. 

») Kerkl. arch, Den Bosch, n*». 20, fol. 1. 

*) Zie over de vei-schillende parochiekerken van Den Bosch: van Ouden- 
hoven, Sylva-duds, blz. 93. 



Digitized by VjOOQ IC 



BUITEN EN BINNEN DEN BOSCH. STRUD MET JANSENIUS. 321 

Sint Pieter en die der Kruisbroeders, ten spoedigste werden 
,geruymt" — de eerste van een aantal soldaten, waar- 
mee Roomsche fouriers het gebouw tegen wil en dank 
der Gereformeerde burgers hadden opgevuld ') ; de beide 
andere van meel en soortgelijken mondvoorraad , deel 
uitmakende van 's lands provisie en hier buiten voorkennis 
der afgevaardigde predikanten weggeborgen ^). Evenzeer 
moest men uit genoemde kerken, bestemd om er bij 
beurten „voor de nederlanders" op te treden, alleouters, 
beelden en verdere overblijfselen van het Pausdom weg- 
nemen^; tevens zorgdragende, dat daarin voor de Her- 
vormde toehoorders behoorlgke zitplaatsen werden aan- 
gebracht. Ook bestond er grootelijks behoefte, zoo „om 
de menighte der burgerye" als „om het stercke gamisoen", 
aan ten minste twee ziekentroosters , die , bij eene allicht 
karige bezoldiging , hun bestaan zouden kunnen verbeteren 
door in deze of gene kerk het voorlezers- en voorzangers- 
ambt te bekleeden *). 

Nauw waren voornoemde aangelegenheden in handen 
gesteld der, sedert 25 September 1629, binnen 's-Hertogen- 
bosch door Gecommitteerde Baden verzette Wet*), of 
de vijf predikanten ad interim regelden tijd en duur der 



«) Voet, Dispp. select., t. IV, p. 839. 

«) Vgl. hier de Verz. v. oark., st. I— II, blz. 183. 

*) »Secundum reformatam religionem , imagines ex publicis templis auferre, 
non eet negotium aut ofQcium ecclesiasticum, sed per se et formaliter politicum". 
Voet, Dispp. select., t IV, p. 841. Vgl. t III, p. 298, 30i, en Polit.eccles., 
tom. I, pars II, p. 890, 920. 

♦) Kerkl. arch. Den Bosch, n«>. 20, fol. 2, 3. 

•) De nieuwe schepenbank in Den Bosch bestond uit twee leden der vorige 
regeering, Robbert van Voiren of Voorne (zie hierboven, blz. 314, aant. 4) 
en Jan Pelgrom, beiden »hertelyck*' Roomsch-katholiek. De zeven ovengen 
waren Gereformeerd; t w. de president-schepen Henrick Kuysten, Joris van 
fiemage, Gijsbert Pieck van Thienhoven, David Sweerts de Weei't, Herman 
de Bittere, Comelis Baccaert en Jan van der Meulen. Zie van Oudenhoven, 
^Iwi-ducis, blz. 73, en mr. van Heum, a.w,, dl. II, blz. 456^460. 



Digitized by VjOOQ IC 



322 ACHTSTE HOOFDSTUK. 

openbare godsdienstoefeningen. Door hen werd bepaald, 
dat er op den dag des Heeren , 's morgens om negen uur, 
in twee kerken te gelijk zou gepreekt worden, en wel, 
naar verkiezing der broederen, over „dominicalia euan- 
gelia"^), of over „andere texten". Hetzelfde moest des 
namiddags om twee uur geschieden; doch daarbg diende 
een begin ook gemaakt met „het verhandelen" van den 
Heidelbergschen catechismus. Wat de weekbeurten betrof, 
deze zouden plaats hebben op Dinsdag en Donderdag te 
vier uren in den namiddag, op Woensdag en Vrijdag te 
negen uren 's morgens; terwijl die samenkomsten niet 
langer dan een uur mochten aanhouden , onder verbeurte 
van vier stuivers, wanneer het een kwartier over den 
tijd was — „ende voorts na advenant verdobbeleert" *). 
Daarbij rekenden de predikanten nu het oogenblik ge- 
komen om uit den aanvankelijk nog zéér bescheiden 
kring van „vrome ende getrouwe ledematen Christi", 
binnen 's-Hertogenbosch woonachtig, een kerkeraad te 
benoemen '). Zoodra dus de leden der zich allengs vormende 



<) Den 29^>^ Mei 1630 bepaalde de Bossche kerkeraad: »Euangelia domi- 
nicalia sullen voortaen, om de gemeynte te gerieven, die daema verlangt, 
in de vroech-predicatien , ende 's winters in het avontgebedt des Sondaechs 
verclaert worden : beginnende vanden eersten sondach naer Trinitatis*'. KerkL 
arch, Den Bosch^ n®. 20, fol. 25. Zie ook Voet., Polit. eccZe«., tom. I, pars I, 
p. 607—611. Vgl. hierboven, blz. 150, aaut. 4. 

*) KerkL arch. Den Bosch ^ n®. 20, fol. 2. Vgl. met laatstgenoemde bij- 
zonderheid deze bepaling , opgenomen in de kerkeraadsnotulen der Hervormde 
gemeente van Gorinchem : »Is gesproocken datter verscheijden claechden dat 
de broederen de predicanten somtijts haere predicatien wat te lanck maeckten, 
ende hebben de voornoemde broeders geerne op haer genoomen sich daerin 
te reguleren na den santloper ende maniere van anderen*'. Acta kerckr, 
Gorincheniy 20 Aug. 1630. 

') Tegen den arbeid door Voetius en zijne medeafgevaardigden ten behoeve 
der «wordende" Gereformeeixle gemeente in Den Bosch verricht, werd toen- 
maals door sommigen geprotesteerd. »Haec missio ad primum et provisie- 
nale ministerium in urbe illa obeundum, et ecclesiam coUigendam non vide- 
batur alicui synodi zuyd-hollandicae pro tempore depatato, ordinata esse; 



Digitized by VjOOQ IC 



BUITEN EN BINNEN DEN BOSCH. STRIJD MET JANSENIUS. 323 

gemeente, Zondag 21 October, na afgeloopen voormiddag- 
dienst , in tegenwoordigheid van Zijne Excellentie, Heeren 
Gecommitteerden en onderscheidene magistraatspersonen, 
behoorlijk waren aangezocht, zich te beraden op het 
verkiezen van vijf ouderlingen en vier diakenen *) , ver- 
schenen den 26«*«'i daaraanvolgend ter consistorie enkel 
de manslidmaten , die er, één voor één »met cedulkens" 
hmme keurstemmen uitbrachten *). 

Maar ook andere belangen eischten dringend voorziening. 
Daartoe behoorde: het aanstellen van nieuwe bestuurders 
over de te 's-Hertogenbosch vrg talrijke gestichten van 
üefdadigheid ') ; het hervormen van het groote gasthuis , 
met verwijdering van den inwonenden priester en afschaf- 
fing van ieder dienstbetoon door Roomsche meiden en 



quod totum hoc pertineret ad synodum, hoc est ad synodi deputatos, qui 
synodam (ipsius judicio) repraesentant. Is duohus condeputatis , in senten- 
tiam suam pertractis, exhihita remonstrantia illustr. et praepot. dd. Ordinibus 
Generalibussententiam et causatn suam exponebat,spemns aliquam mutationem 
fore: sed frustra''. Daarop volgt dan het beslist verdedigen zijner kerkelijke 
zending door Voetius. Zie Polit. eccles.^ t. III, p. 327—329. Vgl. Acta syn, 
part. Z. ff., Schoonhoven, 1630, art. 40. 

*) Tot ouderlingen werden gekozen , de schepenen David Sweerts de Weert 
en Herman de Bittere, de auditeur Jacques Essingh, de convooimeester Ploos 
en Jan Mertensen ; tot diakenen de schepen Ck)rneHs fiaccaert of de Backer , 
de pensionaris mr. Lazarus van Zonst, Gomelis van Jissen en Simon Govertsen. 
Laatstgenoemde werd, 2i Mei 1630, in eene «extraordinaire** vergadering 
tot «ordinaire" boekhouder aangesteld, op een tractement van 200 gld. en 
een vrij, proper »wooningxken"; terwijl men hem uitzicht gaf op eene ver- 
hoogde bezoldiging, »de middelen vande diaconie gesegent wordende, ende 
sijne lasten verswaerende". Kerkl. arch, Den Bosch, n®. 20, fol. 4, 5, 24 
en 29. Hoe de tijdelijke predikanten zich te 's-Hertogenbosch wisten te be- 
helpen vóór het in dienst treden der diakenen, zie Voet., Polit, eccles., 
torn. I, pars I, p. 933. 

«) Door het consistorie werd 22 Mei 1630 geresolveerd, «overmidts de 
diaconen clachtich waeren, dat den dienst vanden armen haer te lastich 
viel met haer vieren*', om aan dit getal nog drie nieuwe broeders toe te 
voegen. KerkL arch. Den Bosch, n"*. 20, fol. 24. 

*) Zie over de verschillende »godts-huysen'* te *s-Hertogenbosch : van Oudeki- 
hoven, Sylva-ducis, blz. 124 — 129; mr. van Heum, a. tü., dl. II, blz. 460. 



Digitized by VjOOQ IC 



324 ACHTSTB HOOFDSTUK. 

knechts'); het benoemen van „scholarchen", gehouden 
namens de kerk toezicht te oefenen op alle inrichtingen 
van openbaar onderwijs*); het, bg de bedeeling hunner 
wederzijdsche behoeftigen, in gemeenschappelgk overleg 
treden der stadsarmverzorgers en „blockmeesters" '') met 
de, 11 November 1629, bevestigde diakenen, opdat geen 
nooddruftige ^tusschen beijden onbedient soude blijven", 
en zooveel doenlijk mocht worden geweerd » alle confusie, 
fraude ende schandel^cke bedelrije"; het verleenen van 
volle vrgheid aan de baggnen *) , die haar hof verlaten 
wilden, om te doen en te gaan „soo ende daer het haeren 
raet gedraecht"; het opnemen, zonder hun veel last of 
moeite te veroorzaken, van Calvinistisch gezinde vreem- 
delingen onder de poorters en gilden te 's-Hertogenbosch , 
opdat verschillende huisgezinnen, der Gereformeerde religie 
toegedaan , zich metterwoon binnen hare muren mochten 
vestigen; en, ten laatste, het hervormen der Meierij, 
waartoe door de naburige predikanten „op eenige notabele 
plaetsen de kercken souden worden in possessie genomen" '). 

>) Kerkl. arch, Den Bosch, n°. 20, fol. 4. Vgl. daarmede fol. 21—26, 
passim. Zie ook CkitaL prov, gen. iV.-Br., 2^^ ged«., blz. 417, 418, han- 
delend over bet Groot gasthuis te 's-Hertogenbosch ; over zijne bezittingen 
en fondsen, alsmede over de vraag, wien het bestuur daarvan toekomt 

^) Kerkl, arch. Den Bosch, n^. 20, fol. 7. In de kerkeraadsvergadering 
van 3 April 1630 »sijn tot scholarchen verkoren (nevens de scholarchen by 
de magistraet gestelt) d. Voetius ende Swalmius, die dien last ten tijde 
haerer tegenwoordicheyd alhier van wegen de kercke sullen dragen**. Ibidem, 
fol. 16. 

») Den Bosch was in negen »blocken'* of »gebuerten" verdeeld, waai*van 
elk zijn eigen blok- of buurtmeester had, die, onder meer, gehouden was 
»de aelmoessen te versameien, ende den armen van sijnen block uyt te deelen'*. 
Van Oudenhoven, Sylva-duds , blz. 31 — 33. Voor het huisbezoek te *s- Her- 
togen bosch, bij loting vastgesteld, was aan Voetius met den ouderling Jan 
Mertensen ten deel gevallen »het derde quartier, vervatende de blocken van 
't Orten-eijnde ende de Visch-merckt". Kerkl. arch. Den Bosch, n®. 20, fol. 17. 

*) Over de bagijnen in Den Bosch, haar klooster en groot-hof, zie van 
Oudenhoven, Sylva-ducis, blz. 123. 

») Kerkl. arch. Den Bosch, n^. 20, fol. 4. 

Digitized by VjOOQ IC 



BUITEN EN BINNEN DEN BOSCH. STRIJD MET JAN8ENIUS. 325 

Midden uit die beslommeringen zagen eerst Bushoff') 
en SpiljardoSy daarna Voetius en Moringius, door hunne 
respectieve gemeenten zich opgeéischt *). Wist men, wat 
Spiljardus, Moiingius en Voetius betrof, het vroeger 
g^even verlof, ten dienste der j,aan-comende kercke", 
nog enkele weken verlengd te krggen ^) — de plaats 
van Bushoff, een man j,met singuliere gaven", moest 
voorloopig onvervuld blijven *). Natuurlek werd door dat 
gemis bg de Bossche gemeenteleden het verlangen des 
te sterker om, minstens, drie eigen predikanten daar 
ter plaatse te hebben, die dan later met het consistorie 
de twee overigen konden kiezen *). Ter bespreking en 
vaststelling van het tractement dier toekomstige kerke- 
dienaren ging straks Voetius met den diaken Baccaert 
naar 's-Gravenhage op reis •). 

Den \2^^^ December 1629, na eene afwezigheid van 
ongeveer drie weken, in Den Bosch teruggekomen, be- 
groetten daar sommigen zijner vrienden Voetius, tot 
diens groote verbazing, als ^eenen schoenen dooden"''); 
terwijl zg hem meedeelden, hoe niet slechts binnen de 
vesting, maar ook rondom in de Meierij het gerucht had 



<) De gecommitteerde raden Olfert Barents, Rembs Jensema en Johan van 
Goch schreven, 3i Oct. 1629, uit Den Bosch aan hunne Hoog Mogenden : DÜe 
predicanten alhier by leeninge tot noch toe geweest synde beginnen te 
spreecken van vertreck, ende speciaal Bushoff van Utrecht (die singuliere 
gaven heeft en hier veel goets doet sulcx dat het te wensche ware dat hy 
nog een tyt mogt continueren) seyt geen verder verblyff vande kerckenraet 
te hebben als voor ses weecken". Verz. v, oork., st. III, blz. 124. 

V) Zie bijlage CXIV. 

») Zie bijlage CXV. 

*) »Van gelijcken sal geschreven worden aanden kercken-raad van Utrecht, 
dat sij d. Bushoff, dien sij maar 6 weecken hadden gestel t om hier te blij- 
ven, weder gelieven te senden". KerkL arch. Beii Bosch, n®. 20, fol. 6. 
Op dat verzoek werd echter blijkbaar afwijzend beschikt. 

») Kerkl. arch, Den Bosch, n°. 20, fol. 7—9. 

«) Kerkl. arch, Den Bosch, n<». 20, fol. 40. 

') Voet., Dispp. selecty t. IV, p. 837, 838. 

22 



Digitized by VjOOQ IC 



326 ACHTSTE HOOFDSTUK. 

geloopen, dat hij, tot straf voor zijn heftig uitvaren 
tegen het koperen kruis, geplaatst boven het Janskerkhof *)> 
zoowel als tegen het houten crucifix, opgehangen in de 
cathedraalzelf *), kort daarna ^subytelgck" gestorven was *). 
Ten einde dat zot geklap voorgoed de wereld uit te helpen 
en het lichtgeloovig Roomsch-katholieke volk te 's-Her- 
togenbosch van zijn welstand te overtuigen, wandelde 
Voetius onmiddellijk de wallen en straten der stad op 
en neer: eene bewijsvoering, die aan duidelijkheid niets 
te wenschen overliet *). 



^) Bij het verlaten van Den Bosch op 17 Sept. 1629 had bisschop Opho- 
vius ook dat kruis mUen meenemen en met de andere kerkschatten naar 
het predikheeren-klooster te Antwerpen, vroeger door hem bestuurd, over- 
brengen — »maar zijn gewicht was te groot". Hezenmans, a. to., blz. 294. 
Vgl. hierboven, blz. 316, aant. 3. 

*) Bedoeld »crux triumphalis", vervaardigd door den »antycsnijder", meester 
Antony van Helmont, uit Antwerpen, moest indertijd door zeventien ge- 
zellen »om hoogh opt oxael" worden gebracht. Hezenmans , a. tü., blz. 242. 

«) Ofschoon het, naar Voetius, Dispp, select., tom. IV, p. 841, verzekerde, 
zeer wel mogelijk was, in de Janskerk «stante ligneo illo crucifixo concio- 
nari et coenam domini ibidem celebrare'*, en hij eveneens betuigde: »nec 
concionatorum ingressum in templum, et ex eodem egressum impediebat 
vasta illa moles aenei cruciflxi in coemeterio splendens'*, zoo werden toch 
beide vkerckelycke ornamenten*', zonder twijfel op aandmng der vier «ge- 
leende ministers" en van den verderen Gereformeerden kerkeraad, tusschen 
8 en 12 Dec. 1629, door de Bossche magistraat verwijderd; waaromtrent 
Ophovius den 19*^*^ December in zijn »diarium" opteekende: »Scripsit d. 
Leemputt, quod pridie conceptionis haeretici deposuerint crucem aeneam 
ex coemeterio, et ante octo dies crucem ligneam ex oxsali**. Verz. v. oork., 
st. I— JI, blz. 372. Vgl. Voet., Dispp, select, t. III, p. 53, 301, 901—905, 
915—918; t. IV, p. 840. 

*) Toch kreeg die legende nieuw voedsel, toen in 1632 te Granada bij 
den Spaanschen uitgever Miguel de Lorenzana een boekje verscheen , getiteld : 
Relatio mirahilium signorum, quae evenerunt Sylvae-ducis, etpoenae, quam 
Deus dominus noster maledictae sectae concionatoribiis immisüy waarin 
bovengenoemd vertelsel vannieuws werd opgerakeld. Voetius getroostte zich 
later de moeite, om dat libel te wederleggen door een afzonderlijk geschreven 
«Examen hujus novellae mirabiliariae de horrendo interitu, etc.'\ afgedrukt 
in de «Addenda** zijner Dispp. select., t. IV, p. 838 — 843. Ook kwam er 
van gemelde «Relatio** eene Nederlandsche vertaling uit, waarachter een 
Calvinistisch spotdicht, in kreupelrijm; naar later Utrechts hoogleeraar berichtte 



Digitized by VjOOQ IC 



BUITEN EN BINNEN DEN BOSCH. STRIJD MET JAN8ENIUS. 327 

Met het voorjaar van 1630 kwamen Samuel Everwgn 
uit Dordt , Henricus Swalmius uit Haarlem en öodefridus 
Udemans uit Zierikzee drie maanden lang de plaats in- 
nemen^), reeds sedert eenigen tijd door Bushoff, iets 
later door Moringius, en nu onlangs door Spiljardus 
opengelaten*). Die broederlgke hulp bleek des te ge- 
wenschter, omdat er een ernstig conflict dreigde tusschen 
twee machten, uit den aard der zaak tot onderlinge 
samenwerking geroepen. De wijze, welke hunne Hoog 
Mogenden te 's-Hertogenbosch wilden gevolgd zien in 
het beroepen van vaste predikanten, stond lijnrecht tegen- 
over „de practycke ende ordre vande Gereformeerde 
kercke". Immers verlangden zij , dat door het consistorie 
aldaar, met advies der gecommitteerde raden Bruinincx 
en van Qoch '), by meerderheid van stemmen ten spoedigste 
,80ude gedespicieert werden naer seven , acht ofte negen 
personen , wel geleert , goet van leven , begaeft ende van 
vriendelicken ommeganck". Uit die nominatie *) , door 
een der broederen hun aan te bieden, zouden alsdan de 



io zijne Dispp, select^ t. m, p. 906 , »addito ab aliquo ex nostris epigrammate 
fabalam Papisticam non inconcinne exsibilante", onder dezen titel : Vertooninge 
des leitgenachiigen miraeckel-geest ^ ofte wonderlijcke teeckenen die gebeurt 
wude zijn binnen de stadt van s" Hertog hen-Bos. Wt het Spaens originael 
in *t nederduyts gketrouwelijck overgheset. Na de copije, met licentie ge- 
druckt binnen Chranada, ten huyse van Miguel de Lorenzana, Anno 1632. 
Vgl. L. D. Petit, Bibl, v. NederL pamfl,, dl. I, n«». 1814. Zie voorts hier- 
achter, bijlage GXVI. 

O Kerkl. arch. Den Bosch, b?. 20, fol. 14 en 17. 

«) Busshoff schijnt terstond na de kerkeraadsformatie, begin November 
1629, uit Den Bosch vertrokken te zijn. Van Moringius wordt door de con- 
sistoriale notulen het laatst melding gemaakt op 14 Dec. 1629. Spiljardus 
is den 26^«» Maart 1630 voorgoed binnen Gorcum terug. Vgl. Voet., Dispp. 
select., t. rV, p. 838: »reliquos concionatores prima illa plantatione sylvae- 
ducensi defunctos, jam pridem salvos et sanos inde discessisse'*. Zie ook bij- 
lage CXVII. 

*) Ridder Johan van Goch was tresorier-generaal der Unie. Verz. v. oork., 
st. m, blz. 6, aant. 1. 

«) Zie bijlage GXVIII. 



Digitized by VjOOQ IC 



328 ACHTSTE HOOFDSTUK. 

Staten-Generaal vier of vgf predikanten kiezen; daarbij 
lettende »op de genegéntheyd des kerckenraeds tot de 
eene ofte d'andere". 

Ma>ar langs dien weg, zoozeer afwijkende van de ge- 
bruikelijke voorschriften '), kon men , volgens het Bossche 
consistorie, onmogelgk hopen een goed en nauwgezet 
predikant te bekomen; weshalve er werd geresolveerd 
om Voetius, Everwgn en Swalmius, met den ouderling 
de Weert*), naar HH. Gecommitteerden aftevaardigen 
en dezen te verzoeken, dat zg de bezwaren des kerken- 
raads wilden ter kennis brengen van de Staten-Generaal, 
opdat der kerk het recht verbleef tot het doen eener 
beroeping. Zy , van hun kant , beloofden dan bg de aan- 
staande keuze geen acht te zullen slaan, op wie den 
Algemeenen Staten of heeren Gecommitteerden Raden 
mochten «tegen de borst sijn" ^). 

Nadat nog Everwgn, met den ouderling Herman de 
Bittere, te 's-Gravenhage de Staten-Generaal vruchteloos 
hadden pogen af te brengen van hun vroeger genomen be- 
sluit, als zijnde „een exempel van quade ende schadelicke 
consequentie voor andere kercken" *), legden beide par- 
tgen zich ten laatste neer bij een soort van compromis *), 
hetwelk bepaalde, dat de beroeping der predikanten dit- 
maal zou plaats hebben ten overstaan van de Gecom- 
mitteerden hunner Hoog Mogenden, op denzelfden voet 



^) Zie hierboven, blz. 194, aant. 4 en blz. 195, aant. 5. 

^) Aangaande David Sweerts de Weert schreef later Voetius in zijne Polü, 
eccles,^ t. III, p. 421 : 9uti memini per viginti annos consulatum Marod gestum 
fuisse ab ampliss. et prudentiss. Davide de Weert, mihi amico et familiariter 
noto, cum anno 1629. inter primos scabinos urbis sylvae-ducensis post urbem 
in potestatem Foederatorum redactam ab illustr. et praepot. Ordd. 6ene> 
ralibus constitueretur". Vgl. hierboven, blz. 321, aant. 5 en blz. 323, aant. i . 

») Kerkl. arch, Den Bosch, n«». 20, fol. 16, 17. 

*) Kerkl. arch. Den Bosch, n*». 20, fol. 23, 26. 

») Kerkl, arch. Den Bosch, n*». 20, fol. 24. Vgl. bijlage CXIX. 



Digitized by VjOOQ IC 



BUITBN EN BINNEN DEN BOSCH. STRIJD MET JAN8ENIUS. 329 

als waarop te voren de „denominatie" was geschied ^). 
Dienovereenkomstig werden nu, in samenwerking met 
de heeren Bruynincx en van Goch, 18 Juni 1630, door 
den kerkeraad bij meerderheid van stemmen tot predi- 
kanten van 's-Hertogenbosch gekozen: Qisbertus Voetius, 
Johannes Spiljardus, Everhardus Schuylius, Nicolaus 
Antonii van der Deliën en Franciscus Nicolai de Wael. 
Eerstgenoemde echter had , ter vergadering tegenwoordig, 
uitdrukkelijk verzocht, hem in de electie voorbij te 
gaan, daar Heusdens gemeente en magistraat met z^jn 
vertrek zeker geen vrede zouden hebben, en hjjzelf die 
keuze onmogelgk kon inwilligen *). 

Evenals Voetius, toen men hem later in wettigen 
Yorm het beroep aanbood, vast besloten bleef „bij sgn 
gemeijnte te leven ende te sterven", zoodat hij met recht 
,nijet crggelyck" mocht gerekend worden'), bedankte 
Johannes Spiljardus mede voor de op hem uitgebrachte 
electie, welke moeite Heusdens predikant, daartoe nevens 
den ouderling Essings gecommitteerd, bg zijnen Qor- 
cumschen ambtgenoot en diens kerkeraad ook aanwendde, 
om beider goedkeuring te winnen *). Derhalve werden 
enkel Schuylius en de Wael , respectievelijk uit Schiedam 
en Almkerk overgekomen. Zondag, 4 Augustus 1630, 
tot predikanten van Den Bosch bevestigd. Eerst den 
Igden hierop, geschiedde hetzelfde met van der Deliën, 
uit Nieuwerkerk *). 



1) Zie hierboven, blz. 327, aant. 4. 

*) Kerkl. arch, Den Bosch, n». 20, fol. 29. 

^ Vgl. bijlage CXX. 

*) Vgl. bijlage CXXI. 

») Kerkl. arch. Den Bosch. n*». 20, fol. 35, 38. Wat voorts betrof het 
verkiezea der twee predikanten , later te beroepen in plaats van Voetius en 
Spiljardus, zoo resolveerde het consistorie, 24 Juli 1630, dat men daarbij 
zou aanvragen »de approbatie vande ach tb. magistraet, ende dat simpelijck 



Digitized by VjOOQ IC 



330 ACHTSTE HOOFDSTUK. 

Bg de sjonge, teere, aanwassende" gemeente vertoonden 
zich, ontegenzeglgk , nu en dan teekenen van belang- 
stelling in het werk der reformatie*). Immers werden 
onder hare leden «goede ijveraers" aangetroffen, die, na 
geëindigde godsdienstoefening, door den predikant, welke 
daarin was voorgegaan, zich verschillende vragen — 
„raeckende eenige controversen" — lieten opgeven »om 
haer alsoo te stereken tegen de wederspreeckers" *). Toch 
viel er over het algemeen op den gang van zaken niet 
te roemen. Nog altyd bleven de parochiekerken van Sint 
Jacob, Sint Pieter en die der Kruisbroeders wachten op hare 
inrichting voor den Gereformeerden predikdienst, en zag 
zich het Bossche consistorie uit dien hoofde genoodzaakt, 
11 Mei 1630, zijn praeses Everwijn met den ouderling 
de Bittere aftevaardigen naar de reeds 3 November 1629 
door het nieuwe stadsbestuur aangestelde kerkmeesters 
„vande religie" ^) ; met verzoek , voornoemde inrichting 
eindelijk eens ter hand te nemen, overmits deze hoog 
noodig was „tot de stichtinge der gemeijnte Jesu Christi, 
ende met cleyne costen conde gedaen worden" *). Als hierop 



volgens de kerckenordre van het synode nationael 1586; sonder eenige andere 
correspondentie, ofte oock met ijemant anders verder in te willighen of te 
houden". KerkL arch. Den Bosch, n^. 20, fol. 34. Vgl. echter fol. 41. 

ï) Kerkl arch. Den Bosch, n®. 20, fol. 21. 

») Vgl. Kerkl. arch. Den Bosch, n®. 20, fol. 23; alsook hierboven, 
blz. 302. 

*) Kerkl. arch. Den Bosch, n®. 20, fol. 2.. Vgl. mr. van Heum, a.w., 
dl. II, blz. 460. 

*) Zoo bevond zich in de kerk der Kruisbroeders, Sint Gatharina geheeten, 
tot veler ergernis, nog steeds het beschilderde glasvenster van Gisbertus 
Masius, waarop die bisschop was afgebeeld, knielende tusschen Jesus en 
Maria, terwijl de eerste hem zocht te laven met een stroom bloed uit 
zijne zijde (hic a sanguine pascor), de laatste hem wilde drenken met een 
stroom melk uit hare borst (hic ab ubere lactor), en Masius zelf betuigde: 
»ik sta in het midden , en weet niet waarheen mij te keeren** (positus in medio, 
quo me vertam nescio). Kort na de verovering van 's Hertogenbosch , schreef 
onder deze schilderij een onbekende : «O groote sot, keer u tot Godt**. Zie 



Digitized by VjOOQ IC 



BUITEN EN BINNEN DEN BOSCH. STRIJD MET JAN8ENIU8. 331 

hun boekhouder Willem Hendriks ') , onder verwijzing 
naar het sober inkomen van bedoelde drie kerken, het 
consistorie den goed-gemeenden raad gaf bij de Staten- 
Generaal in persoon aan te dringen op eenige onder- 
steaning tot herstel dier gebouwen, wilden de broederen 
zulks wel doen, maar met uitdrukkelijk beding, dat 
heeren kerkmeesters de ^ornamenten ende superflui- 
teijten", waaraan men als Gereformeerden volstrekt geene 
behoefte had , onverwijld zouden te gelde maken ^). 

Ofschoon bij het overgaan van Den Bosch onder de 
punten des verdrags de bepaling was opgenomen, dat 
alle Boomsche geestelijken de stad binnen twee maanden 
moesten verlaten hebben, bleek aan die voorwaarde door 
slechts weinigen voldaan ^) , en werden hunne Hoog 



Souterius , a. w., blz. 299, 300. Vgl. Kist en Royaards, Archief, dl. IV, blz. 134, 
aant. 29, dr. Knuttel, a. tü., dl. I, st. n, n®. 4113, en Oud-arch, Heusden, 
E. 56, fol. 29 verso. 

*) Hezenmans, a. w.\ blz. 292, noemt hem: Willem Hendrikx van 
Houte. 

*) KerkL arch, Den Bosch , n®. 20, fol. 36. Tot die »superfluiteyten" naar 
Gereformeerde schatting behoorden in de Sint Janskerk : het «sanctuarium** 
of vsacramentshuysken** (na de beeldstormerij van 1566 door JacobMathijssen 
omstreeks 1614 gerestaureerd); de vier onderste beelden van het oksaal; 
die boven den preekstoel, het orgel en de doopvont; Maria » metten engol- 
kens" boven het hoogaltaar; de boom vJesses'*, zijnde een fresco schildering 
der geslachtstafel van Jezus, volgens het Mattheusevangelie , en »staende 
tegen den pylaer omtrent het L. Vrouwe choor'\ Naar Hezenmans, a. w,, 
blz. 278, mededeelt, zou Voetius, in een schrijven van 9 Febr. 1634 « den 
raad hebben gegeven aan de Bossche vroedschap, om dat alles «wech te 
nemen*'; hetgeen toen niet , maar enkele jaren later , grootendeels geschiedde. 
Zie hierover in het breede Hezenmans, a, tü., blz. 276 — 293. Vgl. Voet., Polit. 
eccles., torn. I, pars D, p. 920. 

*) Naar het getuigenis der vier predikanten »by leeninghe" yvas de Katho- 
lieke geestelijkheid tijdens die dagen in Den Bosch zoo sterk vertegenwoor- 
digd , dat de straten »daer van krielden''. Ook vergaderde in »kleyn Eiomen" 
nog altijd het «capitulum" en de «clerus" der toenmalige vcathedralis 
ecdesiae", terwijl, wie daartoe behoorden, »hare vryheyd soo verre ende 
onbeschroomt ghebruyckten", dat zij zich als zoodanig »in openen druck lieten 
intituleren". Vgl. Resol, HolL, 11 Juü 1630. 



Digitized by VjOOQ IC 



332 ACHTSTB HOOFDSTUK. 

Mogenden ten laatste gedrongen, strenge maatregelen 
tegen de achterblijvers te nemen. Dit geschiedde ^) bij 
plakkaat van 3 Januari 1630. Ook achtte zich de kerke- 
raad verplicht bij de vroedschap een ernstig vertoog in 
te dienen , naar aanleiding van onderscheidene «Paepsche 
stouticheden ende exorbitantien". Als zoodanig wees het 
consistorie de magistraat op het jaarlijks planten van Mei- 
boomen en de ongebondenheden , welke daaruit telkens 
weer voortvloeiden^); op de bagijnen, die in het stedelijk 
gasthuis nog altijd hare diensten bewezen; op zoo menig 
kind, dat tengevolge van den drang der Roomsche 
geestelijkheid, door bloedverwanten of vrienden uit het 
weeshuis was teruggevraagd^); op de tegenwerking bij 
allerlei maatregelen steeds van Katholieke zijde door het 
schooltoezicht ondervonden *) ; op het aanbrengen van 
zoogenoemde » mutserden" vóór de sterfhuizen der be- 
middelde ingezetenen ^) — «stouticheden", waaruit ten 
duidelijkste bleek, hoe in »kleyn Romen" den Calvinis- 
tischen beginselen wel „een groote deure" was geopend. 



>) Zie mr. van Heurn, a. w., dl. II, biz. 467. Vgl. ook dr. W. P. C. Knuttel, 
De toestand der Nederlandsche katholieken ten tijde der republiek, *8-Gra- 
venhage, 1892, dl. I, bIz. 210—213, 216—218. 

«) Kerkl. arch. Den Bosch, n*». 20, fol. 21. Vgl. Acten kerkr. Gore., 
18 April 1628. 

') Ophovius toekende 28 Fobr. 1630 in zijn dagboek aan: «Recepi asere- 
nissima S. Celsitudine (t. w. de aartshertogin Isabella, die te Antwerpen 
resideerde) litteias ad civitates antverpiensem, mechliniensem et lovaniensem, 
quatenus reciperent ex orphanis, in civitate buscoducensi ralictis, et natis 
legitimis parentibus, qui cogebantur ad heresim, octo aut decem pueros vel 
puellas*'. Verz, v. oork., st. I — II, blz. 379. 

*) nDedi litteras ad d. vicarium et d. Leemputt, (quod) nullo modo per- 
mitterem , ut catholici ludimagistii doceant a. b. c. haereticorum propter 
varias causas, quas addidi: 1^ quia non sequuntur in Patre nostro, decem 
praeceptis et aliis versionem vulgatam, nee partitionem Decalogi etc. Omittunt 
Ave Maria, Benedicite haeretico more etc*\ Uit het dagboek bovengemeld. 
Verz. V. oork.y st. I— II, blz. 387. 

•) Voet., Polit, eccles., tom. I, para II, p. 271. 



Digitized by LjOOQ IC 



BUITEN SN BINNEN DEN BOSCH. STHIJD MET JANSENIÜS. 333 

maar hoe zich daar evenzeer nog bevond eene menigte 
van j^t^en-sprekers" *). 

Om nu dien laatsten den mond te snoeren , deelde 
Voetius als voorzitter van het Bossche consistorie, 3 Mei 
1630, in eene buitengewone vergadering aan den kerke- 
raad mede, dat de vier tigdelijke predikanten samen 
ontworpen hadden zeker programma of biljet, hetwelk, 
na met goedvinden der stadsregeering te zijn gedrukt en 
aangeslagen, bestemd was „de leere ende eere" van de 
christelijke *) Gereformeerde kerk alsook die harer dienaren 
krachtig te handhaven tegenover „de grove tastelycke 
leugenen ende calumnien, seer onbeschaemdelyck vande 
Papen ende Paeps-gesinde achter haer rugge wtge- 
stroeyt"^. Immers eischten bedoelde predikanten alle 



1) Ook met de hervorming van de Meierij, ging bet nog niet naar der 
Gereformeerden ^ensch. Zie Acta syn, pari, Z, H.^ Den Haag, 1634, art. 58. 
Vgl. daarmede Verz. v. oork.^ st. I — II, blz. 365 — 400, passim ; ResoL Holl.^ 
41 en 15 Juli 1630, 1 en 17 April 1631; dr. Knuttel, De toesU d. Nederl. 
kathol, dl. I, blz. 213—216; 219—221. 

*) Later spreken de vier predikanten met vooixiacbt van de »Catholijcke 
ghereformeerde kercke binnen 's Uertogenbosch'*. 

*) Als vstaelken" van dat «vuyle gbesnater", sommen Voetius en de 
zijnen in een bunner vlugschriften op, hoe er door de Roomschen binnen 
en buiten Den Bosch werd rondgestrooid: »dat eene van haer, die syseggen 
dat teghen het coperen cruys, dat op Sint Janskerck-bof gestaen heeft, 
gepredickt hadde , korts daer aen suby telijck ghestorven is ; — dat een ander 
van haer, naer Breda was over-gheloopen , ende aldaer sijn geloove versaeckt, 
ende aende Paepscbe catbolijcken binnen dese stadt ghescbi*even hadde, dat 
sy doch constant souden blijven in haer oudt gheloove ; — dat de predikanten 
selve niet en gelooven, dat sy leeren, ende datter niet eene van alle de 
predikanten sijne ziele daer voor soude derven te pande stellen; — datter 
niet een vande predikanten is, die tegen bare priestei's soude derven in 
dispnyte comen , overmidts sy haer met weynigh woorden souden den mondt 
stoppen; — datter geene luyden met eeren in haere kercke en komen, 
maer een hoop soldaten , ende anders niet vele bysonders'*. Geenszins achter 
hun rug, maar als in het aangezicht der Bossche predikanten, verzekerde 
Johannes de Gouda, pater-jezuïet, in een ten jare 1630 uitgegeven libel: 
iSylvamducis cum templis et bonis ecclesiasticis a dominationibus ipsorum 
tanquam a fure et raptore fuisse occupatam**. Zie Voet., Thers, heauL^ 
p. 245; vgl. Dispp. select., t. IV, p. 842. 



Digitized by VjOOQ IC 



334 ACHTSTB HOOFDSTUK. 

priesters en monniken , welke vroeger te 's-Hertogenbosch 
de Roomsch-katholieke belangen hadden voorgestaan of 
zulks nog deden y daarbij ten stelligste op, om, binnen 
eene maand na afkondiging van het manifest, hun ge- 
drag te komen rechtvaardigen „voor de volle ghemeynte, 
of ten minsten voor den achtbaren magistraet", die hiertoe 
wijze , t^jd en plaats behoorlijk zou vaststellen. Verschenen 
de gedaagden niet „ter vriendelgcke conferentie", dan 
rekende men hen geenszins bij machte „haer stuck te 
verandtwoorden" *)• 

Nadat over bovengenoemd program door het consistorie 
ernstig beraadslaagd en daarin tevens was opgenomen 
de uitdrukkelijke verklaring, hoe „de ministers by lee- 
ninghe" tot heden niets hadden geleerd en, op ver- 
beurte „haerder zielen salicheydt" ^), evenmin van plan 
waren, den burgers „der loflfelijcke ende w^t-beroemde 
stadt van 's Hertoghen-bosch" iets anders voortaan te 
leeren als „het out apostolisch, cathol^ck, christelijck 
geloove, naer ghelaten van onsen ghetrouwen salich- 
maker, ende oppersten herder Jesu Christo, door sgne 
heylighe propheten ende apostelen", werd deze Ver- 
daginghe ') den 15deD Mei 1630 op het raadhuis door 
schout en schepenen geapprobeerd , en den volgenden 
dag — maar eerst nog door Voetius, Swalmius, TJdemans 



«) Kerkl. arch. Den Bosch, n®. 20, fol. 22. 

>) Voet., Dispp, select, t. III, p. 1147. Zie ook hierboven, blz. 333, aant. 3. 

>) Het »programma", 16 Mei 1630 wpublijckelijck gheafSgeert", bestond 
uit een blad in-plano , met , tot inleiding , aan het hoofd de woorden : » Allen 
den ghenen, die dese letteren sullen sien ofhoorenlesen,ghenaede ende vrede 
van Godt den Vaeder, ende onsen Heere Jesu Christo'*. Het werd gedrukt >naer 
de copije, tot 's Hertogenbossche by Jan van Turnhout, inden Bijbel, anno 
1630'\ Later kwam datzelfde program uit onder den titel: Verdaging he 
van Gereformeerde vier predicanten van '« Hertog henbosch , aen alle Calho- 
lijcke leeraers , tot bewijs van de ware Christelijcke religie, (z. n. v. pi. e. v. dr.), 
1633. Ook bezorgde Jansenius daarvan eene uitgave in 'tfransch. 



Digitized by VjOOQ IC 



BUITEN EN BINNEN DEN BOSCH. STRIJD MET JANSENIUS. 335 

en Everwijn ter oorkonde onderteekend — hier en daar 
in de stad aangeplakt^). 

Niet groot bleek, althans voorloopig, het begeeren 
der Roomsch-katholieken om den hun toegeworpen hand- 
schoen op te nemen ^). Slechts met vicaris van den Leem- 
putte, die, kanunnik der Sint Janskerk, zijne prebende 
in Den Bosch genietende daar ook mocht verblijf houden *), 
sprak Voetius eene enkele maal over het aangeslagen 
manifest; evenwel zonder dat van den Leemputte of 
zijne medegeestelijken zich bereid toonden den vier pre- 
dikanten te woord te staan *). Nadat dezen bijkans eene 
maand lang vruchteloos hadden gewacht en verlangd, 
werd er den leden Juni 1630, 's avonds om negen uur — 
diis nog binnen den gestelden termijn — vanwege jonker 
Filips van Thienen^), kommandant over de garnizoenen 



') Kerkl. arch, Den Bosch ^ n®. 20, fol. 23, en mr. van Heurn, a. tü., 
dl. n, blz. 468. 

s) Toch bevat Ophovius* dagboek daaromtrent bet een en ander. Hij toe- 
kende aan, op den i9d«n Mei: »Detulit quidam copiam citationis ad dispu- 
tandam in dvitate buscoducensi ridiculam etc."; — op den 26*^«° Mei: 
»Scripsi apologiam contra quatuor praedicantes buscoducenses super sym- 
bolum*'; — op den 28»*«» Mei: »Dimisi fratrem Andream conversum Busco- 
ducam , qui Lovanio venerat missus a. p. m. Ryder cum litteris , quod facultas 
theologica judicet, rescribendum edicto vel provocationi haereticorum ministro- 
rum buscoducensium : ego illum remisi cum response nostro ad provocationem 
et cum scripto super symbolum contra baereticos etc. Reliqui judicio facul- 
tatis, et scripsi litteras ad facultatem ut ipsi ordinarent, mutarent etc". 
Verz. V, oork,^ st. I — D, blz. 385. Ook vermeldt de auctie-catalogus van 
Voetius* bibliotheek, pars H, theol. in oct., n®. 257, een repliek, getiteld: 
9Bo]ognini wederlegginge tegens het manifest van de vier predicanten van 
den Bosch". Zie daarover Voet, Polit, eccles., t. III, p. 438. 

>) Het voormalige kapittel der Sint Janskerk telde deHig kanunniken, 
aan wier hoofd een deken stond. Hezenmans, a. t<;., blz. 299, aant. i, en 
de eerste bijlage. 

*) Kerkl. arch. Den Bosch, n®. 20, fol. 25. 

^ Niettegenstaande graaf Willem van Nassau , nog vóór het capituleeren 
der stad, zich bij de Staten-Generaal als toekomstig gouverneur van Den 
Bosch had aanbevolen (zie Verz. v. oork.y st. III, blz. 107), was Johan 
Wolphaert, heer van Brederode, »een vertix>uwt ende ghequalificeert per- 



Digitized by VjOOQ IC 



336 ACHTSTE HOOFDSTUK. 

ZOO te 's-Hertogenbosch als op de omliggende forten, bij 
elk hunner een pakket thuis bezorgd, hetwelk voornoemden 
bevelhebber dien eigen middag door zekeren trompetter 
uit Diest overhandigd was, te gelijk met een schreven 
van den ritmeester in Spaanschen dienst, Bousbeke ')• 
Vol vertrouwen, dat nu eindelijk de uitdaging zou zyn 
aangenomen ^), opende ieder predikant belangstellend het 
hem toegezonden pakket; doch vond daarin „veelpapiers 
ende weynich bescheet; veel woorden ende weynich re- 
denen; vele bravaden ende rodomontaden , maer gheene 
teeckenen van eene rechte couragie, om desen geeste- 
lijcken strijdt tot ondersoeck der waerheydt aen te gaen" ^). 
Voor de priesters en paters van Den Bosch, die de 
Gereformeerde «ministers", wat zij ook deden , maar tot 
geen spreken of confereeren kónden krijgen *) , traden 
hier — door hunne oversten gelast — met een in het 



sonagië, inboorlingb van dese landen, op wiens vroroigbeydt, dapperbeydt, 
ende getroawigheydt men sigh hadde te verlaten" (zie ResoL HolLy il Bee, 
1629), door hunne Hoog Mogenden tot die betrekking geroepen. Daar bij 
ecbter meestal in bet leger te velde of in Den Haag verbleef, voerde jonker 
van Tbienen, laitenant-kolonel bij Brederode's regiment, namens bem het 
bevel -over de militairen te 's-Hertogenboscb en in den omtrek. Hezenmans , 
a,w., blz. 281. 

^) Bousbeke was tijdens bet beleg van Den Boscb bopman of kapitein 
eener afdeeling gamizoensruiterij , en bij de overgave dier stad met baar 
naar Diest vertrokken. Mémoires j p. 113; mr. van Henrn , a. to., dl. U, blz. 439. 

*) Reeds twee dagen later, den iO^ Juni 1630, scbreef Opbovius in zijn 
dagboek: >Accepi a sculteto van de Velde citatorias et responsum ad cita- 
tonas quatuor praedicantium buscoducensium". Verz, v, oork.^ st. I — H, 
blz. 386. 

*) Zie Naerder openinghe van de manifeste, enz., 2*« druk, Amst., 1630, 
blz. 2, 1^. 

*) Zelfs werden sommige Roomscbe geestelijken te *s Hertogenboscb door 
de predikanten »in baer logement*' opgezocbt en ter confei'entie uitgenoodigd ; 
andere »in *t particulier, daer toe vriendelijck gbebeden". Zie Naerder 
openinghe^ blz. 21. Al dat pogen was evenwel tevergeefs, waarom Voetius 
dan ook in zijn Philonium romanum correctum, p. 103, verklaarde: »Citius 
aquam ex pumice, quam ex illis verbum aliquod ad causae nostrae impng- 
nationem, aut suae defensionem eliceres". 



Digitized by VjOOQ IC 



BUITEN EN BINNEN DEN BOSCH. STRIJD MET JANSENIÜS. 337 

latijn, fransch en duitsch geschreven ^cartel" O als advo- 
caten op *) , twee doctoren in de theologie : de kanunnik 
der collegiale kerk van Sint Pieter te Leuven, Guilielmus 
ab Angelis ^, en de koninklijke professor »van de heylige 
Schriftuer" aldaar, Comelius Jansenius*). 

Reeds aanstonds maakten Romers geestel^ken in hunne 
Daechs-vaerdicheyt^) spottend gewag van vier pre- 
dikanten der Bossche » synagoge" ®) , die, verlaten door 



») Het Latijnsche en Duitsche (=Ne(ierdait8che?) cartel werd te Brussel 
bij Jan Pepermans gedrukt, bet Franscbe te Leuven bij Jan Oliviers en 
Goenesteyn. Van laatstgenoemd cartel is een exemplaar aanwezig ter Oud- 
roomsch-katbolieke pastoriebibliotbeek, in den Hoek van St.-Marie, te Utrecht. 
Het wordt voorafgegaan door eene vertaling, in 'tü*an8ch, van het «pro- 
gramma" der vier pi*edikanten. 

*) Elders heeten zij : «vooghden ende procureurs over de arme onmondige 
weesen, de geestelijckheyt vanden Bosch". 

«) Willem van Engelen, 1 Sept. 4583 te 's-Hertogenbosch geboren, stond 
in hoog aanzien bij de pausen Urbanus VIII en Innocentius X. Sedert 28 
Mei 1639 professor aan de Leuvensche universiteit, trad hij daar op als een 
krachtig bestrijder der denkbeelden van zijn vroegeren medestander Jansenius, 
in diens »Augustinu8*' neergelegd en ontwikkeld. Zie over hem Alg. NederU 
familieblad, dl. VH, blz. 177. 

*) Vgl. Voet., Biapp. select, t. IV, p. 842; Polit. eccles,, t. U, p. 915. 
Geboren te Acquoy, bij Leerdam, werd Jansenius in 1630 hoogleeraar te 
Leuven, en in 1636 bisschop te Yperen, alwaar hij 6 Mei 1638 aan de pest 
overleed. 

*) Het Fransche pamflet had tot hoofd: »Hesponse des Catholiques au 
cartel des ministres de Bois-leduc. A tous ceux qui verront ces présentes 
lettres ou oiront, salut, et lumiëre du S. Esprit pour recognoistre lavérité". 
Later verscheen dat vlugschrift onder den titel : Daechs-vaerdicheyt om alle 
Catholijcke weder-partyen te beantwoorden. Op het ghene, dat sy teghen 
de Catholijcke religie souden willen opwerpen (z. n. v. pi. e. v. dr.), 1633. 
Een nadruk van het program en het daarop ingekomen antwoord was reeds 
ten jare 1630 uitgegeven als: Tooneel van de moedigheydt van vierpredi' 
canten binnen s' Hertog hen-bosch, Ende cloeckueerdicheyt van twee Catholijcke 
proffessoren binnen Lueven. Aenga^nde een openbare wt-daginghe om op 
het stuck van twarachtich gheloove een ^tsamen-spreeckinghe ende oprecht 
ondersoeck te doen. Na de copye, gedmct tot s' Hertogen-bosch by Jan van 
Turnhout, ende tot Brussel, by Jan Pepermans, 1630, Zie dr. Knuttel, 
Pamfl., dl. I, st. n, n^. 4106, Ckital prov, gen. N.-Br., 2de ged»., blz. 421. 

*) Naderhand, in zijn Breeder antwoordt, enz., gewaagt Jansenius onom- 
wonden van een «synagoge des satans'*. 



Digitized by VjOOQ IC 



338 ACHTSTE HOOFDSTUK. 

het meerendeel hunner toehoorders *), niet «alle ende een 
yegelyck", inzonderheid met «kerckelycke persoenen", 
wilden handelen over het oud, katholiek, apostolisch, en 
christelijk geloof — »dat sy haer beroemden te belyden", 
zonder het te bezitten ^). Toch waren ab Angelis ^) en 
Jansenius, naar zij verzekerden, niet ongenegen den 
strijd aan te binden met Voetius en Udemans, Swalmius 
en Everwijn, mits dat men ten platten lande, tusschen 
de twee «frontieren", zou samenkomen; op eene plaats, 
volkomen vrij en voor beide partijen even gemakkelijk 
te bereiken. Ook moest er over en weer hoegenaamd 
geen krggsvolk te duchten zijn *) ; geen magistraatspersoon, 
eenzijdig en bevooroordeeld , moest het godsdienstgesprek 
leiden; niemand, in geestelijke zaken onervaren, moest 
recht spreken over de wederzijdsche geschilpunten; ter- 
wijl, als laatste voorwaarde, van den tegenstander alle 
behoorlijke zekerheid en van de hooge regeering het voor 
de conferentie vereischte verlof moest gevraagd en ver- 
kregen worden*). 



1) Aldus het Nederduitsche cartel ; het Fransche heeft : vd'auditeurs Ga t h o- 
liques". Verklaren straks de ministers: DWy hebben door Godts zeghen 
toe-hoorders, oock Gatholijcke toe-hoorders, geboren Bossenaers, mans en 
trouwen, so vele, datse des Sondaeghs de helft niet sitten en konnen'* — 
zoo valt in die betuiging zekere gi^ootspraak niet te ontkennen. Immers 
klaagden de predikanten, toen zij hun manifest lieten aanslaan, »dat de 
goede ghemeynte binnen s' Hertoghen-bosch van 't gehoor seer jammerlijck 
wierdt afgheschrickt". Verdaginghe^ blz. 2. 

>) Vgl. G. ab Angelis »Den deckmantel des catholycke naems afgeruckt 
van de leere die de Calvinsche predicanten poogen *s Hertogenbösch (sic) 
in te voeren. Loven, 1630". Zie den Catal. prov, genoots, N.-Brabant^ 
4d« ged«., blz. 951. 

*) Buiten twijfel onderteekende ab Angelis de Daechs-vaerdicheyt met 
opzet als »borgher van s* Hertoghen-bosch'*. 

*) Gelijk in Den Bosch, waar een sterk garnizoen lag. 

*) 9S0 hebben dese magistri nostri den wech ^nkens met doornen toe- 
geheynt, op dat wy daer niet souden door-cruypen , om by haer te komen" — 
verzekerden, naar aanleiding van die voorwaarden, de Gereformeerde pre- 
dikanten; terwijl later Voetius, in zijne Polit eccles,, t. III, p. 659, be- 



Digitized by VjOOQ IC 



BUITEN ES BINNEN DEN BOSCH. STRUD MET JANSENIÜ8. 339 

In een wederantwoord , gedagteekend uit Den Bosch, 
24 Juni 1630, en verschenen onder den titel: Naerder 
openinghe van de manifeste 0> gaven Voetius en 
zijne ambtgenooten ruimschoots lucht aan de niet geringe 
teleurstelling , bij hen verwekt door het gemeenschappelijk 
schrijven der twee Leuvensche magisters. Dezen toch 
hadden „so vele noten op haren sanck", dat »het accoort 
qualijck te vinden was". LieM voor wind en stroom 
zeilende, schenen zij van eene aanstaande samenkomst 
geen profijt, maar wel schade te wachten en namen, 
misschien juist daarom, hunne toevlucht tot eene reeks 
van laflfe verontschuldigingen; tot allerlei «geraepte grieven 
ende swarigheden", die geheel ongegrond waren — echte 
,doecxkens" tegen het bloeden. 

Hoewel de vier predikanten binnen 's-Hertogenbosch 
sommige der door Jansenius en ab Angelis gestelde voor- 
waarden niet uitvoerbaar rekenden , en andere als dubbel- 
zinnig of onbillijk beschouwden , wilden zij echter toonen 
»voor een cleyn gheruchte niet vervaert te zijn". Uit- 



toigde: «Clerici sylvae-ducenses publico programmate a quatuor ministris tanc 
Sylvae-ducis in nove plantatae ecclesiae, rigatione et ordinatione occupatis 
provocati , excitabant duos theologes lovanienses , qui se ad collationem paratos 
histiionice simularent". 

*) De Tolledige titel is: Naerder openinghe van de manifeste hy de vier 
predicanten binnen S' hertogenbossche den 16. Maij uytgegeven oen de 
geestelijckheyt aldaer, Tegens seecker cartel den 14. Junij hy twee doctores 
ioi Loven den voorz, predicanten toeghesonden. Jerem, 8. 9. Want wat 
connen sy goets leeren^ de wyle sy des Heeren woordt verwerpen. TertuU 
lianus noemt de ketters lucifugas scripturarum y dat is^ die het licht der 
Schriftueren vlieden, Gheprent tot S' hertogenbossche by my Jan van Turn- 
hout. Inden Bijbel. Anno 1630. Nog in hetzelfde jaar verscheen daarvan 
te Amsterdam, gedrukt »met consent'* van Jan van Turnhout, bij Blarten 
Jansz Brandt eene tweede, door de vautheurs" verbeterde uitgave; met 
een breedvoerig naschrift »aende achtbare burgers van VHertogenbossche", 
en een veel korter woord ter inleiding bij de genoemde Bossenaars, be- 
nevens een 9translaet uyt het latijn'* der door ab Angelis en Jansenius den predi- 
kanten toegezonden Daechs^aerdicheijt. Zie voorts hierachter, bijlage CXXII. 



Digitized by VjOOQ IC 



340 ACHTSTE HOOFDSTUK. 

gaande van het beginsel, dat bg geloofszaken geen 
andere toetsteen mocht gebezigd worden dan het woord 
Gods, in wet en evangelie ten volle geopenbaard, gold 
hun noch de Katholieke overlevering , noch de Roomsche 
kerk of paus, maar enkel het bijbelboek als ^pilaer 
ende vasticheyt der waerheyt". Hiermede gewapend, 
betuigden de Bossche kerkedienaren ad interim, bij hun 
dupliek , den Leuvenschen «vooghden ende procureurs", 
dat zij ganschelijk ^bereydt ende overbodigh waren, om 
met haerlieden in conferentie te komen" ; — alleen diende 
het dispuut plaats te hebben in het openbaar *), en moesten 
niet zij, maar hunne tegenpartijders aan de overheid 
vragen, daarvoor zoo spoedig mogelijk met wederzijdsch 
goedvinden de noodige maatregelen te nemen. 

Naar zich verwachten liet, bleef die herhaalde „ver- 
daginghe" zonder eenig gevolg. Ook zagen drie der onder- 
teekenaren van het manifest: Voetius, Everwijn en 
Swalmius — reeds bij herhaling huiswaarts ontboden — 
ten laatste zich gedrongen tot hunne respectieve gemeenten 
terug te keeren*). Dientengevolge werden bedoelde pre- 
dikanten in de vergadering van Woensdag 14 Augustus 



1) Met betrekking tot zulke publieke en piivate disputaties, zie Voet., 
Polit eccles,^ t. Til, p. 655 — 657. Als «historisch overzicht'* niet onbelang- 
rijk is de »Index collationum seu disputationum de religione", gegeven 
p. 667—679. 

^) Den 6^^° Juli 1630 toekende Ophovius in zijn dagboek aan : «Praedicantes 
quatuor, qui provocarunt Gatholicos sacerdotes cum indignatione DD. (scil. 
Statuum) revocati fuerunt ex Sylvaducis et alii substituti". Verz. v. oork.y 
st. I — II, blz. 387. Ten onrechte. Immers was door schepen Herman de Bittere, 
in zijne betrekking als ouderling der Gereformeerde gemeente, den4^onJm)i 
1630 ter vergadering van het Bossche consistorie meegedeeld «dat hy hadde 
becomen brieven van haere H. M. aende respective magristraaien van Dordrecht, 
Haerlem, Ueusden ende Ziericzee, om te obtineren continuatie voor acht 
off ten minsten ses weken , vande praedicanten die hier tegenwoordich syn 
(t. w. Everwijn , Swalmius, Voetius en üdemans)". Kerkl, arch, Den Bosch, 
n^. 20, fol. 26. Maar zie ook hierachter, bijlage GXXIII. 



Digitized by VjOOQ IC 



BÜITRN EN BINNEN DEN BOSCH. STRIJD MET JANSENIÜS. 341 

1630 , na voor hunne goede en getrouwe O zorgen hartelflk 
te zijn bedankt, uit hun tijdel^ken werkkring ontslagen 
met «eene loffelycke attestatie in de beste forme, om 
haer in het toecomende te dienen daert behoorde"; — 
een ontslag, schier onmiddellgk gevolgd door de dringende 
bede ten afecheid, om toch by voortduring het wakend 
o(^ gevestigd te houden op »dese teere gemeynte" van Den 
Bosch , in welke , naar zich het consistorie vleide, Voetius 
,als de naeste gesetene" groot en blijvend belang stelde *). 
Reeds spoedig na z^ne tehuiskomst zag er, met op- 
dnu^ht aan de Bossche magistraat en burgerg, van 
Heusdens kerkedienaar een Latijnsch boekje het licht, 
Philonium romanum correctum getiteld*). Door 
Voetius opgesteld onder medeweten zijner voormalige 



1) Zie bijlage CXXIV. 

*) In zijne hoedanigheid van geleend predikant was Voetius, sinds 9 Oct. 
i629 tot 22 Aug. 1630, alzoo raim tien maanden, te VHertogenbosch werk- 
zaam. Aanwezig ter gewone kerkeraadsvergadering, op Woensdag 21 Aug. 
1630, deputeerde men hem daar nog met Udemans, juist één dag vóór zijn 
vertrek , naar de magistraat. Wanneer derhalve Voetius, Dispp, select,^ t. IV, 
p. 283, schrijft: »Adhaec Sylv&-ducis jam occupat^ ibidem novem mensibus 
operam meara commodasae", telt hij van zijn verblijf in Den Bosch waar- 
schijnlijk den tijd af, dien hij doorbracht te midden der Heusdensche gemeente. 
Vgl. bijlage CXXIV. 

>) Hoewel in de voorrede, gedagteekend op 2S Aug. 1630 uit Heusden, 
door Voetius nadi*ukkelijk was verklaard: »Tardius forte, quam nonnulli 
putaTerant, in lucem prodeunt (n. hae notae); sed in causa fuit typographi 
defectus, ita ut editionem post reditum ad ecclesias nestras differre coactus 
sim", en hetzelfde jaartal ook op den titel voorkwam, had het geschrift 
van Heusdens prediker: Philonium romanum correctum. Hoc esty notae et 
castigationes f in declamatiunculam Ck)melii Jansenii theologiae doctoris^ 
et professoria lovaniensis^ titulo ^Aleaipharmaci dvibiis buscoducensibua 
propinati^ etc. editam^\ Dordr., 1630, naar Jansenius beweerde »niet en connen 
volmaeckt worden, dan ontrent de maent van Februarius van dit teghen- 
woordich jaer (t. w. 1631)". Ook onderstelde hij , dat er voor die vertraagde 
uitgave nog wel andere i*edenen zouden bestaan hebben dan 9'tghebreck 
datter 'tvoorgaende jaer aende boeck-dinickers in Hollandt was gheweest". 
Met dat al, teekende Ophovius reeds den 24>^«n Januari 1631 in zijn dag- 
boek aan : «Misi Lovanium libellum Voëtii contra Jansenium a fiscali missum 
Sylvaduds". Yerz. v. oork., st. I— II, blz. 394. 

28 



Digitized by VjOOQ IC 



342 ACHTSTE HOOFDSTUK. 

ambtgenooten te 's-Hertogenbosch *) , was het meer be- 
paaldelijk gericht tegen zeker pamflet van Jansenius: 
Alexipharmacum civibus sylvaeducensibus 
propinatum ^), hetwelk deze eertijds had toegevoegd 
aan de uit Diest overgezonden afdrukken der ^Daechs- 
vaerdicheyt" ^). Met dien Preservatyf-dranck, gelijk 
de vertaalde titel luidde *) , bood Leuvens professor, vol- 
gens zijn zeggen, den Roomsch-katholieken in Den Bosch 
een heilzaam middel »tegens den toover-gift-dranck van 
de Ghereformeerde ministers aldaer"; zoodat genoemd 
vlugschrift dan ook te recht kon worden aangemerkt, 
als eene „corte beantwoordinghe op het beroep-boecxken" 
der tijdelijke predikanten van 's-Hertogenbosch *). 



1) »Ita hae notae de consilio rever, collegarum conscriptae sunt". Voet, 
PhiL rom, corr.^ p. III, praef. 

*) Opgenomen in Voetius' «Philonium romanum correctum", waaraan het 
onmiddellijk voorafgaat , heeft het geschrift van Jansenius tot titel : Alexiphar- 
macum civibus sylvaeducensibus propinatum adversus ministrorum suorum 
fascinum. Hoc est responsio brevis ad libellum provocatorium ministrorum 
sylvaeducensium, Lovan., 4630. Het oordeel der Katholieke censuer, ge- 
plaatst achter dat boekje, luidde: »Bibite hoc ab experiente raedico pro- 
pinatum alexipharmacum, o cives, et inoffensam, a pnma Sylvae vestrae 
plantatione, fidei Gatholicae sanitatem retinete; bibite ministri, ut fiatts 
sani. Ita voveo, et in praelum mitto. Lib. Fromondus, s. th. in acad. 
lovan. doctor, et prof. ord., archiepiscopalis per dioeces. raeclin. libr. censor. 
Die 4 Junij, anno 1630*'. Bij Jan Oliviers en Coenestejrn verscheen, even- 
eens in 1630, eene Fransche uitgave van het » Alexipharmacum", bezorgd 
door Jansenius; achter welke gevoegd waren »les lettres de desfy de part 
et d'autre"; hierboven verlneld op blz. 334, aant. 3, en blz. 337, aant. 5. 

*) Zie hierboven, blz. 336. Den 17*«^ Juni 1630 toekende Ophovius in zijn 
dagboek aan : »Recepi a d. decano et pastore eyndoviend responsum latinum : 
Alexipharmacum ad provocationem quatuor ministrorum 
sylvaeducensium". Verz, v. oork., st. I — ü, blz. 386. 

*) Ckital. prov. gen. N.-Br., 2^* ged«., blz. 421. 

*) Zoo was allengs eene «schriftelijcke conferentie" in de plaats getreden 
van het mondeling dispuut; iets, waartegen de vier predikanten verklaar- 
den geen bezwaar te hebben, mits daarbij zou gebezigd worden »goet 
nederlandtsch , dat de gemeynte verstaet"; alsook, dat men over en weer 
elkanders boeken zou mogen lezen «sonder verhinderinghe". Naarder 
openinglie^ 2^« dnik, blz. 44. 



Digitized by VjOOQ IC 



BUITEN EN BINNEN DEN BOSCH. STRIJD MET J4NSENIUS. 343 

Boiten twijfel verried Jansenius' pleidooi eene niet 
geringe mate van heftigheid , zich openbarende in breed- 
sprakige , sterkgekleurde , nu en dan zéér holle rhetoriek. 
T^en Voetius en zgne medestanders werd uitgevaren 
als tegen »waggelmutsen", die voortdurend de waarheid 
zochten en haar nimmermeer vonden'); — »woorden- 
pronckers", die met mooie praat de onkundigen misleid- 
den ^) ; — „lant-roepers van nieuwigheden ende lap-cramers 
van 't gheloof " '). Door opgeblazen verwaandheid en 
;,kittelachtighe onruste" vervoerd, beeldden die vier 
«Gommariste ministers" zich dwaselijk in, dat zij der 
bevolking van 's-Hertogenbosch het oud, apostolisch, 
katholiek christendom konden brengen; z^, die wat ze 
nog goeds bezaten aan Rome's kerkleer te danken had- 
den. Dat derhalve die opgeworpen herders »ad interim", 
hunne zending en macht om te reformeeren eens voor- 
af met onweerlegbare bewijzen staafden — de katho- 
lieke geestelijkheid van Den Bbsch zou, in dit geval tot 
wijken gedwongen, de schapen harer kudde willig hun 
overleveren. 

Met geen andere bedoeling onderwierp dan ook Voe- 
tius den »Preservatyf-dranck", dien hij liever «Laudaensch 
slaep-cruyt" heette*), aan een afzonderlijk, zéér nauw- 
keurig onderzoek, dat wel grootendeels zich aansloot bg 
hetgeen door de «Naerder openinghe" gemeenschappelgk 



>) ^Audiunt illum (n. Paalum apostolum) cura admiratione detestantem 
vertamnoe illos, qui semper inquirendo discant, et nunquam ad scientiam 
veritatis perveniunt". Jansenius, Alexiph.^ p.4. Vgl. Preservatyf-dranck, blz. 3. 

*) Jatisenius, Alexiph., p. 9. Vgl. Pres.-dranck^ blz. 7. 

>) vAudiunt iUum adversus hujusmodi praecones novitatis, et interpola- 
tores Teritatis terribili severitate intonantem". Jansenius, Alexiph,^ p. 4. 
Vgl. Pres.-dranck^ blz. 3. 

4) Alexipharmacum , cum ex ingredientibus pharmacam hoc soporiferi 
generis esse deprehendatur, praestitisset isto titulo insigniri: Laudanum 
opiatum". Voet., PhiL rom, corr, p. 4. 



Digitized by VjOOQ IC 



344 ACHTSTE HOOFDSTUK. 

was in het licht gesteld ^) , maar het reeds opgemerkte 
niettemin uitbreidde ^), of bevestigde door tal van plaatsen, 
ontleend aan bijbel, kerkvaders en latere Roomsch- 
katholieke schrüvers, inzonderheid Bellarminus *) ; daarbg 
den tegenstander voor oogen houdende, hoe sommige 
uitspraken verkeerd door hem waren toegepast *), andere 
ten halve aangehaald of geheel uit haar verband gerukt ^). 
Volgde Heusdens prediker in zijne bestrijding zoo trouw 
mogelijk den niet zeer logischen gedachtengang van het 
^Alexipharmacum" — hij liet tevens geene gelegenheid 
ongebruikt om, nu eens schertsenderwijs •) , dan weer 
bitter en streng '), den Katholieken hoogleeraar te wijzen 
op diens woordenpraal en gebrek aan methode •). 



^) Soms verwijst Voetius zijne lezera naar die «declaratio belgica*\ Zie PhiL 
rom. corr., p. 69, 72, 73, 76, 79. 

«) Zie Voet., PhiL rom. corr. p. 16—20. 

«) Zie Voet., PhiL rom. corr., p. 7, 9, 29, 40, 41, 49, 57, 60, 62, 75, 76, 79. 
Ook dat hij vroeger het «Mysteriura iniquitatis" van Da Plessis-Momay 
vlijtig had bestudeerd , kwam Heusdens prediker nu goed te stade ; ibidem, 
p. 66, 69. 82, 95. Vgl. hierboven, blz. 103 en 164. 

*) Zoo b.v. heet het van eene bewijsplaats, uit Augustinus aangehaald: 
»Quid haec ad nos, qui Hdem hanc de tiinitate, et persona Christi sartam 
tectam tuemur; aut quid haec ad Papae dominium temporale et spirituals 
totumque illud papalitatis chaos, quod nos impugnamus? Sed patrum sen- 
tentiae erant ostentandae apud imperitum vulgus, (ut tu buscoducenses 
appellas) atque hoc mangonio phaleris exornata magna mater Cybele roraana 
in pompam quasi ciix:umducenda'\ Voet., PhiL rom. corr., p. 21, 22. Vgl. p. 47. 

*) «Utinam buscoducensibus et lectori cuivis integrum esset ipsum Augustini 
tractatum legere; videret procul dubio cum dolore et indignatione lumbi- 
fragium ipsum hic passum et alibi crurifragium a Jansenio. Contenti erimus 
antecedentia et consequentia descripsisse''. Voet., PhiL rom. corr., p. 55. 

^ »Nunc vero, dum instar rhetoncae classis discipuli, quasi pro praemio 
et loei Victoria stylum exercere, et in re tam gravi plus quam pueriliter 
ludere visum fuerit, nihil spei aut occasionis ad illnstrandam veiitatem quan- 
tum in ipso est nobis reliquum facit". Voet., PhiL rom. corr., p. I, praef.; 
vgl. daarmede p. 22, 98. 

^) 9Quam stupea et stupida haec connexio aut consequentia 1 Adhibe quaeso 
logicam tuam et regulas consequentiarum d. Janseni. Ubi serio tenta veris, videbis 
quid intersit inter probationes et rhetoncationes". Voet., PhiL rom. corr., p. 46. 

^) nQualem hanc esse d. Jansenil in buscoducenses ministros philippicara, 



Digitized by VjOOQ IC 



BUITEN EN BINNEN DEN B08GH. STRIJD MET JANSENIU8. 346 

Jansenius, door die critiek ten zeerste geprikkeld, 
nam opnieuw de pen ter hand en schreef zijne Notarum 
spongia'), in het nederiandsch overgezet als Catho- 
lycke uyt-wis-spons*); een werk, dat — «toeghe- 
eyghent" wederom aan de Roomsche bevolking van Den 
Bosch ') — het «breeder antwoordt" bevatte op de aan- 
merkingen door „den öhereformeerden predicant Gisbertus 
Voetius" tegen den i,Preservatyf-dranck" uitgegeven •). 
Onder vermelding der „onhebbelflckheyt", waarmee, zooals 
Jansenius zocht aan te toonen, z:yn schrijven daar behandeld 
was, verzekerde hij, in de voorrede van bedoelde „Uyt- 
wis-spons", ditmaal alle ^ghecierde ende vloeyende woor- 
den" ter zijde te hebben gelaten, om, in „stillicheyt des 
ghemoets" en zonder „gi'oote kyvagie", uitsluitend zich 



licet crebrioribus patrum -senten tiis vermiculatam , cuivb ex notis et casti- 
gationibus nostris raoz constabit. In quibus, quod inviti secuti fuimus ipsius 
ductum, et methodum ifiééoèov^ non nobis sed illi imputandum est". Voet., 
Phil. rom, corr., p. II & III, praef. 

') Notarum spongia quihus alexipharmacum civibus sylvae-ducensibus 
nuper propinalum aspersit Crübertus Voetius minister sylvaeducensis authore 
Comelio Jansenio episcopo iprensiy s. th, doctore et sacrarum litterarum 
quondam in academia lovaniensi pro fessore regio. Editio tertia, Cum Aleoci- 
pharmacoy Lovanii^ apud Petrum Sassenum et Hier. Nempaeum. ^mio1666. 
Bedoelde >Notarum spongia" is o. a. aanwezig , in de boekerij van het prov. 
genootsch. van Kunsten en Wetensch. in Noord-Brabant ; zie Ca/a /.,4^«gede. 
Wz. 955, n*. 105. Vgl. voorts hiei-achter, bijlage CXXV. 

*) Catholycke uyt-wis-spons over de aenmerckinghen^ die Gisbert Voetius 
heeft uyt-^hegheven teghen den Preservatyf-dranck. Toe-g heeyghent de godt- 
vreesende ende mannelijcke Catholycke burgeren van den Bosch. Ghemaeckt 
door Comelius Janssenius van Leerdam ^ doctor inde godtheydt^ ende ko- 
nincklijcke majesteyts p^^fessor van de h. Schrifture, Over-gheset uyt het 
latijn inde Nederlantsche tale^ H Antwerpen^ 1633. Zie, voor den inhoud 
van dit boekwerk: dr. Rogge, Beschr. cafal.^ st. II, afd. II, biz. 118. Vgl. 
Voet., Thers. heaut., p. 237, en bijlage CXXVI. 

*) Den Bosch wordt hier door Jansenius genoemd: »de heerlijcxste ende 
christelijcxste stadV. 

*) Den 2^° Aug. 1631 schreef bisschop Ophovius in zijn dagboek : »Re8pondi 
d. ex. m. Jansenio et gi'atias egi pro edita spongia contra Voetium''. Verz. v. 
oork., st. I— II, blz. 399. 



Digitized by VjOOQ IC 



346 ACHTSTE HOOFDSTUK. 

bezig te houden met het onderzoek der ^oprechte" 
waarheid >)• 

Hiertoe besprak hij allereerst eenige „buytenpropoost- 
vraghen", door Voetius in diens »Philonium" aange- 
stipt; ging dan over tot het naar Roomsch-katholieken 
trant verklaren en verdedigen der kerkelijke zending 
of roeping*) zoowel als successie of opvolging'); terwgl 
het slot zijner breed uitgewerkte ;,Spongia" enkele be- 
schouwingen inhield omtrent de disputen met ketters 
te voeren, omtrent de leerstellingen, gehuldigd door de 
Calvinisten en — wat inzonderheid merkwaardig mocht 
heeten, als gevloeid uit Jansenius' pen — omtrent j^het 
ondwaelbaere meester-schap" van Rome *), aan welks 
voorlichting de tegenparty zich volgens hem tot haar 
groote schade onttrokken had. 



O »Denique quia nihil magis animum disputantis perturbare solet, quam 
fervor is qui e nimia contentione oboritur, opuscalum hoc quam maxima 
fieri licuit, animi tranquiUitate pertexui: ut nusquam nisi in ipsa sincerae 
^eritatis indagatione defixus, tanto expressiorem eam oratione promerem 
quanto a nebulosa hujusmodi perturbatione puriorem". Jansenius, Noiar. 
spong., p. 3. Vgl. Cath. uyt-uns-spons, blz. 36. 

*) In zijne beantwoording, Notar, spong., p. 36 — 93, »De missione 
ministrorum" (vgl. Cath. uyi-wis-spons, blz. 94 — 189), volgde Jansenius, 
zoo trouw mogelijk, het betoog voorkomende bij Voet., Phil. rom. corr.i 
p. 22—37. 

') Met dit gedeelte van zijn boekje, Notar. spong. ,^.^'^ — 133, »Desucoe»- 
sione ministerii et ecclesiae romanae'* (vgl. CkUh. uyt-wis-spons, blz. 189 — 254), 
zocht Jansenius o. a. te weerleggen, wat Voetius geschreven had : Phil. rom. 
corr., p. 37 — 46. Vgl., in zake dier successie. Brandt, a. w., dl. IV, blz. 637—639, 
alsook het vlugschrift vaii Jacob Batelier (volgens Tideman) getiteld :Waer- 
achtich verhael, van een disputatie gehouden te Berckel,den 
6 Jan. 1634 met een Roomsch-Catholyk priester. Met een kleyn 
discoursien over de successie vande pausen van Roomen, 
beschreven door een dienaer der gem. J. Chr. by den Remon- 
stranten, Rotterdam, 1634. Zie L. D. Petit, Bibl. v. Nederl. pamfl.^ 
dl. I, n<>. 1881. 

*) »De disputationibus cum haeretids, de doctrina calviniana, de ecdesia 
romana, catholica, et infallibili ejus magisterio"*,. Jansenius , Notar. spong. ^ 
p. 133—246. Vgl. Cath. nyt-wis-spons, blz. 255—440. 



Digitized by VjOOQ IC 



BUIT£N £N BINNEN D£N BOSCH. STRIJD MET JANSENIUS. 347 

Ook nu bleek het voor den Leuvenschen professor on- 
twgfeld „een kleen vermaeck", over de hoofdpunten des 
geloofs van gedachten te wisselen met menscheuy die, 
gelijk hij opmerkte, ^d'uytspraecke van de Schrifture, 
na de maniere van haer eyghen goetduncken wilden 
afmeten, verwerpende het oordeel ende de authoriteyt 
van de algemene kerck" ')• Evenmin als vromer, ontbrak 
het bij deze gelegenheid aan tal van krasse uitdrukkingen 
door Jansenius den vier predikanten, en niet het minst 
Heusdens kerkedienaar, voor de voeten geworpen; waar 
hij laatstgenoemde volkomen te recht verweet, dat zgne 
woorden vaak werden „gheput uyt de duysterste holen van 
het latijn" *), of dat hg Bome's pausen en leer somwijlen 
aanblafte met een „hondtsche wel-spreeckentheydt" ^). 
Niet verdiend daarentegen mocht de beschuldiging heeten, 
dat Voetius »met dubbel-luydinghe van woorden" de groote 
menigte trachtte te bedriegen, of dat diens ^Philonium 
romanum correctum'* eerder „een onghebonden besem" 
dan „een beknopte reden-kavelingh" geleek*). 

Afgezien evenwel van zulke ongerechtigheden, kon 
Jansenius, het einde zijner „üyt-wis-spons" genaderd, 
er in waarheid op wijzen *) , hoe hij de beweringen der 



*) lEtsi tenuissimae voluptatis est de religionis dogmatibus cum iis homini- 
bus velitari, qui communis sensus fidei velut expertes, opinionum suarum 
modulo chnstianae fidei scripturaeque sensa metiuntur, et universalis ecclesiae 
judicio authoritateque repudiata, suo tantum se dud spiritu , suoque quodam- 
modo genio indu]gei*e gloriantur**. Jansenius, Notar. spong. ^ p. 1. Vgl. Ca</i. 
uyt-wiS'Spons, blz. 33. 

«) Vgl. Voet., IHspp. select., t. II, p. 554. 

*) Jansenius, Notar, spong. , 6, 12. Vgl. Cath, uyt-wis-sponsy blz. 42, 53. 
Wat betreft het rechtmatige van laatstgenoemd verwijt, zij hier slechts 
aangehaald : Voet., Phil. rom, corr,, p. 49, »Papatus eet, qui ex haereticorum, 
judaeorum, gentilium stercoribus et putn materia scarabaei emersit*'. 

♦) Jansenius, Notar. spong., p. 14, 8. Vgl. Cath. uy^-tüw-»pow«, blz. 56, 45. 

•) Jansenius, Notar. spong., p. 246, 247. Vgl. Cath. uyt-wis-spons, 
blz. 440, 441. 



Digitized by VjOOQ IC 



348 ACHTSTE HOOFDSTUK. 

tegenpartij „met een stereken arm'* had pogen te ver- 
zwakken; al zou ook geen harer woordvoerders z^ne 
betuiging overnemen: dat hij die „volkomentlijck ende 
overvloedich" had omvergeworpen. Voetius ten minste 
gaf zich nog geenszins gevangen. Later trad hij bij ver- 
nieuwing tegen den koninklijken professor in het krijt — 
doch toen niet meer als Heusdens predikant. 



Digitized by VjOOQ IC 



NEGENDE HOOFDSTUK. 



In eigen kring. Tot lioogleeraar geroepen. 

Niet alleen buiten, maar ook binnen de grenzen van 
zijn persoonlek arbeidsveld , openbaarde Voetius eene schier 
rastelooze, steeds meer omvattende werkzaamheid. 

Was het eerste anderhalf jaar van zijn verblijf als pre- 
dikant te midden der Heusdensche gemeente grootendeels 
voorbijg^aan met ^strjjden ende swarigheden"; onder 
een gedurig ^waecken en braecken" ') — welhaast scheur- 
den die wolken en mocht hg, na afloop der Dordtsche 
synode in zijne vaderstad teruggekeerd, „de lieffelijcke 
sonne der bevredinghe" hoe langer hoe krachtiger zien 
doorbreken. Zelfe een der ijverigste Remonstrantschge- 
zinden te Heusden, de conrector- voorlezer Mattheus 
Petri Verhoeven^), die zich eertijds met zeker vertoon 
aan Grevius' zijde had geschaard, de tegenpartfl dikwijls 
spottend j^suyvere broeders" genoemd en, naar hfl open- 
Igk verklaarde, vanwege „het different" in geen negen 



O Voet., Afscheydt-predicatie, blz. 78. Vgl. PoliL eccles., t. ü, p. 297: 
>ViTum ministromacbiae in Belgio nostro exemplum dederunt tempora re- 
monstrantica", en hierboven, blz. 216—260. 

^ Verhoeven was gewoon de quitantie voor zijn traktement Bter causse 
van een vierdendeel jaers schooldienste** met zekeren zwier te onderteekenen 
als: «moderator sive conrector ecclesiaeque praelector hujusoppidi Heusdani'*. 
Oud-^rch, Heuêden, E. 215, bijlage tot fol. 28 der gemeenterekening over 1617. 



Digitized by VjOOQ IC 



350 NEGENDE HOOFDSTUK. 

maanden deelgenomen had aan eene avondmaalsviering, 
weigerde nu niet langer de formulieren van eenigheid: 
catechismus , confessie en canones , te onderteekenen als- 
ook den Heusdenschen kerkeraad en der classis van 
Gorcum ^) zijn „hertelyck leetwesen" te betuigen over de 
„quaede proceduren, voorhenen in altercatie geschiet"*). 
Nauw genoot echter Voetius een weinig van die kalmte 
en rust, of er dreigde opnieuw gevaar. De met zoo 
groote inspanning verkregen ^ruymigheyt des levens" 
kon lichtel^k schade berokkenen aan de vaste „ordre, 
tucht ende disciplyne" der van Remonstrantsche bestand- 
deelen nu gezuiverde gemeente. Ook zouden ^vleeschelgcke 
ende wereldtsche" gewoonten zijne Calvinisten — trots 
de gezonde leer hun gepredikt — misschien verlokken tot 
«libertijnsche kerckelijckheydt", zoodat zij zich tevreden 
stelden met een „fluweelen euangelium" en een »ge- 
mackelijck christendom", niettegenstaande hij zich alle 
moeite gaf hen te overtuigen, hoe het wezen der Gere- 
formeerde religie geenszins bestond in een streven en 
strijden louter met woorden; in een krachtig verzet, 
zonder meer, tegen de ^dwalinghen ende fectien" van 
wie eigendunkelijk buiten ^Godes kercke" zich hadden 
geplaatst, of in hare nabijheid nog immer ronddoolden. 
Dit ware, om zoo te zeggen, slechts de voorste bolwerken 
verdedigen; het eene geschil uit het andere oprakelen; 
de eene schermutseling na de andere aanvangen, terwgl 
men jammerlijk verzuimde te letten op hetgeen er binnen 
de vestingmuren plaats vond; in gebreke bleef, den 



') Blijkens een nog voorhanden kwijtbrieQe, gaf de stedelijke r^^ring 
bij deze gelegenheid aan Verhoeven het noodige geld »om op classis tot 
Gorcum te reijssen". Oud-arch, Heusden, E. 216, bijlage tot fol. 47 verso 
der gemeenterekening van 1619. 

«) Hand, cl. Gore, 14 Oct. 1619. Zie ook bijlage CXXVII. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN EIGEN KRINO. TOT HOOGLEËRAAB GEROEPEN. 851 

allemoodzakelijksten kamp te voeren: dien tegen zich- 
zelf en de velerlei ^abuysen" in eigen kring ^). 

Uit dien hoofde ging Voetius onafgebroken voort, in 
de door hem te Heusden gehouden predikatiën, zijne 
toehoorders ernstig te vermanen, dat zy zich toch niet 
uitsluitend zouden »weyden ende vermaecken" met de 
hun hier of daar geboden sierlijke beschrijvingen van de 
„verborghentheden der saligheydt", om dan verder »sor- 
gheloos ende onbekommert" hunnen weg te gaan. Zulke 
^neutrale" Calvinisten met „mom-aengesichten en bulle- 
backen van godtvreesentheydt" herinnerden, maar al te 
sterk, aan het voormalig geslacht der farizeén — die 
gewitte wanden en ontrouwe dienstknechten! Ook waar- 
schuwde hij de leden zijner gemeente, niet „te hincken 
aan beyde zyden"; niet , als „modderaers in de practycke", 
angstvallig hun hart te verdeelen tusschen God en de 
wereld; tusschen hemel en aarde, licht en duisternis. 
Veeleer dienden zg gestadig toe te nemen in „vyerigheyt 
ende strackheydt" des christelijken levens; zich voort- 
durend te oefenen in een scherp ^oppassen"; in een streng 
de wacht houden over hunne minste handelingen; hun 
slapen en waken, hun eten en drinken, hun spreken en 
zwijgen, hun opstaan en nederliggen. Eerst door zulk 



O »6hy die de verschillen in de religie weet te ontleden tot de minste 
stucken toe, en ontledet ghy u eyghen conscientie niet? vraagt Voetius 
zijn Heusdensche gemeente, om straks daaraan toe te voegen, deze, zeker 
hoogst merkwaardige woorden : »De levendighste overtuy ginghen , de sterckste 
dispu3rten zijn, met der daedt ende met sijn leven te disputeren; de vey- 
lighste ende vruchtbaerste overwinninghe is met weldoen de lastermonden 
te stoppen — de kladden ende lasteringen op onse heylighe professie van 
den Pausgesinden, Remonstranten ende andere geworpen, met de suy verheydt 
des levens af te wissen ende uyt te vaghen". Voet., Afs.-pred,^ blz. 43, 44. 
Vgi. daarmede blz. 41 — 79, passim ; Dissp, select.^ t. III, p. 793 : »Ita haere- 
tids disputantibus contra fidem , pro fide non tantum disputare docebuntur 
orthodoxi, sed et vivere, ac luce bonorum operum adversariorum nebulas 
discutere". 



Digitized by VjOOQ IC 



352 NEGENDE HOOFDSTUK. 

eene j^precijsheyt" ^) zouden zg zich waardiglijk verheflfen 
boven „den slendrium ende ghemeynen sleur" dergroote 
massa; boven alle „ongeresolveerde ende slappe belijders", 
alle „halfghebacken Gereformeerden", gewoon zich te ver- 
genoegen met eene ,, middelbare passable godtsalighejdt"; 
boven alle „pronck-christenen", die „by d'eerste occasie 
ende windt van vervolginghe" uiteenstoven als kaf^). 
Denzelfden geest ademde Voetius' Meditatie^) over 
Jacobus 2, VS. 12: „Spreect so, ende doet so, als die 
door de wet der vryheyt sult geoordeelt worden", ten 
jare 1628 verschenen. Ook daarin achtte Heusdens pre- 
diker zich geroepen, waarschuwend en bestraffend op 
te treden tegen sommigen zijner gemeenteleden, die, 
„segghers, ende gheen doenders", voorgaven het goed te 
meenen met den „dienst der kercke", doch enkel „uyt 
ghewoonte" of „om der opvoedinghe wille"; — t^en 
anderen , oogenschijnlijk beteren , die , „comedianten ende 
courantiers van de religie", er staag op uit waren, van alles 
iets te hooren en af te weten , maar zonder „f goede 
woort Godts" te gelooven of ter harte te nemen ; dat j^te 
verdouwen , ende te keeren tot voetsel haerder sielen"; — 
tegen nog anderen eindelijk, die, echte „formalisten", 
van het christendom geen hoogere gedachten koesterden, 



•) Van die «precijsheyt" kende en beschreef Voetius meermalen verschil- 
lende soorten. Vgl. dr. R. Fruins opstel : »De voorbereiding in de balling- 
schap van de Gereformeerde kerk van Holland"; zie Acquoy en Rogge, Arch, 
V. Nederl, kerkgesch.^ dl. V, blz. 7, aant. 2. 

*) Voet., Afs.-pred,^ blz. 16 — 34, passim. 

') De volledige titel luidt: Gisberti Voetii meditatie van de ware praciijcke 
der godtsalicheydt of der goeder wercken: soo die tot verbetering he den 
Gereformeerden volcke voor-gehouden wert , neffens ende op den gront des 
waren onghevalschten geloofs, den Remonstranten ende andere die met onse 
kercken twisten^ tot onpartijdige proeve^ den onsen tot ontdeckinghe van 
schijn-heylicheyt^ item schadelijcke vysheyt ende precijsheyt^ voor ghesieU 
uyt Jac. 2, vers 12. Amst., 1628, Op twee kolommen gedrukt. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN EIGEN KRING. TOT HOOGLEERAAR GEROEPEN. 353 

dan dat het bestond in een «uyterlijcken kerck-ganck"; 
volstrekt niet beseffende, dat men zijn geheele leven 
door, bij het dagelijksch verkeer, in handel en wandel, 
in alle «particuliere beroepinghen, ampten ende han- 
teeringhen", religieus en consciëntieus zich gedragen 
moest ^). 

Op deze wijze poogde Voetius, ruim zeventien jaren 
lang, gverig en trouw, in volkomen «eenparigheydt met 
de christelijcke Gereformeerde kercken", tot Heusdens 
gemeente te brengen, wat bij hem gold als „de oprechte, 
suyvere, evangelische leere, geklaert van menschelijcke tra- 
ditien ende van den ouden suerdeessem des Pausdoms" ^). 
Aan gel^enheid om openlijk in dien geest te getuigen, ont- 
brak het hem allerminst. De reeks toch der onderlinge 
samenkomsten binnen de frontierstad — twee keeren iederen 
Zondag en even dikwijls gedurende de week — werd, schier 
onmiddellijk nadat Cloppenburch er den arbeid met Voetius 
deelde, door nog ééne samenkomst uitgebreid. Verder 
bleven Heusdens predikanten, als vroeger, belast met 
het voorgaan op Zondag, *s morgens en 's middags, bij 
de godsdienstoefeningen te Nederhemert; terwijl daaren- 
boven de bezetting van het kasteel steeds naijverig hare 
rechten deed gelden op eene afzonderlijke toespraak. 
Aldus hadden beide kerkedienaren, in zeven dagen tijds, 
te zamen acht preekbeurten te vervullen ^. Hierbij kwam 



*) Voet., Medit., biz. 12—18, passim. 

*) Voet., Afs.-pred.^ blz. 12 en 81. Vgl. Polit. eccles,^ tom. I, pars I, 
p 607—631. 

») Onjuist is de voorstelling bij C. Burman, Traj, erud.^ p. 398 — vroeger 
door mij overgenomen in School-gezag^ blz. 16 — die Voetius alléén 90cto 
Gonciones per quamque hebdomadem'* laat houden. Ook de hoogleeraar 
N. O. Kist dwaalde, naar het mij thans voorkomt, met zijne verzekering 
in De Christ. kerk op aarde ^ 2^ uitg., dl. II, blz. 131 : »Van Voetius is 
het bekend, dat hij, als predikant te Heusden, gewoon was dagelijks in 
het openbaar te prediken". Misschien gaf tot zulk vergissen aanleiding het 



Digitized by VjOOQ IC 



364 NEGENDE HOOFDSTUK. 

nog, dat er, sinds 1619, overeenkomstig het voorschrift 
der nationale synode van Dordt, door Voetius en Clop- 
penburch des Zondagmiddags regelmatig werd gecate- 
chiseerd — aanvankelijk in hun pastorie, later in de 
kerk — van vier tot half zes voor de meisjes, en ver- 
volgens tot zeven uren 's avonds voor de jongens ; onver- 
minderd het bijbellezen op enkele werkdagen met meer 
geoefende lidmaten *). 

Betrekkelijk kort — drie jaren ongeveer — mocht 
Voetius de medehulp van zijn »alter ipse" ^) genieten. 
Reeds in Januari 1621 waagde Gorcums kerkeraad eene 
mislukte poging, om Cloppenburch , naast Jodocus Geis- 
teranus en Johannes Spiljardus, als derden predikant, 
voor die gemeente te verkrijgen '), toen zijne vaderstad 
Amsterdam, welker alumnus hij eertijds was geweest*), 
met het begin van Maart beslag kwam leggen op zgn 
persoon; een beroep , door Cloppenburch onmiddellijk |,toe- 
gestelt" en 17 Juni 1621 opgevolgd^). Een andere studie- 



dusgenoemde »avondt-gebedt", dat Voetius op bet eind Tan lederen dag 
Terrichtte, als legerpredikant vóór *s-Hertogenbosch. Zie hierboven, blz. 313. 

O Essenius, OraL fun,, p. 23. Vgl. //and. na^syn., blz. 49—52 (17d« sessie); 
Voet., Dispp. select., t. m, p. 793, 794; Polit eccles., tom. I, pars I, p. 862—869. 

^) Vgl. hierboven, blz. 111. 

') Door gedeputeerden der classis was ten zeerste afgekeurd de v^gze, 
waarop zich Gorcums consistorie bij het beroepingswerk gedragen had. Men 
oordeelde namelijk die zaak met »al te groote verhaestinge ende mercklijcke 
abuijsen" geschied, daar bedoelde kerkeraad, buiten medeweten van gede- 
puteerden, alsook zonder voorkennis der broederen uit den ring van Arkel, 
over het uit te brengen beroep reeds »met d, Cloppenburgio in woorden 
hadden geweest*'. Deze , toentertijd lid van den Gorinchemscben »coetu8 de- 
putatorum*' en, door bedoelde vergadering vgesondeert", niet ongenegen zijnde 
zich naar Groixum te vei*plaatsen , betuigde bij die gelegenheid zijnen collega's 
»dat de voors. abuijsen hem waren onbekent geweest, ende dat hij oversulcx aen 
de selve onschuldich was". Acta dep» cl. Gorinch., 12 Jan. 1621. Vgl. echter 
hierboven, blz. 249, aant. 3. 

^) Zie hierboven, blz. 111, aant. 3. 

») Acta dep, cl. GoHnch., 8 Maart 1621 ; Hand. cl. Gwk., 19 en 20 
April 1621 ; Arch. Herv. kerk Heusden, afd. I, C, n**. 72. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN EIGEN KRING. TOT H006LEEBAAB GEROEPEN. 355 

en partijgenoot^): de theologisch zoowel als literarisch 
goed-onderlegde predikant van Schoonerwoerd , Johannes 
Seroyen ^), werd daarna Voetius' ambtsbroeder te Heusden. 
Booze geruchten, omtrent dezen uitgestrooid, als koes- 
terde hij „een vremde opinie int point van den sabbath", 
deden de Gorcumsche classis besluiten , in hare zomer- 
vergadering Seroyen eerst nog sommige vragen ter be- 
antwoording voor te leggen ^, eensdeels , „om hare con- 
scientie te voldoen", anderdeels, opdat dEtaruit zijn onschuld 
zou kunnen blijken , en hij ^^de classi contentement geven"; 
wat dan ook tot aller genoegen plaats vond *). 

Negen maanden slechts had Seroyen binnen de frontier- 
stad het herders- en leeraarsambt bekleed, toen hij, na eene 
korte ongesteldheid, stierf*). Als zijn opvolger werd, half 
Juli 1622, bevestigd Johannes Slatius •), die zoodoende zijne 



9 Vgl. hierboven, blz. 158, aant. 2. 

^ Oud-arch. Heusden^ E. 216, bijlage tot fol. 43, Termeldtdezequitantie: 
»De wethouderen ende regeerders der stede van Heusden ordonneren Jan 
Franssen vanden Broeck eerste ende opperste borgemeerster deser stede, 
te betaelen aen Goossen Janssen Hagesteyn, de som me van acht car. guMen, 
over gelijcke somme, hem geaccordeert ende belooft voor dat hij de meu- 
belen ende ander hutjsraedt vanden predicant Joannes Seroij, van Schoon- 
rewoerde, binnen dezer stede met sijne schuijte gelost heeft, die' alhier be- 
roepen was, etc. Actura 20 Dec. 1621". 

») Vgl. hierboven, blz. 304. 

*) Hand. cl. Gore, 12 Juni 1621. Zie ook bijlage CXXVni. 

*) Tegen het einde der vacature, door Seroyens overlijden ontstaan, 
bepaalden de ringbroeders »aengaende de bedieninge tot Heusden", dat, 
»om haere kercke te bequamer mede te versorgen, sij alle met gebeurten 
voortsaen den dienst souden waernemen tot Hemert, ende Voetius alleen 
Heusden soude bedienen". Ringb. v. Heusd., 14 Juni 1622. 

^ Vgl. hierboven, blz. 210, aant. 4. Op de ringsvergadering in Eethen 
gehouden, had Voetius den broederen meegedeeld: »hoe dat de kercken- 
raedt binnen Heusden v?il lende procederen tottet beroupen van een nieuwen 
dienaer inde plaetze vande overleden Seroyen, haer ooge hadden geslagen 
op broeder d. Slatium , maer dat zij de beroupinge noch niet hadden voltroc- 
ken, mits dat zij alvoren eenige verseeckeringe wilden hebben vande ma- 
gistraet van DelfT, wiens alumnus hij was geweest, ende voorts gevraecht 
hadden het advijs vande broederen dienaeren alhier". Eenstemmig verklaarden 



Digitized by VjOOQ IC 



356 NROENDE HOOFDSTUK. 

eerste standplaats Vlijmen — evenals indertijd Voetius — 
met Heusden verwisselde ')• Hechtte reeds die betrekking op 
dezelfde dorpsbewoners beide ambtgenoot<en spoedig aan el- 
kaar — de hoogachting, welke Slatius koesterde voor de per- 
soonlijke gaven van zijn ouderen collega ^\ maakte hunne, 
door niets gestoorde, samenwerking uiterst bevorderlijk aan 
den bloei der fleusdensche gemeente '), bij welke allengs 



dezen »daer tegen niet te hebben". Ringb, Hetisd., 10 Mei 1622. Zie ook 
Hand. cl. Gore, 30 Mei 1622. 

1) Nadat de dimissie van Slatius op de classis was ter sprake gekomen 
en in rondvraag gebracht, »ofte daer oock emant v?aere die die vaceerende 
plaatse tot Vlymen begeerde te betreden, ende van alle jegenwoordige 
broederen nemant wierde bevonden'*, zag men uit naar een proponent. Als 
zoodanig werd, »nae dat de kercke lange gevaceert hadde**, in Mei 1623 
te Vlijmen beroepen een aanverwant van Voetius, Theodorus Groen (zie 
bijlage LXX), die den 29*^° September daarop trouwde met »Anneken 
Lamberts van Bueren, weduwe van Johannes Seroyen, s. g." Hand. cL 
Gore., 27 Juni 1622 en 1 Mei 1623. Vgl. hiermede die van 13 Febr. en 
6, 7 Juni 1623. Zie verder de Acta dep. cl. Gorinch., 7 Nov. 1622; (h^d- 
arch. Heusden, J. I. 1 en Kerkl. arch. Vlijmen, 17a. fol. 6, 7. 

3) Wanneer later Voetius hoogleeraar is in Utrecht, en Slatius' zoon naar 
de academie gaan zal, vei*zoekt Heusdens predikant, wien door de stede- 
lijke rageering het uitzicht was geopend op diens plaatsing als alumnus in 
het staten-collegie te Leiden, bij request aan »drossardt, schepenen ende 
borgemeesteren", dat het hem »liberalyck" moge vergund worden, onder 
toekenning eener geldelijke bijdrage, in plaats der «burse vande stadt in 
collegio theologie tot Leyden", zijn »soontien" te «bestellen" ter Utrechtsche 
hoogeschool , wijl de jonge Slatius valdaer sall genieten de liefde ende vader- 
lycke sorchvuldicheyt van d. Voetius". De magistraat bewilligt in die aan- 
vrage en beschikt Slatius' zoon te Utrecht »tot syn onderhout de somme 
van twee hondert vyftich guld. jaerlicx". Oud-arch. Heusden, D. 23. 

') Macht en invloed der «Arminiaansche ÜEU^tie" waren binnen Heusden 
voorgoed gefnuikt, zoodat Voetius, die de synode te Delft in 1628 bijwoonde, 
en zich daar duchtig weerde — o. a. bij het stellen der remonstrantie aan 
Hollands staten (zie hierboven , blz. 299, 300) — over de eigen gemeente niet 
behoefde te klagen. Immers kon hij, in de voorrede zijner tenzelfden jare uit- 
gekomen Proeve vande cracht der godtsalicheyt , blz. X, verklaren , dat »de 
oogen selfs der gener die onder haer waren afgedwaelt ende verruckt, 
heuchelijcken waren verlicht geworden; also dat hij in den Heere mochte 
roemen, datter sijnes wetens als gene ghevonden werden vande oude lede- 
maten ofte oock toehoorders, die de selve waerheyt nu volcomentlick niet 
en beleden, ofte immers beloofden sulckx te sullen doen". 



Digitized by VjOOQ IC 



IN EIGEN KBINO. TOT HOOOLSERAAR GEROEPEN. 357 

jpVeele morshoecken van oude abuysen, versuymenissen , 
vleeschelijcke quade gbewoonten, wereltsche vonden ende 
practgcken , ydele wandelinghen van den vaderen overghe- 
gheven ontdeckt , ende ten deele door des Heeren ghenade 
uytghesuyrert waren" ^). 

Ongeacht de verschillende predikatiên en catechisatiên, 
die hij wekelijks in de frontierstad of daarbuiten behoorde te 
houden, had Voetius zorg te dragen voor nog menig ander 
deel zgner pastorale werkzaamheid. Zoo moest hg van tijd 
tot tgd de aankomelingen ten avondmaal ondervragen en 
hunne geloofegronden toetsen; vóór de bediening dezer 
plechtigheid y bij de gevestigde lidmaten telkens opnieuw 
huisbezoek afleggen; de namen der communicanten als- 
mede die der gedoopten en gehuwden opteekenen in 
daartoe bestemde registers ^); kennisnemen van de nooden 
der armen *) en de behoeften der kranken *). Voorts diende 
hij, evenals zgn ambtgenoot, nauwkeurig toe te zien op 
het leerstellig gehalte van het schoolonderwijs daar ter 
stede'); er getrouw de kerkelijke samenkomsten bij te 
wonen , en met het consistorie „in goeden orden de chris- 
telycke disciplyne te betrachten". Ook was hij verplicht, 
geholpen door broeders-ouderlingen, zooveel doenlijk van 



>) Voet, Proeve^ voorrede, blz. XI. 

«) Vgl. Voet., PoUL eccles., t. IH, p. 278. 

>) Om aan de behoeften der armen tegemoet te komen, ontving Voetius 
van tijd tot tijd een «subsidium" uit de gelden en opbrengsten van het 
^t Gatbarijne klooster. Zoo werd hem, 26 Oct. 1623, op last der vroed- 
sehap daartoe uitbetaald 72 guld. Oud-arch, Hemden^ E. 215. 

*) Vgl. Voet., PoliU eccles,, tom. I, pars I, p. 930—953. 

>) In 1627 was Voetius «director scholae** o. a. met jonker Gaspar van 
Ejck , drossaard , en met Gerard Bruynincx , oud-burgemeester van Heusden. 
In 1633 bekleedde hij het scholasterambt met den oud-schepen Dingman 
Adriaansen (ten onrechte door van Oudenhoven, Beschr. v. Heusden^ blz. 167, 
vermeld als gestorven 14 Juni 1629). Voetius' opvolger in deze werd ten 
jare 1634 zijn collega Slatius. Zie Oud-arch. Heusden, E. 218, bijlage tot 
foL 49; E. 221, bijlage tot fol. 27 (rek. 1633), en fol. 32 verso (rek. 1634). 

24 



Digitized by VjOOQ IC 



358 NEOENDB HOOFDSTUK. 

de „kudde des fleeren" alle ergernissen weg te nemen; 
de zwakken te steunen; de gevallenen te vermanen; 
de ongeregelden te bestraffen; bovenal , met de meeste 
behoedzaamheid, te streven naar het bijlagen van 
tweedracht en twist onder „het volck" der (Gerefor- 
meerden ^). 

Bgzondere omstandigheden waren oorzaak, dat Voetiiis 
zich nu en dan inliet met dingen, niet rechtstreeks lig- 
gende op zgn weg. Iets dergelijks deed zich voor ten jare 
1622. Dirk, zijn oudere en eenig overgebleven broeder, 
die , na eerst in Vlijmen onderwas gegeven te hebben *), 
later de familie naar Heusden was gevolgd en aldaar, 
4 Maart 1618, plaatsvervanger geworden van Arcerius, 
rector der Latijnsche school '), had sedert, onder zgne 
leiding, zich zoeken te bekwamen voor den predikdienst. 
Hoewel nu genoemde Diedericus, volgens het oordeel 
der Gorcumsche classis, niet meer dan redelijk j^propo- 
neerde" *) , en hfl — wat als erger beschouwd werd — 
buiten haar ressort, in de classis van Breda, praeparatoir 
examen had gedaan ^), maakten toch de broederen tegen 



1) Zie met betrekking tot Voetius' pastorale werkzaamheden, hierboven 
opgesomd, de Forme der inspectie over de ghemeene kercken 
te houden, volgende de resolutien van beyde de generale sy- 
noden, ende verscheyden particuliere van Suyt-Hollandt. 
Waer van ghewach wort ghemaeckt artic. 40 der acten sy- 
nodi Suyt-Holl. gehouden tot Rotterdam, anno 1621, in copie 
geplaatst achter de lacta" der Ueusdensche ringsvergadering van 4 April 1695, 
en die der Goi'cumscbe classis van 18 April 1633. Vgl. Kist en Royaards, 
Archief, dl. VU, blz. 143—146; Ringb. Heusd., 8 Aug. 1623 en Hand. cl. 
Gore, 5 April 1622. 

2) Zie hierboven, blz. 154. 

5) Zie hierboven, blz. 226, aant. 1, en Oud^rch. Heusden, E. 60, fol.24. 

*) Hand. cl. Gore, 2 en 3 Nov. 1620. Vgl. Voet, Polit. eccles., torn. I, 
pars I, p. 884. Vgl. hierboven, blz. 266. 

^) Te Breda was Diedericus ook getrouwd, in de eerste dagen van April 
1618, met »Glaerken Caleyt, jonge dochter". Oud-arch, Heusden, J. I, 1. 
Vgl. hierboven, blz. 9. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN BI6EN KRING. TOT H006LEEBAAR GEROEPEN. 359 

zgn beroep naar Dussen geen het minste bezwaar O, en 
vertrok hg in September 1622 derwaarts *). Middelerwgl 
nam Voetius ruim vier maanden achtereen -^ van 6 
Aagostos tot 31 December — het opengevallen rectoraat 
waar *), om eerst met het jaar 1623 door den nieuwen 
dignitaris ^ Adam Leenaertsen y in die betrekking vervan- 
gen te worden *). 

Hetgeen Heusdens prediker — niettegenstaande ^veele 
aide swaere occupatien" — met uitnemend gevolg hier 
verrichtte y gaf van ongewone geestkracht blijk. Immers 
had hg kort te voren, zoo binnen als buiten zijne wo- 
ning, geducht te kampen gehad met ziekte en zorg. 
Deliana, gedurende den vnnter van 1621 door eene schier 
doodelgke krankheid aangetast, was daarvan wel ge- 
nezen, doch moest, zéér vermagerd en verzwakt, in af- 
wachting der zomersche dagen, geruimen tijd rust nemen '). 
En dit, terv^gl zg als huismoeder zonder ophouden ge- 



1) Toch werd , op initiatief der Gorcumsche classis , bij de proviDciale synode 
te Grouda een gravamen ingeleverd naar aanleiding van het bovenvermelde 
feit, en besloot deze, dat de classis, die iemand buiten haar ressort prae- 
paratoir examineerde, voortaan censurabel zou zijn. Acta syn. part. Z. ff., 
Gouda, 1620, art. 83. Zie ook bijlage GXXIX. 

*) Dirk of Diedericus , ook wel genoemd Theodorus Voetius volgde in Dussen 
Goilhelmus Lupardus op, die naar Heinenoord vertrok. In 1634 werd hij 
emmtUB. V^. Ziepprecht, Register, in voce. 

«) Eeeenius, Orat, fun.y p. 24; Oudrarch. Heusden, E. 217, fol. 12 verso, 
alwaar, in eene bijlage tot de gemeenterekening over 1622, nog voorhanden 
iqn de twee quitantiën door Gisbertus geteekend wegens ontvangen 
rectorstraktement; samen ten bedrage van 83 gld. Zie voorts bijlage CKXX. 

*) Oud^rch, Heusden^ E. 63, fol. 20 verso. In het huwelijksregister, 
ibidem^ J. I, 1, staan, als op 30 Aug. 1623 getrouwd, vermeld: »Adam 
Lenaerts, jongman van Amsterdam, rector der schole alhier en Ariaentjen 
WiUem Verhoutert, jonge dochter van Heusden*'. Zoodoende verzwagerde zich 
de nienwe rector met een der aanzienlijkste geslachten aldaar. Anaentjen*s 
vader evenwel, Willem Gerritsen Verhoutert, steunpilaar der Gereformeerde 
gemeente binnen de frontierstad , was reeds in Januari 1620 gestorven. Vgl. 
hierboven, blz. 196, aant. 1, en van Oudenhoven , Beschr, v. Hemden, blz. 166. 

») Essenius, Orat, fun., p. 36. 



Digitized by VjOOQ IC 



360 NEGENDR HOOFDSTUK, 

roepen werd hare plichten te vervullen jegens een doch- 
tertje, Elisabeth % toen ongeveer vijfjaren oud, en twee 
jongens, van wie de een, Paulus*), nog geen drie jaar, 
de ander, Nicolaas'), nog geen zes maanden telde*). 
Hierbij kwam, dat Voetius, nauwelijks zelf van eene 
ernstige ongesteldheid opgekomen ') en over het geheel 
zich vrij machteloos gevoelende, ter wille van Seroyen, 
zgn zieken, straks stervenden collega®), dubbelen arbeid 
moest verrichten, die hem uitermate inspande, en waar- 
van hg pas ontheven werd door Slatius' overkomst. Toch 
wist Voetius aan alle tegenheden moedig het hoofd te 
bieden en toonde, door eigen ondervinding geleerd, zich 
naderhand ook des te zorgvuldiger bedacht op middelen, 
geschikt om anderen onder soortgelijke omstandigheden 
bij te staan. 
Dringend vooral openbaarde zich deze behoefte aan 



1) Zie hierboven, blz. 155, aant. 7, alwaar voor: »die eveneens stierf in 
hare jeugd, gelezen woi*de: »die eveneens stierf ongehuv?d'\ 

*) Greboren te Heusden, 7 Juni 1619, en genoemd naar zijn grootvader 
van vaders zijde. Het doopregister, loopende van 1618 tot 1642 (zie Oud- 
arch. Heusden^ J. 1, 6), vermeldt met de hand van Gloppenburch ab op dien 
datum gedoopt: «Paulus soone van Gisbertus Voetius predicant tot Heusden 
ende Delia Jans". Vgl. de geslachtüjst bij Isaac Le Long, a.w,^ blz. 89, 
en Essenius, Orat. fun,^ p. 17. 

*) Den 7d«»» October 1621 ook te Heusden geboren, en naar zijn over- 
grootvader van vader» kant Nicolaas geheeten. Blijkens aanteekening in het 
daareven vermelde register, werd hij 8 Oct. gedoopt. Vgl. Le Long, a. w^ 
blz. 89. 

*) Naar het schijnt stierf Nicolaas spoedig, althans vóór Febr. 1627. Zie 
Essenius, Orai. fun.^ p. 17. . 

») »Noster (n. Voetius), quantumvis ex morbo debilis, onerum roinisterü 
sacri et instantis tune coenae Dominicae conscius, per viros duos valides, 
totus pallio involutus, sic capite etiam obtecto, ad templum deductus, con- 
donem publicam tarnen habuit die Veneris; sequente iterum Satumi prae- 
paratoiiam ad s. synaxin; et die Dominico rursus, quemadmodum sacra- 
mento conveniebat: sed Dominus inter concionandum miris modis eum 
corroboravit. Ad collegam suum , per idem tempus moribundum , adiit etiam 
ut potuit". Essenius, Orat, fun.^ p. 36, 37. 

®) Zie hierboven, blz. 355. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN EIOBN KRINO. TOT HOOGLEER AAR GEROEPEN. 361 

hulp tijdens de jaren 1624 en 1625, waarin ^kortheyt 
ende schaersheyt" der financiën de Vereenigde Gewesten 
niet weinig benauwden ; terwijl oorlog ') en pest dagelijks 
eene reeks van oflfers kwamen opeischen ^). Treurig stond 
het geschapen ook binnen de frontierstad. Door den ster- 
ken groei harer bevolking, waarbij zich op het einde 
der ,treves" onderscheidene nieuwe poorters gevoegd had- 
den^, zoowel als door de belangrgke vermeerdering van 
haar garnizoen, sedert Breda voor Spinola's overmacht 
moest bukken*), was het aantal noodlijdenden te Heus- 
den sterk toegenomen , en bleken voor Voetius en Slatius 
de pastorale zorgen dermate verzwaard , dat hunne andere 
werkzaamheden dreigden schade te lijden. Wilden zjj toch 
bedoelde personen „t'haeren contentemente visiteren ende 
vertroosten", zoo kon dit onmogelijk geschieden ^sonder 
haere gemeente ende de goede borgerije , mitsgaders haere 
noodige studiën ende wat daer van dependeerde, grootelijcks 
te discommoderen". Om aan die wanverhouding eenigs- 
zins tegemoet te komen , wist Heusdens magistraat , daar- 
toe door hare kerkedienaren bij request aangezocht*), 
HH. Staten te bewegen tot de hernieuwde uitzending 
van een ^ordinairen kranckenbesoecker", inzonderheid voor 



^ »Strepitus armorum post finitas inducias ab anno 1621. denuo ciixïum- 
sonabat". Voet., Dispp. select, t. IV, p. 283. 

*) Id dien »geTaerlijcken'* tijd van »benoutheyt ende dierte", werden er 
door HH. Staten verschillende bededagen uitgeschreven. Resol. Holl., 26 Sept. 
en 29 Nov. 1624; 30 April 1625. Vgl. Voet., Dispp. select, t. I V, p. 299, 301 . 

*) Sommigen hunner waren uit de Zuidelijke Nederlanden gekomen. Oud- 
arch. Heusden, Ë. 216, bijlage tot fol. 11 verso. 

*) Voetius begrootte de sterkte toentertijd van het garnizoen zijner vader- 
stad »de6 winters tot 1700 ofte 1800 mannen, behalven vrouwen ende kin- 
deren". Van Oudenhoven, Beachr. v. Heusden, blz. 18, maakt gewag van 
•vier vaendelen ruyters ende een-en-twintigh compagnien te voet", die, 
nadat Breda «aen des Koninghs zyde was gekomen", te Heusden in bezet- 
ting lagen. 

») Oud-arch. Heusden, E. 217, bijlage tot fol. 27 verso. 



Digitized by VjOOQ IC 



362 NEGENDE HOOFDSTUK. 

de garnizoensbevolking. Aldus werd aan beide bovenver- 
melde predikanten geen geringe verlichting bezorgd, en 
konden zij «met meerder couragie tot de andere deelen 
haeres diensts vaceren". 

Buiten twijfel had Voetius die „couragie" zéér van 
noode, ten dage dat het vuur der pestilentie brandde en 
blaakte binnen de muren zijner vaderstad; toen daar, 
gelijk voorheen in Egypte, schier geen woning „sonder 
klaghe" bleef*); toen Heusdens vroedschap, naast den 
reeds uit Delft overgekomen ziekentrooster*), nog twee 
afeonderlijke postmeesters, kort op elkaar, moest aan- 
nemen, ten einde wie besmet waren bij te staan'); toen 
zoowel Slatius als diens beide kinderen door „de gras- 
serende contagieuse sieckte" overvallen werden en laatst- 
genoemden daaraan stierven ; toen ook Deliana vannieuws 
op het krankbed lag neergeworpen, even nadat haar 
jongste zoontje , Johannes *), droevig bezweken was onder 
„het tempeest" van den Almachtige *) ; toen aan Voetius, 
als kerkedienaar, weer een poos lang bij uitsluiting de 
herderlijke zorg bleef opgedragen, en hij niet afliet, van 
morgen tot avond, zijn beangsten gemeenteleden hulp, 
troost en verkwikking te brengen'), terzelfdertijd dat 

^) Voet., Afs.'pred., blz. 34. Vgl. van Oudenhoven, Beschr, v. Heusd.^ 
blz. 189: »Anno 1624. en 1625. storven hier eenighe weecken langh tusschen 
den twintigh ende dertigh persoonen, eude bleven seer weynige huysen in 
de stadt van die sterfte vry**. , 

«) Oud-arch, Heusden, E. 64, fol. 25. Vgl. daarmede bijlage CXXXI. 

') Gillis Aertssen, linnenwever, deed den eersten tijd als peetmeester dienst, 
en wel van 9 Oct. tot 14 Dec. 1624. Op hem volgde mr. Peter Segerssen, 
die 60 gld. ontving boven zijn gewoon traktement »voor het opbreecken'* 
uit Bommel »ende anderssins**. Oud-arch, Ueusden^ E. 64, fol. 24 verso. 

*>) Johannes, naamgenoot van zijn grootvader aan moeders kant, werd 
28 Januari 1624 te Heusden geboren, en, naar Voetius zelf in het register 
opteekende, den 1*^1^ Februari daaraanvolgend gedoopt. Oud-arch. Heusden^ 
J. I, 6. Vgl. Essenius, OraL fun., p. 17, en Le Long, a. lü., blz. 89. 

») Voet., Dispp. select., t. IV, p. 324. Vgl. Essenius, OraL fun,, p. 24. 

^) «Siquidem pastores ecclesiarum non possunt se subtrahere visitationibus 



Digitized by VjOOQ IC 



IN EIGEN KRING. TOT HOOGLEERAAR GEROEPEN. 363 

Heusdens gouverneur^), door de «tambourijns" van het 
garnizoen, hun, die met ^de gave Godts" bezocht waren, 
bg trommelslag deed aanzagen , deuren en vensters goed 
gesloten te houden, op j^seeckere poene", door de vroed- 
schap volgens ordonnantie vastgesteld^). 

Niet tevreden, zijne zwaar bezochte Calvinistische ge- 
loofegenooten in dagen van benauwdheid en druk krach- 
tig gesteund te hebben , rekende Voetius zich later even- 
zeer verplicht tot samenwerking , toen Heusdens magistraat 
— nadat met December 1625 de pest had uitgewoed — 



aegrotorum , multo minus licita ipsis fuga est, aut importuna ministerii 
desertio". Voet., Dispp, select,^ t. IV, p. 313. De disputatie, verdedigd onder 
het praeddium van Utrechts hoogleeraar, waaraan bedoelde gevolgtrekking 
(consectarium) is ontleend, voert tot titel: De peste seu pestis anti- 
doto spirituali, en mag, ter kenschetsing zoo van Voetius* denkbeelden 
over — als van zijne gedragingen onder die besmettelijke ziekte, buiten 
twijfel merkwaardig heeten. Vgl. daarmede het gedeelte uit Wtenbogaerts 
preek over de pest, aangehaald door dr. Rogge, Wtenb,^ dl. I, biz. 12 — 14; 
en J- B.(everwyck), med.. Bericht van de pest 1. Dat de pest besmettelick 
18, 2. Middelen om de selve voor te komen, 3. ende te genesen, Dordrecht, 
4636. Zie dr. Knuttel, CkitaL pamfl., dl. I, st. II, n**. 4454. Vgl. hierbij het 
opetel van dr. C. E. Daniels over »de pest*' in Eigen Haard, 1897, 
bis. 196—198 en 216—220. 

«) Willem Adriaan de Homes. Zie hierboven, blz. 156, aant, 5. 

*) Nog werd door Heusdens magistraat aan de dienaren der «criminele 
justitie**, wegens het afknaken, in die dagen, van negentien honden — op 
haar bevel, om besmetting te weren, »doot geslagen ende voor des scholtes 
poorte gebracht** — eene som uitbetaald van 4 gld. 15 st. Zie Oud-arch. 
Heusden, E. 64, fol. 28 en 48. Al dergelijke handelingen strookten echter 
weinig met Voetius* inzichten , meegedeeld Dispp, select,, t. IV, p. 299 : «Cru- 
deles sumus in animas et corpora eorum, qui ipsi aut quorum aedes peste 
infectae sunt , cum sani omnes una cum aegris istius familiae, domibus undique 
arctisBime ocdusis includuntur, et quidem saepe integro trimestri aut semestri 
aut amplius'* ; alsook p. 320 : «Erit ergo a pubHco omnino abstinendum etiam 
cam ex dvitate infecta profugimus, nee sufidciet illud: cito. Ion ge, 
tarde: nam semper metuendum et cavendum, ne pestis ex civitate, quam 
reliquimus, aut ex remotiori aliquo terrae angulo nos afïlet. Haec dico, ne 
nimis anxie si non superstitiose cautelis illis ad vitandum quodque vel 
remotissimum contagium dijudicandis, et observandis nos excruciemus, etiam 
osque ad negligentiam caritatis et ofiBcii erga Deum et proximum; atque 
ita bis, terque miseros nos &ciamus ante tempus**. 



Digitized by VjOOQ IC 



364 NEGENDE HOOFDSTUK. 

er ernstig over dacht om, in plaats van het oude gast- 
huis , dat sedert jaren véél te klein bleek , een nieuw en 
grooter gebouw te stichten, waarbinnen alle kranke en 
hulpbehoevende burgers zouden kunnen ^logeeren" *), be- 
nevens een niet gering aantal zieken en gekwetsten uit 
de voorbijtrekkende legerafdeelingen , die doorgaans kwa- 
men ten l£töte der frontierplaats. 

Op de classisvergadering te Gorcum en op die te Qouda 
stelde daarom Voetius, zoo mondelijk als bij missive, 
met klem van redenen in het licht , hoe zijne stadgenooten 
aan anderer hulp en milde hand groote behoefte hadden ; 
den broederen dringend verzoekende deze zaak, een ieder 
binnen den kring der eigen gemeente, »op het favora- 
belste te recommanderen"^). Geen wonder, of Heusdens 
vroedschap nam gaarne de gelegenheid waar, toen aan 
Voetius, 7 Februari 1627, opnieuw een zoon was ge- 
boren ^), om, staande over dien doop, in den vorm eener 
pillegift van honderdvijftig gulden *), den hooggeschatten 
prediker haren dank te betuigen voor „de goede dijensten 
de stede gedaen , dat hij diverse magistraten ende andere 
coUegien gedisponeert hadde tot liberaele giften, geöm- 
ployeert tot opbouwinge vanhet nieuw gasthuis" '). 



O Vgl. van Oudenhoven, Beschr. v. Hemd., blz. 18. 

«) Hand. cl. Gore, 22 en 23 Juni, 5 en 6 Oct. 1626; Hand. cl. Gouda, 
21 April 1626. 

*) Wederom vverd nu overgrootvader Nicolaas vernoemd. Blijkens hetgeen 
Voetius aanteekende in het daartoe bestemde register, doopte hij 19 Fe- 
bruari zijn jonggeborene. Zie Oud-arch. Heugden, J. I, 6. Ook deze Nicolaas 
werd niet oud, naar Essenius meldt, Orat fun., p. 17: »Nicolai duo in 
in&ntia , vel prima adolescentia, obierunt". Vgl. Le Long, a. lü., blz. 89, en 
hierboven, blz. 360. 

*) Oud-arch. Heusden, E. 66, fol. 30. Zie voorts bijlage CXXXU. 

A) Aan Slatius schonk de stad in 1630 eene pillegift van veertig gulden, 
met nog tv^eeendertig gulden daarenboven, den «minister" vereerd »over 
eenighe goede ende getrouwe diensten ende debuoiren bij hem extraordinarie 
gedaen". Oud-arch. Hemden, E. 220, bijlage tot fol. 31 verso. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN EIGEN KBINO. TOT HOOOLEEBAAB GEROEPEN. 365 

Nochtans, niet minder dan de zaken voor algemeen 
nut, vonden ook de belangen van bijzondere personen 
in Heusdens oudsten kerkedienaar steeds een machtigen 
en vriendelijken beschermer. Zoo geschiedde het door zijne 
bemiddeling dat Teunisken Huyberts van der Plas — wier 
echtgenoot Jan Tielmansz. van Walraven *)> gestorven 
31 December 1630, bijkans dertig jaren lang als onder- 
meester, met groote moeite en hoofdbreken, den school- 
dienst had waargenomen') — haren „beswaerden staet" ^) 
aanmerkelgk verlicht zag, doordat haar, boven hetgeen zij 
rechtens kon vorderen , nog drie maanden traktement met 
vijftig gulden woninghuur bij apostille werden toebedeeld *). 

Dergelijke »nae-gagie" wist Voetius op het raadhuis 
eveneens te bedingen voor de weduwe van Philippus 
Breberenus *), ten jare 1626 als rector Leeneiertsen op- 
gevolgd •). Ook bood hij haar , toen zij zich zoo goed 
mogelijk trachtte te ontdoen van Breberenus' boekerij, 
gaarne de behulpzame hand, door, met verlof van bur- 
gemeester Beeleterts , allerlei literarische en philosophische 
werken daaruit aan te koopen voor den «stadts alumnus" 
Tielman Jansen van Walraven'). 



*) Zie hierboven, blz. 17, aant. 2. 

*) Het request, door Voetius ten behoeve van Teunisken gesteld en ge- 
schreven, is nog voorhanden in Oud-arch. Heusden^ E. 220, bijlage tot 
fol. 43 der gemeenterekening. 

>) Jan Tielmansz. had aanvankelijk een tractement van 125, later van 
150 gld. 'sjaars; doch geen vrije woning. Hij moest onderricht geven in het 
»schrijyen ende cijferen'', en bovendien »lesen in de kercke'*. 

^) Voor de apostiJle der magistraat en de quitantie van Teunisken, zie 
Oud^rch. Heusden, E. 220, t. a. p. 

•) Eigenlijk heette hij Phil. Breb. van Dyck. Zijne weduwe, Geertruyd 
Heemskerck, eene Heusdensche, bleef tegen den winter van 1633 met twee 
kinderen onvei*zorgd achter. Zie het request door Voetius ook voor haar 
in gereedheid gebracht, Oud-arch, Hemden^ E. 221, bijlage tot de rekening 
van 4634, fol. 31. Vgl. daarmede J. I, 1, op 12 Nov. 1627. 

•) Vgl. hierboven, blz. 359. 

^ Tielman Jansen van Walraven was de zoon van bovengenoemde Teu- 



Digitized by VjOOQ IC 



366 NEGENDE HOOFDSTUK. 

Inzonderheid ging aan Heusdens prediker ter harte al 
wat betrekking had op lot en vooruitzichten der studee- 
rende jongelingschap zijner kennis. Vandaar , dat hij niet 
zelden vol toewijding zich bezighield met het besturen of 
verbeteren hunner geldelijke aangelegenheden. Zulks kwam 
onder anderen Ambrosius van Houweningen i) en Johannes 
Sylvius uitnemend te stade. Zelfs schreef Voetius voor 
laatstgenoemde een kort en bondig request, waarbij deze — 
nadat hij als Heusdens bursaal te Leiden z^ne studiën had 
voltooid — drost , burgemeesters en schepenen der firontier- 
stad beleefdelijk verzocht, hem de noodige middelen te 
willen aanwijzen voor eene reis naar Frankrijk , Engeland 
»ende andere plaetsen"; en dit, niet slechts tot eigen 
profijt, maar ook tot eere van wie jarenlang „syne ge- 
trouwe voetster-heeren" zich betoond hadden^). 

Wat natuurlijker, dan dat verschillende Gereformeerde 
gemeenten iemand als Voetius om strijd aan hare be- 
langen zochten dienstbaar te maken. Reeds spoedig na 
zijn optreden binnen Heusden, werd hiertoe eene poging 
gedaan door de hem, uit vroeger dagen, welbekende 
calvinisten te Rotterdam , alwaar de regeering ') bij plak- 
kaat van 1 November 1618 bepaald had, dat — onder- 
wijl de staten van Holland en West-Friesland de »dif- 
ferenten", gerezen bij j,die van de zelve religie", in eene 
provinciale en nationale synode deden examineeren — 



nisken Huyberts. Op die wijze steunde Voetius de eene weduwe, door hare 
belangen aan die der andere te verbinden. Oud-arch, Heusden^ E. 221, bijlage 
tot fol. 38 verso. 

>) Zie Oud-arch. Heusden, E. 62, fol. 30 verso. Vgl. hierboven, blz. 1 75, aant. 3 
«) Oud-arch. Heusden, E. 219, bijlage tot fol. 40 verso der gemeente- 
rekening. Uit de apostille, geplaatst aan den kant van Sylvius* verzoekschrift, 
blijkt, dat hem door de magistraat, »voor den tijt van twee eerst comende, 
ende den anderen volgende jaeren'*, eene subsidie van 250 gld. werd toegestaan. 
') Twee dagen te voren, had Maurits in Rotterdam »de Wet verzet". 
Brandt, a.w., dl. O, blz. 864. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN EIGEN KRING. TOT HOOGLEERAAR GEROEPEN. 367 

beide partijen^ zoo Remonstranten als Contra-remon- 
stranten , elk vertegenwoordigd door het eigen consistorie, 
op de gewone plaatsen der openbare samenkomst beur- 
telings hare godsdienstoefeningen zouden houden ^). 

Van deze vrügevige bepaling zoodra mogelijk gebruik 
makend , vervoegde zich , 6 November , bij den kerkeraad 
der frontierstad Petrus Nieuroy^), ten einde op last der 
Rotterdamsche calvinisten hun geestverwant Voetius 
daarheen te beroepen, en tevens den eerwaarden broe- 
ders in herinnering te brengen, hoe, vóór anderhalfjaar, 
bedoelde gemeente — «als eerst hebbende gesproken" — 
haar recht op Vlijmens predikant aan Heusden had af- 
gestaan; nochtans «niet sonder belofte van t'syner tgt 
oock haer te accommodeeren". En dat oogenblik rekende 
men toen gekomen ^). 

Ruim vijf maanden later *) verscheen dezelfde Nieuroy 



') Placcaet ghepubliceert den 1. November^ 1618. By myn heeren, schout^ 
bttrgemeesteren ende schepenen der stadt Rotterdam. Tot Rotterdam^ hy 
Matthijs Bastiaensz, boecverkoope^^ opt Steygher in Josephus^ 1618. Vgl. 
daarmede Resol. Holl, 9 en 10 Mei, 8 Juli 1619. 

^ Nieuroy, beroepen »in de dolerende kercke tot Rotterdam", was, sinds 
het voorjaar, uit de gemeente Zijderveld schriftelijk door zijne classis ge- 
dimitteerd. Hand. cl. Gore, 23 April 1618. Vgl. hierboven, blz. 202, aant. 1. 

*) Zie Briev. en pap, kl. Gorinchem. Vgl. Voet., Polit. eccles.^ t. m, 
p. 252, en hierboven, blz. 200—203. Wijl Voetius niet besluiten kon tot 
eene verplaatsing, vroeg Rotterdams gemeente aan die te Middelburg, voor 
den tijd van twee maanden »by leeninge den dienst d. Telingii te moghen 
gebmijcken'*. Ofschoon het zeer bezwaarlijk viel — »twee dienaren wesende 
absent inde synode" — hier ook nog Willem Teellinck te missen, meende 
echter de kerkeraad van Middelburg dat verzoek der Rotterdamsche cal- 
vinisten, om gewichtige redenen, te moeten inwiUigen. Vgl. Acta consist, 
ecclesiae Middelb., 10 Nov. 1618. 

^) Binnen koi't zouden te Rotterdam de beide Arminiaansch gezinde pre- 
dikanten, Franciscus Lansbei*gen en Ghnstoffel Hellerus, door de magistraat 
gedeporteerd worden en wachtte hun op Leidens provinciale synode «het 
ontzet van den kerkendienst". Zie Brandt, a. w., dl. UI, blz. 792; Kist en 
Royaards, Archief, dl. VU, blz. 39. Vgl. daarmede Resol. Holl, 22 en 30 
Juli, 2 Sept. 1619. 



Digitized by VjOOQ IC 



368 NEGENDE HOOFDSTUK. 

met enkele gecommitteerden uit het consistorie op de 
classis te Gorinchem , die daar namens ,,de gemegnte'' van 
Rotterdam in het licht stelden, hoe zij ^over langhe d. 
Gisbertum Voetium tot heieren praedicant geroepen had- 
den", en reeds onderscheidene malen te Heusden waren 
geweest — den laatsten keer zelfs voorzien van een aan- 
bevelend schrijven, hun verstrekt door zijne excellentie, 
prins Maurits , alsook door het moderamen der Dordtsche 
nationale synode ') — om zijne dimissie te verkrijgen 
van den kerkeraad ; doch zonder te slagen. Gevraagd door 
de aanwezige broederen: ^hoe hij hem hier toe gevoelde 
in sjjn gemoet ende conscientie", bleek Voetius van oor- 
deel, dat hij Heusdens gemeente »die seer veel met hem 
hadde wtgestaen , ende die hij wiste dat hem in geenderleij 
manieren ontslaen wilde", niet mocht verlaten; ofechoon, 
aan den anderen kant , overtuigd „dat die van Rotterdam 
wel behoorden geholpen te worden^, ende hg aldaer 
meerder stichtinghe soude connen doen" '). Eenstemmig 
besloot hierop de Gorcumsche classis, Rotterdams ge- 
deputeerden aan te zeggen: »dat, hoewel dese vergade- 
ringhe was geneijcht haer alle hulp ende bijstant te be- 
thonen", zij niettemin met een goed geweten onmogelgk 
kon overgaan tot Voetius' losmaking. Terwgl Heusdens 
oudste predikant van heeler harte berustte in de resolutie 



O Essenius, Orat, fun., p. 30. Voetius bevond zich toentertijd nog te 
Dordrecht op de nationale s3mode , in welker tweede zitting gekozen waren : 
Bogerman tot praeses, Rolandus en Faukelius tot assessoren, Damman en Hom- 
mius tot scriba's. 

*) In de voon'ede zijner reeds meer vermelde Proeve , blz. VI, merkt Voetius 
op, dat te Rotterdam »de waerheyt, die na de godtsalicheyt is, boven alle 
andere plaetsen onzes vaderlants op het hooghste ende seer baldadel ick 
ghelastert wordt, tot jammerlycke verstroyinghe van veele eenvoudighe". 

*) Vgl. echter Voet., PoliL eccles,^ t. Il, p. 663, waar in het breede en 
ontkennend deze vraag wordt beantwoord : » An major et frequentior ecclesia 
majorem aedificationem inserat, et consequenter majoritas illa suffidens sit 
ratio, transitus et translationis ministri a sua ad majorem Ulam ecclesiam?'* 



Digitized by VjOOQ IC 



IN BIOBN KRINO. TOT HOOGLEER AAR GEROEPEN. 369 

door de broederen genomen , toonden de Rotterdamsche 
a%evaardigden zich daarover grootelflks misnoegd *); wat 
echter niet belette, dat zij reeds in 1621 wederom het- 
zelfde verzoek deden*) en — hetzelfde antwoord ont- 
vingen. 

Weinig beter ging het «andere goede gemeynten", die 
haar ernstig verlangen te kennen gaven, met Voetius' 
persoon en bekwaamheden voor hare leden winst te 
doen*). Daartoe behoorde al aanstonds het rechtzinnige 
Dordrecht, waar zoowel zijn vroegere Leidsche mede- 
barsaal, Gosuinus Buytendyck *) , als zgn collega en 
geestverwant uit lateren tijd, Balthasar Lydius '), vruch- 
teloos Heusdens prediker de plaats wenschten te zien 
vervullen van den gematigden, zéér practisch gezinden 
contra-remonstrant Johannes Becius*), 26 Januari 1626 
overleden O* Dan volgde tegen het einde van genoemd 
jaar Den Haag, dat, na het afeterven van Wilhelmus 



1) Hand, cl. Gore, 15 Apiil 4619. 

s) Zie Essenius, Orat. fun., p. 30, waar sprake is van een: biennio 
post. Vgl. Soermans, Acad. reg.y blz. 137, 138. — Le Long, a. tü.,blz. 89, 
bericht evenwel: »Vi.er jaaren daar na (1623) versocht hem de magistraat 
van Rotterdam van nieuws, 't geene hem nochmaals door den gemelden 
Prins wierdt aangeraaden; doch hy wees het wederom van de handt**. 
Voetiuszelf laat den daur van het tijdsverloop onbeslist , wanneer hij schrijft, 
Polit. ecclea.y t. m, p. 252: »Quod cum tune temporis (n. anno 1619) non 
succeesisset, aliquamdiu post idem denuo tentarunt**. Vgl. Proet>e, voor- 
rede, blz. Vn, en Re9ol HolL, 20 Sept. 1624. De Handelingen van het Rot- 
terdamsche consistorie kunnen bij deze quaestie geen licht aanbrengen, 
wijl de oudste kerkeraadsacte dagteekent van 5 Januari 1639. 

*) Zie Voet., Proeve, voorrede, blz. VUT; Paulus Voet., Appendix apol., 
p. 270; Soermans, Acad. reg., blz. 137, 138 en Le Long, a. w., blz. 89, 90. 

*) Zie hierboven, blz. 111, aant. 5. 

*) Zie hierboven, blz. 283, aant. 8. 

*) Vgl. hierachter, bijlage LL 

') Acten kerkr. Dordt, 7 Juli 1625; 18, 20—25 Aug. 1626. Daarer»geen 
apparentie was van d. Voetius te krijghen**, beriep men , 5 Sept. 1626, Samuel 
Everwijn, die zich de keuze liet welgevallen. Vgl. hierachter, bijlage CXX XIII, 
en hierboven, blz. 327. 



Digitized by VjOOQ IC 



370 NEGENDE BOOPDSTUK. 

Verhoeven, onder „verscheyden treffelicke leeraren", ook 
Gisbertus Voetius uitkoos om voor de vaceerende vijfde 
predikantsplaats „den collegium van justitie ende magi- 
straet" te worden aanbevolen *). De hierop bg meerder- 
heid van steramen gedane beroeping, welke drie broederen •) 
uit den Haagschen kerkeraad overbrachten naar de fron- 
tierstad, werd, hoewel aangedrongen met een „emstigh 
voorschryven" van prins Frederik Hendrik en van heeren 
Gecommitteerde Raden, nochtans door Voetius en zijne 
gemeente »ten vriendelickste" afgeslagen '). Hetzelfde 
lot trof later de aanvraag van Haarlems gereformeerde 
„kercke". Uit een genomineerd vijftal, was Voetius 
daar omstreeks het midden van Juni 1628, „na diepe 
deliberatie" en bij stemming „int heymelyck", tot op- 
volger gekozen van Johannes Acronius*). Doch ook nu 
wisten zoomin Swalmius als Henricus Geisteranus — pre- 
dikanten binnen de Spaarnestad ^) en door het consistorie 
mede afgevaardigd om Heusdens kerkedienaar te gelijk 
met diens verkiezing het beroep-zelf aan te bieden •) — 
te bewerken, trots „alle instantien aen d. Voetium ge- 
daen", dat deze er voorloopig in toestemde „sich gelaten te 



>) Aden kerkr. Den Haag, 12 Nov. 1626. Vgl. Essenius, Orat. fun.^ p. 30. 

^ Te weten: de predikant Johannes Lamotius, de ouderling Henricus 
Hondius en de diaken Cornelis Soetens. Vgl. bijlage GXXXIV. 

•) Eerat den 14d«n November 1627 werd in *s-Gravenbage de vacature 
vervuld, door de overkomst uit Wijk bij Duurstede en bevestiging van 
Laurentius Modaeus (Modet). 

4) Acten kerkr. Haarl., 5 en 13 Juni 1628. 

^} Te Haarlem was ook predikant Voetius* voormalige ringbroeder en nog 
altijd hooggeschatte vriend, Josephus van der Rosieren. Zie Acten kerkr, HaarL^ 
19 Juni 1628. Vgl. hierboven, blz. 197 en 283, aant. 3. 

*} Bij booge uitzondering, en om hem toch maar binnen de Spaarnestad 
te krijgen, werd door het consistorie »eendrachtelijck goet gevonden", dat 
men Voetius niet vragen zou, om, naar het gebruik medebracht, vóór de 
eigenlijke beroeping aldaai* eerst »sijn gaven te willen laten hooren**. Acten 
kerkr. Haarl., 20 Juni 1628. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN EIQSN KRINO. TOT UOOGLEBRAAB OEROBPEN. 371 

stellen*' ^), ten einde men in een hoogere kerkelijke ver- 
gadering nauwgezet zon mc^en overwegen — „de redenen 
van die van Haerlem gebalanceert synde t^en de redenen 
van Heusden" — wat voor de eene of de andere ge- 
meente de meeste stichting opleverde*). 

Het pleitte, ongetwijfeld, zoowel voor Voetius als voor 
de Calvinisten zgner vaderstad, dat hem het scheiden 
telkenmale te moeielijk viel; terwijl ook zg, van hun 
kant, evenmin besluiten konden, ofschoon herhaaldelijk 
daartoe aangezocht, met zjjn vertrek vollen vrede te 
hebben. 

Nochtans, niet enkel op die wijze, openbaarde zich de 
belangstelling der gemeente in Voetius' arbeid en persoon. 
Was het Heusdens prediker, gelgk hij ronduit verzekerde, 
vrg wel onverschillig »of men hem veel aenhaelde en 
caresseerde, veel eere ende beleeftheyt bewees, veel te 
gast of ten bras noodde" '), des te hooger schatte hg de 
onmiskenbare blgken van »goetherticheyt" aan vrouw en 
kinderen geschonken ; waar magistraat en kerkmeesters *) 
zich begverden zgne pastorie — staande in de Putter- 



1) Acten kerkr. HaarL, 29 Juni 4628. Vgl. Voet., Proeve, voorrede, blz. Vm, 
»dat ick in het minste my in myn ghemoet niet hebbe connen gheneghen 
of ghelaten stellen, om andere beroepinghen aen te gaen*\ Zie ook hier- 
achter, bijlage GXXXV. 

s) Vgi. nog hierboven, blz. 329, het beroep naar Den Bosch, insgelijks 
door Voetius ontvangen en afjgeslagen. Volgens Ëssenius, Orat fun,, p. 30; 
Le Long, a.to., blz. 89, en anderen, zou hij ook beroepen zijn te Mid- 
ddburg. De acten van den bijzonderen kerkeraad dier gemeente over de 
jaren 1618 tot 1634, door mij nagezien , en alleenlijk voorhanden in den vorm 
van een memoriaal of kladboek, bewaren daaromtrent het stilzwijgen; wes- 
halve ik vermoed , dat het hier , evenals te Dordt , gebleven is bij een »8on- 
deren*' — hoogstens een »besenden" van Heusdens predikant. 

») Voet., Afs.-pred,, blz. 69. Vgl. PoliL eccles., t. II, p. 306, 429. 

4) Toentertijd waren o. a. kerkmeesters: Willem Tuelinck en Johan Bee- 
laerts. Voorts zaten in den schepenstoel meestendeels Voetius* bijzondere 
vrienden. Zie Oudrarch, Heusden, £. 217, bijlage tot fol. 17 verso, en 
E. 68, fül. 25 verso; van Oudenhoven, Beschr, v. Hevisd,, blz. 165 — 168. 



Digitized by VjOOQ IC 



372 NEGENDE HOOFDSTUK. 

straat 9 »neffens die huysinge der jonge schutters" ^ — 
zoo goed mogelijk te onderhouden en haar in menig 
opzicht zelfs te verfraaien , door, overeenkomstig Deliana's 
wensch, nu eens de levering te gelasten van ^seven 
ellen blaeu laecken tot becleedinge der mueren", dan 
weer „een luyfken te verordineren boven die voor- 
deure , met een koedtsken voor de kynder" ; of wel zorg 
te dragen, dat »den put wat verhoecht wierde", als 
veiligheidsmaatregel ten behoeve der jeugdige kleinen: 
Nicolaas *), Daniël ^) en Anna Voet *). 

Wat hem persoonlijk betrof, zoo zag hij van stads- 
wege, tegen Kerstmis 1620, bij de nog kortelings zéér 
verbeterde woning eene geheel nieuwe kamer aangebouwd, 
met „een portaele van schreynwerck inden inganck, 
mitsgaeders een spijndeken , dienende tot zyne gerieff' *). 
In dit „museum ofte studoir" kon hij van nu aan zich 



1) Oud-arch. Heusden, E. 215, bijlage tot fol. 12; E. 218, bijlage totfol. 
19. Nadat zijn broeder Diedericus tot rector te Heusden was aangesteld, 
verwisselde Voetius van pastorie (vgl. hierboven, blz. 226). Ook de toen 
door hem betrokken woning — vroeger »by den predicant za: Niclaes van 
Houweningen gebruyckt*', en gelegen »achter die kercke*', was stadseigen- 
dom; de kooppenningen daarvoor waren indertijd tegen zeven percent op- 
genomen, zoodat er 'sjaars 63 gld. aan interest moest betaald worden. 
Hiervan vergoedde de landsregeering 60 guld. Voorts kvmmen alle onder- 
houdskosten ten laste der stad. Zie Oud-arch. Heusden ^ E. 214, bijlage tot 
fol. 38 verso; E. 62, fol. 18 vei-so; E. 63, fol. 27 verso; E. 65, fol. 15. 

>) Zie hierboven, blz. 364, aant. 3. 

*) Op Nieuwjaarsdag van het jaar 1630 doopte Voetius den jonggeboren 
Daniël; aldus genoemd naar zijn grootvader van moederszijde. Oud-arch. 
Heusderiy J. I, 6. Vgl. Essenius, OraL fun.^ p. 17, en Le Long, a. tu., blz. 89. 

^) Gedoopt «den 21 January 1633, Anna, dochter van d. Voetius ende 
Delia Jans". Oud-arch. Heusden^ J. I, 6. Vgl. Essenius, Oraf. fun.^ p. 1 7 en 
Le Long, a. tv., blz. 89. 

A) Volgens het bestek zou Voetius* studeerkamer worden: »lanck tussen 
de mueren achtien voet, ende wijt tussen de mueren seventien voet, ende 
hooch twee verdiepinghe ; de eerste tien voet, de ander negen voet". Later 
kwam er nog vier voet bij de lengte. Het werk moest »voltrocken" ¥rordon 
tusschen 4 Aug. en 25 Dec. 1620. Oud-arch, Heusden^ E. 216, bijlage tot 
fol. 36. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN EIGEN KRING. TOT HOOGLEERAAR GEROEPEN. 373 

ongestoord bezighouden met het verrijken zijner kennis 
ea het daarvan meêdeelen aan anderen. 

Had er voor Voetius, tijdens .de jaren zijner acade- 
mische vorming, maar weinig gelegenheid bestaan om 
arabisch te leeren 0> 6n was hij eerst in Vlijmens pastorie 
begonnen zich op genoemde taal meer ernstig toe te 
l^^n *) , — later trachtte hg ^^^ zelfonderricht aan te 
vullen , door, gedurende hun vacantieweken, den omgang 
te hernieuwen met sommige, hem goed bekende Heus- 
densche bursalen'), die, studeerende aan Leidens hooge- 
school, gaarne vertelden, wat zij hadden gehoord op de 
collegebanken bg Erpenius*). Hiermee niet tevreden, 
reisde Voetius nog bovendien in eigen persoon naar de 
vromere «alma mater", ten einde daar den wijd en zgd 
beroemden professor mondeling te raadplegen over de 
leermiddelen voor') en de uitspraak van het arabisch •). 

Op zijne beurt wederom gaf Heusdens kerkedienaar, 
hetzij gemeenschappemk , hetzg afzonderlek, — behalve 
in enkele theologische vakken, in lat^n en grieksch, in 
oratorie en poëzie, in muziek en arithmetiek, in logica, 
phjsica en metaphysica — ook onderricht in de Oostersche 
talen : hebreeuwsch , syrisch en chaldeeuwsch , aan enkele 

O Vgl. hiorboven, blz. 78. 

«) Vgl. hierboven, blz. 159. 

s) Te weten: Joh. Wyckentoorn, Ambr. van Houweningen, Theod. Groen, 
Joh. Sylvius, Cornelis Schalken en David du Piere, jr. ; zie Oud-arch, 
Heusden, E. 215 tot E, 221, passim. 

*) Thomas Erpenius (van Erpe), geboren te Gorcum den 11*"» Sept.1584, 
vras, sedert 1619, hoogleeraar te Leiden in het arabisch, en later ook in 
het hebreeuwsch. Hij stierf aldaar, 13 Nov. 1624, aan de pest. 

*) Tot die, voor het arabisch, aanbevolen leermiddelen zullen wel be- 
hoord hebben: »Erpenii Pentateuchus sive quinque libri Mosis, arab., Lugd. 
Bat, 1622" (^Auctie-catal^ pars I, theol. in quarto, n®. 116), en »Erpenii 
mdimenta linguae arabicae et ejusdem praxis grammatica, et consilium de 
studio arabico felidter instituendo, Lugd. Bat., 1620" (Auctie-cataL, pars I, 
theoL in oct., n**. 212). Vgl. Voet., Bihl. stud. theol., p. 803. 

«) Essenius, Orat fun., p. 24. 

85 

Digitized by VjOOQ IC 



B74: NEOENDE fiOOFDSTÜK. 

vrienden en bekenden , zoo ouderen als jongeren *). Tot 
hen behoorden zjjn broer Diedericus, rector der ,groote 
schole"; de predikant Seroyen, zjjn medearbeider binnen 
Heusdens gereformeerde gemeente; Samuel Batcheler, 
hun collega bg de Engelsche huurtroepen aldaar*), en, 
om meerderen hier niet te noemen , Jacobus van Ouden- 
hoven , een zgner tgdelgke huisgenooten ^). 

Voor eigen oefening bestudeerde Voetius maandenlang 
het boek ,Job"; daarbij raadplegende sommige, toen 
zeer gezochte commentaren *), alsmede verschillende over- 
zettingen: Pransche en Engelsche'), Spaansche en Itali- 



ï) Bedoeld onderricht werd , naar zich verwachten liet , door Voetius echt- 
methodisch gegeven; zie dan ook: »Galenus Pergamenus, De optimo docendi 
genere, Genevae, 1621" {Auctie-cataL^ pare II, misc. in fol., n**. 4). 

In zijne Polit, eccles,^ t, II, p. 419, antwoordt Voetius bevestigend op de 
vraag: of een predikant privaatles mag verstrekken? waar hij schrijft: »Si 
absque neglectu, irominutione, praejudicio officii et operis pastoralis, acces- 
sorio hoc opere fungi possit et velit". Vgl. hiermede i. c, p. 420—422. 

3) Batcheler was garaizoensprediker , ten dienste der Engelsche soldaten. 
Meestal begiftigde het burgerlijk bestuur van de verschillende irontierplaat- 
sen zulke »uytheerosche predicanten** — doch zonder dat gunstbetoon »in 
consequentie te trecken" — met enkele »immuniteyten ende profijten"; op 
zich nemende hen »jaerlycx van brandt te veraien ende excempt te houden 
van stadts acsijs''. Dit viel o. a. te beurt ook aan Thomas Barkley, den voor- 
ganger in Heusden van Batcheler. Oud-arch, Heusderiy E. 216, bijlage tot 
fol. 49 der gemeenterekening van 1619. Zie hierachter, bijlage GXXXVL 

s) Zooals van Oudenhoven in de opdracht zijner Beschr, v. Heusd,^ uitgave 
van 1651, aan de magistraat aldaar herinnerde, was hij, »naer dat hij 
sijne studiorum cureum in de academie van Leyden gfaeabsolveert hadde, 
ten huysen van d. Gisbertus Voetius, doen predicant tot Heusden, komen 
woonen, om des selvere private institutie te genieten**. Vgl. Jtingb, HeuseL^ 
10 Juni 1625 en 22 Juli 1631 ; Hand. cl Gore, 27 Jan. en 23 Juni 1625. 
Zie voorts, meer -in het bijzonder, over dien geschied- en oudheidkundige, 
Jacob van Oudenhoven, en zijne werken: dr. C. R. Hermans, Geschied, mengelw., 
dl. I, blz. 132—148. 

«) »Joan. de Pineda, In Jobum. Antverpiae, 1612. 2 volum.", en Joan. 
Mercerus, Gommentarii in librum Job. Adjecta est Th. Bezae epistola. Genevae, 
1573". Zie Auclie-catal.^ pars I, theol. in fol., n^ 62; pare II, theol. in fol., 
n°. 160. Vgl. Voet., BibL stud. theol., p. 524. 

*) »Job translated and brought on to dialogue and pai^aphiuse**. AucHc' 
catal., pars II, theol. in quarto, n*. 621. Vgl. Voet., BibL stud.theoL.i^.^iO. 



Digitized by VjOOQ IC 



m EIGEN KBING. TOT HOOOLRERAAR GEROEPEN. 375 

amsche'); dit laatste, om zijn nieuwere talen naar be- 
hooren te onderhouden of er zich hoe langer hoe verder 
in te bekwamen*). Voorts las hij uit de breede rij van 
oud-cbiistelijke geschriften: TertuUianus' scherp, maar 
boeiend betoog ^Apologeticus", met de verklarende noten 
van Desiderius Heraldus ^); diens geestig ingekleede zelf- 
verdediging j,De pallio" en, ten deele, het eenzijdig- 
dogmatische, reeds echt-katholieke tractaat ^Adversus 
haereticos". Van Gregorius Nazianzenus leerde Voetius 
op zijn ^studoir" kennen de veelgeprezen «Oratio apolo- 
getica de fuga sua"*), benevens enkele homiliën, door 
den grooten Cappadociër gehouden; van Theodoretus: 
het wgsgeerig boek „Graecorum affectionum curatio" *) ; 
van Minucius Felix: diens helder-geschreven, zaakrijken 
jpOctavius"*); van den vorst der Latijnsche kerkvaders, 

O »La sacra biblia tradotta in lingua italiana e commentata da Giov. 
Diodati". AucHe-catal.^ pars D, theol. in quarto, n**. 185. Vgl. Voet., Bibl. 
siud. theol.^ p. 511. 

«) »Te deser tijdt (nl. 16 Febr. 1619) begost Deodatus, professor te 
Geneven, alle Donderdaegen in *t italiaensch te prediken — schrijft Brandt, 
o.w^ dl. III. blz, 448 — om de synode (t. w. die, binnen Dordrecht) daer 
door te meer luister te geven. Dit duurde de geheele vasten. Doch daer 
ivaeren soo v^einige, die *t italiaens verstonden, dat men geen leser, noch 
voorsanger , noch roedesingers kon vinden , en de predikatien sonder lofsan- 
gen moest doen, regelrecht tegens den Geneefechen stijl. In d'eerste preeke 
waeren slechts ses of seven mannen, en eene vrouw, die hem hoorden". 
Naar ik vermoed , behoorden tot dat weinige publiek o. a. Anna Maria van 
Schurman en Voetius. Ook de Engelsche godsdienstoefeningen zal hij toen- 
maals wel hebben bijgewoond. Zie Voet., Polit eccles,^ tom. I., pars I, p. 487. 

«) »Q. Sept. Flor. TertuUiani apologeticus, et M. Minucii Felicis Octavius. 
Desid. Heraldus emendavit, comment. et notas addidit. Lutet. Paris., 1613". 
Zie Auciie-catal.^ pars I, theol. in quai*to, n**. 86. Vgl. Voet., BihL stud. 
iheoL, p. 608. 

*) «Gregor. Nazianzeni apologeticus, cum scholiis et ex interpretatione 
Julii Gabrielis Eugnbini. Plant". Zie AtLctie-caiaL^ pars II, theol. in oct., 
n^. 517. Vgl. Voet., BihL siud. theol,, p. 606. 

») wTheodoreti episc. Cyrensis Graecorum affectionum curatio. Graece et 
latine recognita opera Frid. Sylburgi vet, Heidelb., 1592". Vgl. Voet., 
BihL siud. theoL, p. 608. 

*) Zie hierboven, aant. 3. 



Digitized by VjOOQ IC 



376 NEGENDE HOOFDSTUK. 

Aurelius Augustinus: diens uitvoerige ketterlijst ,De 
haeresibus" *); van Ignatius: de zeven, aan hem toege- 
kende „Epistolae", door Vedelius verklaard*); van Irenaeus: 
diens overgebleven vijf boeken ^Adversus haereses", en 
van Clemens Alexandrinus : de belangrgkste stukken uit 
diens „Opera", geëmendeerd door Fredericus Sylburgius 
en Daniël Heinsius '). 

Op het onafzienbaar veld der kerkelijke en wereldsche 
historiën, tot nog toe weinig door hem betreden, ver- 
diepte zich Voetius nu eens in Carranza's „Summa con- 
ciliorum et pontificum" *) , dan weer in diens „Codex 
canonum ecclesiae universae" en „Codex canonum ecclesiae 
africanae", laatstgenoemde werken door Justellus met 
aanteekeningen voorzien O- Ook hield Heusdens prediker 
zich bij tgd en wijle bezig met Capellus' „Historia sacra 
et exotica" •); met het „Chronicon Carionis", oorspronkelgk 
uitgegeven door Melanchton, en door diens schoonzoon 



t) Aanvangende bij de Siraoniani, en eindigend bij de Pelagiani, somt 
Augustinus hier achtentachtig verschillende soorten van ketters op. Met 
eene «peroratie" besluit hij zijne lijst. 

2) >»Ignatii quae exstant omnia, in II lib. distincta, graece et latine. Gum 
XII exercitatt. in eundera, auctore Nic. Vedelio. Accessit apologia pro Ig- 
natio, etc., Genevae, 1623". Zie Auótie-catal,^ pars I, theol. in quarto, n**. 259, 
Vgl. Voet., BibL stud, theoL, p. 607. 

s) »Cleraenti8 Alexandrini opera , graece et latine , quae extant. Dan. Hein- 
sius emendationes adjecit. Accedunt diversae lectiones et emendationes a 
Frid. Sylburgio collectae, Lugd. Bat., 1646". Zie AucHe-cataL^ pars I, theol. 
in fol., n*». 17, Vgl. Voet., BibL stud. theol, p. 605. 

*) >»Carranzae Mirandae summa conciliorum et pontificum a Petro usque 
ad Julium III, Paris., 1560". Zie Auctie-cataL, pars I, theol. in duod., n^ 30. 
Vgl. Voet, BibL stud. theol, p. 609. 

*) Zie Auctie-catal, pars I, misc. in oct., n®. 23. Vgl. Essenius, Orat, 
fun., p. 25. 

^) sJacobi Cappelli historia sacra et exotica ab Adamo usque ad Augustum. 
Demonstrationibus mathematicis fulta et documentis ethnicis locupletata, 
Sedani, 1613". Zie Auctie-catal, pars I, theol. in quarto, n**. 36. Vgl. Voet, 
Bibl stud. theol, p. 326. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN EIGEN KRING. TOT HOOGLEERAAR GEROEPEN. 377 

Peucerus voortgezet O ; met Sleidanus' ^Commentarii de 
statu religionis et rei publicae Carolo quinto caesare" *); 
met de «Historiae sui temporis" van Jacobus Augustus 
Thuanus '); met Perrins' «Histoire des Vaudois"*) en 
Matthieu's ^^Histoire de France"*); met de overbekende 
.Mémoires" van Philippe de Commines*); of wel, hij 
volgde belangstellend, wat een vroegere stadgenoot, 
Nicolaas Jansz. van Wassenaer^, had bijeengebracht in 
zijn omstandig ^Verhaal alder ghedenckweerdichste ge- 
schiedenissen , in Europa en andere waerelddeelen voor- 
gevallen". Toch werd het eigen volk ter wille der vreemde 



O «Chronicon Garionis, exposituin et auctum, ab exordio mundi usque 
ad annum 4612, a Phil. Melancthone et Gasp. Peucero. Postr. editio cas- 
tigat, Gene^ae, 1647". Zie Auctie-catal.^ pars II, miac. in oct, n®. 224. Vgl. 
Voet, Bihl, stud. theoly p. 627. 

*) »Joa. Sleidani de statu religionis et reipublicae, Carolo V caesare, 
commentarii, Argentorati, 1555". Zie Atcctie-cataL^ pars II, misc. in oct, 
n*». 248. Vgl. Voet., Bibl. stud. theoL, p. 336. 

*) »Jac. Aug. Thuani historiarum sui temporis ab anno 1543 usque ad 
annum 1607, libri CXXXVIII. Quorum LXXX priores multo auctiores , reliqui 
vero nunc primum prodeunt Accedunt commentanorum de vita sua libri VI 
hactenus inedita, Aurolianae et Colon. Allobr., 1626—1630". Zie ook Voet., 
Bihl stud. theol, p. 444. 

*) Voetius las bovengenoemd werk waarschijnlijk in deze vertaling: 
»J. P. Perrin, De historie vanden Waldensen ghedeelt in drie deelen enz. 
Wt de Fransoysche tale overgheset door J. M. V. Hier is noch by ghevoecht 
een aenhangsel daer in aengewesen wort, waer de suyvere kercke geweest 
is, voor de tyden der Waldensen enz. Ghestelt by Balth. Lydius, Dordrecht, 
1624". Zie Auctie-cataL, pars I, theol. in quarto, n**. 78. Vgl. Voet, Bibl. 
stud. theoL, p. 651. 

*) »Histoire de France et des choses memorables advenues aux provinces 
estrangeree durant sept années de paix du règne du roy Henry IV, 1598 — 1604, 
par P. Matthieu, Paris, 1607'*. Vgl. Voet., BibL stud. theol., p. 665. 

*) »Les mémoires de Phil. de Commines sur les principaux faicts et gestes 
de Loys XI et Charles VUI, etc., Genève, 1604". Zie Auctie-catal., pars I, 
misc. in duodec., n**. 4. Vgl. Voet, Bibl. stud. theol., p. 336. 

^ Van Oudenhoven telde »Nicolaus k Wassenaer, doctor medidnae tot 
Amsterdam" bij de «geleerde ende verraaerde mannen" der frontierstad. 
Beschr. v. Heusd., blz. 189. Vóór van Wassenaer zich als geneesheer in 
Amsterdam vestigde, was hij als docent verbonden aan Haarlems gymnasium. 
Zie dr. Hoffmann, a. tu., blz. 58. 



Digitized by VjOOQ IC 



378 NEGENDE HOOFDSTUK. 

natiën geenszins door Voetius vergeten, waar hij zijne 
lectuur der «Nederlantsche oorloghen" van Pieter Bor, 
met diens in 1626 te Amsterdam verschenen vijfde folio- 
deel , voltooide ^) , en niet in gebreke bleef Emanuel van 
Meterens, op de Leidsche provinciale synode van 1619 
zoo sterk aangevochten^) ^Historie", van het begin tot 
het einde door te lezen ^). 

Een eerste vrucht dier onvermoeide studie, buiten zgn 
gewonen preek- en catechisatie-arbeid om, was de uit- 
gave, ten jare 1627, van het vlugschrift: Lacrymae 
crocodili abstersae *). Daarmede nam Heusdens 
prediker persoonlek deel aan den sabbatstrgd , die , reeds 
sedert Dordrechts nationale synode, tal van gemoederen 
min of meer heftig had beroerd ^). In gemelde «Lacrymae" •) 



>) Vgl. hierboven, blz. 58. 

«) Acia syn. part Z.H., Leiden 1619, art. 83. 

*) nE. van Meteren, Historie der Nederlandscher ende haerder naburen 
oorlogen ende geschiedenissen tot 4612 met des autheurs leven, etc., Den 
Haag, 1623". Zie Auctie-catal, pars II, misc. in fol., n^. 2. Vgl. Voet., BtR 
stud. theol.^ p. 447, en het opstel van dr. Rogge over van Meteren in Eigen 
Haard, 1897, blz. 180—184. 

♦) Zie Ypeij en Dermout, a. tü., dl. Hl, aant., blz. 16. 

•) Vgl. dr. de Lind van Wijngaarden, a. tü., blz. 116 — 142, passim. Zie 
ook Crenius, Anim, phil. et hist, pars VIII, p. 43—45, waar o. a. staat 
vermeld dit oordeel, neergeschreven door Johannes Walaeus, oudsten zoon 
van den Leidschen hoogleeraar Antonius Walaeus : »Voetius juvenile opposuerat 
scriptum, Lachrymas crocodili, quo adversarium magis pungere, minus 
ecclesiara videbatur aedificare". 

«) In zijn Land v. Remhr., dl. II, l>t« helft, blz. 102, aant. 2, haalt Cd. 
Busken Huet o. a. den titel : «Lacrymae crocodilli" aan , als een staaltje van 
Voetius' »middeneeuwsch latijn, doorweven met eene bastaardsoort van 
renaissance-sieraden". Op dat punt, ongetwijfeld, was Heusdens prediker 
geheel en al kind van zijn tijd. Ook herinnert die titel (zie dr. Rogge, 
Wtenb,, dl. II, blz. 399) aan een toenmaals zéér bekenden versregel uit het 
•Tafereel" van den remonstrant Reinier Telle: 

»Men vint al somtyts van die hanen, 
Die schreyen als sij *t voick vermanen 
Van d'arme kerck en haren staet; 
Maer of 'tgheen crocodyische tranen 
En syn, weet Godt, die 'tal verstaet. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN EIGEN KRINQ. TOT HOOGLEERAAE GEROEPEN. 379 

koos hij beslist partij voor zijn streng-ascetischen geest- 
verwant GuUielmus Teellingius, kerkedienaar te Middel- 
burg *) j en maakte met dezen gemeene zaak tegenover 
hun beider ambtsbroeder uit Tolen, Jacobus Bursius^), 
wiöis geschrift: Threnos ofte weeclaghe^) onge- 
twijfeld ten doel had aan te dringen op eene vrijere 
zondagsviering dan Teellinck, krachtens zijne beginselen, 
meende te kunnen toestaan*). In weerwil nochtans van 
den stelr^el , opgevolgd zelfs door dusgenoemde «precyse" 

O Willem Teellinck stond te Middelburg van 26 Nov. 1613 tot 8 April 
1629, toen hij stierf. Yoetius gaf hem den eerenaam van : »theologus xptotr 
fvérrmroi\ in zijne Dispp, select^ t. m, p. 1237. Zie over Teellinck ook 
Dog 0.L, t. I, p. 1061; t n, p. 528; t. IH, p. 72, 76, 236, 265, 932. 

*) Jacobus, zoon van den Bfiddelburgschen predikant Gillis Burs. 

'} Zie voor den voUedigen titel: dr. Glasius, a.w.^ dl. I, blz. 206. De 
aactie-catalogus van Yoetius* bibliotheek vermeldt het bedoelde pamflet 
— pars I, theol. in oct., n^. 259 — aldus: »Jac. Bursii wee-klage, aen- 
wijsende de oorsaecken van den jammerlijcken stant van het landt, ende 
de ontheyliginge des sabbathdaeghs*'. 

Evenmin als dr. de Lind van Wijngaarden (zie a.tu., blz. 126, aant. 2) 
bq machte was een exemplaar van Bursius* » Wee-klage** op te sporen, even- 
min gelukte het mij Yoetius* »Lacrymae** onder de oogen te krijgen. Den 
inhoud echter van laatstgenoemd tractaat leerde ik eenigermate kennen 
uit sommige fragmenten, welke den Groningschen hoogleeraar Mai-tinus 
Scboockius tot bewijsplaatsen moesten dienen bij de verdediging eener dispu- 
tatie »De die dominico**, opgenomen in zijne Exerdtationes varme^ de di- 
venis materiis, EdiU novüy Traj. ad Rhen., 1663. Vgl. daarmede van den- 
zalfden schrijver: De bonis ecclesiastids dictis, in quo agitur de canonicis 
in genere^ etc.^ Gron., 1651, p. 3 der »praefatio**. 

*) Ten gevolge van Teellincks rusteloos ijveren, zoowel als op het krach- 
tig vertoog bij de stedelijke regeering ingediend door Middelburgs kerkeraad 
over »de profanatie vanden rustdach ende gods-dienst in de selve**, o. a. door 
»het duynryden**, verordende aldaar de vroedschap »dat de poorten souden 
gesloten worden t sondaechs, vande acht uren s morgens tot vier off vyfT 
uren naden middach. Ende de passagie poorten (t. w. die naar Ylissingen) 
sondemen geheel sluyten behalven het clincket**. Kladnot. kerkr, Middelb,, 
13 April 1619. Ygl. daarmede die van 27 Maart 1621 en 10 Aug. 1624. 
Zie verder: W. Teellinck, Noodwendig h vertoogh^ aengaende den tegen- 
woordigen bedroefden stoet van Gods volck, Middelb., 1627; Auctie- 
catol., pars II, theol. in quailo, n**. 195; Yoet., Dispp. select,^ t. III, p. 59, 
68, 1222, 1242; t. IV, p. 44; t. V, p. 658; Polit, eccles., tom. I, pars I, 
p. 973; t. n, p. 233; t. m, p. 462, 492; Thers, heaut., p. 153. 



Digitized by VjOOQ IC 



380 NEGENDE HOOFDSTUK. 

christenen ^): dat men den rustdag geenszins ontheiligde, 
met dingen te doen , die geboden werden óf door den 
drang der omstandigheden, óf door de liefde tot den 
medemensch, hielden Voetius' ^Afgewischte krokodillen- 
tranen" staande , dat elke bezigheid van hand *) en hoofd *), 
die niet rechtstreeks betrekking had op het vieren van 
's Heeren dag , gelijk ook iedere uitspanning , in den 
vorm van een of ander spel genoten *) , alsdan afkeurens- 
waardig heeten moest. En, wat betrof den oorsprong 
zelven des sabbats ~ afwijkende van het gevoelen door 
zijn grooten leermeester Gomarus verdedigd, zocht hij 
dien , met Rivet en anderen , niet in de Arabische woestijn 
noch op den berg Sinal, maar, overeenkomstig Gene- 
sis 2 , VS. 2 , reeds bij de schepping *). 



>) Vgl. hierboven, blz. 352. Zie ook Voet., Meditatie, blz. 22 tot 30. 

') «Interim tarnen, quae in tbesi non difficulter videntur concedere, in 
hypothesi iterum eripiunt. Neque enim sartonbus, sutoribus et fobris, etc 
bic quicquam concedunt, imo ne quidem bajulis, vectoribus, rhedariis, etc 
ut videra est apud authorem Lacbrymarum crocodili, pag. 68**. Schoock., 
Eocerc, var,, p. i07. Zie ook bijlage CXXXVII. 

s) «Author crocodilinus literatis bominibus baut magis pi*opitius est, bac 
in parte, quam iis, qui artee sellularias exei*cent, neque enim existimat pag. 
84. et seq. eos, qui die Dominico intenti sunt medicationi ac praxi 
medicae, pragmaticae seu forensi, item studiis pbilologicis 
et quidem secreto in museis suis, ubi nullorum oculis scan- 
dalum objiciunt, commodius piis exercitiis posse negotiari 
salutem suam, quam sartores, sartrices, textores, vietores, 
etc quod nemo non concesserit, si hi musagetae, neglecUs exercitiis pu- 
blicis, privatisque precibus, et meditationibns, totum diem Dominicum con- 
secraverint sui studii contemplationibus'*. Schoock., Exerc, var,, p. 109. 

^) »Quo usque vero hae recreationes debeant extendi, haut in proclivi 
est. D. Voetius in Lacrymis, sui ingenii atque pietatis indidbus, pag. 68. 
vult exchidi, risus, lusus, hastiludia, venationes, aucupia, pis- 
cationes, musicae exercitia, fritillos, lusum scachicum, jao- 
tum lapidum, lusum globorum, pilae, clavae, certamina 
gymnastica, symposia honesta etc, quod cum per ea Sabbathum 
non sanctiflcetur , omnino putandum sit, illud ipsum, si quid horum fiat, 
profanari". Schoock., Exerc. var., p. 113. Vgl. daarmede Acta syn, part. Z, H,^ 
Yselstein, 1626, art. 32 en het aangevoerde in den tekst, hierboven, blz. 304. 
») Vgl. Voet., Dispp. select., t. UI, p. 1245, en hierboven, blï. 110, 



Digitized by VjOOQ IC 



IK EIOBN KRING. TOT flOOGLEEBAAR OEBOEPEN. 381 

Het tweede tractaat door Voetius binnen zjjn nieuw 
studeervertrek opgesteld, dat onder het schrgven allenga 
den vorm en de uitgebreidheid van een boek verkreeg ') , 
was gericht tegen Daniël Tilenus. Deze had, nog 
theologisch professor aan de universiteit te Sedan, in 
1612 eene «Overlegginghe ofte proeve van t'ghevoelen 
Jacobi Arminii'*^) het licht doen zien, welk tractaat 
door tal van Gereformeerde kringen , ook binnen de Ver- 
eenigde Provinciën, bijzonder werd op prijs gesteld*). 
Zelfe vergeleken David Pareus en Abrahamus Scultetus — 
twee steunpilaren der kerkelijke rechtzinnigheid, uit het 
buitenland, op de Dordtsche synode*) — Sedans hoog- 
leeraar vanw^e zijne verhandeling bg een tweeden Au- 
gustinus , die de zuivere leer ^godvruchtichlijck, modeste- 
lijck ende grondelgck" in bescherming genomen had tegen 
de aanvallen van Arminius, den nieuweren Pelagius, 



aant. 4; Auctie-catal^ pars D, theol. in duodec., n**. 50: »Andr. Riveti 
diaeertatio de origine sabbathi'*. 

>) Uitgegeven in quarto , telt Voetius* »Proeve** 242 bladzijden ,. op twee 
kobmmen gedmkt. 

') Overlegginghe ofte proeve van Vghevoelen Jacobi Arminiiy van de 
predestinatie^ van de ghenade Gods^ ende van de vryen wille des men' 
schen aen de staten van Hollant ende West-vrieslandt van hem verclaert. 
Door Danielem Tilenum^ professoor inde theologie ofte godlheyt in de uni- 
versiteyt van Sedan. Wt de Latijnsche sprake in de Nederduytsche tale 
ghetrouwelijck overgheseU Hier achter zijn noch hygfievoecht drie brieven: 
i. Davidis Parei aen den autheur, 2. Des autheurs aen Pareum, 3. Af. Abra- 
hami Scultetif (z. n. v. pi. en v. dr.) 1612. Zie den oorspronkelijken , 
LatiJDschen titel bij dr. Rogge, Beschr. catal., st. II, afd. n, blz. 139. 

') Alleszins gunstig oordeelde ook Heusdens prediker over den hoogleeraar 
te Sedan , toen deze nog »stont in het ghevoelen*' der Contra-remonstranten. 
Zie b.v. Voet., Proeve, blz. 16, 113, 117, 132, 141, 151, 172. Vgl. daarmede 
Dispp, select., t. I, p. 1082; t. V, p. 139. 

*) Van Pareus, doctor en professor in de theologie aan de beroemde 
Ueidelbergsche universiteit, werd op de nationale synode te Dordt, tijdens 
twee sessiën — die van 5 en 6 Maart 1619 — een door hem overgezonden 
schrijven voorgelezen, waarbij Scultetus, zijn collega te Heidelberg en tevens 
hofprediker van keurvorst Frederik IV, in persoon tegenwoordig was. 



Digitized by VjOOQ IC 



382 NEGENDE HOOFDSTUK. 

wiens overleggingen ^bequamelyck" door hem waren 
«ontdeckt ende verdestrueert". 

Tien jaar later gaf Tilenus een ander geschrift uit ') — 
niet zoo breed van opzet, en daarbij in lijnrechten strgd 
met zijne vroegere ^Overlegginghe" ^) — hetwelk de pu- 
blieke kerkleer, vastgesteld op de synoden van Dord- 
recht en Alais'), toetste aan de practgk, door achter- 
eenvolgens na te gaan, in hoever deze dienen kon: ter 
«bekeeringhe eens vreemdes tot het gheloove"; ter „be- 
teringhe van een quaedt christen"; ter „vertroostinghe 
van een krancke , of die anderssins benaut is" *). Aan 
het slot zijner proefneming meende Tilenus met recht 
te mogen wijzen op eene negatieve uitkomst. Immers 
bleken voorgoed veroordeeld de Contra-remonstrantsche 
beginselen, die, in geen der drie genoemde gevallen, 
zich bij machte hadden getoond de begeerde hulp te 



^) Bedoeld vlugschrift was getiteld: De leere der synoden van Dordrecht 
ende Alez ghestelt op de proeve van de practijcque^ ofte ghebruyck ^ waer 
in onder, andere verborgenlheden ontdeckt wordt een seer licht middel^ om 
den mensch onsterflijck te maecken in dese werelt^ door den vermaerden 
Daniel Tilenus, eertijdts professor der h, theologie inde hooghe schole van 
Sedan: ende nu ghetrouwelijck uyt het franscois in onse Nederduytsche 
tale overgheset. Na de copye ghedruckt tot Parijs, Anno 1623. Zie voorts 
over dat pamflet, ook geplaatst achter Voetius' »Proeve**, blz. 243 tot 
blz. 259, diens Dispp. select, t. I, p. 1121; t. m, p. 1107; t. V, p. 622; 
Polit, eccles.y t. m, p. 703; Thers, heaut., p. 90. 

^) Aan Tilenus' blauwboekje over »De leere der synoden van Dordrecht 
ende Alez" ging, twee jaren vroeger, vooraf een door Wtenbogaert naar 
het fransch van den Sedanschen hoogleeraar vertaald : Advertissement , ofte 
waerschouwingh, over het oordeel, uyt-spraeck, ende deneedtvan*tsynodus 
nationael der ghenaemde Ghereformeerde kercken üan Yranckrijck, ghe- 
houden tot Alez inde Cevennes, besloten ende gearresteert den 6. Octobris 
1620. Nopende de vijf artijckelen der Remonstranten in Nederlandt (E.n. 
V. pi. en V. dr.) 1621. Vgl. dr. Knuttel, CataL pamfl,, dl. I,8t.II,n^325i, 
en dr. Rogge, Beschr. caial., st. I, afd. I, blz. 95; st. I, afd. II, blz. 54. 

') In Alais werd ten jare 1620 eene nationale synode der Fransche her- 
vormden gehouden. Vgl. dr. Rogge, Wtenb., dl. III, blz. 67, 68. 

*) Tilenus, De leere der synoden, blz. 1. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN EIGEN KBJNO. TOT HOOGLSEEAAB GEROEPEN. 383 

verschaflFen ^); die de prediking des woords, het gebruik 
der sacramenten en de dagelijksche oefening van het 
gebed volkomen onnut maakten; die „den gantschen 
kercken-dienst", bestaande in eene gezonde leer zoowel 
als in eene goede discipline, van boven tot onder »om- 
keerden ende om verre stieten" ^). 

Alleszins verklaarbaar zeker, dat Voetius ergernis nam •) 
aan de wijze, waarop Sedans voormalige professor*), met 
zgn jongsten arbeid „gheheel uyt de Ghereformeerde 
kercke springhende" *), Gods eeuwige, onverdiende genade 
door ijOpgeraepte" vonden zocht »onbruyckelick" te maken. 
Ook scheen het hem toe, als wilde Tilenus de jezuïeten 

*) Volgens Tilenus' pamflet had, zoowel ter Dordscbe synode als in die 
▼an Alais, voorgezeten een »tuymel-gee8t". De theologie en de religie, 
daar in practijk gebracht, noemde hij «monstreus ende wanschapen**. Tilenus, 
De leere der synoden^ blz. 16, 47. 

•) Tilenus, De leere der synoden^ blz. 49. 

*) Ten blijke hoezeer Voetius zich ergert aan Tilenus* vlugschrift kan 
dienen, dat hij het in zijn Proeve^ blz. 47, een »horrendum carmen*' heet, 
en het bij herhaling vermeldt als een «lasterschrift". Die ergernis over- 
schrijdt echter nu en dan de grenzen der welvoegelijkheid ; o. a. wanneer zij 
hem, blz. 423, doet verklaren, dat de tegenwerpingen door Tilenus aan- 
gevoerd gelijk staan met »oude ende verrotte uytspouselen van een ver- 
vuylde borst, van een quade maghe met bittere galle overladen**. Vgl. daarmede 
blz. 24: »Wy sullen met de hulpe des Heeren betoonen, dat Tileni conse- 
quentien niet verveerlijck en zijn door hare stercte maer alleen door hare 
vaylicheyt ende leelicheyt , ghelijck den mensche eenigh besmettelijck scherft 
of etterbuyl*'. 

♦) De hertog van Bouillon, tevens prins van Sedan en gehuwd met 
Maurits' halve zuster, nam het blijkbaar voor de Fransche calvinisten op. 
Zonder zich het minst daartegen te verzetten liet hij toe, dat Tilenus, zijn 
voormalige gunsteling, in den winter van 4649 geheel onverwachts als 
hoogleeraar werd afgezet. Deze tix>k toen naar Parijs, waar hij uit eigen 
middelen in zijn levensonderhoud moest voorzien. Brandt, a. k;., dl. IV, 
blz. 443—445. 

s) Volgens sommigen werd Tilenus door wat Gorvinus tegen zijne 
dOverlegginghe** had aangevoerd (zie dr. Rogge , Beschr. catal, st. I, afd. I, 
blz. 442) tot het Arminianisme bekend. Anderen wederom meenen, dat hij, 
kort vóór dien tijd, reeds daartoe was gekomen door persoonlijk onderzoek 
en nadenken. Brandt, a.to., dl. U, blz. 234. Vgl. Voet., Proeve, blz. 46—48, 
passim; blz. 39, 427, 438, 260. 



Digitized by VjOOQ IC 



384 NBGENDE HOOFDSTUK. 

en huns gelijken in bittere lastertaal nog overtreffen, 
door van de Dordtsche canons te getuigen, hoe deze, 
aan wie naar hen luisterden, niet anders boden dan 
»óf een Epicurus oorcussen, om in vleeschelicke sorgh- 
loosheyt te slapen, öf een strop van wanhoope, om sich 
daer mede te verhangen met Judas" ')• 

Oordeelde Heusdens predikant dergelijk geschrift alle 
ernstige tegenspraak onwaardig en mocht het bovendien, 
naar hij meende, een overtollig werk worden genoemd 
»te herseggen, tgene so grondelijck van vele gheleerde 
mannen verclaert ende verdedicht was" — toch had men 
rekening te houden , zoo met het aanzien, hetwelk Daniël 
Tilenus bg tal van lieden genoot*), als met de uitgave 
en verspreiding van zijn pamflet in het Nederlandsch. 
Juist dit laatste leverde groot gevaar op voor vele een- 
voudige, in de waarheid »niet wel ghewortelde con- 
scientien" *). Herhaaldelijk hadden dan ook enkele goede 
vrienden reeds bij hem aangedrongen, dat hij de eene of 
andere verhandeling zou opstellen, waarin de uitspraken 
der Gereformeerde leer zonder vooroordeel aan de prac- 
tijk getoetst werden, en het blauwboekje van Tilenus, 
vol ^desperatie ende atheisterije", in de moedertaal be- 
antwoord. 

Half-onwillig*) — want hg hield zich verzekerd, dat 

') Tilenus, De Uere der synoden^ blz. 11. 

^) Somwijlen spreekt Voetius in zijn boek over Tilenus als over een »ver- 
maert ende gheleert man**, die »de maniere van bondigh te disputeren seer 
wel weet**. Proeve^ blz. 31; vgl. daarmede blz. 51. 

') Tilenus* «prejudicien opgelicht ende de saecke inden gi*ondt blootelijcken 
ingesien sijnde met onse tegen-reden — zoo verzekert Heusdens predikant 
en stelt hij zijne lezers gerust — sal daer niet over blijven daer door 
yemandt soude konnen merckelijcken opghehouden werden, ten zy dan 
lichtveei*dighe ende ydele menschen , die als de vliegen in een spinnen- webbe, 
in dese t'samenknopinghe der consequentien haer laten vangen**. Voet, 
Proeve^ blz. 19. 

*) wVolens nolente animo**. Voet., Proeve y voorrede, blz. V. 

Digitized by VjOOQ IC 



IN EIGEN KRINO. TOT HOOGLEEBAAJl OEROEPEN. 385 

ZOO iets beter ^innerlgc in stillicheyt des geestes'* gevoeld 
en geschat, dan »uytterlijck" beschreven en besproken kon 
worden — had Voetius ten langen leste de pen ter hand 
genomen; waarbij hij nog menigmaal in beraad stond, 
of hg, door walging en droefheid aangegrepen , met 
schrijven zoude voortgaan. Wijl nochtans de Calvinistische 
partij niet ophield hem »aen te porren", werd hg wel 
genoopt zich te vermannen en Tilenus' vlugschrift »tegen 
heogh ende meuge" te weerleggen. Zoo kwam in Augustus 
1627 Voetius' Proeve vande cracht der godt- 
salicheyt*), opgedragen aan de magistraat van Rotter- 
dam en die van Heusden *) , voor den druk gereed '), om , 
een half jaar later, binnen Amsterdam het licht te zien *). 
Waren het, gel^k hij met een inleidend woord op- 
merkte, ongetwijfeld ^sware ende hoogh-gaende stucken", 
tot welker behandeling hg zich had aangegord**) — om 
bg zijn oordeel hier niet te struikelen, dienden ze nederig. 



O Proeve vande cracht der godt8alic?ieyt ^ met goet ende christelick be- 
scheyt op seker laster-schrift, hier neffens gaende, by den Remonstranten 
hier te lande int nederduytsch gestroyt onder desen titul: De leere der 
synoden van Dordrecht ende Alez, ghestelt op de proeve 
van de practijcke ofte ghebruyck, etc. Door den vermaerden 
Daniel Tilenus, etc. Tot verdedinge (sic) vande leere der waerheyt 
ende ontdeckinge vande kracht der godtsalicheydt aende ontruste conscientien 
ingestelt. Door Gisbertus Voetius , dienaer Jesu Christi in sijne gemeynte 
tot Heusden, Amst., 1628. De 2^ druk: utrecht, 1656. Bij herhaling maakt 
Voetius in zijne overige werken melding van dit tractaat ; zie b.v. Dispp. select., 
t. I, p. 1126; t. n, p. 546; t. m, p. 4, 88, 793 ; PoK^ eccZe«., t. UI, p. 703. 

*) Wegens die opdracht vereerde Heusdens magistraat Voetius met de 
sora van zesennegentig gulden. Zie bijlage GXXXYin. 

») Voet., Proeve, blz. 260. 

^ De gang van zaken, hierboven geschilderd, is ontleend aan de voorrede 
van Voetius' «Proeve'*, twaalf bladzijden groot en gedagteekend uit Heus- 
den idesen 31. Augusü 1627". 

*) In Tilenus' blauwboekje waren, volgens Voetius, veel dingen «onder 
malcanderen gheworpen". Uit dien hoofde wilde hij, door de uitgave van 
zijn geschrül, »de waerheyt ende rechtsinnighe practijcke distinctelijck daer 
teghen stellen". Voet., Proeve, blz. 181. 



Digitized by VjOOQ IC 



386 NEGENDE HOOFDSTUK, 

eerbiedig en met kinderlijken schroom te worden in het 
oog gevat; onder dure verplichting, zich den heiligen 
geest, zooals deze sprak uit Gods woord, gevangen te 
geven , zonder ook maar de geringste plaats in te ruimen 
aan »eyghen siimelijcheyt, wereltsche insichten, of vleesche- 
lijcke beweginghen" en, op die wijze, tegen te werken 
de gehoorzaamheid des geloofs ^). 

uitgaande van deze en soortgelijke algemeene beden- 
kingen*), kwam Voetius daarna, meer in het bijzonder, 
tot de wederlegging van Tilenus' ^redenen *) ende conse- 
quentien" *), door er tegenover te stellen verschillende »wel 



O Voet, Proeve ^ blz. 1. 

^) Bovenbedoelde »bedenckingen** maken, met verschillende v^raememingen, 
aenmerckinghen ende waerschouwingen", den inhoud uit van het eerste deel 
des tractaats, Proeve^ blz. i — 28. Onder meer, wil hier Voetius, dat men 
bij het behandelen van zulke vragen nauv^keurig zal toezien : of ook iemands 
pei*soonlijk leven hier »mede leere ende spreke" ; of hij »die disputeert van 
dese stucken, vernomen veerde uyt eygen gevoelen te disputeren", Proeve, 
blz. 7. En dat juist ontbrak, naar hij zich overtuigd hield, bij Tilenus. 
»Hoe lange jaren — zoo vraagt Heusdens prediker in zijn tegenschnft, met 
het oog op den gewezen professor te Sedan — heeft Tilenus in den Woorde 
ghearbeyt, ende aende conscientien der onwetende, swacke, ghevalle zon- 
daers, bedruckte, benaude, stervende, vleeschelijcke belijders, aengevochtene, 
in*t publijck ende in het besonder besich gheweest met alderley geestelijcke 
remedien? Het is wat anders in de scholen lessen te doen ende dan in sijne 
studiën hem te verberghen: ende wat anders in de son ende in het stof 
met alderley humeuren van menschen te worstelen, yeghelijcx gebreken te 
draghen, in yegelijcx conscientie hem openbaer te maken, met yeders 
troublen te zijn beroert, met yeders ergemisse te branden". Voet., Proeve, 
blz. 45, 46. Vgl. daarmede blz. 39 en 459, op welke laatste plaats ge- 
sproken wordt van Tilenus »onder de school-schaduwe". Hiertegenover stelt 
Voetius, blz. 208, zijn: «expertus haec scribo", ontleend aan Arminius. 

') Die redenen van Tilenus noemt Voetius nu eens «versierde droomen", 
dan weer glosse ongesouten woorden, phrenetique ende vertvnjfelde duyse- 
lingen". Voet., Proeve^ blz. 40, 70. 

«) De »consequentien Tileni" staan in Voetius' schatting gelijk met 
«grouwelijcke spotterijen", en moeten »niet lichthandig maer met groote 
scrupuleusheyt" worden aangetast. Voet., Proeve, blz. 23. ' Vgl. Dispp. select., 
t. IV, p. 44. Eene enkele maal echter neemt Heusdens » minister" met zulk 
een »beestelijcken ende sotten vont" kortweg een loopje. Proeve, blz. 430, 
434. Zie verder bijlage GXXXIX. 



Digitized by VjOOQ IC 



IK BIOEN KRINO. TOT HOOOLEERAAR GEROEPEN. 387 

bereyde ende te vorens wel ghekoockte meditatien" ') , 
in tien hoofdstukken afgedeeld •) , die de Gereformeerde 
lidmaten van Rotterdam en van Heusden lichtelijk her- 
kennen zouden als ^eenighe der concepten", reeds door 
zgne vroegere predikatiên onder hunne aandacht ge- 
bracht; om verder, »met eene beweeglicke toepassinghe , 
ofte familiare aenleydinghe", te wijzen op wat dienen 
mocht tot vertroosting en verbetering. In het derde stuk 
van zijn boek *) trachtte hij dan , uit de binnen Dordt 
gevonnisde vgf artikelen , op zijne beurt aan te toonen , 
hoe de Bemonstrantsche leer voor de practijk volkomen 
onbruikbaar was^); terw|jl, aan den anderen kant, de 



>) Voet, Proeve, bk. 5. 

<) Tegen Tilenus* beschuldiging, dat de leer der Gereformeerden onmachtig 
blijkt een ongeloovige te bekeeren , komt Voetius op in hoofdstuk II — IV 
{Proeve, blz. 36 — 80). Tegen diens aantijging, dat de Calvinistische be- 
ginselen niets vermogen om een losbandig chnst«n-mensch zijn leven te 
doen beteren, keert hij zich in hoofdstuk V — VII (Proeve, blz. 81 — 134). 
Endelijk tracht hij, in hoofdstuk VIII— X (Proeve, blz. i34— i86), het 
irerwijt van den hoogleeraar te wederleggen, dat de canons zoo van 
Dordt als van Alais geen troost kunnen bieden aan kranken en bedrukten. 

«) Het derde deel van Voetius' ^Proeve" omvat blz. 187—242. 

^ »De pseudopraxi, seu potius iwptiif^ theologiae remonstranticae ante 
complures annos ex professo scripsimus contra blasphemum libellum Danielis 
Tileni vemaculo sermone ex gallico hic in Belgio editum**. Voet., Dispp. select, 
t. ni, p. 12. In welken vorm en geest Voetius het Arminianisrae bestrijdt, 
als voor de practijk ongeschikt, moge o.a. blijken uit wat hij aanvoert, 
blz. 187: »Die leere, die daer stelt een ghemeyne ende alghemeyne ghenade 
ende liefde Godes; een genade die overwonnen ende omghestooten kan 
worden ende dickwils omgestooten wert; eene genade die ophouden, bo- 
swqcken, ende uytgebluscht kan worden: de genade die Judas, Cain, Saul, 
lolianus Apostata ghegeven is geweest; een genade met de welcke soo 
vele, jae den meesten hoop verloren gaen: een genade die den mensche 
suspens houdt, ende op onsekere conditien doet sweven, ja als een koorden- 
danser op de koorde waggelen; een genade die daer wort geseyt genoech- 
saem te zijn, ende nochtans veeltijts niet en doet dat gene waer toe zy 
genoechsaem ende machtich genoegh soude zijn; een genade, die op ons 
herte ofte op onsen vnlle niet anders in specie en werckt, als den Satan : een 
ghenade die begint, maer niet eyndight, belooft ende niet en volbrengt, 
die haer stercte in onse cranckheydt niet en volbrenght, maer alle hare 



Digitized by VjOOQ IC 



388 NEGENDE HOOFDSTUK. 

waardij van het Contra-remonstrantsche geloof voor een 
beoefenend christendom niet te hoog kon geschat worden. 
Reeds was die bestrijding van Tilenus' pamflet, ten 
gevolge der Bossche verwikkelingen'), min of meer op 
den achtergrond getreden, als Voetius, ongeveer half 
Maart 1634, uit handen van zijn ringbroeder Martinus 
Lydius *), predikant te Aalburg , die enkele dagen binnen 
Dordt had vertoefd , een omstandig schrijven *) ontving 
van Johannes Beverovicius , geneesheer en lid der vroed- 
schap aldaar*). In dezen brief deelde van Beverwyck 
aan Heusdens kerkedienaar mede, hoe hg sinds geruimen 
tgd bij enkele geleerde mannen , behoorende tot verschil- 
lende richtingen op kerkelük-godsdienstig gebied, onder 
wie zich zelfs een pater-jezuïet bevond*), voorlichting 
had gezocht omtrent de , naar hij meende, zéér gewichtige 
vraag: of men zijn leven kon verkorten en verlengen; 
biggevolg, of het in de macht stond der geneeskunst en 



cracht suspendeert aenden verrotten draet van onsen dooden of crancken 
vryen wille: die leere, segge ick, die sulcx leert, so die aenghenomen ende 
toegepast wert , en can tot het herte niet spreken , noch in alle swaricheden 
eenen vasten ende eeuwigen troost het zelve toe brenghen''. 

O Zie hierboven, blz. 334—348. 

*) Martinus was de tweede zoon van den Dordtschen predikant Balthasar 
Lydius. Zie dr. Glasius, a. to., dl. U, blz. 419. 

*) Bedoeld schrijven is opgenomen in Joh, Beveromdi epistolica qttaestio 
de vitae termino^ fatali^ an mobili? cum doctorum responsis, Secunda 
editio triplo auctior^ Lugd. Bat., 1636, p. 225 — 234. Ook staat van Bever- 
wycks brief achteraan in Voet., Dispp, select^ t. V, p. i — ^10. Het adres, 
hier vermeld, en luidende: «Gisberto Voetio theologo, Heusdano, et in UI. 
gymnasio Ultrajectino s. s. literarum professen**, is oogenschijnlijk eene an- 
ticipatie. Voetius* woord tot den lezer, Dispp, select.y t. V, aan van Bevenvijcks 
schrijven voorafgaande, heldert echter de zaak voldoende op. 

^) Zie, met betrekking tot Joan van Beverwyck, de schets van zijn per- 
soon gegeven door Cd. Busken Huet, a. to., dl. II, 2^ helft, blz. 77—82, 
en, in het Weekblad van het Nederlandsch tijdschrift voor geneeskunde, 
1893, dl. I, blz. 921—932, het opstel van dr. R. Kinil, getiteld: »dr. Johan 
van Beverwyck herdacht**. Vgl. ook hierboven, blz. 362, aant. 6, 

*) Te weten: pater Mersennus, toentertijd verblijf houdende in Parijs. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN ElÓEN KRING. TOT HOOGLKISRAAR OBROKPEN. 389 

in die barer beoefenaars^ door een of ander dieet, iemands 
jarentcü te doen klimmen 1 ^) Dreigde bier de Calvinis- 
tische leer, dat tgd zoowel als wijze van 'smenschen 
dood, bij goddelgk raadsbesluit, in volstrekten zin was 
bepaald ^) , niet met verlamming te slaan elke poging , 
die de medicus zou willen aanwenden om, door zijne 
behandeling van den patiënt, bedoelden ,,fatalen termijn" 
ak het ware te verschuiven?*) Over deze netelige quaestie 
yerzoekt van Beverwyck Voetius zijne beschouwingen 
mede te deelen ; onder toezending aan Heusdens predikant 
aller, sedert 16 Februari 1632, door hem van anderen 
daaromtrent ontvangen schrifturen *). 



1) «Laudanda proinde est medicorum industria, qui docuere Titam pro- 
rogare mortalium, volucrisque fati, ut canit Horatius, tardare alas, dum 
naturalero iUam siccitatem , quam aetatis decursu sponte oriri diximus . tem- 
peraiit, et modum artemque ostendunt, rite ea adbibendi, quibus natum 
sustentatar". Job. Be^erovicius, De vitae term. p. 227. Evenzeer in zijn Sc/ia^ 
der ghegontheyt; versiert met historyen^ kopere platen, als oock met verssen 
van heer Jacoh Cats, enz., 7*« uitgave, Amst., 1649, biz. 31 — 38, handelt 
van Beverwyck in een afzonderlijk boofdstuk over de vraag : »0f het leven 
door de konste ofte eenigh middel verlenght kan veerden?'* Vgl. Rodolpbus 
Godenius »De vita proroganda, id est animi et corporis vigore conservando 
el salubfiter producendo, Francof., 1608", vermeld door Voetius' bekenden 
AucHe-ccUaL^ pars U, misc. in oct., n^ 130. 

^ »€alviniam statu unt enim Deum absolute , id est , omnem omnino caus- 
saram respectum exdndente decreto, unicuique boraini certam mortis bo- 
nuD, ac certum mortis genus ita determinasse , ut alio temporis articulo, 
et alio mortis genere interire non possit, nee potnerit, quam quo eum in- 
terne eoolingit". Job. Bever., De vitae term., p. 230. 

*) »Sunt qui binc inferant, frustra aegrotos adhibere medicum, ut qui 
ntminem sanare possit, nisi cui jam foto decretum est evadere". Daartegen- 
over echter stond: »Plerisque eorum placere video determinatum vitae ter- 
BBnom non toUere medicinae necessitatem , sed simul stabilira , quasi haec 
ad illum noe duceret, non tarnen ultra illuro perduceref'. Joh. Bever., De 
ntae term., p. 233. 

*) Die correspondentie hield toenmaals in : een schrijven van Jacobus Cru- 
cius »theol. et gymnasiarcha Delphensis**; van Abrahamus vander Mylius 
»patritiu6, et theol. Dordrechtaous"; van Cornelius Beverovicius «patr., et theol. 
I)ordr."; van Marimis Mersennus »tbeoI. et phil. Parisiensis"; van Johannes 
Weeterburg »eccl. Dordr. pastor"; van Caspar Barlaeus »med . doet., et phil. 

26 



Digitized by VjOOQ IC 



390 NEGENDE HOOFDSTUK. 

Had het den Dordtschen geneesheer, man van smaak 
en ontwikkeling , goedgedacht , behalve den ruimen oogst, 
die reeds was binnengehaald, ook nog garven aan te 
vragen uit een der verst-gelegen frontierplaatsen ^), zoo 
liet zich Voetius door geene valsche nederigheid weer- 
houden, hier, naar zijn beste vermogen, de wetenschap 
te dienen. Eene breedvoerige missive; later, in druk, on- 
geveer honderddertig quarto-bladzijden groot *) — rgkelijk 
gevuld met teksten en andere aanhalingen, nauwkeurig 
afgedeeld in aphorismen en bew^sgronden , in excepties, 
instantiên en tegenwerpingen ^) ; van het begin tot het 
einde op zuiver-scholastieke leest geschoeid*) — eene 
missive, die, naar hgzelf verklaard^, meer had van een 



apud Amstelodamenses professor"; van Andreas Colvius Deccl. Gallicae apud 
Dordr. pastor"; van Andreas Rivetus »s. theol. doet, etGulielmi Araus. piin- 
cipis ephorus"; twee brieven van Siraon Episcopius »aiiiium, et theol. doet." 
(vgl. dr. Knuttel, CataL pamfl., dl. I, st. JI, n®. 4443), en nog daarenboven 
de verechiliende missiven door van Beverwyck aan gemelde pei'sonen ver- 
zonden. Zie Joh. Bever., De vitae lerm,^ p, 1 — 182; p. 206 — 224. In datzelfde 
»Latijns boeck" was, volgens van Beverwycks Schat der ghesontheyt, blz. 38, 
ook opgenomen »den stichtelicken brief van de wel-edele, ende onvergelij- 
ckelicke joffrouw Anna Maria van Schurman, ende, onder den naem van 
Pael-steen, inde Nederlandtsche tale onlangs gedruckt". De door mij ge- 
bruikte tweede editie der »Epistolica quaestio de vitae termino", hoewel 
dan «triplo auctior", bevat geen schrijven van Anna Maiia. Zie voorts dr. 
G. D. J. Schotel, Anna Maria van Schurman^ Den Bosch, 1853, blz. 81 — 84. 

1) Aanleiding daartoe kan gegeven hebben, dat van Beverwyck bekend 
was met Voetius' »Philonium romanum correctum". Zie Joh. Bever., De 
vitae term,, p. 234. 

2) Joh. Bever., De vitae tet^m., p. 234 — 369, en Voet., Dispp. select., t. V, 
p. 10—136. Vgl. t. I, p. 377, 

5) Voetius maakt in zijne verhandeling gebruik van 9 aphorismen, 19 ar- 
gumenten, 21 excepties, 13 instanties en 18 objecties. Eigenaardig is zeer 
zeker, wat hij, Dispp. select, t. V, p. 134, omtrent eene dier tegen- 
werpingen verklaart: »quod a nemine allatum ipse mihi objicio". 

♦) Met het oog daarop schrijft Voetius dan ook aan van Beverwijck : »Non 
est quod styli et phrasearn scholasticarum apologiam apud te instituam , 
cui lectam scio epistolam Pici Mirandulae ad Hermolaum Barbarum". Voet., 
Dispp. select., t. V, p. 135. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN EIGEN KRING. TOT HOOGLEERAAR GEROEPEN. 391 

boek, dan van een brief O, bevatte Voetius' antwoord 
op van Beverwycks schrijven. 

Uitgaande van het denkbeeld, dat den christen- wijs- 
geer, inzonderheid den evangeliedienaar, niets zoozeer 
vo^de als zorgvuldig acht te geven op het einde, aan 
ieders leven gesteld ^), trachtte Voetius door zijn vertoog 
het bewijs te leveren , hoe die gi'ens , al naar het daarbij 
ingenomen standpunt, veranderlijk èn onveranderlijk 
mocht heeten '). Onveranderlijk was gezegde termijn, 
voor wien enkel lette op de hoofdoorzaak: op Gods 
eeuwige beschikking en raadsbesluit; veranderl^k daar- 
ent^en, voor wien ook rekening hield met de bijoor- 
zaken % En juist deze maakten het den mensch ten 
pUcht, tot allerlei middelen — in ziekte tot geneesheer 
en medicijnen — de toevlucht te nemen *). 

Aan het slot zgner verhandeling, oefende Voetius nog 



^) »Habes nunc, vir clarissime, non epistolam sed librum". Voet., Dispp, 
Hlect, t. V, p. 135. 

*) »Nihil magis convenit christianis philosophis , et inter eos nostri oi*dinis 
hominibus, qnam moi-tis fju^fm^ et dierum vitae indagatio et numeratio". 
Voet., Dispp. select., t. V, p. 10. 

*) »Potest ergo utrumque vere et proprie dici, vitara posse abbreviari 
aut produci et non posse, fatum cujuscunque esse mobile et immobile, di- 
verso scilicet respectu". Voet., Dispp, select., t. V, p. 12. 

*) »Si enim eflectus comparetur ad causam priraam ejnsque infallibilem 
praescientiam et iromutabile decretum, est omnino iramobilis imo et neces- 
sarius necessitate consequentiae non consequentis ; sin vero comparetur mors 
fortuita ad causas secundas et proximas sua natura contingentis, mutabiles 
aat vertibiles, eainimque incertum et mutabilem concui*sum, mobilis dicen- 
dua est". Voet., Dispp. select, t. V, p. 12, 13. Vgl. daarmede p. 14: »CJon- 
cludimus ad quaestionem de immobili aut mobili vitae termino tanquam fu- 
ture contingenti a Deo determinato, proprie et distincte respondendum : 
Esse immobilem; quamvis alio respectu etiam dici possit mobilis, ut 
jam dictum est**. 

') »Quamvis homo ignoret intentionem et consilium causae primae, ex quo 
pendet eventus, ipse tamen non debet quiescere, aut reraissius vitae suae 
attendere aut media negligere, sed agere quod in se est ex praescripto vo- 
lontatis divinae**. Voet., Dispp. select., t. V, p. 14. Vgl. hierachter, bijlage CXL. 



Digitized by VjOOQ IC 



392 NEGENDB HOOFDSTUK. 

met een enkel woord critiek op den inhoud van som- 
mige brieven, hem door Beverovicius ter lezing gezonden '); 
om dan bij Dordrechts medicus, en met dezen bij alle 
geletterden, aan te dringen, toch geene moeite te sparen, 
opdat er van hun onderzoek over dit en soortgelflke 
vraagstukken , als resultaat iets blgven mocht, wat bade, 
hoofd en hart, bevredigde^). 

Denzelfden dag, dat hij zijne missive aan Joan van 
Beverwyck voleindde en afzond^), 12 Juni 1634, trof 
Voetius met enkele daartoe gecommitteerde leden der 
Utrechtsche vroedschap eene schriftelijke overeenkomst, 
voor zijn verder levensgeluk, gelijk ook voor de ont- 
wikkeling en den bloei der Gereformeerde kerk hier 
te lande van niet geringe beteekenis. Immers had Heus* 
dens predikant, juist drie dagen vroeger*), van gemelde 
stedelijke regeering het beroep ontvangen tot hoogleeraar 
in de theologie, alsmede in de Hebreeuwsche en andere 



1) Daarbij maakte Voetius tevens gewag van zijn vroegeren leermeester 
Daniël Heinsius, die — blijkens een Latijnsch en een Grieksch vers door hem 
vervaardigd, en te vinden achter van Beverwycks «epistola dedicatoria*'. aan 
bedoelden Leidschen hoogleeraar gericht (zie Joh. Bever., De vitae term.) — 
naar Voetius opmerkte »pugno non Zenonis sed poëtico sententiam suam 
in gratiam eruditiorum complecti voluit". Voet., Dispp, selecL^ t. V, p. 135. 

^) »Ad extremum hoc unice a te et in te ab omnibus literatis contendo, 
ut in quaestionibus ejusmodi, qualis haec est, post exhaustas omnium dis- 
putationes et sententias, tandem aliquid statuant, quo mens eorum in certa 
veritate conquiescat". Voet., Dispp, select, t. V, p. 136. Zie ook bijlage CXLI. 

') Het jaartal in Joh. Bever., De vitae term., p. 369, vermeld: »Heusdae 
prid. eid. jan. croiocxxxix" steunt blijkbaar op een drukfout: ix in plaats 
van IV. Vgl. Voet., Dispp. select, t. V, p. 136. 

^) Volgens het meegedeelde door de notulen der Utrechtsche vroedschap, 
3 Mei 1634, kwam Voetius voor bovengenoemde betrekking in aanmerking, 
eerst nadat men zich daartoe te vergeefs had gewend tot Henricus Altingius , 
professor theologiae aan de academie te Groningen. Naar dr. Glasius, a. w., 
dl. I, blz. 33—35, bericht, had men Alting in 1633, te Leiden, vruchteloos 
eene plaats als hoogleeraar aangeboden; terwijl hy, tien jaren vi*oeger, 
eveneens had bedankt voor het professoraat te Franeker. Doch van Utrecht 
zwijgt Glasius. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN EIGEN KHINQ. TOT HOOGLEKEAAR GEROEPEN. 393 

Oostersche talen aan de, 17 Juni daarop, binnen Utrecht 
in te wgden illustre school. 

Zag Voetius, ten gevolge dier benoeming, „groeten 
arbeydt voor de handt , ende veel wercks op een nieu"-; — 
konden de zoo omTangnLjke professorale werkzaamheden, 
met haar j^moeyten ende appendentien", lichtelijk strek- 
ken ^tot ruyne van sijne ghesontheydt" — toch rekende 
hij zich in het algemeen belang verplicht, oöa, zonder 
te letten op ^werelts voordeel of profijten*' ^), de hem toe- 
vertrouwde taak met kloeken moed aan te vatten^). 
Maar dit, tot ongeveinsd leedwezen der Heusdensche 
gemeente. Overwegende evenwel , hoe de ijverige prediker 
zijn „ordinairen dienst" begeerde te verlaten „ghebonden 
door den geest ende niet van selfe" ^), gingen magistraat , 
consistorie en classis volvaardig tot Voetius' dimissie 
over, onder beding dat hij , alvorens naar Utrecht te ver- 
trekkai , zorg dragen zou , nog eerst zgn opvolger binnen 
de frontierstad schriftelijk te doen beroepen*). 



*) Ook nu weer (vgl. hierboven , blz. 211 , aant. 1, en hieitwihter, bijlage 
LXXXrV) trachtte Voetius zich zelven en anderen later diets te maken, 
dat hij , naar het voorbeeld van zijn theologischen mentor en geestverwant , 
Calvijn, indertijd weinig of niet zou hebben gelet op het bedrag zijner 
toekomstige jaarwedde als hoogleeraar aan de illustre school, waar hij o. a. 
Polit. eccles.^ tom. I, pars II, p. 717 schrijft: »Quod ad me, nunquam 
tarnen de stipendio meo pro professione academica cum quoquam mortalium 
pactus sum , aut conventionem unquam inivi. Placuit mihi seroper sententia 
Calvini, quam profitetur in epistola, qua impudentissimae caixlinalis Sadoleti 
im^Aifi luculenter reepondef'. Daarmede is echter in strijd, hetgeen wordt 
vermeld door de notulen der Utrechtsche vroedschap op 14 Juni 1634. 
Zie hierachter, bijlage GXLII. 

«) Voet, Afs.-pred,, blz. 87. 

») Voet., Afs.'pred., blz. 86. 

*) Op de classisvergadering , te Gorinchem gehouden, Donderdag 21 Aug. 
1634, toen Voetius reeds in Utrecht was aangekomen, werden o. a. ook voor- 
gelezen: »d'instrumenten belangende de beroepinge d. Gisberti Voetii tot 
de professie der h. theologie, ende hebr. taele inde illustre schole der stad 
Uytrecht; mitsgaders der dimissie ende attestatie des e. kercken-raeds ende 
ach tb. magistraeten van Heusden. Waer-meede de classis, siende de wettelick- 



Digitized by VjOOQ IC 



394 NEGENDE HOOFDSTUK. 

Nauw bleek die voorwaarde vervuld en Martinus Lydius, 
onder goedkeuring der Gorcumsche classis, tot wettig 
plaatsvervanger gekozen O, of Heusdens oudste predikant 
kwam Woensdag, 20 Augustus 1634, 's morgens te acht 
uren in de Catharijne kerk met zijne » weerde toehoorders" 
samen, om daar — „niet sonder groote droef heydt ende 
beroeringhe ten wederzyden" — afscheid te nemen ^). In 
aansluiting bij de woorden Filipp, 1 , vs. 27 opgeteekend : 
„AUeenlijck wandelt weerdiglijck den evangelio Christi, 
op dat 't zy ick kome ende u sie, 't zy ick afwesigh ben , 
ick van uwe saecken mach hooren, dat ghy staet in 
eenen geest , met een ghemoedt ghesamentlick strijdende 
door 'tgheloove des evangeliums", zocht Voetius, »schey- 
dende van sgne schapen , de selve een goede vermaninghe, 
als een heylighe angel of prickel , in het herte achter te 
laten", opdat zij , was hg eenmaal vertrokken , te beter 
zgne leer zouden bewaren en te nauwgezetter hunnen 
wandel daarnaar inrichten '). 

Viel het voor den prediker te bejammeren, dat hij, 



heyt der selfder beroepinge ende de meerder stichtinge, die Godes kercke 
daer uijt te verwachten hadde, heeft d. Gisbei'tum Voetium gedimitteeri". 
Zie voor de in het latijn gestelde acte dier losraaking: bijlage CXLIII. Vgl. 
Acta syn. part. Z. H.^ Woerden, 1635, art. 56. 

») Hand. cl. Gore, 21 Aug. 1634. Vgl. hierboven, biz. 388, aant. 1. 

^) Voetius' afscheidspreek, waarvan een exemplaar der eerste uitgave zich 
bevindt ter Koninklijke bibliotheek in Den Haag, is opgedragen aan i>Lam- 
brecht Jarens, president van schepenen, endeoudt-borgemeester; Johan Beelaerts, 
schepen, ende oudt-borgemeester; Adriaen Daniels van Berlecom, borgemeester 
ende oudt-schepen ; Dirck Goossens van der Horden, Adriaen Willemsz. van 
Braeckel, Huybert Walewijns, oude schepenen ende borgemeesteren; Se verijn 
Jansz. Schouwen, ouderlingh tot Heusden". Zij werd door Utrechts hoogleei'aar, 
tijdens de wintervacantie van 1635, voor den druk in gereedheid gebracht, 
om zoodoende »veele van de ghemeynte" binnen de frontierstad »te ghelieven", 
en, tegen het eind van Januari 1636, hun »tot een teecken van christe- 
lijcke vriendtschap*' toegezonden. Zie van bedoelde predikatie Wz. i — 3 
der voon*ede. 

3) Voet., Afs.'pred., blz. 2. 



Digitized by VjOOQ IC 



IN EIGEN KRING. TOT HOOGLEEBAAR GEROEPEN. 395 

bij eene gelegenheid als deze, zijne redenen niet naar 
wensch kon uitbreiden en »met schrifturen beves- 
tighen" *) — voor den pastor bleef er tijd genoeg over, 
om, in het openbaar, de vriendschappelgke gezindheid 
te roeoien van Heusdens magistraat, die nog daags te 
voren had getoond, op welke »diepe fundamenten" hare 
^affectie" berustte, door, even mild als kiesch, Deliana 
een aandenken te vereeren '). Ofschoon vroeger niet van 
meening, dat een profeet het meeste nut zou kunnen 
doen in zijne vaderstad O > zag de Heusdenaar Voetius 
zich nu genoopt dit oordeel terug te nemen *). 

Weemoedig-dankbaar werd, dienzelfden middag, door 
hem en zijn gezin de reis naar Utrecht aanvaard. 



') Voet., Afs.'pred., blz. 56. Evenwel is die afscheidsrede nog tamelijk rijk 
aan bijgebrachte teksten en aan allerlei uitspraken van kerkvaders (vgl. 
hierboven , blz. 375, 376), juist toen door Voetius gelezen of bestudeerd. 
Zie ook hiei*achter, bijlage CXLIV. 

*) Zie voor dat aandenken, Deliana geboden, bijlage CXLV. 

») Voet., Afs.'pred., blz. 77. 

*) vSimiliter Christus inquit Luc. 4. Non est propheta, etc. nisi 
in patria. Contrarium tarnen aliqui experti sunt: inter eos ego, si quis- 
quam". Voet., Dispp» select., t. IV, p. 45. 



Einde van het eerste deel. 



Digitized by VjOOQ IC 



Digitized by VjOOQ IC 



BIJLAGEN. 



1 

Digitized by VjOOQ IC 



Ben ik, bij het samenstellen yan dit werk, niet weinig yerplicht 
aan de groote hulpyaardigheid, ter Leidsche uniyersiteitsbibliotheek, 
mij steeds betoond door de HH. dr. W. N. du Rieu, dr. S. G. 
de Yries , L. D. Petit , J. P. de Sanyage en P. M. Spille — teyens 
breng ik , met betrekking inzonderheid tot het hier yolgend bronnen- 
materiaal , mijn weigemeenden dank aan de HH. mr. J. S. D. 
yan Doom, gewezen secretaris yan curatoren der Leidsche hooge- 
school; mr. S. Muller Fz., archiyaris der proyincie en gemeente 
Utrecht; mr. Oh. M. Dozy, gemeente-archiyaris te Leiden; P. L. 
Honcoop, burgemeester, en H. J. yan Eggelen , secretaris der ge- 
meente Heusden; J. A. C. Hezenmans, stadsarchiyaris yan 's-Her- 
togenbosch; dr. J. G. B. Acquoy, hoogleeraar der Leidsche uni- 
yersiteit; L. Oyerman, secretaris yan de algemeene synode der 
Nederl. Hery. kerk; D. Wielandt, A. de Pecker en G. O. W. 
yan Geijtenbeek, Heryormde predikanten, respectieyelijk te Heus- 
den, Gorinchem en Sleeuwijk. 

Allen hebben mij beyestigd in de aangename oyertuiging, dat, 
waar het geldt een zuiyer wetenschappelijk doel, bij elk hunner 
krachtdadige steun is te yinden. 



Digitized by VjOOQ IC 



BÜLAGEN. 



Bijlage I (zie hierboyen, blz. T, aant. 1). Yoetitis' geboortejaar 
wordt zéér yerschillend opgegeven. 

YoIgenB het in drok yerschenen Albvm studiosomm aeademiae 
Lugduno Batavae, Hagae Gom., 1875^ p. 75^ zou hij geboren zijn 
in 1587. Dat bericht yindt stenn, en licht mogelijk ook zijne 
yerklaring, in een naderhand hier af te drukken brief, 25 April 
1604 door den Heusdenschen rector Franco Odolphi gezonden 
aan de opzieners yan het Staten-collegie te Leiden. 

J. Kok, Faderl. looordenboei, Amst., 1793, dl. XXIX, blz. 293 ; 
dr. B. Glasins, Godgeleerd Nederland, 's-Hertogenbosch , 1856, 
dL m, blz. 526; dr. W. MoU, OeecL der ChrUielyhe kerk, in 
iafereelen, Amst., 1859, dl. Y, blz. 188; dr. J. J. yan Oosterzee, 
in Herzog's Eeat-Sncyklopaedie , Gotha, 1863, Bd. XYII, S. 238; 
dr. G. J. YosAz., OescA. der vaderl. kerk van 630 tot 1842, 
2*^ dmk, Dordrecht 1888, blz. 167, en yele anderen meer, noemen 
als Yoets geboortejaar: 1588. 

Mijne opgaye: 1589 is ontleend aan een paar mededeelingen 
van hem zelven. De eerste wordt gevonden in zijne Bisputationes 
theologicae selectae, Amst., 1667, tom. lY, p. 283, en luidt aldus: 
„In civitate Heusdana hostibus proxima, parentibus ejusdem civi- 
tatifl tune civibus, juxta cum omnibus aliis civibus in medio 
praeeidiariorum militum, armorum, tumultuum et periculorum 
beUicorum degentibus anno 1589. natum me fateor; et quidem 
drca iUud tempus, quo comes Mansfeldius copiarum Büspanicarum 
praefectus, proximus omnibus castellis occupatis, civitatem illam 
obaideret". Ygl. daarmede Yoet., Diepp. select., Ultraj., 1659, 
tom. m, p. 1030 en zijne Politica ecclesiaetica, Amst., 1666, tom. 
I, pars n, p. 536. 

Het tweede bericht — bij lange na niet zoo duidelijk en af- 
doende als het eerste — staat vermeld in eenige familie-aantee- 

Digitized by VjOOQ IC 



IV BDLAGBN. 

keningen ^ ten jare 1658 door Yoetins eigenhandig neèrgeschreyen; 
welke aanteekeningen/nitgegeyen door jhr. mr. J. L. A. Hartens, 
zijn opgenomen in het twaalfde deel der Bijdragen en mededeeUn^en 
van het HistoriscA ffenootscAap, gevestigd te Utrecht, VGrayenhage, 
1889. Wij lezen daar, blz. 320 : „Mijn yader in den jare 1597 

op den onder ende met de compagnie yan den heeie 

yan Cloetingen gonyemeur tot Heusden in 't leger opgetrokken 
zynd, in het inneemen yan Breyoord met een grofstnk geschoten, 

waar aan hij terstond gestorven is, nalatende zijn swakke 

yrouw met vier kinderen; waar yan de oudste elf jaren ond was, 
en ik zijnde de naaste daar aan zijnde den 3 Maart naast yoo^ 
gaande seeven jaren ond geworden". Yrij zonderling luiden hier 
de woorden : naast voargawnde. Hebben we recht daaruit af te 
leiden, dat Voetius, toen Maurits in het najaar yan 1597 Brede- 
yoort veroverde, den naasten, d. i. den 3^^ Maart (1597) acht 
jaren, en den naast voorgaanden, d. i. den 3^° Maart (1596) zeven 
jaren telde, dan komt zijne opgave met die in de Disjmtationcs 
selectae gedaan overeen. Acht men evenwel zulk eene wijze van 
rekenen — en geen wonder — te gezocht, dan volgt uit genoemde 
aanteekening , dat hij aldaar verklaart geboren te zijn in 1590. 

Als curiosum zij ter loops medegedeeld, dat in de Biographie 
universelle, BruxeUes, 1847, tome XX, p. 398, omtrent „Gisbert 
Voet" wordt bericht: „nó k Heusde Ie 3 mars 1698". 

Beide : geboorte; aar 1589 en geboorte^^ 3 Maart, staan vermeld 
boven zijn portret in de senaatskamer te Utrecht en wel aldus: 

Qisb. Yoetius s. s. th. d. et prof. ac eccles. 

pastor, syn. Dord. patribus omnibus super- 

stes. nat. Y. non. mart. st. greg. an. CIO.IO.LXXXIX. 

Ook worden jaartal en dagteekening, op die wijze vereenigd, 
aangetroffen in de door Andreas Essenius gehouden Oratio funebris 
in oèitum G. Foetii, ültraj., 1677, p. 6; in de Hondertrjaarige 
juèel-gedachtenisse der academie van Utrecht, uitgave van Isaac Le 
Long, Utrecht, 1736, bk. 89; in het bekende werk van Casp. 
Burmannus, Trajectum eruditum, vironim doctrina inlustr., jui in 
urbe Trajecto et regione Trajectensi nati stmt, sive ibi habitarunt, 
vitas, fata et scripta exhibens, Traj. ad Rhen., 1738, p. 396; in 
het Academisch register van Mart. Soermans, Leyden, 1704, blz. 
138; bij 0. Q. Jöcher, Allgemeines GelehrtenrLewicon, Leipzig, 1751, 
„in voce" en elders. * 



Digitized by VjOOQ IC 



n (blz. 7, aant. 2). i^Henricns Yoet discessit in tractum Bra- 
banüaei atque hnc yeteres sedes transtulit. Ejus nomen occumt 
in scabinorum Hensdanomm, Gualtheri Enyckii et Hackenii in- 
Btmmento publico^ qnod confectum est anno primo superioris 
Becxüi". Aldus bericht Andr. Essenius in zijne reeds genoemde 
Orat. fun., p. 7. 

Het wekt nochtans bevreemding, dat Hendrik Voet volstrekt 
niet wordt aangetroffen bij de Hensdensche schepenen, gelijk zij 
voorkomen op de ^^Lyste van de HH. magistraaten , die van jaar 
tot jaar gediend hebben binnen Hensden, beginnende met den j are 
anno 1308", welke Ujst, getrokken nit de stedelijke registers, zich 
bevindt in de tweede, vermeerderde uitgave van de Beêchryvinge 
der êtadt Seuêden, door Jacobus van Oudenhoven , 2^ druk, Amst., 
1743, blz. 131—184. 

Daar Hendrik Voet in 1480 trouwde met Ida Dirks van Oud- 
heusden en die laatste naam, bij herhaling, op bedoelde schepen- 
rd vermeld staat, zoo vóór als na 1480 — waag ik de gissing, 
dat Essenius hier verkeerd zal zijn ingelicht en dat, wat hij 
omtrent het geslacht „Voet" verzekert, veeleer de familie „van 
Ondheusden" moet gelden. 

ID (blz. 7, aant. 3). Op de geslachtlijst bij I. Le Long, a.ia,, 
komt Hadrianus Voet voor als „prior". Dat is onjuist. In boven- 
vermelde fionilie-aanteekeningen noemt Voetius hem, blz. 312, 
«onder prior in der Wilhelmiten clooster tot 's Hertogenbos". Prior 
of overste was toentertijd Simon Pelgromius „een bekend taal- 
geleerde en geschiedkundige", naar C. B. Hermans bericht, die, 
in zijn Geschiedkundig mengehoerh over de provincie NoordrBrabamdy 
'sHertogenbosch, 1840, dl. I, blz. 53 — 56, 's mans levensloop 
teekent en de lotgevallen van het klooster, dat — eerst buiten, 
later binnen Den Bosch gevestigd — in 1566 door de beeldstor- 
mers werd aangetast „zoodat er van het geheele sticht niet dan 
de muren en het dak staan bleven". Vgl. P. Ouypers-van Velt- 
hoven, DocumenU pour servir h Phistoire des troubles religieux du 
JYl^ siècle, doms Ie Brabant Septentrional , BruxeUes, 1858, t. I, 
p. 72, 411. 

Wat de orde zelve betreft, zoo rangschikt MoU, in zijne Keri- 
geschiedenis van Nederland vóór de Hervorming, Arnhem, 1867, dl. 
n, st. n, blz. 111, de Wilhelmieten onder de heremieten. Zie 
echter ook Herzog, Beal-IIncyil., 1864, Bd. XVHI, S. 151. 

Digitized by VjOOQ IC 



IT (blz. 13, aant. 1). Blijkens den Inventaris van het oud-arehief 
der gemeente Heuêden. Opgemaakt in 1885 door mr. C. C. N. KroMf 
archivaris in Noordbrabant , blz. 47, begint het oudste doopboek, 
daar voorhanden — vertegenwoordigende de geboorteregisters van 
den burgerlijken stand uit onze dagen (vgl. Yoet., FolU. eccles,, 
Amst., 1663, torn. I, pars I, p. 733, sqq.) — eerst met het jaar 
1618 en bevat derhalve niets omtrent het gezin van Paulus Voet. 

De jEemiilie-bijzonderheden, blz. 7 — 13 in den tekst vermeld, 
zijn grootendeels ontleend aan de reeds genoemde mededeelingen 
van Yoetiuszelf , vergeleken met hetgeen wordt gevonden in de 
geslachtlijst bij Lie Long , de Oratio funehris yan Essenius, p. 7 
en de Appendix apologetica, p. 373 — 375, gericht tegen de voo^ 
rede van Maresius' boekje AmpKêsimi viri eonsiderationes eromaüeae 
circa foenue trapeziticum, cum 8. Maresii ad eas respomione, Ad Mare* 
Zuerium JBoxhomium, Ghron., 1641. Praemittitur ejusdem proef atio 
de famosa prae/atione nuper admodum praefixa lièro, qui inscribümr: 
Nova philosophia re/ormata, ibid., 1657 — een „appendix", toe- 
gevoegd aan het geschrift van Paulus Yoet „Qisb. fiL joris in 
acad. Ultraj. antecessoris et Yianensis camerae senatoris", getitdd: 
De U9U jwris civiKê et canonici in Belgio ünito , deque more promo- 
vendi doctores utriusque juris, etc, Liber singularis, Ultraj., 1657. 

T (bladz. 13, aant. 3). Franco Odolphi — in het Leidsche 
„album studiosorum" op den 14^^ Januari 1594 yermeld als 
„Franciscus Bodolphi, Heusdensis, t(heol.)" — komt in de Acta 
academiae Lugduno Batavae, de Handelingen van curatoren alsmede in 
de notulen van het Herste register rakende f Collegium theologiae, 
dat van Juli 1594 loopt tot 11 Aug. 1614 en welk register op 
het stedelijk archief te Leiden berust, voor onder den naam van 
„Franciscus Adolphi". In het laatste geschrift heet hij tevens 
eene enkele maal „Frans van Heusden", of „Franciscus BEeus- 
danus". Essenius, Orat. fun., p. 8^ noemt hem „Franco Odolphus", 
wat eveneens Yoetiuszelf doet , wanneer hij , bursaal in het Staten- 
coUegie, aan den voormaligen leermeester zekere disputatie, door 
hem gesteld, opdraagt. 

Als wees gedenomineerd door Heusdens magistraat en den 
34**«* Januari 1594, bij zijne komst in het Collegium theologi- 
cum, achttien jaren oud, „tamelijck geinstrueert, oock seer ge- 
negen tot vorder studiën" (vgl. Acta acad. L. B., cod. YLi, fiaL 
31 & 33, uit het Leidsche senaatsarchief), moest Franco die in- 

Digitized by VjOOQ IC 



BULAöBN. yn 

richting reeds ODgeveer half Januari 1595 verlaten , tegelijk met 
de dertien andere, daar nog aanwezige kweekelingen. Immers, na 
het oproer van 20 Oct. 1594 — waaraan echter Franco Odolphi, 
gehoord „bij eede", geen deel bleek genomen te hebben — be- 
sloten zoowel HoUands staten als curatoren en burgemeesters van 
Leiden mèt de oude toestanden tevens de oude gedenomineerden 
uit te bannen, ofschoon erop bedacht: hoe men aan sommige der 
aldus gelicentieerden ^van goede hoop wesende, ende ten naesten 
tot perfectie gekomen zjnde, soude doen eenigh onderstandt om 
haren studium te mogen voltrecken, ende dat alleenlijck voor 
twee of drie jaren" (Beêol. Holl., 27 Febr. tot 10 Maart 1595). 

Uit dien hoofde ontving „Franciscus Odulphus", gedurende 
eenigen tijd, vijf en zeventig gulden voor ^een jaer onderhoudt" 
(JReêoL HoU., 22 Jan. 1596). G^en bursaal langer van het Staten- 
coUegie, woonde hij in bij den predikant Thomas Sprankhuyzen 
{Acta aead. L. B,^ cod. V, foL 97). Misschien heeft hij aijne god- 
geleerde studiën, ten gevolge van bovengemelde uitbanning, niet 
eens aangevangen en zeker niet voltooid, maar zich tevreden ge- 
steld met den titel van „magister artium", rechtgevende , om 
— bij toestemming der Staten — een rectoraat te vervullen. 
Met zijne beschermers ook later op goeden voet gebleven, be- 
toonde Franco „stil van wesen" zich te Heusden een dier „geleerde, 
arbeytzame en getrouwe schoolmeesters", die, naar den door 
Euchlinus als regent, bij de inauguratie van het CoUegie, uitge- 
sproken wensch „den kinderen van jongs op de leere der hemelsche 
waerheit, ende de grontstucken der Latijnsche ende Griexsche 
tale, der granmiatica, dialectica, ende rhetorica" wisten mede te 
deelen. 

Blijkens de gemeenterekeningen voor de magistraat gedaan en 
in Heusdens oud-archief bewaard, genoot Frans Odolphsz., als 
rector en „officiant van der stadt", een tractement van 160 gld., 
met vrije womng en vijftig ton turf 'sjaars. Hij bekleedde zijn 
ambt tot 6 Maart 1610, toen hij door Abraham Genius daarin 
vervangen werd. 

TI (blz. 14, aant. 2). üit de aanteekeningen , opgenomen inde 
Bijdr. en med., dL XII, blz. 312 — 315, waarmede overeenstemt 
de geslachtlijst bij Le Long, blijkt, dat de familie Voet op ver- 
Bchülende wijze met de van Steewechs vermaagschapt was. GKjs- 
berts overgrootvader. Dirk Hendriksz. Voet, trouwde, voor de 



Digitized by VjOOQ IC 



Vra BUIiAGBN. 

vijfde maal huwende , met Oatharina van Steewech ; — zijne oud- 
tante, Cornelia Yoet^ was aan Leonard van Steewech in den echt 
yerbonden; — zijne petemoei, die hem ten doop hield, had tot 
zwager een jongeren naamgenoot van den beroemden Godschalk 
van Steewech. 

Wat dezen laatsten, den zoon van Gijsberts oudtante Oomelia, 
betreft, luidt het bij van Oudenhoven, a,w,, blz. 186: „Godt- 
schalcus Steuwichius, historicus ende philologus, in sijn leven 
professor eerst in de academie van Pont k Mousson in Lotherin- 
gen, ende daer nae tot Trier, daar hij in of omtrent den jaere 
1584. overleden is, was een man van wegen sijn groote gheleert- 
heydt en geleerde schriften seer vermaert". 

Nog in April 1655, als hoogleeraar te Utrecht, op zijn college 
sprekende over een werk van den jezuïet Horatius Tursellinus, 
herinnerde Yoetius zijne hoorders aan het in vroeger dagen ver- 
schenen, hoogst nuttige boek van Godeschalus (sic) Steewechius 
^,cognatus noster", getiteld: Be particuUa Unguae latinae, welke 
rededeeltjes daar zoo voortreffelijk behandeld waren, dat één van 
Godschalks vrienden , ook een geboren Heusdenaar, J. A. Baerdwijk, 
achtereenvolgens secretaris der beide Duitsche keizers Maximiliaaa 
n en Budolf TL, in een puntdicht had verklaard: „tot mihi sant 
gemmae, quot tibi particulae". Voet., Dispp. select., torn. UI, p. 
686. Vgl. Thomas Gtemus , Animadverdones pkilologiccte et hiêtoricae , 
Lugd. Bat., 1696—1720, pars IX, p. 136. 

In zijne Exercitia et bibliotheca êtudiod theologiae, edit. seo.| 
Ultraj., 1651, p. 280, spreekt Yoetius het vermoeden uit, dat 
Tursellinus van Steewechs geschrift „ter compilatie" zal gebruikt 
hebben voor zijn boekje De usu particularum latini sermoniê, en 
laat dan op die onderstelling volgen: „Sed hoc unum est ex 
arcanis ambitionis, ut omnia ad studia necessaria aut utilia sub 
nomine Lojolitico exstent''. 

Ook Essenius, Orat. /un., p. 7, gewag makende van QodescalcuB 
Steewechius, noemt dezen: „patri Gisberti Voetii consobrinum, 
virum perquam eruditum, et antiqua &milia nobilem, ex Bra- 
bantinis Stewechüs oriundum". 

Til (blz. 14, aant. 3). Het is mij indertijd gelukt aan te koo- 
pen een, door den aMager zei ven bij „clein segel'' gewaarmerkten 
auctie-catalogus van Yoetius' bibliotheek, geveild, wat het eerste 
gedeelte betreft , 20 Sept. 1677 (of zooak het luidt in 't latijn op 



Digitized by VjOOQ IC 



ÉULAGBlï. tl 

den titel: „die 10. Sept. 1677. 8t. vet.")> waarna, den IS^en Juni 
1679 („die 2. Junü 1679. St. vet."), het tweede gedeelte volgde. 
Beide keeren werden gegadigden uitgenoodigd „'s morgens ten 8. 
uren predsó en 'snanoens ten 2. uren te willen present sijn". De 
yetkooping zon plaats hebben te utrecht „in aedibus defoncti by 
den Dom". De catalogus , gedrukt bij Willem Olerck aldaar, werd 
door dezen, tien dagen vóór elke veiling, gratis verkrijgbaar ge- 
steld. In zijn geheel omvat hij 4777 nunmiers, die, wat zéér te 
bejammeren is, maar zelden plaats en jaartal der verschillende 
Tiitgaven noemen. 

Toch leveren die twee deelen een vrij getrouw beeld van Voetius' 
geleerd streven, waarom ik er, van tijd tot tijd, naar verwijzen 
wil. Beeds nu merk ik op, hoe — het zijn hoogstwaarschijnlijk 
Gijsberts schoolboeken geweest — hier worden aangetroffen: de 
jrgnumnatica latina" en de „syntaxis" van Simon Yerrepaeus, 
een Brabantsch scholarch uit die dagen, rector, eerst te Turnhout, 
later in Den Bosch, en gestorven in 1598. Ook vind ik vermeld: 
„Gorderii principia latine loquendi". De juiste titel daarvan is, 
Tolgena de Nouvelle biographie générale, Paris, 1855, tome XI, p. 
795: x^Principia latine loquendi scribendique, selecta ex epistolis 
Oiceronis", 1578, in 8<> — het werk van Mathurin Oordier, den 
Toortreffelijken leermeester van Oalvijn, naderhand tot de gods- 
dienstige overtuiging zijns discipels bekeerd. 

TUI (blz. 22, aant. 4). De geldelijke steun door zijns vaders 
Trienden, samen met de stadsregeering, Gijsbert Yoet verleend, 
bhjkt o. a. uit dit verzoekschrift, ingeleverd bij de Heusdensche 
magistraat: 

„Aen myne E: heeren den drossart, schout, schepenen ende 
regeerders der stede Heusden. Alzoo doir aengeven ende ten ver- 
Boucke sommiger voorbidderen vanden sone zaligher Pauwelssen 
Voet met namen Qysbert Voet uwer E: doir singuliere gonste 
nu eenen jaere geleden tot supplement zynder cost-penningen hem 
gelieft heeft te succurreren, op goeder hope: dat by continuatie 
denselven binnen corten tyt totten Leytschen coUegie sich zoude 
bevlytigen te wesen bequaem: soo ist dat de supplianten siende 
alsdoen uwer E: goede affectie totten voors. sone (waer voor zy 
uwer E: alsnoch niet connen nalaten te offereren behoorlicken 
danckbaerheyt) oorsaeck genomen hebben aen denselven verders 
de hant te houden, ende oversulcx voor de tweede reyse te be- 



Digitized by VjOOQ IC 



Z BULAaBN. 

fltayen aen uwer E: medeborger Jacob Oroes. Geheellick de snp- 
plianten vertrouwende den voors. Bone binnen denselven jaere zo 
vruchtbaer geweest te zyne, dat noch uwer E: noch harer suppli- 
anten hope , na eysch zyner jaeren , zal blycken gefrustreert. Tot 
welcken eynde zy supplianten desselvige jaers eerstelingen uwer 
E: als de voornaemste opbouwers ende aucteurs derselver prae- 
senteren , wesende dit syne carmen (na d'usantie van andere scholen) 
ex prosa geverteert, ende de oratio wt onse tale overgesettet. In 
welcke studio ofte stadio die vanden eersten classe (waer inne den 
voors. sone geensints de minste en is) nu ontrent eenen jare de 
simpele structure overcomen zynde haer hebben begonnen ende 
volherdicht te oeffenen , sulcx de jegenwoordighe materie requireert 
uwer E : wte andere bygevouchde exercitiiê (welcker sommige seer 
weynich, sommige in gantsch geen [er wyse?] zyn geholpen) te 
bethoonen. Ende naerdyen, neffens de voors. zyne jaerlickse montr 
costen bedongen op vyftich karolus gulden, den voors. sone nyet 
weyniger heeft behooren matelick versien te wordden van clee- 
dinge , bedragende ter somme van twaelff gulden : 

Bevelen zy suppUanten sulcx mede uwer E: discretie. Biddende 
ende versouckende voorts onder behoorlicke reverentie uwer E : te 
gelieven t'b^onnene met haerlieden te voleyndigen ende noch 
eenmael te consenteren: dat denselven sone alnoch voor eenen 
vierdel jaere t' uwer E : costen mach werden gealimenteert. Bin- 
nen welcken tyde de supplianten houden ongetwyffelt off hy en 
zal in t' gene hem noch resteren mach zo vele toenemen , dat hy 
zyner studie halven in hetselven coUegie tegens Mey eerstcomende 
by uwer E : denominatie lichteUck sal connen werden geaccepteert. 
Yan wegen der voors. voorbidderen by uwer E: dienaer (was ge- 
teekend) Fs. Odolphsen''. 

Op den kant van dit request — voor zoover niet te zeer ge- 
schonden en nog leesbaar — staat de navolgende apostille ge- 
schreven : 

„De borgemeester Outheusde sal lichten vuyt handen van Adriaen 
Janssen de somme van vyff ende twintich gulden, mitzgaders noch 
vuyt handen vanden heere drossart de somme van vyfftien gul- 
den die van wegen [Basenborch?] aen den heere drossart getelt 
zyn. Noch zal de voors. borgemeester van stadts wegen daer by 
voegen in supplement vande somme in dese geroert twee ende 
twintich gulden. Te samen maeckende twee ende tzestich gulden. 
Ende so dese overbrengende [met behoorlicke quitantie?] sal hem 



Digitized by VjOOQ IC 



BULAaBN. Ti 

de Toors. somme yan twee ende twintich gulden zonder eenige 
zwaricheyt in reeckening geleden wordden daer ende also het be- 
hooren sal. Gedaen inde raetcaemer der stede van Hnesden al 

present praeter Bmynincx [ ?] opten lasten daech in Mar- 

tio 1601. Oirconde (was geteekend) L. van ELaeren". Zie Oud- 
arek. Eeuêden, E. 208, bijlage tot fol. 41 der gemeenterekening 
oyer 1601. 

IX (blz. 22, aant. 5). Gbf de wed. yan Steewech zelve een 
kwytbrief Toor de gelden yan Hollands staten , ten behoeye baars 
zoons, nit handen der Kensdensche magistraat ontvangen, — met 
betrekking tot öijsbert Voet geschiedde dit door den rector „der 
groote schole", zijn vaderlijken vriend. De hier volgende qnitan- 
ties leveren daarvan het bewijs: 

„lek ondergeschreven bekenne ontfangen te hebben vuyt handen 
joncker Henrick van Ontheusden opperste borgemeester der stede 
Hensden de somme van tsestich karolns gulden. Ende dat so tot 
betaUnge van eenen jare montcosten als andere nootlycke reparatie 
vanden sone Pauwels Voet met namen öysbert Voet. Weloke voors. 
penningen den voors. borgemeester vande E: heeren staten van 
Hollant zyn tot subsidium ende voorderinge van desselven Voets 
studie toegevoucht. Oirconde myn naem, opten 2 in Martio 1602. 
(was geteekend) Frsmco Odolphi". 

„Be weder (d. i. de andere) tzestich carolus gulden bekent de 
wed«. van Steeuwechs ten behoeve van haeren zoen vuyt handen 
vanden heere borgemeester Henrick van Ontheusden ontfangen te 
hebben. Oirconde dese geteeckent opten 16 Martii 1602. (was ge- 
teekend) öheerburch Tomas (dochter)". Zie Oud-arch. Heusden, 
£. 208, bijlage tot fol. 41 der gemeenterekening over 1602. 

X (blz. 27, aant. 4). „Geconsenteert bij den rade, dat men die 
twee burgers kijnderen bij de dienaers van de gereformeerde reli- 
gie gepresenteert als bequaem ende gequalificeert omme binnen 
corten jaren enigen dienst van hun te mogen hebben, toe sal 
seggeu een jairlicxe pensie alse elcx hondert ende vyfbich gulden, 
daermede zy hun sullen mogen onderhouden , om in enige bequame 
universiteiten te studeren ende sich aldaer te oefienen ende tot 
der kerckendienst te bereyden, mits dat dselve burgers kijnderen 
hun an nyemants anders en sullen mogen verbijnden, dan ande 
gemeente deser stadt". Des roods dogeUcx boek, op 4 May 1580. 

Digitized by VjOOQ IC 



Volgens Kameraarê^ekefiin^ over 1579/80 werd aan Wemer Hel- 
michius en Nicolaes Sopinghius, predikanten te Utrecht, uitbe- 
taald^ ten behoeve Tan 2 studenten, bij consent van de magi- 
straat gezonden naar Genève, de som van 300 gulden ,,TOor een 
jaer onderhoud*', verschenen „Victoris" (10 October), terwijl deze 
post voor de laatste maal wordt aangetroffen in de rekening over 
1583/84, waarbij dan nog is gevoegd 50 gulden, hun „toegeschickt 
om eerlick van daer te commen". 

XI (blz. 29, aant. 2). Uit die „dimissie van Wttrecht" volgt, 
dat Ziepprecht in zijn Register dwaalt met, nevens Sopingius, ook 
Bodenburch in 1590 als predikant binnen Breda te doen optreden, 
vanwaar laatstgenoemde dan nog datzelfde jaar naar Heusden zal 
vertrokten zijn. 

Mart. Soermans , Kerkelijk register van de plaaósen en namen der 
predikanten van alle de dassee, gehorende onder de synodus va» 
Zuyd-Holland , van 't begin der JReformaüe, tot nu toe, 2^« druk, 
Haarlem, 1702, blz. 98, laat, evenals de „acta classis Gorinch.", 
Bodenburch, uit Utrecht ontslagen, het eerst te Heusden weder 
in dienst treden. Datzelfde doet van Oudenhoven , a. $a., blz. 216. 

XII (blz. 29, aant. 3). Het „sterk loopen van de partyen" gaf 
eveneens aanleiding, dat men in Maart 1601 eene remonstrantie 
richtte tot den Baad van State „om sauvegarde voor de predi- 
kanten" (zie den Catalogus van het oud Synodaal archief, bewerkt 
door H. Q. Janssen f 's-öravenhage , 1878, IH, 36, U, 7), alsook, 
dat in September 1604 de predikant van Woudrichem, Johannes 
Yitellias, onverwacht door vijandelijke troepen uit zijne woning 
werd opgelicht en gevankelijk naar Den Bosch gevoerd , om aldaar 
gekerkerd te blijven, tot het hem gestelde rantsoen van 19 gul- 
den (?) zou zijn betaald. Resol. Holl, 9 Sept. 1604. Ygl. echter 
Resol. HolL, 26 April 1605. 

Xin (blz. 31, aant. 1). Volgens eene door hem op 21 Sept 
1601 a%egeven quitantie voor ontvangen turf (zie Oud^rch. 
Heusden, E. 208), noemde hij zich: Dyrck Jansz., maar onder- 
teekende hij: Theodorus Joannis. In de Gorcumsche classis- 
acten is enkel sprake van Theodoricus Johannis, wat ook het 
geval blijkt bij Soermans, l»*«n druk (Dordrecht, 1695) vwi zijn 
Kerkelijk register, blz. 68. Ziepprecht maakt melding van Theo- 

Digitized by VjOOQ IC 



BULAGBN. Xm 

doroB Johannes Ghkys en yoegt daaraan toe: ^^ook genaamd Tiel- 
man Jansz.". Ypeij en Dermout, Geêchiedenis der Nederla/ndsche 
imormde kerk, Breda, 1822, dl. II, blz. 120, alsmede Soermans, 
a. r., 2^ drnk, blz. 98, hebben: TheodoroB Johannes Goys. 

XI¥ (blz. 31, aant. 2). Noch van den dood Theodori, noch yan 
het komen en gaan Thomae, staat iets vermeld in de acten der 
classis yan GK)rcnm, die, gelijk op meer plaatsen, ook hier blijk- 
baar een hiaat hebben. Sommige gapingen kon ik aanyuUen, door 
gebroik te maken yan extracten, welke Yoetins, toen hij predi- 
kant te Heusden was, eigenhandig uit het classis-boek afschreef, 
bijeenyerzamelde en bewaarde: misschien wel in het archief 
Tan den kerkeraad aldaar. Doch zijne uittreksels zwijgen hier 
eyeneens. 

Blijkens nog yoorhanden bewijsstukken, onderteekende Theodo- 
rofi Joannis den 20>^^>^ Aug. 1602 zijne laatste turf-quitantie , en 
deed Thomas Hessinck — „by proyisie dyenaer geadmitteert inde 
kercke Jesu Ohristi tot Huesden" — zulks 1 Januari 1604 yoor 
de eerste maaL Diens laatste kwijtbrief terzelfder zake is geda- 
teerd 26 Juni 1604. Daarna worden „aenden minister Olaes Pe- 
terssen", Hessincks plaatsyeryanger te Heusden, den 16«o Noy. 
1604 , wederom op stadskosten zestig tonnen turf yerstrekt. Otêd- 
arei. Heusden, E. 208 en 209. Ziepprecht en Soermans berichten 
beiden Hessincks komst te Heusden in 1603, en zijn yertrek naar 
Leerdam in 1604. Waarschijnlijk heeft hij der gemeente gelegen- 
heid moeten of willen geyen, om nog yóór zijn gaan een ander te 
beroepen, en diens oyerkomst te yerkrijgen. Aldus laat zich dan 
yerklaren het yerhandelde ter classicale yergadering in Juni en 
September 1603. Vgl. ook yan Oudenhoyen, a. v., blz. 216. 

X¥ (blz. 32, aant. 1). Omtrent de eerste schreden door „Olaes 
Fetersz." gezet op weg naar het predikampt, berichten de Handelingen 
der elaêêis van Oorcum, onder dagteekening yan 26 Aug. 1597, het 
volgende : „De classis hoort aen de propositie yan Nicolaus Petri, die 
hij dede op die yoorrede yan 't Vader onse, ende is beyonden dat 
dieselye wel wat sober was, doch schriftmatich. Isyoorts denselyen 
proponent yan die yergaderinge a%eyraegt nae die intentie yan 
syne propositie. D'welcke hy yerclaerde te wesen, om metten eer- 
sten (indien 't den broederen goet dochte) tot den dienst der ker- 
cke gepromoyeert te moegen werden, doch by soo yerre hy daer- 

Digitized by VjOOQ IC 



XIY BULAGBN. 

toe noch niet beqnaem bevonden worde, om hem dan noch eenen 
tijdtlanck nae 't believen der broederen met propositien te exer- 
ceren. Waerop is goet gevonden (aengesien sijn propositie al vrij 
slecht was) dat hy hem noch voor eenen tijdt met proponeren 
oefienen zonde voor die predicanten, tot Gorcum woonachtich, 's 
maendachs, eens ter weecke ofte ten 14 dagen". 

Een kleine drie jaar blijkt Nicolaas zich aldus ^^geoefend" te 
hebben. Op de classisvergadering van 4 Mei 1600 , te Gorcnm 
gebonden , werd hij , in het bijzijn der synodale gedeputeerden 
Franciscus Lansbergen en Adrianus van den Borre, met gunstig 
gevolg geëxamineerd, in Juni van hetzelfde jaar te Oosterwijk 
beroepen en omstreeks October aldaar bevestigd door Johannes 
AndeUus, toen predikant te Meerkerk. Hemd. cl. Gore, 29 Juni 
en 9 Oct. 1600. 

X¥I (blz. 33, aant. 3). „Quinimo, dvitatis muris ampUatis, 
aedificia, et agri, qui extra portam siti, intra muros inclusi fiie- 
runt, nuUa haeredibus damni dati feicta reparatione. Nisi quod, 
Heusdana civitas, (idque aequum erat et juri conveniens) amisso- 
rum bonorum contemplatione, ad studia, minorem ejus natu filium, 
rever, meum parentem applicuerit, ejusdemque curam in se sosce- 
perit, eumque ad collegium Leidense miserit". Alzoo de hoog- 
leeraar Paulus Voetius , in zijne Appendix apologetica , p. 273, 274. 

X¥II (bk. 85, aant. 2). Tal van geletterde mannen, tot wie 
o. a. Arminius, Euchlinus' ambtgenoot te Amsterdam en Bredius, 
buitengewoon hoogleeraar in de rhetorica te Leiden, behoorden, 
hadden naar het regentschap gedongen. Niettemin achtten Hollands 
staten Euchlinus „den eenigen, die zulk een doorluchtig gebouw, 
waarvan de toekomst der kercke Christi in dese landen ende al- 
zoo der republiek afhing, kon optrekken'*. (Ygl. echter HesoL 
HolL, 5 — 27 Jan. 1593, waar de Staten evenzeer omtrent dr. 
Jeremias Bastingius verklaren, dat zij voor het regentschap «,egeen 
bequamer hebben konnen bedencken".) Voor zijn persoon betuigde 
Euchlinus aan Jan van Hout, secretaris der stad Leiden, toen 
deze hem later de prijsgegeven betrekking ten tweeden male 
kwam aanbieden: „dat hij dogh altijts in hem selfis gebreck ge- 
vonden hadde". Ook nu miste hij, naar zijne verzekering aan cura- 
toren gegeven, „sodanige qualiteijten soo van geleertheijt, ervarent- 
heijt, ende sonderlinge de oefieninge in logicis et dialecticis ^de 



Digitized by VjOOQ IC 



BULAaHN. XY 

geligcke consten, als in een goeden regent van noden waren". 
Eerste re^iHer, not. v. 7 Dec, 1594. 

Bij Enchlinus' benoeming moest Bredius zich tevreden stellen 
met het ambt van oeconomus of schaftmeester^ maar zelfs in die 
betrekking maakte hij zich onmogelijk. Op verzoek van den terug- 
gekeerden Euchlinns, die ^,om seeckere merckelycke reedenen hem 
beweegende met Bredio inden Collegie niet en begeerde te dienen", 
werd hij na luttel dienstjaren door curatoren ontslagen. Hersie 
register, not. v. 6 Dec. 1595. Vgl. Resol. HoU., 17 Febr. 1595. 

Xirm (blz. 88, aant. 2). De tweede ,, Ordonnantie" , gemaakt 
door de staten van Holland en West-Friesland „op tstuyr ende 
beleyt van t Collegium theologiae" en uitgevaardigd te 's-Qraven- 
hage den ll^*» Juli 1595 — waarbij de eerste „Ordonnantie", die 
?an 7 Sept. 1592, belangrijk gewijzigd werd — bepaalde in dl. 
n, art 2: „Ende sullen tot de voorsz. beursen voor al werden 
genomineert die binnen die palen van HoUandt ende Westvries- 
landt gheboren zuUen zyn, van bequamen ouderdomme, twelck 
hem verstaet tusschen de derthien ende achtthien jaren, jonger 
noch ouder, nyet merckelyck mismaeckt van gesicht, spraeck, 
off leden , ende hebbende goede ghetuychnisse van haren voorgaen- 
den rector off schoolmeester, dat zj syn goet van aert, begrip, 
ende verstandt, in hare studium zoo verre ghecommen wezende, 
dat zy bequaem syn tot der universiteyt te gaen, ende zulcx de 
gemeene lessen, met vruchten te hooren". Ygl. Brieven aam en r«sM 
het SüUen-^ollegie, I, 186. 

In de „Ordonnantie" van 1592 was enkel spraak van „jonge 
gesellen, ten minsten veertien jaren oudt". Zie de Inneleydinge 
ende aenvang vawt Collegie der tAeologien, geschiet binnen der stat 
Leyden dezen VI. Octoèris, 1592. Ten bevele der H.H. curateurs 
ende burgermeesteren gedruct tot Leyden , by Fran^oys van Baphe- 
lengien, drucker der universiteit. Inden jare 1593; blz. 27, of 
p. 11 der Latijnsche uitgave. 

Ten dage van Toets verblijf aan de academie, was er voor de 
studenten „buiten het Staten-coUegie" geen leeftijd bepaald, dien 
z^ moesten hebben bereikt om te worden ingeschreven. Sommigen, 
vooral Leidenaars, deden zich reeds als knapen van 6 tot 14 jaren 
oud bij den rector magnificus immatriculeeren. Naderhand mocht 
die inschrijving niet plaats hebben, vóór men zijn zestiende levens- 
jaar was ingetreden. Ygl. Acta acad. L. B., cod. YIU, fol. 42, 48. 

Digitized by VjOOQ IC 



XVI BIJLAÖBN. 

XIX (blz. 39, aant. 1). Dat de wed. yan Joost Filipsz. den liaar 
gegeven last behoorlijk heeft vervuld, blijkt nit het volgende, 
opgODomen in de gemeoDterekening van Heusden: 

„Betaelt ende gerembourseert aen Elisabet Glaes dochter, weduwe 
za: Joost Philiphssen, woonende tot Leyden, de sonune van drie 
ende dartioh gulden dartien stuyver over gelijcke hij haer ver- 
streckt, totte nootwendicheden vande voors. Voet inden jaere 
1604, blijckende bij de declaratie, quitantie, ende ordonnantie 
vande wethouderen alhier t' samen overgelevert". En : „Betaelt 
aen Jan Janssen Orlers, ende Beatrix Joosten , dochtere van Elisabet 
Glaes dochtere de somme van seven ende twiutich gulden twaelff 
stuyver twee oort, over gel. sonune by henl. te diversche tijden 
voorde voors. Qijsbert Voet verschoten, aen boecken, reparatie 
van cleederen, als anderssints, blijckende bij twee diversche qui- 
tantien ende ordonnantie vande wethouderen deser stede daerop 
gestelt, hier overgeleverd'. Oud-arck Retisden, E. 46. VgLE. 209, 
bijlagen tot fol. 50, 52 en 60 verso der gemeenterekening over 1604. 



(blz. 39, aant. 2). Dat I]ic. Blanckaert bij zijne mede- 
burgers goed aangeschreven stond, valt op te maken uit het na- 
volgend besluit door Heusdens vroedschap genomen: 

„De wethouders borgemeesters ende regeerders der stede van 
Heusden, hebben om eenighe consideratien henluyden daer toe 
moverende, als oock om eenighe extraordinaris diensten by den 
jegenwoordighen drossart de stadt van Heusden ende inwoonderen 
der selver bewesen, daerinne sy vastelyck vertrouwen, dat hy 
noch voortaen sal continueren, ende voornemelyck om dat die 
vande stadt hem gene woninghe versorghen, hebben den selven 
drossart belooft ende toegesecht dat hij inde verpondinghe over de 
huysinghen binnen deser stede gestelt ofte alsnoch te stellen, niet 
gehouden sal syn van syne eygene huysinghe ende bewoninghe 
te geven maer daer van vry ende exempt blyven sal. Gtedaen inde 
raetcamer opt stadthuys binnen der stede van Heusden opten 24* 
Novemb. an. 1605, al present praeter Wyfflidt, Outheusden, Loeff 
ende Loockermans my mede jegenwoordich , ende was onderteekent 
L. van Haeren". Oud-arcA. Heusden, E. 208. 

xn (blz. 39, aant. 4). De brief van Gl-ijsberts leermeester luidde 
aldus : 

„Franciscus Heusdanus regenti et subregenti coUegii Leydensis, 

Digitized by VjOOQ IC 



BULAGBN. ZVn 

dominis suis reverendis, gratiam et pacem a domino Jesu Christo. 
Mitto ad TOS, yin reverendi, e disciplina mea honc , qaem videtisi 
nomine Gysbertnm Yoetium. Et alterum mittere prohibuerunt 
nulli parcentes ülae deae. Peste etenim obiit jam abhinc sex heb- 
domadas, aut drciter, et ingressos est caeleste illnd beatornm 
Collegium, spe jam concepta ingrediendi yestrum. Hunc ergo, 
quem sistere vobis datur, carum mihi semper caput propter genium 
et iogenium ex eo scintillantes bonos igniculos, oro obtestorque 
dignemini excipere gremio vestro , ad lectiones publicas admittere, 
et in eorum, qui curae yestrae commissi sunt numero, contueri. 
De aetate non puto fore discrimen; cum jam (quantum ex matre 
ejns intelligo adhuc superstite) decimum septimum impleyerit 
annum. Quod ad studiorum progressum : se ita idoneum , ut spero, 
iüstitutioni yestrae ac publicae progressu temporis yobis probabit, 
ut aliquando intellecturi sitis hominem mereri supra commenda- 
tionem nostram. Opera ac suffiragio si indigebit domini Merulae, 
ifi senatui nostro satis feiyet. Fayoremque ejus, amorem ac bene- 
ficentiam (quod recordor mente longe gratissima) Leydae ipse sum 
expertus, ubi amicitiae ejus mihi semper patebant fores. 

Valete yiri reyerendi, ac Voetius bic meus yobis eo charior sit, 
quod imbiberit ex me quod ego olim ex yobis. Salveat a me do- 
minus Meruia. Heusdae 25 Aprilis 1604". 



Naar aanleiding yan dat schrijyen (Brieven Stat-eolL, I, 315), 
zg het yolgende opgemerkt: 

De „andere" leerling, door Franco Odolphi hier bedoeld en oyer- 
leden aan de pest, was een zoon der weduwe yan Steewech, te ' 
gelijk met GKjsbert door Hollands staten ondersteund. Ygl. boyen, 
in den tekst, blz. 22, aant. 5. Had de rector-notaris ook hem 
kunnen „bestellen" in het Collegium theologicum, dan zou hij 
daar yerblijf hebben moeten houden, óf als „extraneus" op eigen 
kosten, öf als „ordinarius alumnus" op die yan bijzondere maece- 
naten* De eenige beurs toch, welke toentertijd t^r denominatie 
stond yan Heusden, als behoorende tot „de cleijne steden" (zie 
Acla acad, L. B,, cod. Vla, fol. 31), was door de yroedschap 
yoor CKjsbert bestemd. 

Hoe in boyenstaanden brief, en dat nog wel onder yerwijzing 
naar eene opgaaf zijner moeder, Voets leeftijd onjuist wordt mede- 

B. 2 

Digitized by VjOOQ IC 



XVm BIJLAGBN. 

gedeeld , volgt uit bijlage I. Ook de inschrijyingsboeken , gehouden 
door den pedel en nog voorhanden in het Leidsche senaatsarchief, 
verraden de onzekerheid, welke er aan de academie bestond om- 
trent GiJBberts geboortejaar. Bij hernieuwde recensie in 1605 werd 
zijn leeftijd: 17 blijkbaar door 18, bij die in 1606 het getal 18 
zéér duidelijk door 19 vervangen. 

De heer Meruia, op wiens krachtdadigen steun in het belang 
van Gfijsbert en ter wUle der Heusdensche regeering met zeker- 
heid viel te bouwen, was: mr. Paulus Meruia, hoogleeraar in 
de geschiedenis aan Leidens academie en historieschrijver der 
Staten , een invloedrijk persoon. Naderhand laat Yoetias , professor 
te Utrecht, zich met veel waardeering over diens werken uit; zie 
Bibl. Hud. theol., p. 626, 661 en PoUt. eccleê., tom. Il, p. 129. 

Onder de stukken, die betrekking hebben op het Collegium 
theologicum, bevinden zich tal van getuigschriften door hunne 
leermeesters den toekomstigen bursalen ter hand gesteld. Voor 
zoover ik door vergelijking heb kunnen nagaan, is het testimo- 
nium, uitgereikt aan Qijsbert Voet, in hoogst loffelijke bewoor- 
dingen gekleed. Op ééne lijn daarmede staan de verklaringen door 
Theod. Schrevelius, conrector en, na het eervol ontslag van Oom. 
Schonaeus, rector der Latijnsche school te Haarlem, a%elegd 
ten dienste van Josephus van der Rosieren (Brieven Stat.-coU., 
I, 264) en van Victor Rickelsma (id. I, 337), alsmede het ge- 
tuigschrift door den Utrechtschen rector Eisonius van Wagen- 
borch gegeven aan Dirk Willemsz. Boom (id. I, 332) — drie 
studiegenooten van Gisbertus, gelijk hij opgenomen in het Staten- 
coUegie. 

Van veel alledaagscher vorm en gehalte is o. a. dit testimonium, 
door den Delftschen rector Jacobus Lasson verstrekt aan Henricus 
Gregorii, ook een medebursaal van Gijsbert, aldus luidende: 

„Henricum Gregorii ministri Overschiensis fidelissimi filium, 
ante menses aliquot voluntate et consilio amicorum scholam latinam 
hujus urbis reliquisse, et ita honestum testimonium vitae proba- 
tae, diligentiae et pietatis a praeceptoribus suis retuUsse, ut a 
senatu Monincdamensi denominationem in collegium Lugdunense 
dd. ordinum HoU. et West-Fr. sit adeptus — testor, Jacobus 
Lasson, rector schol. Delph." (Brieven Stal.-coU,, I, 361). 

XXll (blz. 40, aant. 1). „1604. Aprilis 29. Gisbertus Voeth 
an. 17. commendatus a consulibus Heusdanis, examinatus per 

Digitized by VjOOQ IC 



BULAGBN. ZIX 

d. Arminium th., eundem loco Mordis. [onii], Vulcanium, deckr 
raYit 86 aniTTinm adjicere yelle ad stadium theologiae". Actaacad. 
L.B., cod. Vm, fol. 101. Of. fol. 40 & 48. 

XXin (blz. 41, aant. 2). De gebrnikelijke vorm voor het 
reqnest was deze: 

„E. hoochwaerdighe heeren. Alsoo het den eersaemen ende 
wjsen heeren borgemeesteren ende raet der steede van (in casa: 
Hensden), myne gonstige heeren patroonen ende maecenaten be- 
lyeft heeft mij tot onderhoudt mijnre studiën te yerkiesen ende 
te nomineren, omme by uwer £. met een burse in t'GoUegie der 
theologien tot Lejden versien te werden, ende ick aireede van 
HH. profesBoribus, ende raet der selver unyrersiteyt geexamineert 
ben, waer yan ick u E. getujgenisse mits desen présentere, soo 
Udde ick uwer E. zeer emstelycke mij de selye te yergonnen, 
ten eynde op dat ick onder tgoedt beleydt yanden regent ende 
subregent aldaer, in studiis linguarum , artium , philosophiae ende 
theologiae mach toeneemen ende metter tijt de kercke Jesu Christi , 
ende den gemeenen landen dienstelyck zyn. Yerhoopende ende met 
GhKHlee hulpe belooyende niet alleenlyck sulck een beneficium, 
altijt met danckbaerheyt te gedencken, maer oock mij alsoo te 
gedraegen datter uwer E. nimmermeer berouwen sal de costen 
aen myn geleyt te hebben". Eerste register^ not. y. 9 Aug. 1595. 

XXIT (blz. 44, aant. 4). Op de uitrusting aan Oijsbert mede- 
gegeven — in haar geheel ten bedrage yan ruim 120 gld. — 
heeft het navolgende betrekking: 

„Betaelt aen Sebastiaen Beelaerts laeckencooper de somme yan 
vijff ende yeertich gulden acht stuyyer, over den coop ende 
leverantie van laecken by hem ten behoeve vande voors. Gijsbert 
Voet gelevert, blijckende by schepenen quitantie hier overgelevert. 

Betaelt aen Huijbertgen Stevens de somme van een ende tses- 
tich gulden sestien stuyyer twee penningen, over de leverantie 
van diversche waeren by haer ten behoeve vande voors. Gijsbert 
Voet gelevert, blijckende by quitantie alhier overgelevert. 

Betaelt aen Bartholomeeus Jacopssen cleermaecker de somme 
van se ven gulden twee stuyver, over verdient aerbey tsloon , van 
Btadtswegen verdient te diversche reysen, int maecken vande 
clederen vande voors. Gijsbert Voet, bUjckende by quitantie hier 
overgelevert. 

Digitized by VjOOQ IC 



XX BULAaSN. 

Betaelt aen Ghristofiel Franssen yanden Brouck de somine van 
oenen gulden thien stujyer, voor eenen hoet ende bant, aende 
voors. GKjsbert Voet gelevert, blijokende by quitantie hier ove^ 
gelevert. 

Betaelt aen Jacop Croes de somme yan eenen golden Teertien 
Btuyver twee oort, over gelycke somme by hem verschoten aen 
diversche reparatien yande cleederen yande yoors. GKjsbert Voet, 
blijckende by quitantie hier oyergeleyert. 

Aen Henrick Mathijssen schoenmaecker betaelt de somme yan 
twaelff stuyyer, oyer de leverantie van schoenen ten behoeve 
yande voors. Voet gelevert". Oud-arcA. Heusden, E. 46, en E. 
209, bijlage tot fol. 50 & verso en fol. 51 & verso der gemeente- 
rekening over 1604. 

XX¥ (blz. 44, aant. 5). Uit dien hoofde berichtte Petrus Ber- 
tius, als regent van het Staten-coUegie , den 5^^^ Juni 1613, aan 
Ebarlems regeering, omtrent den door haar gedenomineerden 
bursaal Jacobus Grimarus, onder meer, ook dit: „Want alsoo 
hem savonts tusschen acht ende negen uren zekere cleederen , 
die hij hem hadde laten maken, thuys souden gebracht werden, 
heb ick deselve eerst a part doorsien: hebbe bevonden dat den 
broeck tegens ordre vant CoUegie, zijne professie ende staet ge- 
maeckt was, als hebbende aen beijde zyden twee rijen knoopen, 
een van boven tot beneden toe, ende d'andere ter zyden voor de 
sacken. Welckx ziende, ick aen d'een zyde des broex de knoopen 
meest afigesneden hebbe, gelyck oock aen d'eene zack. Sendende 
alsoo het jonxken met de cleederen na Grimarus". Brieven SüU.-eoU., 
II, 340. 

XX¥I (blz. 48, aant. 1). Ten bewijze dat zelfs Euchlinus — 
en met hem de nieuwe oeconomus , Franck WiUemsz. van Dobben, 
opvolger van Bredius — niet veilig was voor hetgeen men achter 
zijn rug geliefde uit te strooien, kan het volgende dienen: 

In hunne vergadering , gehouden 8 en 9 Nov. 1597, bespraken 
curatoren en burgemeesters van Leiden, door de Staten met het 
opzicht en de zorg over het Collegium theologicum belast, hoe 
hun was aangediend „dat den regent mitsgaders den schaffmeeeter 
de statuten gemaackt opte vacantien ende 'tvertrecken vande 
bursalen sulcx interpreteerden even als off de voorschreve bursalen 
den tijt henluijden bijde voorschreve statuten veroorlooft zouden 

Digitized by VjOOQ IC 



BULAGBN. ZXI 

moeten buijten Collegie yerreijsen ten eijnde dat d'een yande 
moeijten Tan doceren, ende d'ander yande costen sonde sijn ont- 
slagen. Daer uijt dan yolgen moste dat oock yeele bursalen die 
geene 't hnijscoomen nog ouders en hadden te meermaalen tegens 
haren yrijen wille uijtten Collegie yerscheijden tot last yan d'eene 
off d'andere haere yrunden ofte bekenden". 

Kucblinus en yan Dobben ter yergadering gecompareerd, yer- 
klaarden echter „dat ingeyalle eenige haere quaetgunstige den 
corateurs ende burgemeesteren sulcx mogten hebben aengedragen 
deselye haer daerinne 't onregt hadden beschuldigt — aengesien 
sij altrjts de yoors. statuten sulcx yerstaen hadden dat sij 't yer- 
reijsen oflf niet te yerreijsen behoorden te laten in den wille yan- 
den bursalen ende dat sij oyersulcx niemant ter sake yan sijn 
blijyen te onyrundelijcker hadden aengesien, yersoeckende dat de 
curateurs ende burgemeesteren sulcx yan hen luijden niet en souden 
willen presumeeren". Eerste regisier, not. y. 8 en 9 Noy. 1597. 

JLEWll (blz. 51 , aant. 3). Blijkens het Tweede register raeckende 
de vmversiteyt binnen Leyden^ begint den 11«« October 1589, eyn- 
dicJU den 28 December 1595 — welk tweede register, eyenals het 
eerste, berust op het gemeentearchief aldaar, en waarin de „Han- 
delingen" der curatoren-yergaderingen yermeld staan — werd Vul- 
canius indertijd zoowel ernstig aangemaand „beeter op sijne lessen 
te willen passen" (3 Noy. 1595) als, wegens „de goede faam ende 
daet yan sijn geleertheijt, daermede hij de uniy. yermaart hadde 
gemaackt", bij zijn yijfentwintigjarig leest yrijgesteld „om meerder 
lessen te doen, dan sijn gelegentheit soo yan lighaem als yan 
sijne studiën souden toelaten" (8 Febr. 1607). Ook werd toen 
besloten hem boyen zijne wedde yoortaan jaarlijks honderd gulden 
te yereeren. 

Begin Noyember 1614 hield Petrus Gunaeus,^ hoogleeraar in de 
Latijnsche taal en de staatkunde te Leiden , op Yulcanius — tegen 
wil en dank — eene lijkrede, 's Mans „eruditio , quae summa in 
illo fdit", met de loffelijkste bewoordingen roemende, bewaarde 
hij nochtans een diep stilzwijgen oyer zijne godsdienstige denkwijze 
en geyoelens. In dit opzicht stond de oyerledene bij yelen slecht 
aangeschreyen. „Yulcanius est de la religion des dez, et des car- 
tes", yerzekeren de ScaUgerana, Cologne, 1695, p. 414. Ook be- 
tuigt genoemde lijkredenaar, in een brief aan jonkheer Com. yan 
der Myle gericht (Epistola LXV) : „Noyimus nos , noyerunt caeteri 

Digitized by VjOOQ IC 



XXn BULA&BN. 

Vulcanium, qui cum illo familiariter vixere, quoties aliquiB ho- 
minem extrema senecta ad mortis meditationem hortabatur, vehe- 
mentor irascebatnr ille. Sermones yero de Christo, ant de pietate, 
adeo nunquam ex sene audivimns, ut saepe mirati simnB, quibns 
ille cogitationibuB fessam aetatem solaretur. Itaque laudavi in 
fimere ea , quae communia cunctis eruditis literatisqne sunt. Caetera 
omisi, ne viderer scenae servire''. Zie voorts P. Ounaeus, Oratio 
in obüum B. Vulcanii habita Lugd, Batav. in academia, later ge- 
voegd achter de „Epistolae Cunaei et doctomm yiromm ad enn- 
dem", in 1725 uitgegeven door Petrus Burmannus, p. 401 — 412. 
Vgl. Orenius, o. L, pars IV, Lugd. Bat., 1699, p. 181, 135. 

XXVm (blz. 52, aant. 5). Op de Leidsche universiteitsbiblio- 
theek zijn nog te vinden : „Theses logicae", indertijd door de bur- 
salen van het Staten-collegie „praeside d.[omino] m.[agistro] Petro 
Bertio" verdedigd. Door Voetius' mede-alunmen werden o. a. stel- 
lingen gedefendeerd : „De tribus praecognitis ; — De quaesitis 
apodicticis; — De solutione sophisticorum elenchorum; — De 
fiwjultate dialectica, ex prim. topic. Aristotelis; — De quarta 
figura syllogismorum ; — De categoria qualitatis; — De nomine 
et verbo, ad cap. 2. et 3. lib. Aristotelis irep) 'EpfitivfU^; — De 
enunciatione ; — De annexis syllogismo ; — De caussis per se ; — 
De gradibus necessitatis propositionum apodicticarum; — De de- 
monstrationis speciebus ; — De potestatibus et imbecillitatibus syl- 
logismorum ; — De syllogismorum genesi ; — De inventione medii 
termini syllogistici". 

Uit de titels dier disputaties laat zich vrij wel besluiten tot 
den aard en den gang van het onderwijs aan Yoetius gegeven in 
de logica. 



(blz. 53, aant. 2). Ten jare 1605 gedrukt voor rekening 
van het Staten-collegie bij Johannes Paets te Leiden, had Gisbertus 
zijne „i^ctpx^i studii logici" opgedragen „gratitudinis et obser- 
vantiae ergo" zoowel aan de Heusdensche regeering als aan 
Franco Odolphi „pietate et eruditione spectatissimo viro, juven- 
tutis Heusdanae moderatori vigilantissimo , praeceptori suo, de se 
studiisque suis optime merito" (vgl. bijlage V). 

Eene soort van kort overzicht ging aan Yoetius' stellingen en 
corollaria vooraf, aldus luidende: 

„Cum homo non solum sensu, sed et intellectu res, earumque 

Digitized by VjOOQ IC 



BULAGBN. XZm 

formas et smüliindines , qnae conceptus dicnntur^ percipiat, et hi 
conceptuB Bint occultissimi , nee alii aliomm mentes inspicere quea- 
mus, utimur yoce ad tales eonceptus explicandos , qnam Aristo- 
teles aptissimo Tocabolo ipfimvélav Toeavit, librumqne de ea scrip- 
sit sabtUissimmu nimiB, et per varias formas rationesque (ut cum 
Isidoro loqnar) comtissimum ; ad cujus introductionem nos pau- 
cüla in medium allaturi, explicabimus 1. ordinem siye cohaeren- 
tiam. 2. vocem ipsam, qua inscribitur. 3. objectum. 4. differen- 
tiam, qua hic liber tum a praecedentl, turn a sequentibus trac- 
tationibus distinguitur. 5. deinde ipsam definitionem leyiter deli- 
bamus". Theêes lo^icae, n^. 104. 



(blz. 60, aant. 3). Op die „gravitas morum", door Trel- 
catins jr. geprezen, wordt door dr. G. D. J. Schotel, De academie 
te Leiden in de 16*, 17' en 18* eeuw, Haarlem, blz. 231, nogal 
iets a%edongen, wanneer hij — maar zonder de bron waaruit hij 
putte te noemen — schrijft: „het is bekend, dat Kuchünus en 
Bredius zich aan dronkenschap overgayen''. In zijn boek Een stu- 
denten^proer in 1594, Leiden, blz. 21, luidt de mededeeling 
zachter. „Hij (Kuchlinus) hield — zoo lezen wij — van een goeden 
dronk en goede cier". Is hier soms yan toepassing het: fiEima 
cresdt eundo? Stud.-opr. yerscheen in 1867, Be academie in 1875. 
Tevens yerzekert Schotel in het laatstgenoemde werk, blz. 232 
— ook nu zijn zegsman onyermeld latende — dat Kuchlinus de 
algemeene achting genoot en yan H.H. curatoren herhaalde blijken 
hunner teyredenheid ontying! 

Hoe Bastingius (regent yan 1593 tot 1595) en Bertius (sub- 
regent zoo onder hem als onder Kuchlinus) elkaar wederkeerig yan 
dronkenschap beschuldigden , blijkt uit des laatsten verdediging, na 
het bursalen-oproer yan 1594, aan curatoren overgeleyerd , waarin 
hij o. a. doelende op Bastingius vraagt: „Quo ore ambitionem 
reprehendet ambitiosus? qua fronte inertiam, iram, inyidiam, 
ebrietatem, qui vino, inertiae, irae, invidiae est deditus?" ter- 
wijl hij, met het oog op den, zoo mogelijk, yoor het Staten- 
collegie te herwinnen Kuchlinus, schrijft: „Deligite vobis aliquem 
virum gravem, modestum, sobrium, diligentem, qui et ante 
Bcholae alicui cum laude praeftierit, et ipse nonnihil habeat in 
vultu dictisque austeritas". Eerste register, not. v. 12 Jan. 1595. 

In datzelfde register nu wordt geen de minste aanduiding van 
drankmisbruik door Kuchlinus gevonden. Wel echter geeft deze, 



Digitized by VjOOQ IC 



XilV BÜLAGBN. 

bij gelegenheid eener buitengewone vergadering van curatoren op 
23 Juli 1595; zijne bezwaren te kennen omtrent ^^de tayemen die 
tot drien rontsom t'CoUegie werden gehouden, soo mits de ordi- 
narisse dronckenschap die daer werdt gepleecht , gestaedich speelen, 
soo met t' verkeerbert als anders , twelck daer geduyrlycken werdt 
gedaen, oock sulx datmen tclappen yande schyyen ende dierge- 
lycken spel, oock binnen de Gollegie mach hooren, als oock ende 
sonderlinge, deur de onbehoorlycke ende ontuchtighe woorden, 
reedenen ende proopoosten die (Godt beetert) gewoon zyn in soo- 
danighe huijsen gebruyckt te werden, yersouckende dat daer inne 
anders mocht werden yersien, oock eer eenige buyrsaelen werden 
ontfangen". Dientengeyolge yonden Gecommitteerde Raden goed 
en ordonneerden zij: „dat omtrent den CoUegie theologie in 
geene huysen aldaer staende binnen den taerlingh daer in 't yoom. 
CoUegie is gelegen, yoortaen geenige herberge noch tayeme sullen 
mogen gehouden worden". Uersle regiëter^ not. y. 23 Juli 1595. 
Resol. HolL, 26 Juli 1595. 

Met dien maatregel in lijnrechten strijd was het gedrag yan 
den schaftmeester Henricus Bredius. „Vermaendt yan weegen cura- 
teurs ende burgemeesteren, dat zy bericht waeren, hoe dat in zyn 
caemer inde jegenwoordige weeck op snaerspel was gedanst tot 
grooter ontstichtinge yande jeucht, ten eynde hij sorge draegen 
ende toesien soude, dat sulx niet meer en gebeurde opdat t Gol- 
legie niet en soude coomen ineen quaede roep" — zoo bemerkte 
spoedig daarna de regent Bastingius „dat de oeconomus eenige 
yande buyrsaelen, tot ten minste zes int getal toe, tot hem ge- 
roopen ende mit de selye tot inde nacht toe geseeten ende ge- 
droncken hadde oock tot dronckenschap toe, hebbende sulx de 
schafimeester middelen gesocht omme de buyrsaelen van hun yoor- 
genoomen goede ylydt af te locken ende af te trecken tot groote 
ontstichtinge ende opspraeck yant CoUegie". Hemd, v, cur., 8 Oct. 
1593 en 7 Jan. 1594. 

XXXI (blz. 60, aant. 4). Uit het GerechUdach boeck^ D — aan- 
wezig op het gemeente-archief te Leiden — in dato 19 Febr. 1598, 
bUjkt, dat Gomarus „niet jegenstaende zijne professie hem meer 
dan te lastich yiel, nochtans burgermeesteren gaeme wilde be- 
Ueyen op aUe predicatien op zijn gebuerte mede te wachten in 
zoe yerre zulcx zoude connen geschieden mit goede adyise yanden 
kerckenraet ende dezelve hem daertoe ooc zouden yereoucken mits 



Digitized by VjOOQ IC 



BULAGBN. XXY 

hy ontslaegen mocht blijven yande comparitien ter consistorien 
ende tbesoucken yande crancken al twelc hem mits tampt yanhet 
rectoorachap ende zijne professie niet wel mogelic zijn zonde waer 
te nemen"; — terwijl Kuchlinus „onyermindert ende yoor be- 
honden zijn dienst daarmede hij aen t gemeen landt als regent 
ende tot yordemisse stnyr en beleyt yanden yoors. Collegie der 
theologijen stont verplicht daer beneffens ooc te vreden was de 
kercke deser stede als dienaer des woorts te bedienen ter tijtende 
wijlen toe de kercke alhier van bequame dienaeren uyt den voors. 
Collegie alhier zoude connen werden voorzien ende dat hij zulcx 
niet alleen des sondaechs ende inder weecken telckens op zijn ge- 
bnerte een predicatie doen mer in t vorder ooc gehouden zoude 
zyn tot alle andere kerckelicke lasten ende ouffeningen mit ende 
beneffens den anderen dienaeren des woorts mits dat hj alleenlick 
zoude werden verschoont ende ontledicht vande besouckinge der 
crancken". 

Na communicatie met en advies van den kerkeraad te Leiden^ 
werden nu voor een tijdkring van vijftien weken de diensten ge- 
regeld, waarbij Trelcatiusjr., Kuchlinus, Sprankhuyzen, Gomarus 
en Platevoet ieder des Zondags eene preekbeurt zouden vervullen 
in Sint Pieter of Sint Pancras (thans de Hooglandsche kerk). Vgl. 
evenwel daarmede de Acia deputatorum Zuid-HolloTidiae et utriusque 
synodi Zuid- et Noord-Sollandiae (vermeld in het oud Synod. archief y 
m, 31, B.), in dato 24 Febr. 1598. 

I (bk. 61, aant. 2). De volledige, zéér lange titel van 



Kuchlinus' disputaties, eerst na zijn dood uitgegeven, luidt: Theo- 
logiecke disputationes de reUgionis Christianae capitOuê praecipuis : in 
Collegio theologico illustr. dd. ordinum Hollandiae et JFe^t/risiae, ex 
nobiUss. curatorum academiae consensu, ampU^aimorumque reipuèl, 
Leydensiê consulum decreto, Aaöitae. Accurata perspicnaque mêthodo , 
anie aliquol annos^ explicatae a reverendo et clarisnmo viro d, Jo- 
hanne KucAUno , ejuadem collegii proef ecto digniss, disputationumque 
doctiêê, praeside, Nunc primum in unum redactae volumen , cui prae- 
fixa est auihoria in disputationes êuas brevis praefaiio : de ejuadem vita 
et obitu oratio : capitum seu diaputationum geminua index. Ad calcem 
vero acceaaerunt L diaputationea quaedam praetermiaaae IL quaeatio- 
num et reaponaionum catecheticarum, ad quarum explanationem diaputa- 
tionea accommodatae aunt, libellua. Apud Samuelem Crispinum. 1613. 
In bovengenoemde voorrede, gericht tot de leden der particu- 

Digitized by VjOOQ IC 



XXVI BÜLAOBN. 

liere synode yan Noord-Holland ^ vergaderd te Enkhnizen, Juni 
1597; zegt Euchlinus: „Argiunentum est de catecbesi docenda et 
discenda in scholis Christianis, hoc profano seculo summe neces- 
sarium. Yident enim onines pii^ non sine acerbissimo anüni sensu, 
atheismom instar diluvii totom orbem Ghristianum innndare, cui 
catechetica institutione occurri debet, et resisti". Vgl. Voet., Dispp. 
êelect., torn. IV, p. 760. 

Belangrijk is hier ook de mededeeling : „Si labores hosce scho 
lasticos vobis non displicere intellexero, x«Tjy;tifT/jc«^ confessionis 
belgicae triginta septem articulos, quibus onines et singnli sub- 
scripsistis, quommve explicatio ab illustr. dd. Ordinibus nühi est 
mandata, nt catechista Deo volente explicare conabor, si nt in 
latinum sermonem jam conversi, et a theologica facultate Leidensis 
academiae publica anctoritate probati sunt, fuerint editi". Verder 
dan tot eene voorgenomen uitgave van genoemd werk over de 
confessie, schijnt het bij Euchlinus niet gekomen te zijn. Of heb- 
ben wij daartoe soms te brengen de TAeses theologicas KucUini, 
in den auctie-catalogus van Voetius' bibliotheek (pars ü, theol. 
in quarto, n^. 572) vermeld, of de Disjmtationes Joh. Kuchlini 
collegii EoUandici regentia, uit welke er ééne „anno 1605 propo- 
sita, respondente Casparo Barlaeo", door Voetius wordt aangehaald 
in zijne Dispp. select., tom. V, p. 458? 

ixiiil (blz. 63, aant. 4). Ten bewijze hoe goed — ja, hoeveel 
beter oogenschijnlijk dan professoren of curatoren aan Leidens 
academie — gedeputeerden zoo der Zuid- als der Noord-HoUandsche 
synode, na beider gehouden provinciaal-kerkelijke vergadering, op 
de hoogte waren „van alle de poincten waer in dat in de univer- 
siteyt van Leyden ofte eenige kercken swaricheyt gemaeckt wort", 
kxumen dienen „dese redenen om der memorie wille aengeteykent, 
alsoo te vresen staet dat de curatores eenigh naerder bewys sullen 
willen eysschen der geruchten, die van dese oneenicheden gehoort 
worden: 

1. Dat verscheydene studenten nu onlanghs tot den dienst ge- 
promoveert, verscheydene opinien dryven ende voorstaen onder de 
name van Arminius. 

2. Dat de professeuren selve verclaren in de acte van overeen- 
stemminge, dat de studenten verscheydene disputen onder malcan- 
der dryven, meer als haer aengenaem is. 

3. Dat de professoren van de gedep. des voorledenen jaers aen- 



Digitized by VjOOQ IC 



BULAGBN. XXVn 

gesproken synde, selve verclaert hebben, dat tusschen hen en d. 
Arminium eenigh geschil is in sommige stucken der leere. 

4. Dat Arminius selve verclaert heeft, dat hy sommige stucken 
heeft in de leere, waer in hy van ons dissentieert , ende oock 
sommige waer in hy twijfelt, ende dat hy in synodo nationaU 
snlcks sal openbaren. 

5. Dat Arminins versocht synde tot een vrontlycke ende ronde 
conferentie met de gedeputeerde des synodi, ende oock daema met 
de professoren ende predicanten tot Leyden, door den kercken- 
raedt aldaer, geweygert heeft sodanige conferentie, ende daermede 
genoegh te kennen geeft dat hy in sommige stucken der leere 
Bodanigh gevoelen heeft, waer in hy sich niet en begeert ronde- 
lyck te verclaren. 

6. Dat zedert Arminius tot Leyden gecomen is de studenten 
t hooft vol hebben van verscheydene vreemde opinien, ende onder 
elcander gedeelt sijn. De professeurs doen lessen tegen malcande- 
ren; (sijn) in de disputatie verscheyden. 

7. Dat predicanten ende professeuren derven rondelyck seggen, 
dat onse leere ende met namen onse catechismus moet naerder 
gereformeert worden. 

8. Dat deselve derven beschuldigen hare mede broeders, dat sy 
een leere voorstaen, die blaspheme is, ende waer uyt volght, dat 
God een autheur der souden is. 

9. Dat overal door 't gansche landt verscheydene litmaten om 
dese oneensheden van 't nachtmael afblyven, geergert worden, 
ende sommige tot dese nieuwicheden affgetrocken. 

10. Dat de vianden der waerheyt hier van sich verheughen ende 
roemen. Dat Philippus Nicolai in syn lasterboeck opentlyck roemt 
dat Arminius met de Flacianers in een gevoelen is tegen onse 
kercken. Dat de jesuiten van Geulen schryven in hare brieven dat 
het ryck der Calvinisten niet lange en sal bestaen, overmits de 
professoren tot Leyden nu onder malcander beginnen in de leere 
oneens te worden. 

11. Dat de broeders van Geneve ende uyt Franckryck verclaren, 
dat sy de geruchten deser oneenicheyt al hebben verstaen met 
groote leetwesen, ende vermanen de broeders in dese kercken 
datse de suyverheyt der leere vooral willen mainteneren etc. 

Is goetgevonden ter eerster gelegentheyt de puncten der swa- 
richeden tsamengestelt synde aen de curateurs te versoecken dat 
de professeuren daer over sich willen verclaren". — Vergad. van 

Digitized by VjOOQ IC 



XXVni BÜLAGEN. 

gedep. op 11 Oct. 1605, te Rotterdam. Praeses Fr. Lansbergius, 
scriba et quaestor F. Hommins. Acta depuüU. Zuid-Holl. 

JLUUF (blz. 63, aant. 1). Of Bertins, als hij in zijne Aen^ 
êjpraeck aan dr, Fr. Gomarum op zyne hedenchinghe over de lyci-oratie 
ghedaen na de hegraefenuee van dr, Jacobus Arminius zaUgAer, 
Leyden, 1609, blz. 34 , Euchlinus laat verzekeren : „lek hebbe de 
suy verheyt der waerheyt wel lief ghehadt , maer in dit poinct (t. w. 
de leer der voorbeschikking) met zijnen aencleve heb* ick gaeme 
een ander gheduldet" — de verhouding tusschen oom en neef op 
theologisch gebied juist voorstelt, betwijfel ik. Reeds den 2dea 
Mei 1605 schrijft toch Arminius, doelende op Euchlinus, aan Jo- 
hannes Wtenbogaert: „Meus ille quem nosti patruus suos onmes 
a lectionibus meis impedire voluit sumta sibi hora 8 ad explican- 
dum confessionis belgicae articulos, cui lectioni onmes interesse 
volebat" (Ph. a limborch, Praeatantium ae eruditorum virorum epii- 
tolae ecclesiaêticae et theologicae varii argumenii, etc., edit. sec, 
Amst., 1684 , p. 143), en juist te acht uren gaf ook hij, Arminius, 
college. Acta acad, L. B., cod. ViU , p. 74. Vgl. (ïomarus , Proeve 
van mr. P, Bertii aempraeck, Leyden, 1610, blz. 23 — 26. 

JOOLT (blz. 65, aant. 1). „Is voorts met hem (Bertius) gesprooc- 
ken in wat voegen hij soude mogen werden verligt vanden last 
ende lessen vanden subregent gerequireert , ende geresolveert dat- 
men soude versoecken d. Wilhelmum Goddaeum professor linguae 
hebraicae om eens off tweemael ter weecke int CoUegie waer te 
nemen lectiones hebraicas, mitsgaders oock vorder exercitia styli 
graeca et latina in prosa et carmine, ende dat de voomomde d. 
Bertius sal verwilligen een vande bursalen die hij sal meijnen 
daer toe bequaem te sijn om waer te nemen de lessen in philoso- 
phia ende datmen daermede inden naem des Heeren jegens den 
uijtgang van Augustus de lessen weder sal in train brengen". 
Uerste register, not. v. 8 Aug. 1606. 

XXXn (blz. 66, aant. 4). „Opt geene ter vergaederinge vande 
curateurs vande unyversiteyt ende burgemeesteren der stadt Ley- 
den getoont ende voorgeslaegen es omme seeckere jonchman out 
tusschen de 21 ende 26 jaeren genaempt Petrum Bertium geboo- 
ren uyt Vlaenderen die ettelycke jaeren inden unyversiteyt alhier 
gestudeert ende groote vordernisse gedaen heeft, ende middeler 



Digitized by VjOOQ IC 



BULAGBN. XXIX 

tijt begaeft te weesen mit een sonderlingh goet verstandt begrip 
ende oordeel ten dienste vande unyverBiteyt aen te houden ende 
te Yorderen, tzy mits denselven in Daytslant daer hij jegenwoor- 
delyck es ende sober middel ten onderhout heeft voor noch seeckere 
tyt tot cost ende last vanden universiteyt te doen onderhouden 
ende hem daer toe eenige middel te doen hebben mit bevel omme 
der unyversiteytten aldaer te doorreyssen ende hem middeler tyt 
oeffenen zoo in den phylosophien als oock ende meest inder theolo- 
ghien den selven sulx allengskens tot de professio der theologhien 
alhier op te queecken ende beqoaem te maecken^ sonderlinge 
ten opsicht men niet alleen speurt maer bevindt hoe quaelycken 
de unyversiteyt vande selve professie nochttans de meest nodichste 
can werden voorsien, oock onaengesien oock wat moeytten ende costen 
daeronmie tot noch toe zyn gedaen ende uytgeleyt^ ende 't selve 
in beraetslaeginge geleyt zynde, es eyntelycken goedt gevonden 
ende beslooten, den selven te doen aenschryven, dat indien hy 
zynen dienst der unyversiteyt alhier begeert toe te seggen int 
gundt daer toe hy jegenwoordelycken bevonden werdt bequaem te 
zyn, of mitter tyt te werden alles onder eerlycke ende behoor- 
lycke belooninge dat hij mitten eersten zyn reys herwaertsaen 
maecken ende tot (desen?) eynde tot last vande unyversiteyt in 
wissel sal moogen lichtten tzy thien ofte twaelff ponden vlaems of 
hondert guldens ten eynde hem tselve daer toe sal moogen dienen 
tot reysgelt ende datmen metten den zelven daer naer sulx sal han- 
delen als den dienst ende vordemisse vander unyversiteyt ende van 
zyn persoon uyteysschen zullen". Hand. v. ci*r., 8 Febr. 1592, 
waarbij de secretaris, Jan van Hout, nog als kantteekening voegde: 
„lek hebbe deser saecke aengaende verscheyden brieven aen Ber- 
tiom aflgevaerdicht". 

XXXFII (blz. 68, aant. 1). Tot hoe ver die „opspraecke" 
ging en hoe snel ze haren weg vond, leert het volgende: 

Nadat curatoren vernomen hadden „hoe d. Petrus Bertius voor- 
gaande onder regent vant voors. CoUegie, ende op zyn voorige 
commissie inden selven dienst gebleven zynde es in theymelyck 
door eenige zyne goede vrunden (o. a. door Paulus Stockius , te 
Leiden woonachtig) gewaerschout, dat hem eenige g^oove zon- 
den , namelycken soodomijen ende inceste , achtter de rugge geeeijt 
ende naergegeven werden", — kwamen zij op verlangen des be- 
Bcholdigden samen, om met EuchÜnus die aanklacht te onderzoe- 

Digitized by VjOOQ IC 



XXX BÜLAÖBN. 

ken. Het bleek toen, dat voornamelijk drie der in October 1594 
weggezonden bursalen: Jacobus Lettingius, Jacobus Florianns en 
Daniel Altingh die aantijging, losweg opgevangen uit den mond 
van zekeren Walraven, knecht in het Staten-collegie, en nader 
aangedrongen door den Leidschen predikant Petrus Hackius, hier 
en daar verbreid hadden; — dat, door niemand ndnder dan door 
den regent Bastingius , aan laatstgenoemden bursaal was geraden : 
„dien femulus zyn buyck vol wyns te geven, omme hem op het 
gunt voors. eens uytte haelen"; — dat Hackius het lasterlijke 
praatje had medegedeeld aan Hendricus Ghdlus, zijn collega in 
Leiden „die vander kercken weegen (soude) geschickt werden 
naer het synodus te Gorinchem", welke Gbllus daar ter plaatse 
„de saecke heeft gecommuniceert mit Plancio, Joanne Lieone, 
Dirck Pieterssen van Voorburch ende eenige andere*'. Als ware 
dat alles nog niet genoeg, om den subregent „te verdrucken 
ende te verderven'', zoo ontmoette bo7endien Barbertje Adriaena- 
dochter, vrouw van den predikant Hackius, Lyntje Bredius, 
echtgenoote van den schaftmeester, die haar wist te vertellen 
„daer is een boeckgen voorhanden tot naerdeel van Bertius; can 
het geopent werden, daer sullen lelycke, schrickelycke of won- 
derlycke dingen uijt coomen". 

Maar — hoe ook „gepluct, getrocken, gescheurt naer eens yders 
goet duncken ende gelieven" — Petrus Bertius trad ditmaal zege- 
vierend uit de worsteling te voorschijn. Bij sententie van 15 Nov. 
1595 werd hij door de gezamenlijke rechters der universiteitsvier- 
schaar verklaard „puijer, suijver ende innocent vant delict ofte 
delicten in zijne (d. i. des officiers van genoemde rechtbank) con- 
clusie geexpresseert"; terwijl „ten eynde t' gepasseerde voortsaen 
als begraven in vergethentheyt mocht werden gestelt, de costen 
bij hem thoonder, ter saecke vande voorgeroerde purge gedaen 
ende uytgeleyt, uyt de beurse van tCoUegie souden werden be- 
taelt". Eerste register^ not. v. 30 Aug. tot en met 27 Dec. 1595. 

XXXFIII (blz. 69, aant. 2). Wanneer Euchlinus, in navolging 
van curatoren en burgemeesters te Leiden, 27 Dec. 1595, aan de 
Noord- en Zuid-HoUandsche steden een schrijven richt met ver- 
zoek, meer bursalen te willen zenden naar het opnieuw geregelde 
Collegium theologicum, verklaart hij tevens: „Soo veel P. 
Bertiom subregent aengaet, betuyge ick voor Gbode almachtich, 
dat ick in hem niet anders en kan bevinden dan gesontheyt in 

Digitized by VjOOQ IC 



BULAGBN. XXXI 

alle stucken der Christelycke religie inden catechismo ende 37 
artyckelen der Nederlantsche confessie vervattet, oock niet anders 
en kan zien, dan een Godvreesende stichtelicke wandelinge, 
Tergeselschapt met uijtnemende geleertheyt, soo wel inde taele als 
principüs philosophiae , niet anders en kan speuren dan een by- 
sondere bequaemheyt om in dese wilde oorlochsche tyden, de 
jonge jencht te stnijeren ende met grooter arbeijt te vorderen 
tot alle stillicheijt, eerbaerheijt , liefde tot Godt ende zyn heylig 
woordt, reverentie tot haere hooge ende leege overheyt respecti- 
velycken, gevoele derhalven desen jongen man (over zyn dertich 
jaeren gecoomen zynde) my in dit zwaer werck g^roote hulp ende 
verlichtenisse te wesen tot vollen ende goede genoegen aller 
borsaelen vanden EE. mog. hh. Staeten ons bevoolen ende toe- 
vertrout". Eerste refter, not. v. 27 Dec. 1595. 

XXXIX (blz. 72, aant. 1). Achter de notulen van 8 Januari 1595 
— zie Eerête register — staat bedoeld getuigenis, in dezer voege: 
„Gum Ghristiana charitas jubeat nos et testimonium perhibere 
veritati Dei, et fratrum nostrorum dicta &ctaque candide inter- 
pretari : Nos rogati , ut quid de autore hujus scripti nobis videatur, 
quantum quidem ex ejus lectione nobis constare potest, perscrip- 
tione exponamus: Bespondemus , quandoquidem hujus scripti autor 
&tetur, se ad hoc scribendum studio discendi ex fratema commu- 
nicatione adductum esse, et in capite ipso controversiae (quod 
tarnen per illud tempus quo ista scribebat, non videtur assequutus 
plane) nobiscum loquitur, concludens, non ecdesiam scripturae, 
sed scripturam ecclesiae autoritatem dare; non videri nobis ex 
hoc Bcripto autorem ipsius, vel tantulum factioni Jesuitarum 
addictum esse, qui plane contra loquuntur et sentiunt. Sed nos 
de illo et aliis £ratribus nobis dilectis perinde judicium facere, 
ac de nobis fieri cuperemus , eumque pro germano Ghristi membro 
habere ex charitatis lege, et officio communi nostro. ActumLug- 
duni Bat. die 22 februar. 1595. 

Franciscus Junius 
Lucas Trel(ca)tius 
Franciscus Gtomarus*'. 

XL (blz. 72, aant. 2). „Bene habet — laat Bertius op zijne 
aanhaling van bovenvermeld getuigschrift volgen — depulsa est 
tandem prima et gravissima haereseos calunmia, quam mihi 

Digitized by VjOOQ IC 



XXXn BULAGBN. 

latenter nonnulli incerto autore > incerto argmnento ad me ex 
ecclesia ejiciendum contechnati sunt; et depulsa est judido g^ayis- 
simorum yironun^ quorum ego in hac re testimonium amplector, 
autoritatem suscipio. Qratias autem Ghristo immortali innocentiae 
meae protectori ac yindici maximas merito ago habeoque pro 
tanto munere. Ipsum rogo, ut quod in gravissimo crimine cle- 
menter effecit^ porro faciat in reliquis; et me ecclesiae snae 
Nazaraeum regat, formetque ad suam gloriam, meam aliorumque 
salutem. Pacem amo, paci studeo, eam ut detectis firaudibus et 
mendacüs videamus aliquando, opto ex animo". Eerste reguter^ 
als boven. 

XLI (blz. 73, aant. 1). O&choon beide partijen hadden yerklaard 
met de voorgestelde schikking genoegen te nemen, bleek het 
echter aan curatoren en burgemeesters, in hunne vergadering op 
21 Nov. 1606, dat geen der theologische hoogleeraren de repeti- 
tiën, gehouden door den proregent, alsnog had bijgewoond. Naar 
de reden van dat verzuim gevraagd, luidde het antwoord: ,)dat 
sij daer toe niet en waren versogt nog geinsinueert, ende te 
vooren niet en conden weten wanneer de repetitiën souden ge- 
schieden*'. Wellicht was Bertius juist niet bijzonder op hunne 
tegenwoordigheid gesteld. Toch werd hem gelast, bedoelde profes- 
soren voortaan bij tijds te waarschuwen. Eerste register^ not. v. 8 
Aug. en 21 Nov. 1606. 

XLII. (blz. 76, aant. 1). Op het gemeente-archief te Leiden 
berust, bij de stukken rakende het Staten-coUegie , uit dezen tijd 
eene ranglijst van Yoetius en zijne medebursalen. Die schikking 
had plaats gevonden naar de Ordonnantie, gemaecht op tstuyr ende 
heleyt van t Collegium tAeologiae, 1595, dl. UI, art. 6, aldufl 
luidende : „Ter maeltyt zal elck voor t eerste , ende opt aencom- 
men voor plaetsen hebben ende nemen, naer den tyt dat zy in 
t GoUegie commen, maer sullen de gheene die int doen vande 
visitatien der curateurs bevonde sullen werden , meest toeghenomen 
ende ghevoirdert te hebben, de voorplaetsen werden vergundt ende 
toegevoucht, twelck nochtans onder den gepromoveerden gheen 
plaetse hebben en zal". 

Wat hier nu volgt en cursief is gedrukt, staat juist zóó op 
genoemd lijstje; het overige — t. w. de voluit geschreven namen — 
werd door mij uit andere bescheiden aangevuld. 

Digitized by VjOOQ IC 



BULAaSN. 



xxxm 



MENSAE, 
PrioTy 



Com, Sim. 

Cornelis Simonsz. 

Nicol Nic, 

Nicolaas Nioolaasz. de Backer. 

Gerar, Vels. 

Gerardus Velsius. 

Joon. GaaL 

Jan van Galen. 

Joan. Forest. 

Joannee Everardi Foreest. 

Aegid. Zeys, 

A^dins Zeys. 

Joan. Leur. 

Joannee Leuriue. 

Christ. Sop. 

Chrisiiaan Sopingius. 

Joan. Pet. Cam. 

Joannes Petri Gampensis. 

Bob. Pupp. 

Robertus Puppius. 

Loih. Jlpen. 

Loth Joh. van üpendam. 

Joan. Allen. 

Johan Godfr. Allendorp. 

Justus Goiker. 



Joan. Petri. 

Johannes Pietersz. van Houweningen. 

P. Cuylius. 

Petrus Simonsz. Cuyl. 

Gom. Tetro. 

Cornelis Joh. Tetrode. 

Jacob. Catz. 

Jacob Cats Jansz. 

Gerh. Adri, 

Grerardus Adriani. 

Rudol. Pet. 

Rudolphus Petri. 

Joseph Rosi. 

Josephus van der Rosieren. 

Abr. Faillius. 

Abraham de la Faille. 

P/w Rivius. 

Philippus Rivius. 

Dionys. Spr, 

Dionysius Spranckhuyzen. 

Fr. Lucae. 

Franciscus Lucae Osdorpius. 

Hend. Oost. 

Hendrik Oesterbaren. 



XXV 



Posterior. 



Gosw. Buyt. 

Goeewinus Hendricus Buytendyck. 
Joan. Joannis. 
Jan Jansz. van Lis. 
Gisb. Voet. 
Gisbertus Yoetius. 
Victor Rikel. 
Victor Rickelsma. 
Jerem. Bast. 
Joremias fiastingius. 
Marcj> Notei. 
Marcus Notheius. 
Hendr. Greg. 
Henricus Gregori. 
B. 



Theod. Sioan. 

Theodorus Swanius. 

Jason. Bila. 

Jason Bilandus. 

üend. Voeck{f) 

Hendrik Vrede (?) 

Com. Geist. 

Cornelis Geisteranus. 

Theod. Guil. 

Theodorus Guilielmus Boom. 

Everh. Schu. 

Everhardus Schuylius. 

Sam, Joan. 

Samuel Joannis. 



Digitized by VjOOQ IC 



XXXIV BULAGBN. 

Com. a Nie. Hub. Bont. 

Cornelis van Nieren. Huybert Bontebal. 

Joan, Bogar, GmiL Petri. 

Jan Bogaert. Willem Pietersz. 

Joan. Staver. Joan. Michael. 

Joannes Staverenus. Joannes Michaelis. 

Joan. Bruno. Anton. Plancius. 

Joannes Bruno. Antonius Plancius. 

Joannes Theod. Jesaias Plancius. 

Joh. Theod. Cloppenburch. Jesaias Plancius. 

Joannes Snete. Sam. Platevoet. 

Johan Sneten. Sarauel Platevoet. 
Gerh. Hendr. 
Gerardus Henrici. 

XIX 



Blijkens het getal XIX , daaronder geplaatst, liep de ranglijst 
der bursalen aan „mensa posterior" eerst slechts tot Guilielmns 
Petri. De andere acht kweekelingen — te beginnen met Joan. 
Michaelis en doorgaande met Joan. Bruno — werden naderhand 
er bijgevoegd. Te rekenen naar de omstandigheid, dat op de oor- 
spronkelijke tabel alsdan het laatst voorkomt Joannes Staverenus, 
die 21 Febr. 1607 de plaat* innam door het vertrek van Ber- 
nardus Dwinglo vacant gekomen , en dat binnen het Staten-coUegie 
nog aanwezig is Jacobus Catsius, 25 April 1607 onder 't zwem- 
men te Scheveningen verdronken, moet bovengemeld lijstje tus- 
schen die beide „data" zijn opgemaakt, dus kort vóór het inleveren 
van Voetius' request. Vgl. Brieven Stat.-colLf ü, 4 en 11; Resol. 
Holl, 17 Nov. 1601. 

XLm (blz. 76, aant. 2). Het aan Bertius gezonden adres, blz. 
75 in den tekst boven vermeld, luidde aldus: 

„A rev. d. regente petimus ut nos juxta leges et receptam con- 
suetudinem CoUegii theologici et philosophici illustr. d. d. ord. 
HoUandiae et West-Frisiae ad majora stadia promovere dignetur: 
quia bonam partem temporis nostri in philosophia et litteris trivi- 
mus, ita ut pene philosophiae tantum temporis tribuerimus , quan- 
tum theologiae tributuri sumus. Petimus ergo ut nos primo quoque 
tempore rev. d. regens dignetur promovere, tempus nempe promo- 
tionis nimis diu protractum fuisse credimus: mensis n, üli desti- 
natus est Apriüs, aut Martius. Si quid nobis desit vel in philo- 
sophia vel bonis litteris, id paulatim addiscemus, nunquam hu- 



Digitized by VjOOQ IC 



BULAGBN. XXXV 

manitatis studia relinquendo ; itaque illa horis BUcciaiYis agemus, 
reliqnam yel TnaxiniaTn partem temporiB tfaeologiae et linguae 
Iiebraicae impendendo , ac tantum hebraicas et theologicas lectiones 
audiendo. Ad haec a rev. d. regente petimus, ut honorarium pecu- 
niae nostrae dignetur augere, causamque nostram apud ampliss. 
d. d. curatores agere. Multi enim ex praecedentibus condiscipulis 
noBtris, qui tantum biennium fuerant in CoUeg: illud a. d. regente 
acceperunt; pars autem nostrum triennium; bonapars l^^; minima 
pars biennium. Haec rev. d. regentem pro sua humanitate nobis 
subscriptiB concessurum plane confidimus. Actum octavo ld. Maj. 
a. 1607". (Bij de onderteekening , die nu volgde, was tevens aan- 
gegeven de datum, waarop, in 1604 en 1605, de supplianten 
respectievelijk hun eed voor het alunmiaat hadden afgelegd; in 
dezer voege:) 
„A*' 1604. 6 Maij Qosuinus H.(enrici) F.(ilius) a. Buytendyck. 

14 Dec. Joannes Schellingius (naar ik vermoed, dezelfde 
als Joannes Joannis Lissensis). 
1 Maij GHisb.(ertus) Voetius. 
3 Sept. Henricus Yredaeus. 

30 Nov. Victor Bickelsma. 

Comelius J.(odoci) Qeisteranus. A° 1605, 23 Martii. 
Hieremias Bastingius. 25 Aprilis. 

13 Nov. Theodorus Guilielmi Boom". 
Yan den regent Bertius ontvingen de requestranten het navol- 
gend schrijven: 

„Responsum octo prioribus in secunda mensa sedentibus datum. 
— Omnes ad studium locorum communium et linguae hebraeae 
promovebuntur : qui tamen biennium cum semestri nondum ex- 
pleverunt, ii lectionum graecarum repetitiones cum posterioribus 
andient. Honorarium vero quod in prima mensa sedentibus ex 
regentis arbitrio pro cujusque meritis confertur, non habebunt nisi 
qui post examen ad eandem mensam promoti fuerint. Reliquis 
immunitatibus instrumentorum musicorum et exeundi firuentur 
pari cum majoribus jure. Ad disputationes theologicas (er schijnt 
gestaan te hebben: archeologicas) admittentur juxta Swanium: 
Gbsuinus, Joannes Joannis, Jeremias Bastingius, et caeteri" (er 
stond nog: ^praeter Comelium Geisteranum", maar dat is later 
doorgehaald). Brieven SkU.-colL, II, 15. 

XLI¥ (blz. 82, aant. 5). Ten bewijze, hoe Arminius door de 

Digitized by VjOOQ IC 



XXXVI BULAGBN. 

verzorgers van Leidens hoogeschool uitermate werd bevoorrecht, 
kan het volgende strekken: 

Nog vóór zijne overkomst uit Amsterdam, ontvangt hij — zie 
Hand» v. cur., 8 Mei 1603 — de toezegging, dat curatoren en 
burgemeesters „op vasten hoope die sij hebben vande diensten bij 
hem aende universiteijt te doen, niet en zullen naerlaten off jaer- 
licx, off om de twee off drie jaren, hem extraordinarie nog een 
vereeringe te doen, tot behulp van sijn huijshuer off andersints. 
Ende dit boven alle de emolumenten die de ordinarise professoren 
gewoon sijn te trecken". 

Volgens de hem gedane belofte, krijgt nu Arminius „tot behnlp 
van sijn huijshuer" eene gratificatie van 150 gld. in 1604, van 
200 gld. in 1605, van 250 gld. in 1606, van 300 gld. in 1607. 
Daarmede evenwel blijkt de goedgunstigheid van HH. curatoren 
haar hoogste punt bereikt te hebben; want op 8 Mei 1608 ver- 
melden de notulen, dat hem 300 gld. voor huishuur „als voor 
heenen" wordt toegevoegd. 

Ook de onkosten , ten bedrage van 200 gld., door Arminius ge- 
maakt bij gelegenheid zijner promotie tot theologiae doctor, ontvangt 
hij terug — zie Hand. v. &ur., 8 Aug. 1603 — nochtans onder 
beding: „dat des voorschreve Arminii naem inde ordonnantie 
niet en sal worden uijtgedruckt , om redenen den voors. curateurs 
ende burgemeesteren bewegende". 

Nog vóór hij zijn vroegste tractement als hoogleeraar te Leiden 
int, wordt door HH. curatoren geresolveerd: „dat niettegenstaende 
d. Jacobus Arminius professor theologiae eerst int lopende vieren- 
deeljaers hadde begonst te betreeden de voorschreve professie, men 
egter (in verseeckeringe dat hij de gunst vanden curateurs ende 
burgemeesteren met naerstigheijt sal willen compenseren) hem 'tge- 
heele vierendeeljaers sal laaten volgen". HaTid. v, cur., 9 Nov. 1603. 

XLV (bk. 83, aant. 1). Naaste oorzaak van dat oproer was de 
doodslag door een „stoep" — d. i. door een van de soldaten der 
wacht — gepleegd aan den 's morgens pas gepromoveerden jurist, 
Assuerus Homhovius. De hoogleeraar Baudius, die zijne rede »ad 
studiosos Leydenses, ob caedem commilitonis tumultuantes" reeds 
had opgesteld en haar den 8"*«^ Februari 1608 in het groot audi- 
torium dacht te houden, kreeg last, van deze toespraak ten eenen 
male af te zien, wijl senaat en curatoren nieuwe onaangenaam- 
heden zooveel mogelijk vermijden wilden. Later heeft Baudius, 



Digitized by VjOOQ IC 



BLTLAGBN. XXXVH 

onder zijne uitgegeyen redeyoeringen , ook die oratie opgenomen. 
Een koddigen indruk maakt het, aan het slot daaryan te lezen: 
lyGratias yobis ago quam possnm amplissimas, partim qupd ingenti 
frequentia conflnxistis ad hanc actionem, ut ipsa quodammodo 
academia sedibus suis excita yideatur, partim quod cum benignitate 
et attentione Bum a yobis auditus". Dominicus Baudius, Episiolarum 
centuriae tree; lacunis aUquot suppletie, Accedunt ejuedem orationee, 
Lngd. Bat., 1636, p. 820. 

XL¥I (blz. 87, aant. 3). Wanneer Schotel, in zijne Academie, 
blz. 372, schrijft: „Van Gomarus wordt gemeld, dat hij nooit een 
les yerzuimd heeft, 't geen de pedellen niet yan de oyerige hoog^ 
leeraren konden getnigen", dan blijkt uit die aanteekening, hoe 
hij de notulen yan HH